id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.446 Rolnummer: A. 62390/X-9598 Zaak: Arrest 186446 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.446 van 23 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.446 van 23 september 2008 in de zaak A. 62.390/X-9598. In zake : Gerard KEENENS, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat R. VAN RIET, kantoor houdende te 9250 WAASMUNSTER, Nijverheidslaan 11. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerard KEENENS op 17 februari 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 december 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 10 november 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, waarbij hem de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de renovatie van een woning met schuur gelegen aan de Sparrenstraat te Beringen, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 456/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 21 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; X-9598-1/12 Gelet op de beschikking van 16 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van een perceel grond met boerderij en schuur gelegen aan de Sparrenstraat te Beringen op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 456/d. Dit perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk gelegen in agrarisch gebied. 1.2. Op 11 februari 1992 stelt de gemeentepolitie van Beringen ten laste van de verzoeker proces-verbaal op, omdat op het perceel “een nieuw woonhuis staat dat nog niet volledig afgewerkt is” en waarvoor geen bouwvergunning werd afgegeven. Er wordt bevel gegeven om de werken te staken. 1.3. Op 9 maart 1992 dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van Beringen een regularisatieaanvraag in voor “het renoveren bestaande woning en schuur” op het voormelde perceel. 1.4. Bij besluit van 6 mei 1993 weigert het college van burgemeester en schepenen de vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, dat als volgt luidt : “ONGUNSTIG : inplanting en bestemming brengen de goede ordening van de plaats in het gedrang. Het perceel is gelegen in een agrarisch gebied. De bestemming van de nieuw opgerichte konstrukties is zuiver residentieel en dus X-9598-2/12 strijdig met art. 11.4.1. van het K.B. van 28.12.1972 inzake inrichting van de gewestplannen. Ook het mini-decreet kan hier niet toegepast worden daar de werken reeds uitgevoerd zijn en er geen mogelijkheid meer bestaat om de bewoonbaarheid, de oppervlakte of bestemming van de vroegere konstrukties na te gaan. Bovendien is de voorliggende weg onvoldoende uitgerust om voor bebouwing in aanmerking te komen. Tenslotte dient opgemerkt dat, gezien de nog vrij ongeschonden landelijke omgeving, elke residentiële bebouwing als storend moet worden aanzien. Derhalve is de vergunning te weigeren”. 1.5. Op 2 juni 1993 stelt de verzoeker tegen deze weigeringsbeslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 1.6. Bij besluit van 10 november 1993 wordt het beroep door de bestendige deputatie verworpen, op grond van de volgende overwegingen : “Gelet op het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld; Overwegende dat het beroep ertoe strekt vergunning te bekomen voor de renovatie van een woning met schuur langs de Sparrenstraat in de deelgemeente Paal; Overwegende dat het betreffende perceel overeenkomstig het gewestplan Hasselt-Genk gesitueerd is in een agrarisch gebied; dat deze gebieden, overeenkomstig artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; Overwegende dat beroeper een gepensioneerd landbouwer is; dat hij op een perceel aansluitend bij zijn woning en bedrijfsgebouwen zonder vergunning een oude woning heeft herbouwd; Overwegende dat de aanvraag beoordeeld werd aan de hand van de bepalingen van artikel 79 van het decreet van 28 juni 1984; dat dit artikel ondertussen gewijzigd werd bij decreet van 23 juni 1993 en het beroep derhalve binnen het kader van deze nieuwe wetgeving dient behandeld; dat hierin wordt bepaald dat een afwijking op de voorschriften van de gewestplannen slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, en dat de verbouwing van een bestaand vergund gebouw op dezelfde plaats oppervlaktevermeerdering noch volumevermeerdering kan inhouden; Overwegende dat een residentiële bestemming ter plaatse in een open en uitgesproken agrarische omgeving niet verantwoord of aanvaardbaar is; Overwegende dat bij ons plaatsbezoek werd vastgesteld dat de woning een volledige nieuwbouwconstructie betreft en dat van de oorspronkelijke toestand niets meer te herkennen valt; dat derhalve niet kan worden beoordeeld in hoeverre aan de gestelde voorwaarde is voldaan; dat uit de opmetingsschets van de oude toestand blijkt dat wel een oppervlakte- en volumevermeerdering van de woning gerealiseerd werd; Overwegende dat de woning ook niet als (tweede) bedrijfswoning in aanmerking kan genomen worden omdat ze niet fysisch geïntegreerd is bij de bedrijfsgebouwen maar op ruim 100m daarvan verwijderd ruimtelijk geïsoleerd staat ingeplant, afgezien van de andere vereisten terzake; Overwegende dat overeenkomstig artikel 50 van de Wet op de Stedebouw een bouwvergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende X-9598-3/12 is uitgerust; dat, gelet op de plaatselijke toestand, de voorliggende weg niet als voldoende uitgerust kan worden beschouwd; Overwegende dat, rekening houdende met voorgaande overwegingen, de regularisatie van kwestieuse woning niet kan aanvaard worden; Overwegende dat het beroep niet kan worden ingewilligd”. 1.7. Op 17 december 1993 stelt de verzoeker tegen dit besluit beroep in bij de Vlaamse regering. 1.8. Dit beroep wordt door het in de onderhavige zaak bestreden besluit van de Vlaamse minister van Openbare werken, Ruimtelijke Ordeningen en Binnenlandse Aangelegenheden verworpen op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende dat het ontwerp strekt tot de regularisatie van een gerenoveerde woning; dat de bestendige deputatie het bij haar ingesteld beroep verwerpt onder meer omdat betreffende perceel overeenkomstig het gewestplan Herentals-Genk gesitueerd is in een agrarisch gebied, dat deze gebieden, overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin, dat beroeper een gepensioneerd landbouwer is, dat hij op een perceel aansluitend bij zijn woning en bedrijfsgebouwen zonder vergunning een oude woning heeft herbouwd, dat de aanvraag beoordeeld werd aan de hand van de bepalingen van artikel 79 van het decreet van 28 juni 1984, dat dit artikel ondertussen gewijzigd werd bij decreet van 23 juni 1993 en het beroep derhalve binnen het kader van deze nieuwe wetgeving dient behandeld, dat hierin wordt bepaald dat een afwijking op de voorschriften van de gewestplannen slechts kan verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, en dat de verbouwing van een bestaand vergund gebouw op dezelfde plaats oppervlaktevermeerdering noch volumevermeerdering mag inhouden, dat een residentiële bestemming ter plaatse in een open en uitgesproken agrarische omgeving niet verantwoord of aanvaardbaar is, dat bij ons plaatsbezoek werd vastgesteld dat de woning een volledige nieuwbouwconstructie betreft en dat van de oorspronkelijke toestand niets meer te herkennen valt, dat derhalve niet kan worden beoordeeld in hoeverre aan de gestelde voorwaarde is voldaan, dat uit de opmetingsschets van de oude toestand blijkt dat wel een oppervlakte- en volumevermeerdering van de woning gerealiseerd werd, dat de woning ook niet als (tweede) bedrijfswoning in aanmerking kan genomen worden omdat ze fysisch niet geïntegreerd is bij de bedrijfsgebouwen maar op ruim 100 m daarvan verwijderd ruimtelijk geïsoleerd staat ingeplant, afgezien van de andere vereisten terzake, dat overeenkomstig artikel 50 van de wet op de stedebouw een bouwvergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust, dat, gelet op de plaatselijke toestand, de voorliggende weg niet als voldoende uitgerust kan worden beschouwd, dat, rekening houdende met voorgaande overwegingen, de regularisatie van kwestieuze woning niet kan aanvaard worden, dat het beroep niet kan worden ingewilligd; Overwegende dat kwestieuze grond volgens het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgesteld gewestplan Hasselt-Genk ondergebracht is in een agrarisch gebied; dat het bouwontwerp, gevat in hoger beroep de regularisatie X-9598-4/12 inhoudt van een gerenoveerde residentiële woning; dat luidens artikel 11 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in de ruime zin; dat volgens voormeld artikel de agrarische gebieden enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en tevens para-agrarische bedrijven mogen bevatten; Overwegende dat inhoudelijk de bouwaanvraag een konstruktie voor residentiële doeleinden beoogt; dat de konstruktie 22 m bij 7,75 m meet en onder zadeldak een nokhoogte van 7,40 m heeft; dat beroeper aansluitend op onderhavig perceel, op ruim 100 m afstand bedrijfsgebouwen met een exploitantenwoning heeft staan; dat belanghebbende zelf een gepensioneerd landbouwer is; dat onderhavige woning in feite een quasi volledige nieuwbouwkonstruktie is en de oorspronkelijke toestand van het vroegere gebouw niet meer kan worden nagegaan; dat uit de kadastrale gegevens kan worden besloten dat de bestaande woning met stallingen circa 14 m bij ± 8 m als afmetingen moet getotaliseerd hebben; dat de herbouwde konstruktie - in oppervlakte en volume - groter is; dat de konstruktie niet kadert binnen een landbouwexploitatie en ruimtelijk geïsoleerd staat van de op circa 100 m afstand staande bedrijfsgebouwen; dat bijgevolg het gebruik ervan als residentieel dient beschouwd; dat de werken geen onderhoudswerken inhouden, zoals boven aangegeven, doch de oprichting van een nieuwe residentie in het agrarisch gebied inhoudt; dat deze werken strijdig zijn met de bij gewestplan vastgelegde planologische bestemming; Overwegende dat in toepassing van het decreet van 13 juli 1994, houdende wijziging van artikel 79 van de stedebouwwet de gemachtigde ambtenaar van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of een gewestplan mag afwijken in geval
- a)hetzij het verbouwen van een bestaand vergund gebouw binnen het bestaande bouwvolume en niet betrekking hebbend op het volledig herbouwen,
- b)hetzij het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van het leefmilieu,
- c)hetzij het uitbreiden van een vergunde woning; dat de uitbreiding van een vergunde woning met inbegrip van de bijgebouwen slechts kan leiden tot een maximale vermeerdering van het bouwvolume met 20 %, waarbij het totale bouwvolume na de uitbreiding maximum 700 m³ mag bedragen; dat om de redenen boven vermeld het ontwerp niet voldoet aan de in de punten a, b of c gestelde vereisten; dat anderzijds de gebruikswijziging van een gedeelte van het bestaande gebouw, hetzij van stallingen naar woonfunctie slechts kan worden toegestaan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad; dat dit betekent dat onder meer de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet mag worden overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat in casu de inwilliging van het beroep leidt tot de aantasting van een homogeen akkerweidelandschap en derhalve de voorgestelde gebruikswijziging geenszins is te tolereren; Overwegende overigens dat luidens artikel 50, laatste lid van de stedebouwwet de bouwvergunning kan worden geweigerd op basis van een onvoldoende uitgeruste en aangelegde weg, rekening houdend met de plaatselijke toestand; dat de voorliggende weg onvoldoende is aangelegd”. X-9598-5/12 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het motiveringsbeginsel, van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van de bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering en van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. De verzoeker voert aan dat het bestreden besluit gesteund is op motieven die in feite onjuist en niet afdoende zijn. Hij laat desbetreffend het volgende gelden : “- Het bestreden besluit gaat ervan uit dat verzoeker een gepensioneerd landbouwer is welke geen aktiviteiten meer uitoefent. Dit is onjuist. Verzoeker oefent nog steeds landbouwaktiviteiten uit, zodat het nog steeds gerechtvaardigd is om in de betreffende woning een landbouwer toe te laten en ook om een regularisatievergunning af te leveren zodat het wel in overeenstemming is met artikel 11 van het KB van 28.12.1972. Dat KB zegt immers dat landbouwgebieden bestemd zijn voor de landbouwer in de ruime zin van het woord. - Het bestreden besluit is tegenstrijdig in die zin dat het enerzijds zegt op blz. 2 dat van de oorspronkelijke toestand niets meer te herkennen valt en dat derhalve niet kan worden geoordeeld in hoeverre aan de gestelde voorwaarden (gebrek aan oppervlaktevermeerdering en gebrek aan volumevermeerdering) is voldaan en anderzijds doordat het bestreden besluit stelt dat uit de opmetingsschets van de oude toestand een oppervlakte- en volumevermeerdering van de woning zou blijken. Dit is tegenstrijdig. - Ten onrechte gaat de Minister er in het bestreden besluit van uit dat de betreffende constructie niet zou gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg. De betreffende weg is volledig verhard en is uitgerust met nutsvoorzieningen (riolering, water en electriciteit en telefoon). Verzoeker ziet dan ook niet in waarom de weg dan niet voldoende zou zijn uitgerust. - Er heeft geen gebruikswijziging plaats aangezien vroeger in het betreffende huis de ouders van verzoeker hebben gewoond en het nu ook de bedoeling is van verzoeker om in dit huis te wonen. Zijn ouders hebben vroeger landbouwaktiviteiten uitgeoefend. Verzoeker doet dat tot op heden ook nog”. 2.1.2. De verwerende partij antwoordt hierop wat volgt: X-9598-6/12 “a. Volgens verzoeker zou het bestreden ministerieel besluit er ten onrechte van uitgaan dat verzoeker als gepensioneerd landbouwer geen aktiviteiten meer uitoefent. De verwerende partij antwoordt hierop dat verzoeker op huidig ogenblik inderdaad 67 jaar oud is en derhalve gepensioneerd is. Een gepensioneerd landbouwer oefent duidelijk geen volwaardige beroepsaktiviteit meer uit. Het onderzoek van het Ministerie van Landbouw wees trouwens reeds in oktober 1992 uit dat het bedrijf van verzoeker geen leefbaar land- en tuinbouwbedrijf was. Bovendien maakt de residentiële woning, voorwerp van de regularisatie-aanvraag, geen integrerend deel uit van de bestaande bedrijfsgebouwen gezien deze constructie op een afstand van ruim 100 meter van de bedrijfsgebouwen ruimtelijk geisoleerd is ingeplant enerzijds, en anderzijds deze bedrijfsgebouwen op zich reeds een exploitantenwoning bevatten. b. Er is geen tegenstrijdigheid tussen enerzijds de de visu vaststelling opgenomen in het bestreden besluit dat ‘de woning een volledige nieuwbouwconstructie betreft en dat (derhalve) van de oorspronkelijke toestand niets meer te herkennen valt’ en anderzijds de conclusie getrokken uit het nazicht van de opmetingsschets van de oude toestand, namelijk dat er een oppervlakte - en volumevermeerdering ten overstaan van het oude gebouw gerealiseerd werd. c. In het bestreden besluit gaat de minister ervan uit dat de voorliggende weg onvoldoende is uitgerust. Verzoeker toont niet aan dat dit gegeven onjuist is en, voor zover de onjuistheid van dit gegeven zou zijn bewezen, dat het op determinerende wijze het besluit zou hebben beïnvloed. d. In zover verzoeker stelt dat er geen gebruikswijziging zou plaatsvinden in de nieuwe woning gezien de vroeger bestaande constructie eveneens werd bewoond, antwoordt de verwerende partij dat verzoeker hier in tegenspraak is met zichzelf, gezien in het feitenrelaas werd gesteld dat het hier een zeer oude boerderij betrof met schuur, welke niet meer bewoonbaar was. In werkelijkheid werd een volledig nieuwe, residentiële woning gebouwd, welke om de redenen uiteengezet supra onder a., geen enkele relatie heeft met de uitbating van een landbouwbedrijf. Het eigendom van verzoeker bevindt zich evenwel in de agrarische zone. Het is niet omdat er afwijkingsmogelijkheden zijn opgenomen in het artikel 79 van de Stedebouwwet, dat de overheid de voorschriften van de geldende plannen van aanleg kan negeren. De algemene regel blijft dan ook gelden, namelijk dat slechts bouwvergunning verleend wordt voor bedrijfsgebouwen, nodig voor de landbouwexploitatie van het gebied. De decreten van 23 juli 1993 en ook dit van 13 juli 1994 hebben overigens juist de bedoeling om aan de geplogenheid om gebouwen opnieuw op te richten of ze uit te breiden en een andere bestemming te geven, op vrij radicale wijze een einde te stellen”. 2.1.3. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: X-9598-7/12 “Verzoekende partij stelt vast dat verwerende partij niet betwist dat verweerder nog landbouwaktiviteiten uitoefent. Zij stelt enkel dat verzoeker gepensioneerd is en geen volwaardig leefbaar land- en tuinbouwbedrijf meer heeft. Het is dus onjuist dat in het bestreden besluit de betreffende minister ervan uitgegaan is dat verzoeker geen aktiviteiten meer uitoefent. De uitleg die de verwerende partij aan de beweerde tegenstrijdigheid geeft is een uitleg ‘pour besoin de la cause’. Bovendien valt af te leiden dat verwerende partij uiteindelijk toch niet ontkent dat er al een constructie stond. Voor zover verwerende partij betwist dat de betreffende weg niet voldoende is uitgerust en ook de Raad van State niet overtuigd is van de beweringen van verzoekende partij, is de enige oplossing een bezoek ter plaatse. Verzoeker ziet helemaal niet in waarom er tegenstrijdigheid zou zijn tussen het feit dat de vroegere bestaande constructie eveneens werd bewoond en dat het om een zeer oude boerderij ging met schuur welke niet meer bewoonbaar was. Verzoekende partij heeft enkel beweerd dat de vroeger bestaande constructie werd bewoond, doch nadien werd zij niet meer onderhouden en daardoor is zij niet meer bewoonbaar geworden. Dit betekent echter niet dat zij vroeger niet bewoond geweest is. Ten onrechte beweert de verwerende partij dat een volledig nieuwe residentiele woning is gebouwd”. 2.1.4. Onderzoek van het middel 2.1.4.1. Het auditoraatsverslag komt tot het besluit dat het middel dient te worden verworpen op grond van volgende motieven: “4.1.2.1. Er wordt niet betwist dat het betrokken perceel gelegen is in een gebied dat door het gewestplan Hasselt-Genk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979, bestemd is als agrarisch gebied. Artikel 11, 4.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt : ‘De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven (...)’. Uit de aangehaalde bepaling blijkt dat in het agrarisch gebied woningbouw niet toegelaten is, tenzij het de woning van de exploitant of tijdelijke verblijfsgelegenheid betreft; bovendien kan de woning van de exploitant slechts worden toegelaten indien deze laatste de exploitant is van een leefbaar bedrijf, dit is een volwaardig agrarisch bedrijf (...). 4.1.2.2. Het bestreden besluit weigert de vergunning, onder meer om reden ‘dat beroeper aansluitend op onderhavig perceel, op ruim 100 m afstand bedrijfsgebouwen met een exploitantenwoning heeft staan; dat belanghebbende zelf een gepensioneerd landbouwer is (...); dat de konstruktie niet kadert binnen een landbouwexploitatie en ruimtelijk geïsoleerd staat van de op circa 100 m afstand staande bedrijfsgebouwen; dat bijgevolg het gebruik ervan als residentieel dient beschouwd; (...) dat deze werken strijdig zijn met de bij gewestplan vastgelegde planologische bestemming’. X-9598-8/12 Anders dan verzoeker aanvoert, blijkt uit het bestreden besluit niet dat de bouwaanvraag wordt afgewezen omdat verzoeker als gepensioneerd landbouwer geen activiteiten meer uitoefent; uit de aangehaalde overwegingen blijkt daarentegen dat de woning als residentieel en dienvolgens als onverenigbaar met de planologische bestemming wordt beschouwd, omdat de woning niet geïntegreerd is in een landbouwbedrijf. Verzoeker toont overigens niet aan dat hij een volwaardig landbouwbedrijf exploiteert. De verwerende partij heeft dan ook terecht beslist dat de aanvraag onverenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied. 4.1.2.3. Het tweede middelonderdeel voert aan dat de motivering tegenstrijdig is, omdat op blz. 2 van het bestreden besluit enerzijds gezegd wordt dat van de oorspronkelijke toestand niets meer te herkennen valt en derhalve niet kan worden beoordeeld in hoeverre aan de gestelde voorwaarden (gebrek aan oppervlaktevermeerdering en gebrek aan volumevermeerdering) is voldaan en, anderzijds, dat uit de opmetingsschets van de oude toestand blijkt dat een oppervlakte- en volumevermeerdering van de woning gerealiseerd werd. Het middelonderdeel is niet terzake dienend, aangezien het kritiek uitoefent op de overweging van het bestreden besluit waarin de beslissing van de bestendige deputatie wordt weergegeven en geen betrekking heeft op de motieven waarop de afwijzing van de aanvraag door de minister is gesteund. 4.1.2.4. Het derde middelonderdeel voert aan dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat de woning niet gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg. Zoals hiervoor is gezien (supra 4.1.2.2.) heeft de verwerende partij wettig geoordeeld dat de regularisatieaanvraag onverenigbaar is met de planologische bestemming van het gebied. De in ondergeschikte orde vermelde overweging ‘dat luidens artikel 50, laatse lid, van de stedenbouwwet de bouwvergunning kan worden geweigerd op basis van een onvoldoende uitgeruste en aangelegde weg, rekening houdend met de plaatselijke toestand (
- en)dat de voorliggende weg onvoldoende is aangelegd’, maakt dienvolgens een overtollig motief uit. Het middelonderdeel dat kritiek uitoefent op een overtollig motief kan niet tot vernietiging leiden en is derhalve niet terzake dienend (...). Overigens blijkt uit de foto’s in het dossier dat de Sparrenstraat ter hoogte van de woning niet met duurzame materialen verhard is en dienvolgens door de verwerende partij terecht als een onvoldoende uitgeruste weg beschouwd wordt (...). 4.1.2.5. In het vierde middelonderdeel voert verzoeker aan dat zich geen gebruikswijziging heeft voorgedaan, omdat de woning vroeger bewoond werd door zijn ouders die landbouwactiviteiten hebben uitgeoefend. Uit de omstandigheid dat verzoekers ouders als bewoners van het oorspronkelijke gebouw landbouwactiviteiten uitoefenden, kan evenwel niet worden afgeleid dat de verwerende partij niet wettig heeft kunnen oordelen dat het te regulariseren gebouw een nieuwbouw is voor residentieel gebruik, welke strijdig is met de in het gewestplan vastgelegde planologische bestemming”. 2.1.4.2. De verzoeker heeft er zich in zijn laatste memorie toe beperkt te vragen akte te willen verlenen dat hij volhardt in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring. Hij heeft geen argumenten aangevoerd ter weerlegging van het in het auditoraatsverslag ingenomen standpunt met betrekking tot de ongegrondheid X-9598-9/12 van het middel. Hij is niet ter terechtzitting verschenen en was er evenmin vertegenwoordigd. 2.1.4.3. Om de in het auditoraatsverslag uiteengezette redenen, die de Raad van State tot de zijne maakt, is het middel niet gegrond. 2.2. Tweede middel 2.2.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het motiveringsbeginsel, artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van bestuursdocumenten in de diensten en instellingen van de Vlaamse regering, en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoeker voert in hoofdorde aan dat de motivering van het bestreden besluit “niet pertinent en in rechte onjuist” is, doordat de minister het beroep behandeld heeft op basis van het decreet van 23 juni 1993 en niet op basis van het decreet van 13 juli 1994 dat van toepassing was toen het bestreden besluit genomen werd. In ondergeschikte orde voert de verzoeker aan dat, in zoverre het bestreden besluit zou steunen op het decreet van 13 juli 1994, het decreet een schending uitmaakt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat niet in een overgangsregeling werd voorzien waardoor de bouw- en verkavelingsaanvragen die vóór de inwerkingtreding van het decreet van 23 juni 1993 werden ingediend op grond van artikel 23, 1/ van het koninklijk besluit van 28 december 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen op dezelfde wijze zouden afgehandeld worden. 2.2.2. De verwerende partij antwoordt in hoofdorde dat de bewering dat de minister het beroep behandeld heeft op basis van het decreet van 23 juni 1993, regelrecht indruist tegen de tekst van het ministerieel besluit waaruit blijkt dat de regularisatieaanvraag aan het bij decreet van 13 juli 1994 gewijzigd artikel 79 van de stedenbouwwet werd getoetst. X-9598-10/12 Wat de in ondergeschikte orde aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betreft, stelt de verwerende partij dat wetten en decreten steeds kunnen gewijzigd worden en dat het decreet van 13 juli 1994 alleen een minimale versoepeling inhoudt in vergelijking met het decreet van 23 juni 1993. 2.2.3. In zijn memorie van wederantwoord citeert de verzoeker het bestreden besluit dat op bladzijde 2 uitdrukkelijk vermeldt “dat de aanvraag beoordeeld werd aan de hand van de bepalingen van artikel 79 van het decreet van 28.06.1984, dat dit artikel ondertussen gewijzigd werd bij decreet van 23.06.1993 en het beroep derhalve binnen het kader van deze nieuwe wetgeving dient behandeld ...”, hetgeen volgens de verzoeker aantoont dat het middel steunt op de tekst van het ministerieel besluit. 2.2.4. Onderzoek van het middel 2.2.4.1. Het auditoraatsverslag komt tot het besluit dat het middel dient te worden verworpen op grond van volgende motieven: “4.2.2.1. Vastgesteld moet worden dat de passus die verzoeker aanhaalt tot staving van de bewering dat het bestreden besluit het decreet van 23 juni 1993 toepast, betrekking heeft op de overweging van het besluit waarin de beslissing van de bestendige deputatie wordt weergegeven en het ter zake niet gaat om de motieven waarop de afwijzing van de aanvraag door de minister is gesteund. Anders dan verzoeker stelt, blijkt uit de motivering van het bestreden besluit niet dat de minister zou geoordeeld hebben dat het beroep op basis van het decreet van 23 juni 1993 moest behandeld worden; uit de motivering van het bestreden besluit blijkt integendeel dat werd nagegaan of in toepassing van het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de stedenbouwwet van de voorschriften van het gewestplan kon worden afgeweken. Het besluit oordeelt dat de voorwaarden daartoe niet vervuld zijn. 4.2.2.2. Wat de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door het decreet van 13 juli 1994 betreft, dient te worden vastgesteld dat de Raad van State niet bevoegd is om een decreet aan de Grondwet te toetsen. Overigens is de kritiek die verzoeker uitoefent op de afschaffing van de zgn. opvulregel vervat in artikel 23, 1/, van het koninklijk besluit van 28 december 1993 houdende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen niet ter zake dienend, nu de regularisatieaanvraag van verzoeker geen beroep doet op die regel. Het middel verwart het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 79 van de stedenbouwwet en het decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 87 van de stedenbouwwet”. 2.2.4.2. Zoals hiervoor onder 2.1.4.2. reeds aangegeven heeft de verzoeker in zijn laatste memorie zich er toe beperkt te vragen akte te willen verlenen dat hij X-9598-11/12 volhardt in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring, doch heeft hij daarbij geen argumenten aangevoerd ter weerlegging van het in het auditoraatsverslag ingenomen standpunt met betrekking tot de ongegrondheid van het middel, is hij niet ter terechtzitting verschenen en was hij er evenmin vertegenwoordigd. 2.2.4.3. Om de in het auditoraatsverslag uiteengezette redenen, die de Raad van State tot de zijne maakt, is het middel niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9598-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.446 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div