← België

Arrest 186447 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.447 Rolnummer: A. 75168/X-7576 Zaak: Arrest 186447 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-02 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.447 van 23 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.447 van 23 september 2008 in de zaak A. 75.168/X-

  1. In zake : de n.v. BRUTEL, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. BRUTEL op 1 augustus 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 mei 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende, enerzijds, intrekking van het ministerieel besluit van 6 mei 1997 waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd, en, anderzijds, inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 4 juli 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan de verzoekende partij de bouwvergunning wordt verleend voor de oprichting van een hotel gelegen te Steenokkerzeel (Melsbroek), Haachtsesteenweg, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 43/n en 43/p; Gelet op het arrest nr. 78.492 van 3 februari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 maart 1999 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-7576-1/26 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie met een verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 20 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DENYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoekende partij is houder van een concessie die haar bij overeenkomst van 13 juni 1995 door de Regie der Luchtwegen is verleend. Artikel 1 van die concessieovereenkomst bepaalt inzake het voorwerp ervan: “1.
  5. De Regie verleent aan de concessiehouder het recht tot het gebruik van een deel van het domein van de Regie, zijnde een perceel grond met een oppervlakte van 7174 m² (...), bestaande uit 1130 m² toegangszone en een resterende oppervlakte van 6.064 m² (...), gelegen in de driehoek gevormd door de omgelegde Haachtse Steenweg, de Vilvoordelaan en de toekomstige Ringbaan op de luchthaven Brussel-Nationaal, met het oog op het bouwen en het exploiteren voor eigen rekening van een hotel van categorie 1 of 2 met X-7576-2/26 daarbij horende horecafaciliteiten binnen de perken van en overeenkomstig de algemene en bijzondere bepalingen van de Regie. 1.
  6. Het hotel zal ongeveer 70 kamers bezitten. Het zal tevens worden uitgerust met de overige bij een hotel van categorie 1 of 2 gebruikelijke faciliteiten. 1.
  7. Het hotel zal dag en nacht toegankelijk zijn”. 1.
  8. Op 11 december 1995 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) dient de verzoekende partij een bouwaanvraag in voor het oprichten van een hotel op percelen gelegen hoek van de Haachtsesteenweg en de Bataviastraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 43/n(deel) en 43/p(deel). Het betreft een hotel met 81 kamers (12,10m breed en 42,72m lang) met drie bouwlagen en een schilddak. De aanvraag houdt ook de aanleg van wegen en parkings in. In een tweede fase zijn nog twee gebouwen gepland die moeten dienen als restaurant en self-service. 1.
  9. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, liggen de voormelde percelen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. 1.
  10. Van 11 december 1995 tot 2 januari 1996 wordt een openbaar onderzoek gehouden. Er worden geen bezwaarschriften ingediend. 1.
  11. De gemachtigde ambtenaar brengt op 20 februari 1996 volgend advies uit: “Ongunstig. Het bouwterrein situeert zich volgens het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij K.B. van 7 maart 1977 in gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en gebieden voor openbare nutsvoorzieningen. Het ontwerp, een hotel, heeft geen functie van openbaar nut of een taak van algemeen belang te vervullen. Er is dan ook geen planologische verenigbaarheid. Het project brengt de goede aanleg van de plaats in het gedrang. Derhalve besluit ik tot weigering van de vergunning”. 1.
  12. Bij besluit van 12 maart 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Steenokkerzeel de vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. X-7576-3/26 1.
  13. Daartegen dient de verzoekende partij op 15 april 1996 beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Ter onderbouwing ervan stelt zij hetgeen volgt: “Wij zijn de mening toegedaan dat de hier beoogde hotelfunctie -waarvoor de Regie der Luchtwegen een koncessie op de haar toebehorende grond heeft verleend (...)- een taak van algemeen belang heeft te vervullen. Het gaat hier immers om een hotel dat aan zeer economische voorwaarden (+ 1.200 Fr/nacht voor 1, 2 of 3 personen) overnachting biedt aan personen welke diensten presteren t.b.v. de op Brucargo gevestigde firma’s. De zone Brucargo heeft aktueel een tewerkstelling van + 5.000 personen en de prognose voorziet in een aangroei met 75% in het jaar
  14. Zij is in konstante ontwikkeling en is in belangrijkheid de 4de grootste luchtvrachtzone van Europa. De Regie der Luchtwegen bevestigt de noodzakelijkheid te voorzien in de nodige verblijfsakkommodatie 24 u op 24 u ten behoeve van de techniekers, vertegenwoordigers van buitenlandse maatschappijen, informatikaspecialisten, e.a. welke voor een bepaalde periode te werk worden gesteld t.b.v. de op Brucargo gevestigde bedrijven en op dit ogenblik niet beschikken over enige mogelijkheid tot nachtverblijf noch horecafaciliteiten. Hetzelfde geldt voor bemanningen van luchtvrachttransporten en voor bestuurders in dienst van internationaal vrachtvervoer; voor deze laatsten wordt in het hotel een beperkte sekretariaatsfunctie ingericht. Wij menen bijgevolg dat het op te richten hotel als een onmisbaar komplement dient te worden gezien bij de aktiviteiten welke in Brucargo worden uitgeoefend en wij voorzien in een tweede faze de uitbouw van horecavoorzieningen ten behoeve van dezelfde doelgroep. Gelijkaardige inplantingen bevinden zich op andere Europese luchthavens zoals Roissy, Orly, Milaan, Frankfurt, Londen, e.a.”. In bijlage bij het beroepschrift is volgende verklaring van de Regie der Luchtwegen gevoegd met betrekking tot de “bouwaanvraag (...) tot de oprichting van een hotel op een perceel gelegen te 1820 Steenokkerzeel, Haachtsesteenweg, kad. nummer deel van nrs. 43/n en 43/p van de wijk A”: “Wij nemen kennis van het beroep van de N.V. Brutel (...), tevens concessionaris van gronden van de Regie der Luchtwegen met het oog op het realiseren van bovengenoemd project. Wij bevestigen de noodzaak van dit project in de Brucargo-vrachtzone. Door de aard van de activiteiten betreft het eerder een ‘dienstencentrum’ met uiteraard overnachtingsmogelijkheden voor de betrokken vrachtwagenchauffeurs, techniciens, enz.... Dit ‘hotel’ -de naam is misschien minder gelukkig gekozen- richt zich in elk geval tot deze typische doelgroep, tewerkgesteld op de luchthaven, en niet tot het grote publiek. De Regie der Luchtwegen ondersteunt derhalve het beroep, aangetekend door de N.V. Brutel, en bevestigt het algemeen nut van dit project in het belang van de luchthaven”. X-7576-4/26 1.
  15. Bij besluit van 4 juli 1996 willigt de bestendige deputatie het beroep van de verzoekende partij in op grond van volgende overwegingen: “Overwegende dat artikel 17 van het KB dd. 28/12/1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, hier van kracht is; dat het artikel geen nadere planologische voorschriften omtrent deze gebieden vermeldt; dat de hier toegelaten bouw- en inrichtingswerken wel worden omschreven in de toelichting bij het KB; dat het hier gaat om voorzieningen die een taak van algemeen belang te vervullen hebben; dat de idee van dienstverlening aan de gemeenschap rechts(t)reeks aanwezig is; Overwegende dat het hotel wordt opgevat in functie van de luchtvrachtzone Brucargo, eveneens gesitueerd op grond van de Regie der Luchtwegen, in hetzelfde bestemmingsgebied; dat het cliënteel, dat wordt beoogd, personen zijn die tijdelijk tewerkgesteld zijn in de op Brucargo gevestigde bedrijven en bemanningen van luchtvrachttransporten; dat het specifieke karakter van de bedrijvigheid op Brucargo onmiskenbaar een nood aan overnachtingsmogelijkheden met zich mee brengt; dat derhalve een overnachtingsaccommodatie in dit gebied in overweging kan genomen worden, en aanzien worden als een dienstverlening naar de bedrijven toe, in functie van een taak van algemeen belang; Overwegende dat het principe van complementaire dienstverlenende bedrijven ook wordt toegepast in de industriegebieden, waar ondermeer collectieve restaurants worden toegestaan; dat, analoog hiermee, een hotel nabij een luchtvrachtzone in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen gerechtvaardigd is; Gelet op het positief advies van de Provinciale Directie Infrastructuur, Dienst voor de Gebouwen, Architectuur en Stedebouw dd. 24 juni 1996, ref. 54-BB/2044; Overwegende dat de in het beroepsschrift aangehaalde argumenten kunnen bijgetreden worden, aangezien het ingediende ontwerp de goede stedenbouwkundige aanleg van de omgeving niet in het gedrang brengt, dat dientengevolge het advies van de gemachtigde ambtenaar dient te worden weerlegd alsook de weigeringsbeslissing van het College van burgemeester en schepenen”. 1.
  16. De gemachtigde ambtenaar stelt daartegen op 30 september 1996 beroep in bij de bevoegde minister. Zijn beroep is als volgt gemotiveerd: “Het ontwerp is, volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gelegen in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen. Het betreffende hotel heeft echter geen functie van openbaar nut of taak van algemeen belang. Het hotel kan niet beschouwd worden als een complementair dienstverlenend bedrijf bij de luchthaven, rekening houdend met de omvang van het hotel en de situering op de rand van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen”. 1.
  17. Daarop neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening op 6 mei 1997 een besluit met als opschrift “ministerieel besluit houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde X-7576-5/26 ambtenaar” en met daarmee overeenstemmende overwegingen. Echter bepaalt artikel 1 van het beschikkende gedeelte ervan dat “(h)et beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen” en “(b)ijgevolg (...) de beslissing van 4 juli 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams Brabant, houdende toekenning van bouwvergunning aan de heer M. DENYS, advocaat namens N.V. BRUTEL haar rechtskracht (herneemt)”. 1.
  18. Op 27 mei 1997 neemt de voormelde minister het thans bestreden besluit. Daarbij trekt hij het ministerieel besluit van 6 mei 1997 in en willigt hij het beroep in dat de gemachtigde ambtenaar heeft ingesteld tegen het besluit van 4 juli 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij aan de verzoekende partij de bouwvergunning wordt verleend voor de oprichting van een hotel te Steenokkerzeel, Haachtsesteenweg, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 43/n en 43/p. Het bestreden besluit is gebaseerd op volgende motieven: “Gelet op het feit dat uit de beslissing duidelijk blijkt dat het de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar betreft; dat door een dactylografische fout in artikel 1 van het besluit wordt gemeld dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen; Overwegende dat de bovenstaande vaststelling noopt tot het intrekken van het ministerieel besluit van 6 mei 1997; dat het ministerieel besluit van 6 mei 1997 nog niet aan de betrokken partijen is betekend; (...) Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar in beroep komt tegen de beslissing van de bestendige deputatie ondermeer omdat het betreffende hotel geen functie van openbaar nut of taak van algemeen belang heeft, dat het hotel niet kan beschouwd worden als een complementair dienstverlenend bedrijf bij de luchthaven, rekening houdend met de omvang van het hotel en de situering op de rand van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; dat artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, van toepassing is; dat gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, met inbegrip van de gebouwen voor openbare diensten, voorzieningen ten dienste van de gemeenschap zijn; dat de idee van dienstverlenende (verzorgende sector) aan de gemeenschap derhalve rechtstreeks aanwezig moet zijn; dat het dus gaat om voorzieningen die een taak van algemeen belang hebben te vervullen; Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; X-7576-6/26 Overwegende dat op 13 juni 1995 een akte van concessie tussen de Regie der Luchtwegen en de N.V. Brutel werd afgesloten tot het privatief gebruik van een perceel behorend tot het domein van de Regie der Luchtwegen met het oog op de oprichting en exploitatie van een hotel op de luchthaven Brussel- Nationaal; Overwegende dat op 21 mei 1996 door de Regie der Luchtwegen het volgende gunstig advies werd uitgebracht: ‘...Wij bevestigen de noodzaak van dit project in de Brucargo-vrachtzone. Door de aard van de activiteiten betreft het eerder een ‘dienstencentrum’ met uiteraard overnachtingsmogelijkheden voor de betrokken vrachtwagenchauffeurs, techniekers, enz.... Dit ‘hotel’ -de naam is misschien minder gelukkig gekozen- richt zich in elk geval tot deze typische doelgroep, tewerkgesteld op de luchthaven, en niet tot het grote publiek. De Regie der Luchtwegen ondersteunt derhalve het beroep, aangetekend door de N.V. Brutel, en bevestigt het algemeen nut van dit project in het belang van de luchthaven.’; Overwegende dat appellant tijdens de hoorzitting stelt dat betrokken hotel zal opgericht worden specifiek in functie van het vrachtvervoer: er wordt vooral aan piloten, personeel van Brucargo, vrachtwagenchauffeurs, als mogelijke gebruikers gedacht; dat het geplande hotel niet gericht is op toeristisch gebruik; dat er daarom ook maar een beperkt aantal kamers

(81)voorzien zijn; dat uit onderzoek blijkt dat er op de luchthaven en Brucargo verschillende bedrijven hun vestiging hebben; dat bij de luchthaven een ander hotel, Sheraton, aanwezig is; dat op het perceel grenzend aan betrokken terrein toelating werd gegeven tot het bouwen van een parkeergarage voor auto’s (Carhotel); Overwegende dat (uit) onderzoek blijkt dat de bouwvergunning van het Sheratonhotel dateert van 30 maart 1987; dat de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 27 maart 1987 stelt: ‘GUNSTIG, onder voorbehoud van het verkrijgen door de aanvrager van het bouwrecht voor deze grond.’; dat het parkeergebouw ‘Carhotel’ op 29 maart 1994 werd vergund; dat de gemachtigde ambtenaar in zijn advies het volgende stelt: ‘... Het terrein situeert zich in gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Een parkeergarage in functie van een personenluchthaven ingeplant in deze zone, is planologisch dan ook mogelijk. Het gebouw integreert in deze grootschalige omgeving, namelijk Brucargo-complex, dit door de materiaalkeuze, inplanting en gevelzichten. Gelet op het overheersend gabariet dat het gebied domineert dient het ontworpen gebouw beperkt tot zes verdiepingen volgens bijgaand ontwerp...’; Overwegende dat belanghebbende nog verder verwijst naar het koninklijk besluit van 12 december 1972 waar de overheid gemachtigd werd over te gaan tot de onteigening van onroerende goederen voor rekening en op naam van de Katholieke Universiteit Leuven ten behoeve van het bouwen van een hotel; dat echter uit de bijgevoegde documentatie kan opgemaakt worden over welke functie het precies gaat; Overwegende dat ondanks deze aangehaalde zaken, appellant onvoldoende aantoont dat het geplande hotel uitsluitend een gemeenschaps-, openbare nutsvoorziening of een complementair dienstverlenende voorziening betreft; dat evenmin zonder meer is aan te nemen dat het hotel louter en alleen in functie zal staan van aan de luchthaven complementaire bedrijven zoals bijvoorbeeld de vrachtzone-Brucargo van de luchthaven; dat het gevraagde bijgevolg in strijd is met de gewestplanbestemming en derhalve niet voor vergunning vatbaar is; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd; (...)”. X-7576-7/26 2. Ten gronde 2.1. Eerste middel 2.1.1. Standpunt van de partijen 2.1.1.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en van artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), “Doordat, in het bestreden Besluit wordt gesteld dat het geplande chauffeurs- en pilotenhotel geen dienst zou doen als gemeenschaps- of openbare nutsvoorziening of als een complementair dienstverlenende voorziening, Terwijl, de inplanting van het chauffeurs- en pilotenhotel werd gepland in uitvoering van een concessieovereenkomst, totstandgekomen tussen de Regie der Luchtwegen enerzijds en beroepster anderzijds, En terwijl, nu de realisering van dit hotel het voorwerp uitmaakt van een overeenkomst met de Regie der Luchtwegen als instelling van openbaar nut, de conformiteit van het project met de gewestplanbestemming van het gebied duidelijk weergeeft, En terwijl, uit de gegevens van het dossier duidelijk blijkt dat het project een permanent geopend hotel tot voorwerp heeft met minimaal comfort en een permanent geopend zelfbedieningsrestaurant, zodat het duidelijk is dat dit hotel zich uitsluitend richt op personen die in de uitoefening van hun beroep dat gelieerd is met de vrachtluchthaven op deze luchthaven de nacht door te brengen of er enkele uren te kunnen rusten, En terwijl, dusdanig blijkt dat het project louter tot voorwerp heeft bij te dragen tot de goede exploitatie van de vrachtluchthaven Brucargo (reden waarom de Regie der Luchtwegen de concessieovereenkomst aanging) en aldus een bestemming heeft (die) volkomen past in een gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen in het algemeen en in dit gebied van de vrachtluchthaven Brucargo in het bijzonder. Zodat, het Vlaams Gewest door te stellen dat het project niet Gewestplanconform was het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse en artikel 17 van het KB dd. 28 december 1972 houdende inrichting en toepassing van de Gewestplannen en Ontwerp-Gewestplannen heeft geschonden”. 2.1.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt: “Verzoekende partij beweert dat de verwerende partij het Gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse en artikel 17 van het K.B. van 28 december 1972 houdende inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen heeft geschonden, door te stellen dat het project niet gewestplan-conform is. Zulks is geenszins het geval. Zoals uit de uiteenzetting van de feiten blijkt, wenst de verzoekende partij op de percelen gelegen te Steenokkerzeel aan de Haachtsesteenweg een hotel X-7576-8/26 op te richten teneinde uitvoering te geven aan de concessieovereenkomst afgesloten met de Regie der Luchtwegen. Ingevolge het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij K.B. van 7 maart 1977 is het betrokken bouwterrein gesitueerd in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en voor openbare nutsvoorzieningen. Krachtens de Ministeriële Omzendbrief van 19 juni 1991 bevattende toelichting van de bijzondere voorschriften gevoegd bij het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, zijn deze gebieden, voorzien in artikel 17 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, specifiek bestemd voor de inplanting van hogervermelde voorzieningen. Verder bepaalt de Omzendbrief het volgende: ‘Gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, met inbegrip van gebouwen voor openbare diensten, zijn voorzieningen ten dienste van de gemeenschap. De idee van dienstverlening (verzorgende sector) aan de gemeenschap is derhalve rechtstreeks aanwezig. Het gaat dus om voorzieningen die een taak van algemeen belang hebben te vervullen.’ De Ministeriële Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen specifieert als volgt: ‘Daarbij is het irrelevant of deze voorzieningen worden opgericht en uitgebaat door een overheid dan wel door een privé-instelling of - persoon, inzoverre althans de exploitant van de inrichting geen winstbejag nastreeft en de voorzieningen werkelijk ten dienste staan van de gemeenschap. Zo oordeelde de Raad van State reeds meermaals dat sportinfrastructuur een gemeenschapsvoorziening kan zijn als bedoeld in artikel 17.6.2. zelfs indien zij door een particulier worden uitgebaat. In dat geval mag de exploitant wel geen winstbejag nastreven. Ook constructies bestemd voor een manége en ruitersclub kunnen worden beschouwd als gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, onder dezelfde voorwaarde dat de exploitant ervan geen winstbejag nastreeft.’ (...) Een hotel is geenszins een voorziening die een taak van algemeen belang vervult. Een gebouw dat hoofdzakelijk bestemd is voor piloten en vrachtwagenchauffeurs verleent geen dienst aan de gemeenschap, maar veeleer aan de betrokken piloten en chauffeurs. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de inrichting, een naamloze vennootschap, kennelijk een winstgevend doel heeft en dat zij haar cliënteel geenszins beperkt tot piloten en chauffeurs. Een dergelijke inrichting dient wegens haar activiteiten en doelstellingen gedefinieerd te worden als een kleine of middelgrote dienstverlenende onderneming. Het feit dat in de omgeving het Sheratonhotel werd ingeplant, doet hieraan geen afbreuk. Het Sheratonhotel maakt integraal deel uit van het luchthavengebouw, i.t.t. het project van de verzoekende partij dat zich buiten het luchthaventerrein aan de rand van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen bevindt. Dit blijkt duidelijk uit het bestreden besluit dat uitdrukkelijk verwijst naar de motivering van de Gemachtigde Ambtenaar in zijn beroepsschrift van 30 september 1996 tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van 4 juli 1996 houdende inwilliging van het beroep van verzoekende partij. Deze motivering luidt als volgt: ‘Het ontwerp is, volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, gelegen in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen. X-7576-9/26 Het betreffende hotel heeft echter geen functie van openbaar nut of taak van algemeen belang. Het hotel kan niet beschouwd worden als een complementair dienstverlenend bedrijf bij de luchthaven, rekening houdend met de omvang van het hotel en de situering op de rand van de zone voor gemeenschapsvoorzieningen.’ Deze stelling wordt daarenboven bevestigd door het feit dat de inplanting van een hotel niet voorkomt in de limitatieve opsomming van de mogelijke instellingen die kunnen worden aanvaard in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen (lijst in bovengenoemde Omzendbrief). Aldus laten de wettelijke bepalingen niet toe een hotel planologisch te aanvaarden in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Het is dan ook begrijpelijk dat een zorgvuldig handelend bestuur de bouwaanvraag ongunstig heeft geadviseerd, en consequent hoger beroep heeft ingesteld tegen de inwilligingsbeslissing van de Bestendige Deputatie. Ten overvloede moet worden opgemerkt dat Uw Raad naar aanleiding van de schorsingsprocedure in deze zaak heeft vermeld dat de Regie der Luchtwegen zelf haar bedenkingen had bij het vervullen van de voorwaarden om een vergunning te verkrijgen: ‘Overwegende dat aan de concessieovereenkomst van 13 juni 1995 aangegaan tussen de verzoekende partij en de Regie der Luchtwegen een amendement nr. 1 is gevoegd waarin is bepaald wat volgt: ‘artikel 1 Onderhavige concessieovereenkomst is onderworpen aan een opschortende voorwaarde, te weten het bekomen van de bouwvergunning door de concessiehouder met betrekking tot de oprichting van de gebouwen op te richten op de in de akte van concessie bedoelde grond onder artikel 1 (Voorwerp van de concessie)’; Overwegende dat uit de aangehaalde clausule van de concessieovereenkomst blijkt dat de verzoekende partij zelf heeft voorzien dat de bouwvergunning mogelijks niet zou worden verkregen; dat de ontbinding van de overeenkomst die daarvan het gevolg is dient te worden beschouwd als behorend tot het normale bedrijfsrisico en derhalve geen nadeel uitmaakt dat ernstig kan worden genoemd, in de zin van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;’ Bijgevolg kan er geenszins sprake zijn van een zogenaamde schending van het gewestplan evenmin als van een schending van artikel 7 van het K.B. van 28 december 1972. (...)”. 2.1.1.3. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord wat volgt: “In een eerste middel riep beroepster in dat het bestreden besluit een schending uitmaakt van artikel 17 van het KB dd. 28 december 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de Gewestplannen en de Ontwerp- Gewestplannen, nu de bouw van het geplande truckers-motel in tegenstelling tot wat het bestreden besluit vermeldt wel degelijk valt onder de noemer ‘gemeenschapsvoorzieningen’ zoals omschreven in artikel 17 van het KB dd. 28 december 1972. X-7576-10/26 In de memorie van antwoord stelt het Vlaams Gewest dat het bestreden besluit wel strijdig zou zijn met artikel 17, van het Inrichtings-KB, nu beroepster als bouwheer en toekomstige exploitant van het motel dit motel zou oprichten met het doel winst te maken. Het Vlaams Gewest beweert dat gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen in geen geval zouden mogen worden gebruikt voor bestemmingen met winstgevend doel. Uitgerekend met betrekking tot het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen waarop het bestreden besluit betrekking heeft is dit standpunt volledig absurd. Indien het Vlaams Gewest zijn eigen standpunt ernstig zou nemen, zou zelfs de inplanting van de luchthaven zelf strijdig zijn met het gewestplan. Het lijdt immers geen twijfel dat de luchtvaartmaatschappij Sabena, die in dit gebied voor Gemeenschapsvoorzieningen haar exploitatiegebouwen heeft, winst nastreeft en de laatste jaren zelfs winst maakt. Ook de luchtvaartexploitatiemaatschappij BIAC NV die ter plaatse gevestigd is heeft een winstgevend doel en maakt enorme winsten. Tot slot kreeg ook de hotelketen Sheraton een bouwvergunning voor het oprichten van een luxe-hotel vlak bij het luchthavengebouw. Het Vlaams Gewest kan niet beweren dat dit luxe-hotel niet werd opgericht met winstgeven(
  1. d)doel. Daarnaast bevat het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen waarop ook het bestreden besluit slaat nog een vestiging van de supermarktketen Delhaize, een truck-wash, een koffieopslagplaats met verkooppunt en een roltrappenbedrijf, stuk voor stuk bedrijven wier winstbejag hun hoofdzakelijk doel is. Het Vlaams Gewest vermeldt in zijn memorie van antwoord enkel de inplanting van het Sheraton-Hotel. Het Vlaams Gewest lijkt hieromtrent te stellen dat het project van beroepster de vergelijking met het Sheraton-hotel qua karakter van gemeenschapsvoorziening niet zou kunnen doorstaan, omdat enerzijds het Sheraton-hotel deel uitmaakt van het luchthavengebouw, en omdat anderzijds het project van beroepster gelegen is aan de rand van het gebied voor gemeenschapsvoorzieningen, hetgeen blijkbaar een wezenlijk verschil in behandeling zou kunnen verrechtvaardigen. In werkelijkheid maakt het Sheraton-hotel helemaal geen deel uit van het luchthavengebouw, het is er in tegendeel tegenover gelegen. Los daarvan ziet beroepster niet in in welke mate het feit dat het Sheraton-hotel dichterbij het luchthavengebouw zou gelegen zijn (dan) het motel van beroepster dit hotel een karakter van gemeenschapsvoorzieningen zou kunnen verlenen, nu volgens het Vlaams Gewest zelf enkel het winstgevend oogmerk van dit hotel doorslaggevend zou zijn voor zijn bestemmingsconformiteit. Daarbij moet hierover worden opgemerkt dat, waar het Sheraton-hotel dicht is gelegen bij de burgerluchthaven omdat dit hotel voor passagiers bestemd is, het truckers-motel dat beroeper wil oprichten dicht is gelegen bij het gebouw van Brucargo, waar truckers en piloten hun vracht afleveren, en in afwachting van het lossen en herladen van vrachtwagen of vliegtuig kunnen rusten. Ook het project van beroepster is dus gelegen in de onmiddellijke nabijheid van het gebouw waarop het is gericht. Tot slot blijkt uit de memorie van antwoord van het Vlaams Gewest dat ( d o o r ) h e t V l a a ms G e w e s t h e t b e s t e mmi n g s v o o r s c h r i f t ‘gemeenschapsvoorzieningen’ anders wordt toegepast voor het centrum van zulk een gebied enerzijds en de rand van zulk een gebied anderzijds. Dit verschil in toepassing heeft geen enkele wettelijke basis. In werkelijkheid is het slechts een argument ad hoc om te verantwoorden waarom het Vlaams Gewest voor de inplanting van het Sheraton-hotel wél een bouwvergunning heeft afgeleverd, terwijl de bouwaanvraag van beroepster wordt geweigerd. Het bestreden besluit schendt dan ook artikel 17 van het KB. dd. 28 december 1972.(...)”. X-7576-11/26 2.1.1.4. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij nog aan: “In het auditoraatsverslag wordt met betrekking tot dit middel gesteld dat wat bedoeld wordt met gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen niet altijd eenduidig is, en dat de administratie met betrekking tot de bestaanbaarheid van een ontworpen bouwwerk met het bestemmingsvoorschrift ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ de overheid over enige beoordelingsvrijheid beschikt die door de Raad van State slechts marginaal kan worden getoetst. De Raad van State zou naar het oordeel van het auditoraat enkel kunnen oordelen dat de overheid ten onrechte zou hebben besloten tot de onbestaanbaarheid van een ontworpen bouwwerk met het voor de bouwplaats geldende stedenbouwkundige bestemming indien dit besluit kennelijk het inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972 zou hebben overtreden, met name wanneer de overheid zich zou hebben gebaseerd op verkeerde gegevens, deze gegevens verkeerd zou hebben geïnterpreteerd of wanneer de overheid op basis van deze gegevens in alle redelijkheid niet tot het getroffen besluit zou kunnen gekomen zijn. Het auditoraat stelt dat zulks ten dezen niet het geval is, zodat de overheid bij het treffen van het bestreden besluit artikel 17 van het KB dd. 28 december 1972 houdende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen niet zou hebben geschonden. Beroepster is het hiermee helemaal niet eens. In de bespreking van het middel past het auditoraat de beoordelingsvrijheid die de overheid conform de rechtspraak van de Raad van State geniet inzake de beoordeling van de verenigbaarheid van een ontworpen gebouw met de in de onmiddellijke omgeving bestaande ruimtelijke ordening ten onrechte toe op de beoordeling die (
  2. de)overheid heeft te maken inzake de bestaanbaarheid van een ontworpen bouwwerk met de voor de bouwplaats geldende gewestplanbestemming. Met betrekking tot de beoordeling door de vergunningverlenende overheid van de verenigbaarheid van een ontworpen bouwwerk met de in de onmiddellijk omgeving bestaande ruimtelijke ordening, blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad inderdaad dat haar controle op deze beoordeling inderdaad is beperkt tot het nagaan of de overheid zich bij deze beoordeling heeft gebaseerd op de correcte feitelijke gegevens, of zij deze gegevens correct heeft geïnterpreteerd, en of zij op basis van deze gegevens in alle redelijkheid is kunnen komen tot de bestreden beslissing, omdat een verdere inmenging van Uw Raad in deze beoordeling zou neerkomen op een indeplaatsstelling van de vergunningverlenende overheid en op een opportuniteitsbeoordeling die de Raad niet gegeven is (...). Deze terughoudendheid blijkt echter helemaal niet uit de rechtspraak van Uw Raad wanneer (...) het erop aankomt na te gaan of de overheid bij de beoordeling van de bestaanbaarheid van een ontworpen bouwwerk met de voor de bouwplaats geldende stedenbouwkundige bestemming al dan niet de bepalingen van het inrichtingsbesluit van 28 december 1972 houdende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen heeft nageleefd; In zijn arrest Barrez-Lauwers (...) vernietigde Uw Raad een bouwvergunning voor de optrek van een dierenasiel op een perceel aan de Spuimeersenweg te Aalst, volgens het Gewestplan gelegen in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen op basis van de overweging dat een gebouw dat hoofdzakelijk bestemd is voor het onderbrengen van huisdieren die door de eigenaar niet (langer) worden verzorgd of kunnen worden verzorgd, niet van openbaar nut is, en in tegendeel moet worden gedefinieerd als een kleine of X-7576-12/26 middelgrote dienstverlenende onderneming die niet in een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen thuishoort, zonder dat uit het motiverende gedeelte van het arrest blijkt dat Uw Raad zich zou hebben beperkt tot een marginale toetsing van de ter zake door de vergunningverlenende overheid gegeven motivering, met betrekking tot de correctheid en de correcte interpretatie van de feitelijke gegevens en de redelijkheid van de op deze gegevens gebaseerde beslissing. In zijn arrest Lithvine e.a. (...) oordeelde Uw Raad dat in de huidige stand van de rechtspleging en met de gegevens waarover de Raad van State beschikt een broedhal voor vissen geen gemeenschapsvoorziening is, zonder dat uit dit arrest blijkt dat Uw Raad van oordeel zou zijn met betrekking tot de bestaanbaarheid van een broedhal voor vissen met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid te beschikken. In zijn arrest Defever (...) oordeelde Uw Raad dat een wetenschappelijk themapark dat op het eerste zicht een vooral commerciële bezoekersattractie lijkt te zijn onbestaanbaar is met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen, zonder dat uit het arrest blijkt dat Uw Raad zich bij deze beoordeling tot een marginale toetsing zou moeten beperken. In zij(
  3. n)Arresten gemeente Wemmel en De Vloo (...) oordeelde Uw Raad dat serviceflats voor bejaarden wél bestaanbaar zijn met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen, ook weer zonder zich op enige wijze gehinderd te weten tot een beperking van zijn appreciatiebevoegdheid tot een marginale toetsing. Ook met betrekking tot andere bestemmingsvoorschriften gaat de Raad van State ten volle na of de vergunningverlenende overheid de bepalingen van het inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972 respecteert zonder haar wettigheidstoetsing te beperken tot een marginale toetsing zoals de Raad dit wel doet als het erop neerkomt na te gaan of de overheid bij het verlenen van vergunningen de regels van de goede ruimtelijke ordening heeft gerespecteerd (...). In tegenstelling tot wat het Auditoraat stelt in zijn verslag, is de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State helemaal niet beperkt tot een marginale toetsing, doch dient in tegendeel de Raad van State ten volle na te gaan of het Vlaams Gewest in het bestreden besluit bij de beoordeling van de onverenigbaarheid van het ontworpen gebouw met de voor de bouwplaats geldende gewestplanbestemming gemeenschapsvoorzieningen artikel 17 van het inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972 niet heeft geschonden. Het is dan ook niet aan de verzoekende partij aan te tonen dat de vergunningverlenende overheid bij het weigeren van de vergunning kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld, doch wel aan te tonen dat de vergunningverlenende overheid bij het weigeren van de vergunning artikel 17 van het inrichtingsbesluit zou hebben geschonden. De argumentatie in verband hiermee werd uitgebreid aangehaald in het beroep tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord waarin werd benadrukt dat het openbaar nutskarakter onder meer dient te worden afgeleid uit de vaststelling dat het gebouw waarop het bestreden besluit slaat werd ontworpen in uitvoering van een concessie-overeenkomst. Het feit alleen al dat het gebouw waarop het bestreden besluit slaat werd ontworpen in het kader van een concessie, duidt zijn openbaar nutskarakter reeds aan. MAST omschrijft een concessie immers als een administratief contract waarbij de overheid een particulier (natuurlijke - of rechtspersoon of een publiekrechtelijk orgaan tijdelijk ermee belast onder haar gezag (...) en mits naleving van de door haar bepaalde voorwaarden een X-7576-13/26 openbare dienst op eigen kosten en risico te exploiteren tegen een vergoeding die normaliter op de gebruiker wordt verhaald (...) Uit het feit alleen al dat het gebouw waarop het bestreden besluit slaat werd ontworpen in uitvoering van een concessie van de Regie der Luchtwegen, en waarvan de rechtsgeldigheid door de tegenpartijen niet wordt betwist, toont duidelijk aan dat het ontworpen gebouw strekte tot vervulling van een openbare dienst en dus bij uitstek bestaanbaar is met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. In de mate aldus dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat het ontworpen gebouw en zijn functie niet verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, dat op de bouwplaats van toepassing is, schendt het bestreden besluit artikel 17 van het inrichtingsbesluit dd. 28 december 1972”. 2.1.2. Onderzoek van het eerste middel 2.1.2.1. Uit de niet betwiste gegevens van de zaak blijkt dat de betrokken percelen volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn gelegen. 2.1.2.2. Artikel 17 van het inrichtingsbesluit bepaalt wat volgt: “6. De gebieden bestemd voor ander grondgebruik : (...) 6.2. De gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. (...)”. 2.1.2.3. Voormeld artikel noch enige andere bepaling van het inrichtingsbesluit geven een definitie of verduidelijking van de begrippen “gemeenschapsvoorziening” en “openbare nutsvoorziening”. Zij moeten derhalve in hun spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen, met name voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld of die een specifieke gemeenschaps- of openbare nutsfunctie vervullen. 2.1.2.4. Het bestreden besluit stelt dienaangaande: “dat gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, met inbegrip van de gebouwen van openbare diensten, voorzieningen ten dienste van de gemeenschap zijn; dat de idee van dienstverlenende (verzorgende sector) aan X-7576-14/26 de gemeenschap derhalve rechtstreeks aanwezig moet zijn; dat het dus gaat om voorzieningen die een taak van algemeen belang hebben te vervullen”. Het bestreden besluit overweegt, na gewezen te hebben op de concessieovereenkomst gesloten tussen de Regie der Luchtwegen en de aanvrager, na het gunstig advies van de Regie der Luchtwegen te hebben weergegeven, na de argumenten van de verzoekende partij te hebben opgesomd en na te hebben verwezen naar de bouwvergunningen voor het Sheratonhotel en voor het parkeergebouw “Carhotel”, waaruit blijkt dat deze aanvragen niet als strijdig met de gewestplanbestemming werden beschouwd, hetgeen volgt : “Overwegende dat ondanks deze aangehaalde zaken, appellant onvoldoende aantoont dat het geplande hotel uitsluitend een gemeenschaps-, openbare nutsvoorziening of een complementair dienstverlenende voorziening betreft; dat evenmin zonder meer is aan te nemen dat het hotel louter en alleen in functie zal staan van aan de luchthaven complementaire bedrijven zoals bijvoorbeeld de vrachtzone-Brucargo van de luchthaven; dat het gevraagde bijgevolg in strijd is met de gewestplanbestemming en derhalve niet voor vergunning vatbaar is”. 2.1.2.5. Het feit dat de verzoekende partij met de Regie der Luchtwegen als instelling van openbaar nut een concessieovereenkomst heeft afgesloten met betrekking tot het gebruik van de betrokken percelen met het oog op het bouwen en exploiteren voor eigen rekening van een hotel, heeft, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij betoogt, niet tot gevolg dat het betrokken bouwwerk ipso facto een gemeenschapsvoorziening of een openbare nutsvoorziening is in de zin van voormelde bepaling. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat aan de concessieovereenkomst van 13 juni 1995 aangegaan tussen de verzoekende partij en de Regie der Luchtwegen een amendement nr. 1 is gevoegd waarin is bepaald: “Artikel 1 Onderhavige concessieovereenkomst is onderworpen aan een opschortende voorwaarde, te weten het bekomen van de bouwvergunning door de concessiehouder met betrekking tot de oprichting van de gebouwen op te richten op de in de akte van concessie bedoelde grond onder artikel 1 (Voorwerp van de concessie)”. Daaruit blijkt dat ook de Regie der Luchtwegen zelf heeft voorzien dat de bouwvergunning mogelijks niet zou kunnen worden verkregen. Ook het feit dat het hotel zich volgens de verzoekende partij volledig zou richten tot personen die op de luchthaven hun beroep uitoefenen maakt X-7576-15/26 niet dat deze inrichting als een voorziening in de zin van artikel 17 van het inrichtingsbesluit dient te worden beschouwd. 2.1.2.6. Er moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit door te oordelen dat het betrokken hotel om de erin vermelde redenen niet als een voorziening in de zin van artikel 17 van het inrichtingsbesluit kan worden aanzien, dit begrip niet onjuist heeft geïnterpreteerd. 2.1.2.7. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2. Tweede middel 2.2.1. Standpunt van de partijen 2.2.1.1. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “Doordat, eerste onderdeel, het Vlaams Gewest in de bestreden beslissing stelt dat het project niet verenigbaar is met de bestemming van de percelen als gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, Terwijl, in de onmiddellijk(
  4. e)nabijheid van de percelen en eveneens gelegen in het gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen een aantal bedrijven gevestigd zijn die zeer onlangs nog bouw- en milieuvergunningen verkregen, en wier zeer breed werd geïnterpreteerd conform de bestemming openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen, Terwijl, immers in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende percelen een Delhaize-supermarkt gevestigd is, die door elke particulier kan worden gebruikt (vergunning tot 2000), en tevens een truck-wash (vergunning afgeleverd op 9 mei 1995) die door iedereen kan worden gebruikt en dus zeker geen meerdere openbare nutsfunctie vervult gericht op een luchthaven, En terwijl, op dit ‘luchthaventerrein’ eveneens een koffieopslagplaats met verkooppunt is gevestigd (Miko-koffie), dat op 1 maart 1995 nog melding deed van het lozen van water als Klasse-II bedrijf, evenals een bedrijf dat roltrappen fabriceert (Thyssen), eveneens bedrijven waarvan beroepster geen grotere openbare nuts- of gemeenschapsfunctie kan bevroeden, En terwijl, dus blijkbaar de Gewestplanbestemming met betrekking tot de vergunningen voor bovengenoemde bedrijven ook voor beroepster gunstig zou moeten zijn, Zodat, door de ter plaatse geldende Gewestplanbestemming anders te interpreteren en te hanteren voor beroepster dan voor de omliggende bedrijven, het Vlaams Gewest het gelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van behoorlijk Bestuur heeft geschonden, En doordat, tweede onderdeel, in het bestreden besluit wordt beweerd dat beroepster niet afdoende zou aantonen dat het geplande chauffeurs- en pilotenhotel een functie van openbaar nut zou vervullen die met de ter plaatse X-7576-16/26 geldende Gewestplanzone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen in overeenstemming zou zijn, Terwijl, het geplande chauffeurs- en pilotenhotel een uitvoering is van een concessie van openbare dienst tussen beroepster en de Regie der Luchtwegen - instelling van openbaar nut-, met als specifiek doel het optrekken van dit hotel, En terwijl, de Regie der Luchtwegen als instelling van openbaar nut in het kader van de administratieve procedure uitdrukkelijk het openbaar nut van het geplande chauffeurs- en pilotenhotel heeft erkend en bevestigd, en meer bepaald als volgt: ‘wij nemen kennis van het beroep van de NV BRUTEL, tevens concessionaris van gronden van de Regie der Luchtwegen met het oog op het realiseren van een hotel op een perceel gelegen te 1820 Steenokkerzeel, Haachtsesteenweg, kad. nummer deel van nrs. 43/n en 43/p van de Wijk A. Wij bevestigen de noodzaak van dit project in de Brucargo-vrachtzone. Door de aard van de activiteiten betreft het eerder een ‘dienstencentrum’ met (...) uiteraard overnachtingsmogelijkheden voor de betrokken vrachtwagenchauffeurs, techniekers enz ... Dit ‘hotel’- de naam is misschien minder gelukkig gekozen - richt zich in elk geval tot deze typische doelgroep, tewerkgesteld op de luchthaven, en niet tot het grote publiek. De Regie der Luchtwegen ondersteunt derhalve het beroep, aangetekend door de NV Brutel, en bevestigt het algemeen nut van dit project in het belang van de luchthaven’ (...) En terwijl het Vlaams Gewest gebonden is door het openbaar nut van het project, nu dit wordt erkend en bevestigd door de Regie der Luchtwegen, een instelling van openbaar nut die specifiek met de exploitatie van de luchthaven en dus met de invulling van de plaatselijke Gewestplanzone is belast, Zodat, door het miskennen van het openbaar nuts-karakter van het project door de Regie der Luchtwegen, het Vlaams Gewest het redelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur heeft geschonden”. 2.2.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt: “Eerste onderdeel: beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel De verzoekende partij beweert dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel schendt daar in de onmiddellijke omgeving van de betrokken percelen een aantal bedrijven gevestigd zijn die recentelijk een bouw- en milieuvergunning hebben verkregen. Deze bedrijven zouden eveneens gevestigd zijn in gebied voor openbare nuts- en gemeenschapsvoorzieningen. Hun functie zou zeer breed geïnterpreteerd worden conform de bestemming openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen. Zulks is geenszins het geval. Schending van het gelijkheidsbeginsel kan slechts worden weerhouden indien de beslissende overheid gelijke gevallen op een ongelijke wijze heeft behandeld. De verzoekende partij bewijst geenszins dat de projecten in de omgeving gelijkaardig zijn aan het litigieuze project. Deze bouwwerken worden vermoed te vallen onder het toepassingsgebied van openbare nutsvoorzieningen en gemeenschapsvoorzieningen, i.t.t. het project in casu. In de hypothese dat aan deze ondernemingen een vergunning zou zijn afgegeven in strijd met de bestemming van het gebied - quod non -, dient te X-7576-17/26 worden opgemerkt dat de verzoekende partij hieruit geen rechten kan putten. Een gebeurlijke schending van het gelijkheidsbeginsel is steeds een schending van de gelijkheid voor de wet (artikel 10 van de Grondwet). De verzoekende partij kan geen gelijke behandeling in de onwettigheid eisen. Bijgevolg is het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond. Tweede onderdeel: Beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel De verzoekende partij beweert dat het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden door de beweerdelijke miskenning van het openbaar nutskarakter van het project. Zij beweert dat de verwerende partij gebonden is door het advies van de Regie der Luchtwegen welke erkent dat het project van openbaar nut is. Zulks is geenszins het geval. De verwerende partij stelt vast dat zij geenszins is gebonden door het advies van de Regie der Luchtwegen (...), doch wel door artikel 17 van het K.B. van 28 december 1972 houdende inrichting van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen. Zodoende beperkt de toetsing aan het redelijkheidsbeginsel zich tot de vraag of de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze tot het besluit is gekomen dat het litigieuze projekt geenszins een openbaar nutskarakter heeft. Het is duidelijk dat de verwerende partij zich bij het interpreteren van de bestemmingen ‘gemeenschapsvoorziening’ en ‘openbare nutsvoorziening’ heeft laten leiden door de uitlegging in de Ministeriële Omzendbrief van 19 juni 1991. De Ministeriële Omzendbrief geeft haar definitie van een openbare nutsvoorziening alsmede een lijst van inrichtingen die als openbare nutsvoorziening kunnen worden aanvaard. Hotels worden hierin niet vermeld. De verwerende partij kon derhalve in redelijkheid tot het besluit komen dat een hotel of slaapplaats voor chauffeurs en piloten geen openbare nutsvoorziening is. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat het advies van de Regie der Luchtwegen geen bindend advies is. De Regie is in deze zaak een belanghebbende partij die de litigieuze gronden aan de verzoekende partij in concessie heeft gegeven voor een bedrag van 5% van het jaarlijkse omzetcijfer van het hotel. Er zijn derhalve voldoende redenen voorhanden om te twijfelen aan de objectiviteit van het advies van de Regie der Luchtwegen, zodat de vraag rijst of zij in redelijkheid tot een dergelijk advies kon komen. Voor het overige herneemt de verwerende partij de motivering van het eerste middel. (...)”. 2.2.1.3. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord wat volgt: “In het eerste onderdeel van het tweede middel riep beroepster in dat het Vlaams Gewest het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt, door de vergunningsaanvraag van beroepster te weigeren, terwijl in tegendeel wel bouw- en milieuvergunningen werden afgeleverd voor een truck-wash, een warenhuis enzovoort. Het Vlaams Gewest stelt in de memorie van antwoord enerzijds dat beroepster zou nalaten aan te tonen dat het warenhuis en de truck-wash ten opzichte van het ter plaatse geldende gewestplanvoorschrift vergelijkbaar zou zijn. X-7576-18/26 In ondergeschikte orde stelt het Vlaams Gewest dat voor zover Uw Raad zou oordelen dat de vergunningen die aan de truck-wash en het warenhuis zijn afgeleverd strijdig zouden zijn met het Gewestplan deze onwettigheid nog niet de vernietiging van het bestreden besluit zou mogen betekenen, nu in het kader van het gelijkheidsbeginsel de rechtsonderhorige uit de onwettige behandeling van de ene, niet het recht mag putten om ook onwettig te worden behandeld. Beroepster heeft nooit beweerd dat de vergunningen afgeleverd aan het warenhuis en de truck-wash onwettig zouden zijn. Deze vergunningen zijn volkomen wettig nu zij strekken tot de uitbating van een activiteit die nauw aanleunt bij en quasi uitsluitend gericht is op de activiteiten van de vrachtluchthaven Brucargo als gemeenschapsvoorziening. Het is immers evident dat truckers die ter plaatse hun vracht dienen af te leveren in staat moeten zijn ter plaatse hun truck te reinigen en eventueel inkopen te doen. Gelet op de ligging en de aard van het project van beroepster, is ook dit project zeer nauw aansluitend bij en louter gericht op de vrachtluchthaven Brucargo. Het truckers-motel is gepland vlak bij het gebouw van Brucargo, en voorziet in een aantal zeer sober ingerichte kamers met sanitair en een zelfbedieningsrestaurant dat steeds geopend is. Het motel heeft dus louter truckers als doelgroep die in afwachting van het lossen en herladen van hun vrachtwagen in het hotel kunnen rusten, eten en zich verfrissen. Nu de exploitaties zoals de truck-wash en het warenhuis omwille van hun complementair karakter bij een gemeenschapsvoorziening de nodige vergunningen hebben verkregen, behoort het dat ook het project van beroepster wordt vergund omwille van het feit dat ook dit project louter complementair is bij de vrachtluchthaven Brucargo als gemeenschapsvoorziening. In de mate dat de bouwaanvraag van beroepster wordt geweigerd wegens zogezegde strijdigheid van het project met de gewestplanbestemming ter plaatse schendt het Vlaams Gewest dan ook het gelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur. Het eerste onderdeel van het tweede middel is dus gegrond. In een tweede onderdeel van het tweede middel riep beroepster de schending in van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, nu het Vlaams Gewest tegen de uitdrukkelijke erkenning van het openbaar nutskarakter van het project door de Regie der Luchtwegen in dit openbaar nutskarakter blijft ontkennen. In de memorie van antwoord stelt het Vlaams Gewest dat het zich bij de beoordeling van het project niet door het ter zake uitgebrachte advies van de Regie der Luchtwegen heeft laten leiden, nu dit advies niet bindend is, en het Vlaams Gewest blijkbaar van oordeel was dat dit advies niet objectief was, nu de Regie der Luchtwegen zelf pecuniaire belangen had bij exploitatie van het hotel gelet op de inhoud van de concessieovereenkomst. Het is schokkend te moeten vaststellen dat het Vlaams Gewest van oordeel is dat een openbaar bestuur zoals de Regie der Luchtwegen zich bij het uitbrengen van zijn advies over het openbaar nutskarakter van haar project zou laten leiden door haar eigen pecuniaire belangen. De Regie der Luchtwegen was voor haar opheffing als openbaar bestuur verantwoordelijk voor de exploitatie van het luchthaventerrein. In deze hoedanigheid had de Regie der Luchtwegen ongetwijfeld een scherper beeld van wat in het kader van de exploitatie van de luchtvaart als gemeenschapsvoorziening noodzakelijk was dan de Administratie Ruimtelijke Ordening zelf. Wanneer deze Regie van oordeel was dat de Brucargo vrachtzone nood heeft aan een ‘dienstencentrum’ zoals het project van beroepster, is dit een advies dat een grote waarde heeft bij het appreciëren van het openbaar nutskarakter van het project, en kan het Vlaams Gewest dit advies niet zonder meer in de wind X-7576-19/26 slaan zonder het redelijkheidsbeginsel als Algemeen Beginsel van Behoorlijk Bestuur te schenden. Het tweede onderdeel van het tweede middel is dus gegrond”. 2.2.1.4. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij nog aan: “(...) In het verslag stelt het Auditoraat dat beroepster in het bestreden besluit het bewijs niet zou leveren van het feit dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld, nu beroepster in het beroep tot nietigverklaring louter beweert dat de vermelde vergunningen werden verleend, zonder deze vergunningen voor te leggen, en zonder op concrete wijze aan te tonen dat hun situatie te vergelijken is met de situatie van de verzoekende partij. Noch in de memories, noch in het verslag wordt ontkend dat er binnen hetzelfde (gebied) voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen een Delhaize-supermarkt, een koffiebedrijf en een roltrappenbedrijf gevestigd zijn. Niemand betwist dat deze bedrijven over de nodige vergunningen beschikken. Beroepster haalt in het beroep tot nietigverklaring aldus voldoende concrete feitelijke elementen aan die aantonen dat binnen het betreffende gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen stedenbouwkundige - en milieuvergunningen werden afgeleverd aan privé handelsvennootschappen met het oog op de uitoefening van hun maatschappelijk doel. De activiteiten van een Delhaize-supermarkt zijn naar het oordeel van beroepster genoegzaam bekend, zodat het niet behoort dat beroepster ter staving van het middel de statuten van deze vennootschap voorlegt ten einde aan te tonen dat deze zich bezighoudt met de distributie van voedingswaren en andere consumptiegoederen. Uit het feit dat de supermarkt er reeds jaar en dag staat en wordt (geëxploiteerd) moet bovendien worden afgeleid dat de nodige vergunningen werden afgeleverd, zodat het niet nodig is dat beroepster deze vergunningen voorlegt ter staving van het middel. Het bestaan van deze vergunningen wordt overigens door niemand betwist. Ook voor de andere bedrijven gaat dit op, en zeker voor het Sheraton-hotel, dat, net als het ontworpen gebouw een hotelfunctie vervult. In tegenstelling tot de rechtspraak die in het auditoraatsverslag wordt vermeld, verwijst beroepster in het beroep tot nietigverklaring helemaal niet vaagweg naar ‘talrijke onmiddellijk aanpalende panden’, doch noemt in tegendeel de betrokken handelsvennootschappen bij naam, en verwijst naar hun vergunningen, zodat het auditoraat ten onrechte stelt dat het beroep tot nietigverklaring onvoldoende concrete feitelijke gegevens ter zake zou bevatten. Zeker gelet op het feit dat het Vlaams Gewest helemaal niet betwist dat de genoemde handelsvennootschappen binnen het gebied actief zijn en hiervoor de nodige vergunningen hebben. Door de vermelding van de handelsvennootschappen die in hetzelfde gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen actief zijn, heeft beroepster voldoende concrete gegevens aangebracht om het auditoraat toe te laten na te gaan in hoeverre de activiteiten die deze handelsvennootschappen in het gebied voeren (en die genoegzaam bekend zijn) vergelijkbaar zijn met de activiteit die in het ontworpen gebouw wordt gepland, en dus ook of de overheid bij de vernietiging van de aan beroepster afgeleverde vergunning omwille van de zogezegde onverenigbaarheid van de geplande activiteit met de bestemming van het betrokken gebied, terwijl de genoemde handelsvennootschappen van de overheid wél een vergunning verkregen om in X-7576-20/26 hetzelfde gebied hun bedrijf te voeren de in het middel aangehaalde beginselen niet heeft geschonden. Uit de door beroepster aangehaalde gegevens blijkt duidelijk dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Er is geen enkele reden waarom de exploitatie van een grootwarenhuis in het bijzijn van een luchthaven en een luxehotel in de nabijheid van een luchthaven, verenigbaar zou zijn met het bestemmingsvoorschrift gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, terwijl een chauffeurs- en pilotenhotel dat wordt opgetrokken in uitvoering van een concessieovereenkomst met een openbare overheid die het openbaar nut van het hotel uitdrukkelijk bevestigt niet verenigbaar zou zijn met dit bestemmingsvoorschrift. Het eerste onderdeel van het tweede middel is dus gegrond. In een tweede onderdeel van het tweede middel riep beroepster de schending in van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, nu het Vlaams Gewest tegen de uitdrukkelijke erkenning van het openbaar nutskarakter van het project door de Regie der Luchtwegen in dit openbaar nutskarakter blijft ontkennen. In het verslag van het auditoraat wordt gesteld dat het bestreden besluit de vergunning enkel zou weigeren, nu de aanvrager onvoldoende zou aantonen dat het ontworpen hotel uitsluitend een gemeenschapsvoorziening of een complementair dienstverlenende voorziening betreft. Volgens het auditoraat (...) zou uit de verklaring van de Regie der Luchtwegen in verband met het door beroepster ingestelde administratief beroep dat deel uitmaakt van het administratief dossier aldus niet blijken dat volgens de Regie het ontworpen hotel een uitsluitende gemeenschapsfunctie zou hebben. Nochtans blijkt uit deze verklaring nergens dat het ontworpen hotel slechts gedeeltelijk een openbare nutsfunctie zou vervullen. In tegendeel wordt als doelgroep uitsluitend de tewerkgestelden op de luchthaven, zoals de vrachtwagenchauffeurs en dergelijke, zonder dat ook de mogelijkheid voor andere personen dan de doelgroep om van het dienstencentrum gebruik te maken wordt open gelaten. Uit de verklaring van de Regie der luchtwegen blijkt aldus wél duidelijk dat het ontworpen hotel een exclusieve openbare nutsfunctie zou vervullen, zodat de vergunningverlenende overheid door in weerwil van deze verklaring te stellen dat beroepster niet zou aantonen dat het ontworpen hotel een uitsluitende openbare nutsfunctie zou vervullen de in het middel aangehaalde bepalingen heeft geschonden. Het tweede onderdeel van het middel is aldus gegrond”. 2.2.2. Onderzoek van het tweede middel 2.2.2.1.1. Het gelijkheidsbeginsel kan slechts zijn geschonden indien in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat er voor deze ongelijke behandeling een objectieve verantwoording bestaat. De verzoekende partij die aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden moet dit in het verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. X-7576-21/26 2.2.2.1.2. De verzoekende partij toont met betrekking tot de bedrijven waarnaar zij ter vergelijking verwijst niet aan dat ze in de onmiddellijke nabijheid binnen het betrokken gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen zijn gelegen. Voorts brengt ze geen stukken -in het bijzonder de betrokken vergunningsbesluiten- aan tot staving van haar bewering dat de ter plaatse geldende gewestplanbestemming door de verwerende partij anders is geïnterpreteerd en gehanteerd voor haar dan voor de omliggende bedrijven. Ook maakt ze niet duidelijk hoe een Delhaize, truck-wash, koffieopslagplaats en roltrappenbedrijf te vergelijken zijn met een hotel. Zij toont bijgevolg niet met concrete en precieze gegevens aan dat haar aanvraag in rechte en in feite gelijk is aan de door haar aangehaalde andere gevallen waarin wel een vergunning is verleend. Het argument van de verzoekende partij dat dit alles van algemene bekendheid is zodat zij haar beweringen niet met concrete stukken dient te staven, volstaat niet om de Raad van State toe te laten zijn wettigheidscontrole op de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel uit te oefenen. Bovendien is uit het onderzoek van het eerste middel gebleken dat de verwerende partij in casu de bepaling van artikel 17 van het inrichtingsbesluit correct heeft geïnterpreteerd, zodat, zelfs aangenomen dat de inrichtingen waarnaar de verzoekende partij verwijst werden vergund als gemeenschapsvoorziening in een gebied dat is bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, niet dienstig kan worden ingeroepen aangezien de verzoekende partij zich niet nuttig kan beroepen op een gelijkheid in de onwettigheid. 2.2.2.1.3. Het eerste onderdeel van het tweede middel is dan ook niet gegrond. 2.2.2.2.1. In het tweede onderdeel van het middel voert de verzoekende partij aan dat het bestreden besluit ten onrechte stelt dat zij niet voldoende zou aantonen dat het geplande hotel een functie van openbaar nut zou vervullen, aangezien het geplande hotel een uitvoering is van een concessie van openbare dienst tussen haar en de Regie der Luchtwegen die een instelling van openbaar nut is, en die uitdrukkelijk het openbaar nut van dit hotel heeft erkend en bevestigd. 2.2.2.2.2. De omstandigheid dat de Regie der Luchtwegen, ook al is zij zelf een instelling van openbaar nut, de betrokken grond in concessie geeft om er een hotel op te richten en zij zelf in een nota neergelegd in de administratieve beroepsprocedure bij de deputatie “het algemeen nut van dit project in het belang X-7576-22/26 van de luchthaven (bevestigt)”, laat de beoordelingsvrijheid van de vergunningverlenende overheid onverkort om uit te maken of het voorgestelde project al dan niet beantwoordt aan het begrip “gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen” in de zin van artikel 17 van het inrichtingsbesluit. De verwerende partij heeft, zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel, onderzocht of het voorgestelde project beantwoordt aan het begrip “gemeenschapsvoorziening of openbare nutsvoorziening” in de zin van artikel 17 van het inrichtingsbesluit, en heeft dit begrip in casu correct geïnterpreteerd om te besluiten dat dit niet het geval is. 2.2.2.2.3. Ook het tweede onderdeel van het middel is dus niet gegrond. 2.2.2.3. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3. Derde middel 2.3.1. Standpunt van de partijen 2.3.1.1. In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “artikel 23 §1 en 23 §2 2/ lid van de gecoördineerde Grondwet”, “Doordat, het bestreden besluit het optrekken verbiedt van een chauffeurs- en pilotenhotel ten dienste van de vrachtluchthaven Brucargo te Zaventem, waarvan de realisering volledig door de Regie der Luchtwegen wordt erkend, en waarvan zelfs door de Regie der Luchtwegen de noodzaak wordt benadrukt, teneinde piloten en chauffeurs toe te laten tussen hun trajecten de nodige rust te nemen, En doordat, hierdoor deze chauffeurs en piloten worden beroofd van de nodige faciliteiten om hun job op een menswaardige manier en met respect voor de veiligheid waarvoor zij dienen in te staan uit te voeren, En doordat, hierdoor specifiek de vrachtwagenchauffeurs belemmerd worden in hun verplichting tot naleving van de wettelijk opgelegde rij- en rusttijden. Terwijl, artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet eenieder een menswaardig bestaan en het recht op bescherming van de gezondheid garandeert, En terwijl, het Vlaams Gewest door de realisering van dit hotel te beletten, de chauffeurs en piloten waarvoor het hotel wordt opgericht ontrieft van het nodige comfort om op een gezonde en menswaardige wijze te leven en hun job uit te oefenen, Zodat, het Vlaams Gewest door het uitvaardigen van het bestreden besluit artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet schendt”. X-7576-23/26 2.3.1.2. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt: “De verzoekende partij beweert dat de verwerende partij artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet schendt. De verwerende partij zou door de realisering van het hotel te beletten, de chauffeurs en piloten waarvoor het hotel zou worden opgericht, beroven van het nodige comfort om op een gezonde en menswaardige wijze te leven en hun job uit te oefenen. Zulks is geenszins het geval. De verwerende partij stelt vast dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het derde middel. Het is vaste rechtspraak dat de verzoekende partij een belang dient te hebben bij elk der aangevoerde middelen. De verwerende partij ziet niet in hoe een derde belang zou kunnen hebben bij het recht op een menswaardig leven van piloten en chauffeurs. Indien Uw Raad van oordeel zou zijn dat de verzoekende partij wel degelijk een belang heeft bij het derde middel, dient te worden vastgesteld dat het middel in rechte faalt. Artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet bepaalt het volgende: ‘Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. ...’ Volgens het tweede lid van deze grondwetsbepaling wordt de vaststelling van de uitoefeningsvoorwaarden van de economische, sociale en culturele rechten opgedragen aan de onderscheiden wetgevers. De verzoekende partij blijft in gebreke de schending van een uitvoeringsbepaling van artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet aan te duiden. Zij kan zich niet beroepen op de loutere schending van artikel 23 van de Gecoördineerde Grondwet. Tijdens de parlementaire voorbereiding werd meermaals benadrukt dat voormeld artikel geen directe werking heeft, zodat particulieren er geen subjectieve rechten kunnen uit putten, noch t.a.v. de overheid, noch t.a.v. derden (...). Voor het overige stelt de verzoekende partij zelf in haar verzoekschrift dat er andere hotels zijn in de omgeving. Daarenboven wordt in het luchthavengebouw zelf voorzien in de nodige faciliteiten om de piloten toe te laten hun job op een menswaardige wijze uit te oefenen. De chauffeurs vinden voldoende baanhotels! Het loutere feit dat het voorziene hotel er niet komt, is bijgevolg geenszins van die aard dat de chauffeurs en piloten hierdoor zouden worden beroofd van de nodige faciliteiten om hun job uit te oefenen”. 2.3.1.3. De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord wat volgt: “Beroepster putte een derde middel uit de schending van artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet, nu het bestreden besluit door het optrekken van een truckers-motel onmogelijk te maken de chauffeurs en piloten voor wie de X-7576-24/26 optrek van dit motel was bedoeld beroven van de faciliteiten om op een menswaardige wijze hun beroep uit te oefenen. In de memorie van antwoord, beweert het Vlaams Gewest dat beroepster geen belang heeft bij het inroepen van dit middel. Het tegendeel is waar. Wanneer Uw Raad het bestreden besluit op basis van dit middel vernietigt, zal het Vlaams Gewest rekening houdend met de termen van het vernietigingsarrest een nieuw besluit moeten treffen waarbij de vergunning wordt afgeleverd. Beroepster heeft een evident belang bij de aflevering van de vergunning, en dus ook bij dit middel. Het Vlaams Gewest beweert in zijn memorie van antwoord verder dat het middel ook ongegrond zou zijn, nu beroepster uit de schending van het artikel geen subjectieve rechten zou kunnen putten. Deze opmerking snijdt geen hout nu beroepster ook de objectieve schending van dit artikel kan inroepen Verder suggereert het Vlaams Gewest in zijn memorie van antwoord dat de chauffeurs maar moeten gaan overnachten in het peperdure Sheraton-Hotel of in één of ander baanhotel (dat zij dan waarschijnlijk maar met het openbaar vervoer moeten zien te bereiken). De wijze waarop het Vlaams Gewest de problemen van chauffeurs en piloten die na gedane taak en in afwachting van de herlading van hun transportmiddel de nacht moeten doorbrengen wegwuift, zet het gebrek aan degelijke kennis over de wijze waarop een vrachtluchthaven moet worden geleid sterk in de verf. Het is dan ook wraakroepend dat het Vlaams Gewest in de memorie van antwoord enerzijds het advies van de regie der Luchtwegen die dagelijks met deze problematiek bezig is als tendensieus afwijst, terwijl anderzijds uit het verweer van het Vlaams Gewest blijkt dat het niet eens over de feitelijke kennis beschikt om het nut en het openbaar nuts-karakter van het project te beoordelen. Het bestaan van een elementaire en goedkope overnachtingsfaciliteit voor truckers die na het afleveren van hun vracht en in afwachting van het herladen de nodige rust moeten opdoen om weer de baan op te kunnen is voor deze truckers van het grootste belang Dit belang werd door de Regie der Luchtwegen in het reeds vermelde advies herhaaldelijk onderstreept. Het ontzeggen van deze faciliteiten aan de truckers die Brucargo aandoen, berooft deze truckers van de mogelijkheid om op een fatsoenlijke en menswaardige wijze hun werk te doen”. 2.3.1.4. In haar laatste memorie voert de verzoekende partij nog aan: “Beroepster putte een derde middel uit de schending van artikel 23 van de gecoördineerde Grondwet, nu het bestreden besluit door het optrekken van een truckers-motel onmogelijk te maken de chauffeurs en piloten voor wie de optrek van dit motel was bedoeld beroven van de faciliteiten om op een menswaardige wijze hun beroep uit te oefenen. In het auditoraatsverslag wordt gesteld dat beroepster bij dit middel slechts een onrechtstreeks belang zou hebben, nu hierdoor niet haar eigen recht op een menswaardig leven en goede gezondheid nastreeft, doch wel het menswaardig leven en de goede gezondheid van derden. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt duidelijk dat diegene die een belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit, ‘derhalve’ ook belang heeft bij elk middel dat tot de nietigverklaring van het bestreden besluit zou kunnen leiden. (...). Nu het belang van beroepster bij het bestreden besluit niet wordt betwist, heeft beroepster ‘derhalve’ ook belang bij het derde middel”. X-7576-25/26 2.3.2. Onderzoek van het derde middel Luidens artikel 23 van de Grondwet dient onder meer het recht op een “menswaardig leven” te worden gewaarborgd door de wet of het decreet. Zoals de verwerende partij terecht aanvoert heeft deze bepaling geen directe werking. Het middel is om die reden niet gegrond. 2.4. Vierde middel De verzoekende partij heeft in haar laatste memorie “verzaakt” aan het door haar aangevoerde vierde middel. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7576-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.447 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.492 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.