id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.435 Rolnummer: A. 68654/X-6518 Zaak: Arrest 186435 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.435 van 23 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.435 van 23 september 2008 in de zaak A. 68.654/X-6518. In zake : Hubert GILLES, die woonplaats kiest bij advocaat J. PEETERS, kantoor houdende te 3400 LANDEN, Brugstraat 17 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hubert GILLES op 24 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse regering van 22 november 1995 houdende vaststelling van een gedeeltelijke herziening van het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren voor infrastructuurwerken en werken van openbaar nut en voor de ruimtelijke ordening in Voeren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 februari 1996, “voor wat betreft het grondgebied van de gemeente Voeren, minstens voor wat betreft de bestemmingswijzigingen aangebracht op kaartblad 34/7 en voor wat betreft de bestemmingswijzigingen aangebracht aan de eigendom van verzoekende partij nl. het onroerend goed, gelegen te Voeren-Moelingen, gelegen Mescherstraat nr. 117 en kadastraal bekend onder sectie B, nr. 107/c - Huis - met een oppervlakte van 09a 62ca”; Gelet op het arrest nr. 66.655 van 9 juni 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 19 juni 1997 ingediend door de verzoeker; X-6518-1/20 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 1 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker en zijn echtgenote zijn eigenaar en bewoner van een huis met bijhorende grond aan de Mescherstraat 117 te Moelingen-Voeren, kadastraal bekend sectie B, nr. 107/c. 1.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, ligt een noordelijk deel van het perceel aan de straatkant in woongebied met landelijk karakter, en ligt een zuidelijk deel in agrarisch gebied. X-6518-2/20 1.3. Bij besluit van 14 september 1994 gaat de Vlaamse regering over tot de voorlopige vaststelling van een ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren, onder meer voor wat betreft “de ruimtelijke ordening in Voeren”. Volgens de tekst van het besluit is het de bedoeling “aan enkele kleine gebieden” een nieuwe bestemming te geven “in functie van wonen, open ruimte, recreatie, openbare nutsvoorzieningen en ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen”. Uit de aanduidingen op de bijgevoegde plankaarten blijkt dat in Moelingen de bestemming van een stuk grond, dat de eigendom van de verzoeker voor het zuidelijk deel omvat, zou wijzigen van agrarisch gebied naar woonuitbreidingsgebied. Verder in noordelijke richting, vlakbij de landsgrens met Nederland, zou een woonuitbreidingsgebied (“binnengebied Withuis”) dat op de oorspronkelijke gewestplankaart aangeduid was, plaats moeten maken voor een parkgebied, met aan de straatkant een klein stuk woongebied met landelijk karakter. 1.4. De verzoeker richt naar aanleiding van het openbaar onderzoek over de voorgenomen gewestplanwijziging op 27 maart 1995 een bezwaarschrift aan de provinciegouverneur van Limburg. In dat bezwaarschrift voert hij aan dat de voorgenomen bestemmingswijziging zou impliceren dat hij een gedeelte van zijn achtertuin zou moeten afstaan bij de tenuitvoerlegging van het nieuwe gewestplan omdat de betrokken gronden worden onteigend. 1.5. Op 20 maart 1995, lopende het openbaar onderzoek, beraadslaagt de gemeenteraad van Voeren een eerste maal over het ontwerp-gewestplan, en wordt beslist dat de gemeente zich verzet tegen het nieuwe woonuitbreidingsgebied te Moelingen. 1.6. Op 30 mei 1995 brengt de gemeenteraad van Voeren een negatief advies uit over het ontwerp-gewestplan, “gelet op het verzet van gans de bevolking”. 1.7. De provinciegouverneur van Limburg schorst op 7 juli 1995 het door de gemeenteraad uitgebrachte advies. X-6518-3/20 1.8. Op 21 september 1995 brengt de Regionale Commissie van Advies voor de ruimtelijke ordening van de provincie Limburg een advies uit over het ontwerp-gewestplan. Aangezien het advies van de gemeenteraad van Voeren was geschorst, werd op dit advies niet geantwoord. Het bezwaarschrift ingediend door de verzoeker wordt door de Regionale Commissie niet afzonderlijk beantwoord. In de toelichting bij haar advies stelt de Commissie wel dat “bezwaren zonder voorwerp of met een zeer specifieke inhoud” niet in de “clustering” worden opgenomen, wat betekent dat deze bezwaren geen individuele behandeling krijgen. Het standpunt van de Regionale Commissie van Advies inzake het parkgebied en inzake het woonuitbreidingsgebied luidt als volgt: “I. Inzake voorziene parkgebied (binnengebied Withuis)
- a)De Commissie gaat niet akkoord met deze wijziging.
- b)De Commissie wenst het behoud van de bestemming woonuitbreidingsgebied. Argumentatie:
- a)De motivatie tot schrapping van dit woonuitbreidingsgebied (landschappelijke redenen) is ongeloofwaardig en kan evenzeer gelden voor het woonuitbreidingsgebied dat als compensatie wordt voorzien.
- b)De Commissie betwist de noodzaak aan parkzone in een kleine gemeente die van nature reeds over zeer veel zacht recreatieve mogelijkheden en open ruimte beschikt.
- c)Bij de bevolking heerst vrees voor overlast door drugsverslaafden indien deze bestemming wordt gerealiseerd. J. Inzake voorziene woonuitbreidingsgebied Moelingen: De Commissie gaat akkoord met deze wijziging op voorwaarde dat hiervoor een duidelijke behoefte wordt bewezen met incalculering van het bestaand woonuitbreidingsgebied dat behouden blijft. Argumentatie:
- a)Het voorzien van dit woonuitbreidingsgebied om redenen van compensatie van een bestaand woonuitbreidingsgebied dat om landschappelijke redenen wordt geschrapt is, gelet op de plaatselijke ruimtelijke toestand ongeloofwaardig.
- b)Indien een reële behoefte aan woongebied aanwezig is, kan men beter voortgaan op het bestaand gewestplan dat reeds lang voorzag in een woonuitbreidingsgebied”. 1.9. Bij besluit van de Vlaamse regering van 22 november 1995 wordt de wijziging van het gewestplan Sint-Truiden-Tongeren definitief vastgesteld. Het nieuwe woonuitbreidingsgebied te Moelingen (in de plaats van agrarisch gebied) blijft volledig behouden. In de plaats van het vroegere woonuitbreidingsgebied in noordelijke richting komt echter geen parkgebied meer voor, maar een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, met aan de straatkant een klein stuk woongebied met landelijk karakter. X-6518-4/20 Over deze bestemmingswijzigingen bevat het besluit de volgende overweging: “Overwegende dat te Moelingen een ruiling van het woonuitbreidingsgebied aangewezen is omwille van de kernversterkende werking enerzijds en omwille van landschappelijke reden anderzijds; dat het binnenliggend gebied van het vroegere woonuitbreidingsgebied als landschappelijk waardevol gebied wordt aangeduid in overeenstemming met de bestaande toestand”. 2. Ten gronde 2.1.1.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in diensten en instellingen van de Vlaamse Gemeenschap. Hij betoogt dat doordat het bestreden besluit de bodembestemming van zijn eigendom wijzigt en hij verplicht wordt zijn perceel te gebruiken en te bestemmen overeenkomstig de nieuwe bestemmingsvoorschriften, het besluit als een rechtshandeling met individuele strekking met onmiddellijke rechtsgevolgen voor de verzoeker moet worden beschouwd. Nu het besluit niet is gemotiveerd zoals is voorgeschreven voor bestuurshandelingen met individuele draagwijdte, ligt een schending van de motiveringsverplichting voor. 2.1.1.2. De verwerende partij werpt op dat het bestreden besluit een reglementair besluit is en geen rechtshandeling met individuele strekking. 2.1.1.3. De verzoeker repliceert dat een dergelijke stelling tot gevolg zou hebben dat de overheid op een totaal willekeurige en arbitraire wijze en zonder de feitelijke en juridische overwegingen te laten kennen, de bestemming van de eigendom van de verzoeker kan wijzigen. De totstandkomingsprocedure voor een reglementair besluit zou voor de verzoeker nog voldoende waarborgen bieden indien alle ontworpen bestemmingswijzigingen voor advies zouden moeten worden voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, maar aangezien dit laatste niet het geval is, kan enkel worden geconcludeerd dat de motiveringsverplichting moet worden toegepast opdat de verzoeker niet zonder enige rechtsbescherming blijft tegen de willekeur van de overheid bij het opleggen van bestemmingswijzigingen. X-6518-5/20 2.1.2.1. Overeenkomstig artikel 2, § 1, derde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw hebben gewestplannen verordenende kracht. Aangezien zij zich richten tot een onbepaald aantal rechtsonderhorigen en zij dwingende gedragsregels bevatten, zijn gewestplannen wel degelijk algemene rechtsregels en geen individuele rechtshandelingen. Het feit dat de verzoeker, net zoals een aantal andere rechtsonderhorigen, persoonlijk de gevolgen van die rechtsregel ondergaat, heeft niet tot gevolg dat het bestreden besluit kan worden aanzien als een individuele rechtshandeling. 2.1.2.2. Naar luid van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in diensten en instellingen van de Vlaamse Gemeenschap is de motiveringsverplichting niet van toepassing op eenzijdige rechtshandelingen van de overheid “met individuele strekking”. Het bestreden besluit moet derhalve niet formeel worden gemotiveerd door de overheid die het heeft uitgevaardigd en kan om die reden niet als onwettig worden beschouwd. De verdere argumentatie van de verzoeker doet geen afbreuk aan deze vaststelling. 2.1.3. Het eerste middel is ongegrond. 2.2.1.1. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 6 (lees: 10) van de Grondwet, artikel 3, § 1 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt dat het bestreden besluit niet voor advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State en dat evenmin de dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen. Voor andere gewestplanwijzigingen, met name voor wat betreft de gemeenten Zonhoven, Genk en Leopoldsburg, heeft de Vlaamse regering laten weten dat zij wel het advies van de Raad van State zou inwinnen. 2.2.1.2. De verwerende partij stelt dat het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State enkel vereist is als de betrokken bestemmingswijziging fundamenteel afwijkt van het koninklijk besluit van X-6518-6/20 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. In de eerste plaats heeft de verzoeker geen belang bij dit middel, omdat de betrokken bestemmingswijziging van agrarisch gebied naar woonuitbreidingsgebied niet afwijkt van het bovengenoemde besluit. In de tweede plaats bevat het bestreden besluit weliswaar drie aanvullende stedenbouwkundige voorschriften, die echter geen betrekking hebben op het perceel van de verzoeker. 2.2.1.3. De verzoeker repliceert dat de bestemmingswijziging die hij aanvecht, in een ruimer perspectief moet worden beschouwd en ondersteund moet zijn door een verdedigbare globale planbenadering over het hele grondgebied waarop het gewestplan van toepassing is. Het creëren van woonuitbreidingsgebieden hangt immers samen met de woonbehoeften in de verscheidene gemeenten. 2.2.2.1. Een besluit waarmee een (herziening van een) gewestplan wordt vastgesteld moet niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State worden voorgelegd wanneer de bestemmingsvoorschriften geen aanvullingen of afwijkingen inhouden ten aanzien van de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Dergelijke bestemmingsvoorschriften moeten immers niet geacht worden reglementaire besluiten te zijn in de zin van artikel 3 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 2.2.2.2. Het bestreden besluit werd niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd. Het bevat weliswaar een aantal aanvullende bestemmingsvoorschriften, maar die voorschriften hebben geen betrekking op het perceel van de verzoeker of op de onmiddellijke omgeving. De verzoeker heeft niet het rechtens vereiste belang bij dit middel. Het betoog van de verzoeker dat de bestemmingswijziging van agrarisch gebied naar woonuitbreidingsgebied in een ruimer perspectief beschouwd moeten worden en dat er aldus over het hele grondgebied van het gewestplan bekeken wel sprake is van een aanvullend stedenbouwkundig voorschrift, faalt in rechte, nu een loutere bestemmingswijziging van een gebied niet gelijkgesteld kan worden met de vaststelling van een bestemmingsvoorschrift. 2.2.3. Het tweede middel is ongegrond. X-6518-7/20 2.3.1.1. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van artikel 9 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Hij betoogt dat de wettelijke verplichting om een openbaar onderzoek in te stellen ook de verplichting met zich meebrengt, zowel voor de Regionale Commissie van advies als voor de Vlaamse regering om van de regelmatig ingediende bezwaren kennis te nemen, ze te onderzoeken en er een oordeel over uit te spreken. Het bestreden besluit voldoet evenwel niet aan deze verplichting. Uit de motivering van het besluit blijkt niet dat de Vlaamse regering kennis heeft genomen van de bezwaren van de verzoeker, ze heeft onderzocht of er een oordeel over heeft uitgesproken. 2.3.1.2. De verwerende partij repliceert dat de naar aanleiding van het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen werden voorgelegd aan de Regionale Commissie van Advies. De Commissie heeft de bezwaren onderzocht en er een afdoende gemotiveerd advies over uitgebracht, met dien verstande dat het bezwaarschrift van de verzoeker niet werd behandeld omdat het zonder voorwerp was. Op de punten waar de Vlaamse regering is afgeweken van het advies van de Commissie, heeft zij haar besluit afdoende gemotiveerd. 2.3.2.1. Overeenkomstig artikel 13, § 4 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw moet de Regionale Commissie van Advies over het voorlopig vastgestelde ontwerp-gewestplan, de ingediende bezwaren en opmerkingen en de adviezen van de gemeenteraad en van de bestendige deputatie een advies geven. Dit houdt in dat onder meer de ingediende bezwaren en opmerkingen door de Commissie worden beoordeeld op hun pertinentie en dat de Commissie daarover een standpunt moet innemen. Overeenkomstig artikel 13, § 7, derde lid van dezelfde wet moet de Vlaamse regering bij de vaststelling van het gewestplan haar beslissing motiveren in de mate dat zij afwijkt van het advies van de Commissie. 2.3.2.2. Uit het voorgaande blijkt dat het middel uitgaat van een verkeerde lezing van de wet en dat de eventuele tekortkoming in de motivering van het bestreden besluit enkel kan worden veroorzaakt door
(1)een tekortkoming in de motivering van het advies van de Regionale Commissie van Advies die de deugdelijke motivering van het bestreden besluit zou aantasten of
(2)een tekortkoming in de motivering van een afwijking van het advies van de Commissie. X-6518-8/20 Het eerste aspect komt aan bod in het zesde middel, dat ongegrond blijkt te zijn. Het tweede aspect krijgt zijn beslag in het vierde middel, dat eveneens ongegrond wordt bevonden. 2.3.
- Het derde middel is ongegrond. 2.4.1.
- De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 13, § 7 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Hij betoogt dat het bestreden besluit afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies zonder dat dit op afdoende wijze wordt gemotiveerd. Hooguit worden abstracte stijlclausules vermeld die niet als een voldoende concreet en afdoend antwoord kunnen worden aangemerkt. 2.4.1.
- De verwerende partij repliceert dat de Vlaamse regering overeenkomstig de aangehaalde wetsbepaling haar besluit op omstandige wijze heeft gemotiveerd op de punten waar het afweek van het advies van de Regionale Commissie van Advies. 2.4.2.
- Overeenkomstig artikel 13, § 7, derde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw moet de Vlaamse regering bij de vaststelling van het gewestplan haar beslissing motiveren waarmee zij afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies. Zij is derhalve niet verplicht om in te gaan op de eventueel door de Commissie geformuleerde opmerkingen en voorwaarden, zolang zij die beleidskeuze afdoende motiveert. In haar advies verklaarde de Commissie zich, voor wat betreft de voorziene bestemmingswijziging van agrarisch gebied naar woonuitbreidingsgebied “akkoord met deze wijziging op voorwaarde dat hiervoor een duidelijke behoefte wordt bewezen met incalculering van het bestaand woonuitbreidingsgebied dat behouden blijft”. De Commissie liet daarbij in haar argumentatie blijken dat de aldus voorziene compensatie met de bestemmingswijziging van woonuitbreidingsgebied naar parkgebied (“binnengebied Withuis”) om landschappelijke redenen, “gelet op de plaatselijke ruimtelijke toestand ongeloofwaardig” was. Over deze laatste bestemmingswijziging bracht de Commissie overigens een negatief advies uit en pleitte zij voor het behoud van het bestaande woonuitbreidingsgebied (zie punt 1.8 van het feitenrelaas). X-6518-9/20 De Vlaamse regering heeft het ontwerpgewestplan ten dele gewijzigd om aan dat advies tegemoet te komen. Voor wat betreft het geplande woonuitbreidingsgebied werd geen wijziging aangebracht, maar het geplande parkgebied werd omgezet in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In de motivering van het bestreden besluit werd gesteld dat “te Moelingen een ruiling van het woonuitbreidingsgebied aangewezen is omwille van de kernversterkende werking enerzijds en omwille van landschappelijke reden anderzijds” en “dat het binnenliggend gebied van het vroegere woonuitbreidingsgebied als landschappelijk waardevol gebied wordt aangeduid in overeenstemming met de bestaande toestand” (zie punt 1.9 van het feitenrelaas). 2.4.2.
- Voor wat betreft het geplande woonuitbreidingsgebied wijkt de Vlaamse regering alleszins niet af van het advies van de Regionale Commissie van Advies, die haar principieel akkoord had betuigd met dat onderdeel van het ontwerpgewestplan. Zelfs indien men aanneemt dat, voor de twee betrokken gebieden samen beschouwd, er sprake is van een gedeeltelijke afwijking van het advies van de Regionale Commissie van Advies (dat immers ten dele ook wordt gevolgd), wordt die afwijking afdoende gemotiveerd. Enerzijds blijkt immers uit die motivering dat de Vlaamse regering de realisatie van woonuitbreidingsgebied in het “binnengebied Withuis” om “landschappelijke reden” niet meer opportuun acht en daarom aan die gronden de bestemming van landschappelijk waardevol gebied toekent. Anderzijds blijkt de realisatie van een woonuitbreidingsgebied dichter bij de dorpskern van Moelingen aangewezen omwille van de “kernversterkende werking”. Het standpunt van de verzoeker dat het in dezen gaat om abstracte stijlclausules kan dan ook niet worden bijgetreden, nu de motivering ten opzichte van het advies van de Regionale Commissie van Advies weliswaar beknopt, maar afdoende is. 2.4.
- Het vierde middel is ongegrond. 2.5.1.
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 11 en 43, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Hij betoogt dat het bestreden besluit is tot stand gekomen zonder dat de Regionale Commissie van Advies voorafgaandelijk werd geraadpleegd, terwijl die voorafgaandelijke raadpleging een substantieel vormvereiste is. X-6518-10/20 2.5.1.
- De verwerende partij repliceert dat een dergelijke stelling geen enkele juridische basis vindt in de door de verzoeker aangehaalde wetsbepalingen. 2.5.1.
- De verzoeker dupliceert dat overeenkomstig artikel 11 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, de Vlaamse regering de betrokken Regionale Commissie van Advies moet raadplegen vooraleer zij de gewesten aanwijst waarvoor plannen van aanleg moeten worden opgemaakt. Overeenkomstig artikel 43, vierde lid van dezelfde wet zijn de bepalingen met betrekking tot het opmaken van de plannen ook van toepassing op de herziening ervan. Dit impliceert dat de Regionale Commissie van Advies moest worden geraadpleegd vooraleer de gewesten werden aangewezen waarvoor een plan van aanleg herzien moest worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met de rol van de Regionale Commissie van Advies als een waarborg van participatie van de burgers in de besluitvorming. Aangezien het in dezen een substantieel vormvereiste betreft, heeft de herzieningsprocedure een onregelmatige inzet gekend. 2.5.2.
- Artikel 11 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw luidt als volgt: “De Koning (lees: de Vlaamse regering) wijst, na raadpleging van de betrokken Regionale Commissie, hetzij van ambtswege, hetzij op voorstel van openbare of private regionale lichamen, de gewesten aan waarvoor plannen van aanleg moeten worden opgemaakt”. Deze bepaling beoogt de voorafgaande raadpleging van de Regionale Commissie van Advies vooraleer de gewesten worden aangewezen waarvoor gewestplannen de eerste keer moeten worden opgemaakt. Voor wat betreft het gewestplan dat door het bestreden besluit werd gewijzigd, is die aanwijzing gebeurd bij koninklijk besluit van 20 april 1962 houdende aanwijzing van een gewest (Sint-Truiden-Tongeren) waarvoor een plan van aanleg moet worden opgemaakt, zoals gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober
- Dit koninklijk besluit situeert het betrokken gewest geografisch en bepaalt zijn grenzen, maar bevat geen inhoudelijke bepalingen met betrekking tot de bestemming van het gewest of onderdelen van dit gewest. Het bestreden besluit heeft geen wijziging aangebracht aan de gebiedsomschrijving van het betrokken gewest en heeft enkel de bestemming van bepaalde gebieden in dit gewest gewijzigd. Het heeft formeel noch inhoudelijk een wijziging aangebracht in het koninklijk besluit van 20 april
- X-6518-11/20 2.5.2.
- Artikel 43, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw bepaalt het volgende: “De bepalingen betreffende het opmaken van de plannen van aanleg zijn mede van toepassing op de herziening ervan”. Deze wetsbepaling heeft enkel betrekking op de bepalingen die de eigenlijke opmaak van de plannen van aanleg betreffen, in het concrete geval artikel 13 van dezelfde wet. De bepaling met betrekking tot de aanwijzing van de gewesten waarvoor een plan van aanleg moet worden opgemaakt (artikel 11 van dezelfde wet) kan niet worden beschouwd als een bepaling met betrekking tot de opmaak van het plan van aanleg. 2.5.
- Het vijfde middel is ongegrond. 2.6.1.
- In een zesde middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 13, §§ 5 en 7 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Hij betoogt dat de Regionale Commissie van Advies in haar advies niet heeft geantwoord op zijn bezwaren. 2.6.1.
- De verwerende partij werpt op dat het bezwaarschrift van de verzoeker zonder voorwerp was en geen enkel verband hield met de beoogde gewestplanwijzigingen. Zo stelde hij ten onrechte dat hij een deel van zijn tuin moest afstaan, terwijl enkel sprake kan zijn van een bestemmingswijziging. Hij betoogde tevens dat de leefbaarheid van zijn woning in het gedrang zou komen door onteigening, terwijl er geen sprake is van onteigening. Nu de Regionale Commissie van Advies opmerkte dat bezwaren zonder voorwerp of met zeer specifieke inhoud niet werden opgenomen, blijkt duidelijk dat de Commissie met reden niet op zijn bezwaren heeft geantwoord. 2.6.2.
- De Regionale Commissie van Advies moet in het advies dat zij uitbrengt overeenkomstig artikel 13, § 4 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw kennis nemen van de door particulieren ingediende bezwaarschriften en ze naar behoren behandelen en beantwoorden. Uit het feit dat de Vlaamse regering het besluit waarmee zij het gewestplan definitief vaststelt, met bijzondere redenen moet omkleden in de mate dat het afwijkt van het advies van de Regionale Commissie, zoals voorgeschreven door artikel 13, § 7, derde lid van dezelfde wet, kan evenwel nog niet worden X-6518-12/20 afgeleid dat die bijzondere motiveringsverplichting zonder meer van toepassing is op het advies van de Regionale Commissie, voor wat betreft de door particulieren ingediende bezwaarschriften. Als voorbereidende handeling van een reglementair besluit valt het advies evenmin onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen. Wel moet uit het advies van de Regionale Commissie voor de bezwaarindiener op begrijpelijke wijze blijken waarom zijn bezwaar als niet gegrond werd bevonden. 2.6.2.
- Vooreerst moet worden opgemerkt dat in casu in het advies van de Regionale Commissie ook de argumentatie voor het door de Regionale Commissie ingenomen standpunt voorkomt (zie punt 1.8 van het feitenrelaas). In de mate waarin dit standpunt betrekking heeft op de onderdelen van het voorlopig vastgestelde ontwerpgewestplan waarop ook het bezwaarschrift van de verzoeker betrekking had, kan de argumentatie van dat standpunt ook worden aanzien als een onderdeel van het antwoord dat de Regionale Commissie heeft gegeven op onder meer het bezwaarschrift van de verzoeker. De Regionale Commissie van Advies kan bovendien voorbijgaan aan bezwaren die niet technisch gemotiveerd zijn. Het bezwaar van de verzoeker kwam er op neer dat hij een gedeelte van zijn tuin zou moeten “afstaan” en dat er sprake is van een “onteigening” van zijn gronden, zonder dat ingegaan werd op de eigenlijke bestemmingswijziging. Voor zover al uit het bezwaarschrift een kritiek op de bestemmingswijziging zou kunnen worden afgeleid, wordt daarop in voldoende mate geantwoord in de zo-even aangehaalde argumentatie voor het standpunt van de Regionale Commissie. 2.6.
- Het zesde middel is ongegrond. 2.7.1.
- In een zevende middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 13, § 3 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Hij betoogt dat de Regionale Commissie in haar advies niet heeft geantwoord op de twee adviezen die zijn uitgebracht door de gemeenteraad van Voeren, wat de wettigheid van het bestreden besluit aantast. Het advies van 30 mei 1995 werd niet onderzocht omdat het was geschorst door de gouverneur van de provincie Limburg, maar dat verantwoordt nog niet waarom het eerdere advies van 20 maart 1995 door de Regionale Commissie niet werd onderzocht. Bovendien X-6518-13/20 onderzocht de Vlaamse regering in de motivering van het bestreden besluit wel het advies van 30 mei
- 2.7.1.
- De verwerende partij werpt op dat het advies van de gemeenteraad van Voeren in tegenstelling tot de adviezen van de andere gemeenteraden buiten de gewestplanwijziging viel en bijgevolg zonder voorwerp was, zoals wordt vermeld in de aanhef van het bestreden besluit. 2.7.1.
- De verzoeker dupliceert dat aangezien de schorsing van het advies van de gemeenteraad van Voeren van 30 mei 1995 ongedaan was gemaakt, dat advies toch moest worden onderzocht door de Regionale Commissie. Dat het advies alsnog aan bod komt in de motivering van het bestreden besluit doet niet ter zake, aangezien de Vlaamse regering zich niet in de plaats kan stellen van de Regionale Commissie en eigenlijk een nieuw advies aan de Regionale Commissie had moeten vragen. In de motivering van het bestreden besluit wordt overigens impliciet te kennen gegeven dat een aantal voorstellen uit het advies van de gemeenteraad van Voeren betrekking hebben op de gewestplanwijziging, maar wordt er niet op ingegaan. 2.7.2.
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat het door de verzoeker uiteengezette middel eigenlijk neerkomt op een aangevoerde schending van artikel 13, § 4 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en niet van artikel 13, § 3 van dezelfde wet, zoals verkeerdelijk in het verzoekschrift wordt vermeld. De verplichting van de Regionale Commissie van Advies om te antwoorden op (onder meer) het advies van de gemeenteraden moet immers uit de eerstgenoemde wetsbepaling worden afgeleid. Het middel wordt met rechtzetting van deze materiële vergissing verder onderzocht. 2.7.2.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het advies van de gemeenteraad van Voeren van 30 mei 1995 veel uitgebreider en gedetailleerder is dan het advies dat werd aangenomen op 20 maart
- Het tweede advies moet derhalve geacht worden in de plaats te zijn gekomen van het eerste advies, nu het de algemeen geformuleerde opmerkingen in het eerste advies verder uitwerkt. 2.7.2.
- Het advies van de gemeenteraad van Voeren van 30 mei 1995 werd door de provinciegouverneur van Limburg geschorst op 7 juli 1995 overeenkomstig artikel 264 van de nieuwe gemeentewet. Toen de Regionale X-6518-14/20 Commissie op 21 september 1995 haar advies uitbracht, was het advies nog steeds geschorst, wat inhoudt dat het advies van de gemeenteraad van Voeren geen rechtsgevolgen kon ressorteren en dat de Commissie er geen rekening mee vermocht te houden en er derhalve ook niet op te antwoorden. In de mate dat het advies niet antwoordt op het advies van de gemeenteraad van Voeren, ligt er dan ook geen schending voor van artikel 13, § 4 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. 2.7.2.
- Op 4 oktober 1995 gaf het college van provinciegouverneurs niet het overeenkomstig artikel 265, § 3 van de nieuwe gemeentewet vereiste eensluidend advies voor de vernietiging van het advies van de gemeenteraad van Voeren. Na het verstrijken van de termijn van veertig dagen voor de vernietiging van het geschorste besluit, is vervolgens overeenkomstig artikel 264, vierde lid van de nieuwe gemeentewet de schorsing van het advies van de gemeenteraad van Voeren opgeheven. Het advies heeft pas na die opheffing van de schorsing opnieuw rechtsgevolgen kunnen ressorteren. Het advies van de Regionale Commissie van Advies is daardoor achteraf beschouwd niet onregelmatig geworden, aangezien dat advies regelmatig was uitgebracht en de latere ontwikkelingen, met name voor wat betreft het advies van de gemeenteraad van Voeren, de rechtsgeldigheid van het eerstgenoemde advies niet aantasten. 2.7.2.
- Dat in de motivering van het bestreden besluit alsnog naar het advies van de gemeenteraad van Voeren van 30 mei 1995 wordt verwezen, is evenwel niet ter zake voor de door de verzoeker aangevoerde onwettigheid, nu, zoals hij zelf voorhoudt, “de Vlaamse regering zich niet in de plaats kan stellen noch subrogeren in het wettelijk voorzien inspraak- en adviesorgaan dat de Regionale Commissie van Advies uitmaakt”. De Vlaamse regering moet overeenkomstig artikel 13, § 7, derde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw weliswaar haar beslissing motiveren indien zij afwijkt van het advies van de Regionale Commissie van Advies, maar een dergelijke bijzondere motiveringsplicht bestaat in hoofde van de Vlaamse regering niet ten aanzien van de adviezen die zijn uitgebracht door de betrokken gemeenteraden. Het feit dat de Regionale Commissie van Advies het advies van de gemeenteraad van Voeren niet heeft kunnen onderzoeken, doet hieraan geen afbreuk. Het feit dat de Vlaamse regering in de motivering van het bestreden besluit ingaat op het advies van de gemeenteraad van Voeren om vast te X-6518-15/20 stellen dat een aantal van de voorstellen “buiten de huidige gewestplanwijziging vallen en derhalve zonder voorwerp zijn”, doet niets af aan het voorgaande. Hooguit kunnen die overwegingen worden aangemerkt als een overtollige motivering van het bestreden besluit. 2.7.2.
- Zoals zo-even reeds werd vastgesteld, was het advies van de Regionale Commissie niet onregelmatig door het feit dat de Commissie niet heeft geantwoord op het toen nog geschorste advies van de gemeenteraad van Voeren. De Vlaamse regering was derhalve ook niet verplicht om een onregelmatigheid te herstellen door de Regionale Commissie om een nieuw of een aanvullend advies te vragen. 2.7.
- Het zevende middel is ongegrond. 2.8.1.
- De verzoeker voert in een achtste middel de schending aan van de artikelen 11, § 2 en 34 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, van artikel 13, § 2, eerste lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij stelt dat de stukken die naar aanleiding van het openbaar onderzoek ter inzage werden gelegd, niet allemaal in het Nederlands en in het Frans waren gesteld. De geschreven vermeldingen op plannen en kaarten kwamen met name uitsluitend in het Nederlands voor, terwijl ook deze plannen en kaarten verordenende kracht hebben. Doordat de verzoeker daardoor slechts een beperkt inzagerecht kreeg, werden zijn persoonlijke belangen gekrenkt en kon hij slechts een beperkt bezwaar indienen. Daar komt bij dat geen orthofotoplannen ter inzage werden gelegd en dat de Regionale Commissie zelf had opgemerkt dat ook een ernstige verantwoordingsnota had moeten worden voorgelegd aan het publiek. 2.8.1.
- De verwerende partij werpt op dat de bekendmaking van gewestplannen sinds 1 januari 1994 geregeld wordt door artikel 13bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, ingevoegd bij het decreet van 22 december
- Overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van het normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan zijn de stukken die betrekking hebben op de aanduiding van de bestaande toestand het niet-normatief deel van het gewestplan, die overeenkomstig de voornoemde X-6518-16/20 decretale bepaling enkel ter inzage moeten liggen op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de administratie Ruimtelijke Ordening. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 86/95 van 21 december 1995 gesteld dat “administratieve rechtshandelingen die na de inwerkingtreding van het decreet zijn gesteld, niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan”. 2.8.1.
- De verzoeker repliceert dat zijn middel betrekking heeft op de taal en de samenstelling van het dossier dat ter inzage werd gelegd naar aanleiding van het openbaar onderzoek en niet op de inzage van het definitief vastgestelde gewestplan. De verwerende partij biedt geen repliek op zijn argumentatie en in het administratief dossier werden ook geen stukken opgenomen waaruit kan blijken dat de inzage van het dossier op regelmatige en wettige wijze is georganiseerd. 2.8.2.
- Voor wat betreft de geschreven vermeldingen op de plannen en kaarten die uitsluitend in het Nederlands waren gesteld, moet worden onderzocht of de door de verzoeker aangehaalde wetsbepalingen voorschrijven dat ze ook in het Frans moesten zijn gesteld. Overeenkomstig artikel 11, § 2, tweede lid van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 moeten in de taalgrensgebieden de berichten en mededelingen van plaatselijke diensten die voor het publiek bestemd zijn, in het Nederlands en in het Frans worden gesteld. Artikel 34, § 1 bevat een gelijkaardige verplichting voor gewestelijke diensten. Zoals het middel door de verzoeker werd geformuleerd, zouden de vermeldingen op de plannen en kaarten beschouwd moeten worden als “berichten” en “mededelingen” in de zin van de voornoemde wetsbepalingen. Ook al moet een voorlopig vastgesteld ontwerpgewestplan principieel worden aanzien als een “mededeling” in de zin van artikel 34, § 1 van de voornoemde wetten, in de mate dat het betrekking heeft op de taalgrensgemeenten, toch betekent dit nog niet dat ook de vermeldingen op plannen en kaarten zoals bijvoorbeeld plaatsnamen, ook in het Frans moeten gesteld zijn. Dergelijke louter functionele vermeldingen kunnen niet worden aanzien als zelfstandige boodschappen, voorschriften of inlichtingen die gelijkgesteld kunnen worden met “mededelingen” of “berichten”. X-6518-17/20 2.8.2.
- Voor wat betreft de aangevoerde afwezigheid van orthofotoplannen kan uit de artikelen 12, eerste lid, 1° en 13, § 2, eerste lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw worden afgeleid dat de documenten die naar aanleiding van het openbaar onderzoek ter inzage worden gelegd in het gemeentehuis van elke bij het ontwerpgewestplan betrokken gemeente, ook de aanduiding moeten bevatten van de bestaande toestand. Uit deze wetsbepalingen kan evenwel niet worden afgeleid dat die aanduiding moet gebeuren door middel van orthofotoplannen. De verzoeker voert niet aan dat de documenten die wel ter inzage zijn gelegd op het gemeentehuis, op geen enkele wijze de aanduiding van de bestaande toestand bevatten. Hij geeft integendeel zelf te kennen dat er plannen en kaarten ter inzage waren gelegd. Hij voert niet aan dat die plannen en kaarten inadequaat waren om voldoende inzicht te krijgen in de bestaande toestand. Het feit dat de geschreven vermeldingen uitsluitend in het Nederlands waren gesteld, doet hieraan geen afbreuk, zoals hiervoor al werd vastgesteld. De aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt evenmin onderbouwd door de verzoeker. 2.8.
- Het achtste middel is ongegrond. 2.9.1.
- De verzoeker voert in een negende middel de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij betoogt dat uit een opmerking in het advies van de Regionale Commissie van Advies blijkt dat zij geen behoorlijk en zorgvuldig advies heeft kunnen uitbrengen. In de algemene opmerkingen van de Commissie over het plangebied stelt zij onder meer dat voor de meeste wijzigingen de verantwoording en de achtergrondinformatie ontbreekt om de wijzigingen in hun juiste ruimtelijke context te plaatsen. Tevens wijst zij op het ontbreken van een globale visie over het hele grondgebied van de gemeente Voeren. 2.9.1.
- De verwerende partij werpt op dat de Regionale Commissie wel degelijk op een behoorlijke wijze haar advies heeft kunnen uitbrengen en de ingediende bezwaarschriften heeft kunnen beoordelen. 2.9.1.
- De verzoeker repliceert dat een bepaalde studie in opdracht van de Vlaamse regering niet aan de Regionale Commissie werd meegedeeld, terwijl die studie een sleutelrol heeft gespeeld bij het opstellen van het ontwerpgewestplan. X-6518-18/20 2.9.2.
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat de opmerkingen in het advies van de Regionale Commissie van advies niet van die aard zijn dat zij de regelmatigheid van het advies in het gedrang brengen. De Commissie heeft immers wel degelijk advies gegeven en de bezwaarschriften onderzocht en beantwoord. Voor wat het door de verzoeker geformuleerde bezwaarschrift betreft, werd dit reeds onderzocht in het zesde middel. Voor wat betreft de overige aspecten van het onderzoek door de Commissie, toont de verzoeker niet concreet aan uit welke feitelijke gegevens kan worden opgemaakt dat de Commissie haar wettelijke taak niet zou hebben vervuld of dat het zorgvuldigheidsbeginsel op enige wijze zou zijn geschonden, noch in welk opzicht hij belang heeft bij dit argument. Ook voor wat betreft de door de verzoeker aangehaalde wetenschappelijke studie toont de verzoeker niet aan dat het ontbreken van informatie met betrekking tot de beleidsmotieven voor het ontwerpgewestplan de taak van de Regionale Commissie in die mate heeft bemoeilijkt dat sprake zou kunnen zijn van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. 2.9.2.
- Overeenkomstig artikel 13, § 7 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw kan de Vlaamse regering afwijken van het advies van de Regionale Commissie, zoals reeds werd uiteengezet bij de bespreking van het derde middel. In de mate dat de Commissie de uitgangspunten van het ontwerpgewestplan heeft bekritiseerd, heeft de Vlaamse regering nadere motivering verstrekt in het bestreden besluit. Ook op dit punt toont de verzoeker niet aan uit welke feitelijke gegevens kan worden opgemaakt dat de Vlaamse regering het zorgvuldigheidsbeginsel zou hebben geschonden. 2.9.
- Het negende middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-6518-19/20 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-6518-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.435 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.66.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div