← België

Arrest 186448 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.448 Rolnummer: A. 186200/X-13567 Zaak: Arrest 186448 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-03 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.448 van 23 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.448 van 23 september 2008 in de zaak A. 186.200/X-13.567. In zake : 1. Peter SMOUT, 2. Sandra GENIJN, 3. Theo BARE, 4. Raymonde DEPRE, 5. Emmanuel GRISAR, 6. Jerry DE MULDER, 7. Christine VANHEER, 8. Stijn REYNDERS, 9. Kathleen VERHULST, die woonplaats kiezen bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : 1. de stad LANDEN, 2. de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiezen bij advocaat D. SOCQUET, kantoor houdende te 3080 TERVUREN, Merenstraat 28. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en P.-J. DEFOORT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Peter SMOUT, Sandra GENIJN, Theo BARE, Raymonde DEPRE, Emmanuel GRISAR, Jerry DE MULDER, Christine VANHEER, Stijn REYNDERS en Kathleen VERHULST op 7 december 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van: 1. het besluit van 29 mei 2007 van de gemeenteraad van de stad Landen houdende definitieve vaststelling van het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “RWZI Eliksem”, en X-13.567-1/60 2. het besluit van 23 augustus 2007 van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’ te Landen, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad bij besluit van 29 mei 2007, bestaande uit een toelichtingsnota, een plan van de bestaande toestand, een grafisch plan en de stedenbouwkundige voorschriften, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Landen op 29 mei 2007, en bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 oktober 2007; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 maart 2008; Gelet op de beschikking van 20 februari 2008 waarbij de beschikking van 8 februari 2008 wordt ingetrokken en de terechtzitting bepaald wordt op 18 april 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. WYCKAERT, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat D. SOCQUET, die verschijnt voor de verwerende partijen, en van advocaat P.-J. DEFOORT, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.567-2/60 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 19 februari 2008 heeft de n.v. AQUAFIN gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. 2. De feiten 2.1. Het ruimtelijk structuurplan Landen wordt goedgekeurd bij besluit van 5 juni 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening. 2.2. Op 25 november 2003 beslist de gemeenteraad van Landen tot de goedkeuring van een voorstel van de n.v. AQUAFIN tot opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) voor de inplanting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI) te Eliksem. 2.3. Op 27 april 2004 beslist de gemeenteraad van Landen de opdracht tot de opmaak van een GRUP voor het RWZI te Eliksem toe te vertrouwen aan het studiebureau TECHNUM n.v., afdeling Ruimtelijke Planning te Hasselt. 2.4. Op 17 januari 2006 brengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Landen een negatief advies uit over het opgemaakte ontwerp GRUP, omwille van de grondig gemotiveerde bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden ingediend. Aan de n.v. AQUAFIN wordt verzocht een nieuw ontwerp voor te stellen. 2.5. Op 19 mei 2006 stellen het college van burgemeester en schepenen en de n.v. AQUAFIN een alternatieve locatie voor. 2.6. Op 10 augustus 2006 vindt de zogenaamde “plenaire vergadering” plaats. Er wordt rekening gehouden met de opmerkingen en adviezen ten aanzien van het ontwerp GRUP. De n.v. TECHNUM voert aanpassingen door. X-13.567-3/60 2.7. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Landen keurt op 5 september 2006 het voorlopig ontwerp van GRUP goed. 2.8. Op 12 september 2006 volgt een informatievergadering met de omwonenden. 2.9. Op 26 september 2006 keurt de gemeenteraad het voorlopig ontwerp van GRUP goed. 2.10. Het openbaar onderzoek vindt plaats van 24 oktober 2006 tot en met 22 december 2006. Op 21 december 2006 dienen de verzoekende partijen een omstandig bezwaarschrift in. 2.11. Op 7 december 2006 adviseert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant gunstig. 2.12. Op 21 december 2006 wordt het ontwerp GRUP door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening gunstig geadviseerd. 2.13. Op 29 januari 2007 volgt het advies van de GECORO. 2.14. Op 27 maart 2007 wordt de termijn tot goedkeuring van het GRUP verlengd. 2.15. Bij het eerste bestreden besluit van 29 mei 2007 stelt de gemeenteraad van Landen het GRUP “RWZI Eliksem” definitief vast. 2.16. Bij het tweede bestreden besluit van 23 augustus 2007 keurt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant dit GRUP goed. 2.17. Op 9 oktober 2007 wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt dat het GRUP “RWZI Eliksem” werd goedgekeurd. 3. Over de grondvoorwaarden voor de schorsing 3.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten X-13.567-4/60 onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Over de aangevoerde middelen 3.2.1. Eerste middel 3.2.1.1. In een eerste middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen” voeren de verzoekende partijen de schending aan “van de wet bescherming oppervlaktewateren van 26-03-1971 en verkeerde toepassing van het subsidiariteitsbeginsel”, “Doordat het RUP RWZI Eliksem ertoe strekt om een stedenbouwkundige zone te creëren voor de inrichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) voor de vuilvracht van het ‘zuiveringsgebied’ dat bestaat uit de gemeenten Overwinden, Neerwinden, Laar, Ezemaal en Eliksem; dat in het advies van de GECORO Landen Landen ten onrechte wordt aangenomen dat de aanleg van dit RWZI door het aannemen van een gemeentelijk plan moest worden geregeld; Terwijl de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 de bevoegdheid van de waterzuivering aan de gemeenten onttrekt; dat de waterzuivering bijgevolg niet tot het gemeentelijk belang behoort; dat, aangezien de waterzuivering niet tot het gemeentelijk belang behoort, de gemeente met een gemeentelijk RUP geen stedenbouwkundige zone voor de inrichting van een RWZI kan instellen; dat de algehele economie van het Decreet Ruimtelijke Ordening van 18 mei 1999 (hiernagenoemd DRO) en de daarin opgenomen planmethodiek het subsidiariteitsbeginsel verwoorden; dat dit beginsel inhoudt dat elke overheid die bevoegd is inzake ruimtelijke ordening zich bezig houdt met de materies die geëigend zijn om op haar niveau te worden geregeld; dat de beslissingen dus moeten genomen worden door het meest geschikte niveau; dat het belang en de reikwijdte van de beslissingen inzake waterzuivering duidelijk het lokale niveau overstijgen; dat dit wordt benadrukt door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV); dat in het richtinggevend gedeelte van het RSV op pag. 424 (...) wordt gesteld : ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikke ling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur. Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’

  1. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande X-13.567-5/60 RWZI’s: - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4.7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)’; dat uit het RSV dus afdoende volgt dat het niet om een gemeentelijke bevoegdheid gaat; dat men voor de inplanting van een RWZI immers rekening moet houden met het volledig hydrografisch bekken en dat moet worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor gans dat gebied; dat de omvang van het bekken in casu duidelijk het gemeentelijk niveau overstijgt; dat in het Structuurplan Vlaams-Brabant (p. 214) de provincie een bijkomend principe formuleert: ‘Inplanting van infrastructuur voor afvalwaterzuivering dient steeds te kaderen binnen het provinciaal en gebiedsgericht ruimtelijk beleid. - Afstemming tussen het provinciaal ruimtelijk beleid en integraal waterbeleid wordt vooropgesteld’; dat ook uit de toevoegingen van de provincie Vlaams-Brabant dus afdoende volgt dat het hier niet om een gemeentelijke bevoegdheid gaat; dat voor de Kleine Gete de provincie Vlaams-Brabant bezig is met de basisinventarisatie teneinde een duurzaam lokaal waterplan voor het deelbekken van de Kleine Gete op te stellen; dat dit blijkt uit een discussienota van maart 2005 van de provincie; dat uit deze nota eens te meer blijkt dat het niet om een gemeentelijke bevoegdheid kan gaan; dat de gemeente er zich overigens van bewust is dat zij haar bevoegdheid te buiten gaat, wat blijkt uit haar toelichting; dat de provinciale planologische ambtenaar trouwens opnieuw had opgemerkt dat de vallei van de Kleine Gete (waarbinnen het RUP zich situeert) behoort tot de bovenlokale ruimtelijke structuur; dat het voorgenomen RUP dus berust op een bevoegdheidsoverschrijding; dat wat volgens de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971, volgens het RSV en volgens het Structuurplan Vlaams-Brabant een bovengemeentelijke bevoegdheid is niet kan worden ‘gedegradeerd’ tot gemeentelijke bevoegdheid op grond van de loutere opvatting van Aquafin of van een paar ambtenaren (vermeld in het advies van de GECORO Landen Landen); dat men vergeefs zou verwijzen naar het subsidiariteitsbeginsel zoals opgenomen in het RSV Vlaanderen; dat uit het voorgaande eerst en vooral blijkt dat dit een verkeerde uitlegging zou zijn van het subsidiariteitsbeginsel en dat vervolgens het subsidiariteitsbeginsel niet kan ingaan tegen de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 nu het geen deel uitmaakt van de bij decreet goedgekeurde bindende bepalingen van het RSV, maar tot de richtinggevende bepalingen behoort; Zodat, ten eerste de bestreden beslissingen strijdig zijn met de Wet Bescherming Oppervlaktewateren van 26-03-1971 (de eerste doordat zij deze wet schendt, de tweede doordat ze de eerste beslissing goedkeurt). En zodat, ten tweede, de bestreden beslissingen een verkeerde invulling geven aan het subsidiariteitsbeginsel, door een richtinggevende bepaling van het RSV als bindend aan te merken”. 3.2.1.2. De verwerende partijen antwoorden in een gezamenlijke nota: “(...) Vooreerst dient opgemerkt dat de verzoekende partijen dit middel niet op een ontvankelijke manier omschrijven. X-13.567-6/60 Immers, verzoekers dienen in een middel aan te duiden welke precieze rechtsgrond zij geschonden achten, waarbij zij dienvolgens de geschonden geachte rechtsgrond concreet dienen te betrekken op hun grieven. Dat de precieze omschrijving van de rechtsgrond uiteraard nog des te belangrijker is in het kader van een schorsingsprocedure waarbij de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een minimum worden beperkt gelet op de beperkte tijd waarover deze beschikt om een repliek te formuleren op de grieven van de verzoekende partij. Verzoekers duiden zelfs niet aan welke concrete bepaling van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de bestreden beslissingen al zouden hebben geschonden. In essentie komt de kritiek van verzoekers erop neer dat zij menen dat het voorzien van een zone bestemd voor een waterzuiveringsinstallatie ruimere implicaties heeft dan uitsluitend het gemeentelijk belang. Het is inderdaad zo dat een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dient afgestemd te worden op de toepasselijke structuurplannen, meer zelfs, er geeft er uitvoering aan. De voorschriften met betrekking tot de ruimtelijke uitvoeringsplannen worden omschreven in de artikelen 37 en volgende van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) en geven de toekomstige bestemming, inrichting of beheer aan van een gebied dat een deel of delen van het grondgebied van respectievelijk het gewest, de provincie of de gemeente kan omvatten. Feit is in deze dat de doelstelling van het overwogen optreden volledig op het gemeentelijk niveau kan worden verwezenlijkt; er bestaat aldus geen enkele grond om de beslissing tot het voorzien van een zone voor de inplanting van een RWZI in casu te laten nemen door een hoger niveau, inzonderheid de provincie of het Vlaamse gewest. Het DRO voert een systeem in dat gebaseerd is op een spreiding van taken van ruimtelijke ordening tussen het gewest, provincie en gemeente, waarbij tussen verschillende niveaus een hiërarchische verhouding bestaat en waarbij in de taakverdeling, de samenwerking en de verhouding tussen de drie niveaus een belangrijke rol is weggelegd voor de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel, dat inhoudt dat elke inzake ruimtelijke ordening bevoegde overheid zich bezig houdt met die materies die geëigend zijn om op het bewuste niveau geregeld te worden; beslissingen moeten genomen worden op het meest geschikte niveau; een beslissing op een hoger niveau is te verantwoorden als het belang en/of de reikwijdte ervan het lagere niveau duidelijk overstijgt; een hoger niveau treedt, zoals gesteld, slechts op voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door het lager niveau kunnen worden verwezenlijkt, quod non in casu. Dat juist om reden van verenigbaarheid met de ruimtelijke structuurplannen van de hogere overheden (PRS en RSV) het ontwerp van DRUP ter advies dient te worden overgemaakt aan de hogere overheden. Wat dit betreft heeft de Vlaamse minister van financiën en begroting, en ruimtelijke ordening, een gunstig advies geformuleerd, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende overwegingen: ‘Overwegende dat de gemeente Landen volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in het buitengebied ligt; dat het plangebied gelegen is aansluitend op de kern-in-het-buitengebied Eliksem; dat de ontwikkelingsperspectieven uitgaan van het bundelen van de aan het wonen gekoppelde gemeenschaps- en nutsvoorzieningen aan de kernen; dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie verenigbaar zal zijn met de woonfunctie en dat de schaal en de omvang van de voorziening aansluit bij de schaal van het landschap; X-13.567-7/60 Overwegende dat het voorstel aansluit bij de morfologische rand van de kern Eliksem en zo de leesbaarheid ervan ondersteunt; dat de reuk- en lawaaihinder van zo’n kleine installatie verenigbaar is met de nabije woonomgeving; dat de schaal van de gebouwen en de omvang van de site aansluit bij de schaal van het landschap gevormd door de bestaande gebouwen zoals de Koningsmolen en de nabije hoeve en de grotere percelen in de omgeving; dat de site de vallei van de Kleine Gete vrijwaart. Overwegende dat het ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan de Vlaamse opties; dat de overige elementen van lokaal belang zijn. (...)’. Dat ook in het goedkeuringsbesluit van 23 augustus 2007 door de deputatie uitdrukkelijk wordt overwogen dat het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’ geen aanleiding geeft tot opmerkingen omdat de gekozen opties kwalitatief ruimtelijk onderbouwd zijn en dit plan kadert binnen de ruimtelijke principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant. Dat ook de GECORO dit bezwaar heeft behandeld en ten dien einde heeft gewezen op het subsidiariteitsbeginsel zoals ook omvat in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, waaruit in casu moge blijken dat het wijzigen van de bestemming voor de waterzuiveringsinstallatie een gemeentelijke bevoegdheid is temeer daar de aangesloten vuilvracht (met name de afbakening van het zuiveringsgebied) zich beperkt tot de stad Landen, inzonderheid Overwinden, Neerwinden, Laar, Ezemaal en Eliksem; in het RSV wordt dan nog vermeld dat de zuivering van huishoudelijk afvalwater ruimtelijk gebonden is aan de kernen, hetgeen te dezen het geval is. Tevens kan de redenering van de GECORO worden weerhouden waar wordt gesteld dat de verwijzing naar de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren niet relevant is daar de Kleine Gete een waterloop is van categorie 2 en aldus een provinciale bevoegdheid, doch volledig los staat van de bevoegdheid tot bestemmingswijziging. Dat de verwerende partijen wat dit betreft integraal kunnen verwijzen naar hetgeen hieromtrent werd uitgezet door de GECORO bij de behandeling van de bezwaren in haar vergadering van 29 januari 2007. Feit is dat de gemeente haar bevoegdheid te dezen geenszins is te buiten gegaan. (...)”. 3.2.1.3. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel het volgende gelden : “1. Nopens de beweerde schending Wet Bescherming Oppervlaktewateren De tussenkomende partij meent dat het middel onontvankelijk is wat betreft het inroepen van een schending van de ‘Wet Bescherming Oppervlaktewateren’ van 26 maart 1971. De verzoekers dienen in een middel een duidelijke omschrijving te geven van de overtreden rechtsregel of van het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De schending van een ganse wet kan niet worden beschouwd als ‘een duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel’. Een wet is immers geen rechtsregel, maar een geheel van verschillende rechtsregels. De verzoekende partijen poneren gewoon dat de ingeroepen wet de bevoegdheid van de waterzuivering aan de gemeenten zou onttrekken, zonder ook maar de minste aanwijzing te geven over de argumenten waarop zij zich hiervoor baseren. Op die manier voldoen de verzoekende partijen aan geen van beide criteria om te kunnen spreken van een middel: ten eerste is het inroepen van een globale wet niet te beschouwen als een rechtsregel, en ten tweede duiden de X-13.567-8/60 verzoekende partijen niet aan op welke manier de beweerde rechtsregel werd geschonden. Bovendien is het inroepen van de sectorale Wet Bescherming Oppervlaktewateren irrelevant. Een RUP wordt immers niet opgemaakt in uitvoering van sectorwetgeving, maar enkel in uitvoering van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO) en ter uitvoering van het ruimtelijke beleid zoals geformuleerd in de ruimtelijke structuurplannen van de verschillende overheidsniveaus. De bevoegdheden voor het opmaken van RUP’s worden dus bepaald in het DRO en in de structuurplannen, maar niet in sectorwetgeving. Van dit principe zou desgevallend kunnen worden afgeweken in een decreet (dat als hogere norm uiteraard steeds kan afwijken van het DRO en van de structuurplannen), op voorwaarde evenwel dat dit uitdrukkelijk zou worden bepaald in het betreffende decreet. De Wet Bescherming Oppervlaktewateren bevat geen enkele bepaling op het vlak van het opmaken van RUP’s, laat staan op het vlak van bevoegdheden voor het opmaken ervan. Het middel is dus - voor zover ontvankelijk - op dit punt hoe dan ook ongegrond. 2. Nopens de beweerde schending van het subsidiariteitsbeginsel Uw Raad stelde in het arrest APERS dat het subsidiariteitsbeginsel op zich geen ‘rechtsregel’ is, maar dat het slechts kan worden ingeroepen tot staving van een middel tot vernietiging van een RUP, in zoverre een schending van het richtinggevende gedeelte van het RSV op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen. In casu verwijzen de verzoekende partijen naar de volgende passage in het richtinggevende gedeelte (...): ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI'
  2. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4. 7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)’. Deze passage staat bij de bepalingen uit het RSV over het ‘buitengebied’. De gemeente LANDEN behoort inderdaad tot het buitengebied, aangezien het RSV de gemeente LANDEN niet heeft geselecteerd als stedelijk gebied, maar integendeel uitdrukkelijk heeft gesteld dat LANDEN volgens de functioneel-hiërarchische benadering niet kan worden beschouwd als kleine stad. X-13.567-9/60 De verzoekende partijen leiden uit de hoger geciteerde passage af dat de gemeente niet bevoegd zou zijn om een RUP op te maken voor een RWZI. Zij laten evenwel na aan te duiden welke overheid dan wél bevoegd zou zijn. Dit zou ook niet mogelijk zijn op basis van deze passage, aangezien de passage geen taakstelling bevat aan een welbepaald overheidsniveau voor het opmaken van een RUP voor een RWZI. Cruciaal voor de bevoegdheidsverdeling voor de opmaak van RUP’s, is artikel 18, tweede lid, 1/ DRO, dat een vertaling vormt van het door de verzoekende partijen ingeroepen subsidiariteitsbeginsel: ‘Er worden ruimtelijke structuurplannen op de volgende niveaus opgemaakt: 1/ door het Vlaamse Gewest voor het grondgebied van het Vlaamse Gewest: het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen dat de structuurbepalende elementen van gewestelijk belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan, met aanduiding van de onderdelen die door het Vlaamse Gewest, de provincies of de gemeenten moeten worden uitgevoerd; 2/ door een provincie voor het grondgebied van de provincie: het provinciaal ruimtelijk structuurplan dat de structuurbepalende elementen van provinciaal belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan, met aanduiding van de onderdelen die door de provincie of de gemeenten moeten worden uitgevoerd; 3/ door een gemeente voor het grondgebied van de gemeente: het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan dat de structuurbepalende elementen van gemeentelijk belang bevat en taakstellingen met betrekking tot de uitvoering ervan door de gemeente. De structuurbepalende elementen zijn de elementen die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het niveau in kwestie beschrijven’. In het hoger geciteerde passage over ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur’, die handelt over RWZI’s in het buitengebied, staat geen enkele taakstelling voor het opmaken van RUP’s, noch aan de gemeenten, noch aan de provincies en evenmin aan het Vlaamse gewest. Daarna rijst de vraag of de hoger geciteerde passage uit het RSV over RWZI’s in het buitengebied een engagement impliceert van het Vlaamse gewest om hiervoor ook zelf RUP’s op te maken. Het is immers zo dat de overheid die een engagement neemt in zijn structuurplan in principe een initiatiefrecht verwerft voor de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan hiervoor. Dit blijkt uit artikel 19, § 5 DRO en uit de artikelen 41, § 2, 44, § 2 en 48, §2 DRO, die bepalen dat elke overheid bevoegd is om de nodige RUP’s op te maken ter uitvoering van zijn eigen structuurplan. Volgens die artikelen kan er geen discussie bestaan over de bevoegdheid voor de opmaak van een RUP indien de desbetreffende aangelegenheid is geregeld in het structuurplan van een bepaald niveau. Voorwaarde is evenwel dat het betreffende structuurplan hierbij de bevoegdheidsregels uit artikel 18, tweede lid DRO niet mag schenden, met name de bepaling die stelt dat het structuurplan enkel die zaken regelt die kunnen worden beschouwd als een structuurbepalend element van het desbetreffende bestuurlijke niveau. Deze randvoorwaarde is essentieel, aangezien de bevoegdheidsregels immers van openbare orde zijn. Dit alles brengt met zich mee dat de geciteerde passage uit het RSV over RWZI’s in het buitengebied zou betekenen dat het Vlaamse gewest exclusief bevoegd is voor de opmaak van RUP’s voor RWZI’s, op voorwaarde evenwel dat de problematiek van de RWZI’s in het buitengebied te beschouwen is als een ‘structuurbepalend element van gewestelijk belang’, d.w.z. als een element die de hoofdlijnen van de ruimtelijke structuur van het gewestelijke niveau beschrijft (cfr. artikel 18, tweede lid DRO). X-13.567-10/60 Uit de samenlezing van de bepalingen over het ‘buitengebied’ blijkt duidelijk dat het RSV de problematiek van de RWZI’s niét als een structuurbepalend element voor het buitengebied van Vlaams niveau beschouwt. Integendeel, het RSV stelt uitdrukkelijk dat enkel de functies ‘natuur en bos, landbouw, wonen en werken’ de structuurbepalende elementen van het buitengebied zijn. RWZI’s worden door het RSV bestempeld als behorend tot de ‘andere functies en activiteiten van het buitengebied’, die dus niet structurerend zijn voor het buitengebied. Het RSV bepaalt dat het Vlaamse gewest een beleid zal voeren om de structuurbepalende functies van het buitengebied te vrijwaren, en in het kader daarvan worden een aantal ontwikkelingsperspectieven voor RWZI’s in het buitengebied geformuleerd, die moeten doorwerken naar de beslissingen van andere overheden hierover en die moeten garanderen dat de structuurbepalende elementen van het buitengebied niet worden aangetast. Hiervoor zij verwezen naar de volgende passages uit het RSV die het de structuurbepalende functies van het buitengebied duidelijk onderscheiden van de andere functies van het buitengebied: Natuur, landbouw, bos en wonen en werken structuurbepalende functies van het buitengebied Binnen het buitengebied zijn en blijven vele functies en activiteiten aanwezig en mogelijk. Onderscheid wordt gemaakt tussen: - de structuurbepalende functies en activiteiten. Dit zijn natuur en bos, landbouw en wonen en werken; - andere functies en activiteiten van het buitengebied. Hieronder worden die functies en activiteiten verstaan die in bepaalde gebieden van het buitengebied weliswaar hoofdfunctie zijn maar die niet als structurerend voor het gehele buitengebied worden beschouwd. Dit zijn de recreatieve en toeristische activiteiten, sommige gemeenschaps- en nutsvoorzieningen (onder meer afvalbeheer/slib, waterzuivering, drinkwater- en energievoorzieningen), ontginningen en waterwinning’. (...) ‘2.1. Het vrijwaren van het buitengebied voor de essentiële functies In het buitengebied wordt een dynamische en duurzame ontwikkeling gegarandeerd zonder het functioneren van de structuurbepalende functies van het buitengebied (landbouw, natuur, bos en wonen en werken op het niveau van het buitengebied) aan te tasten. Op Vlaams niveau zal bovendien een beleid worden gevoerd waarbij aan de structuurbepalende functies voldoende ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden en gegarandeerd. Op deze wijze blijft het buitengebied gevrijwaard voor haar essentiële functies en worden de grote aaneengesloten gebieden van het buitengebied gevrijwaard en versterkt’. De vrijwaring van de structuurbepalende elementen van het buitengebied gebeurt in de eerste plaats door de afbakening van de gebieden van de natuurlijke structuur en van de agrarische structuur (...), door het bepalen van de ontwikkelingsperspectieven van de nederzettingstructuur met o.a. de zgn. trendbreuk houdende de 60%-40% verhouding tussen het aantal bijkomende woningen in de stedelijke gebieden tegenover het buitengebied (...) en door het bepalen van een aantal ontwikkelingsperspectieven voor het landschap (...). Voor een aantal van die zaken geeft het RSV taakstellingen aan het Vlaamse gewest (afbakening natuurlijke en agrarische structuur, (...)), aan de provincies (bepalen van de kwantitatieve opties inzake bijkomende woningen voor de gemeenten van het buitengebied (...), of aan zowel het gewest, de provincie en de gemeente (selectie van landschappen, (...)), enz. Vervolgens bepaalt het RSV een aantal ontwikkelingsperspectieven voor de ‘andere functies van het buitengebied’ die - zoals gezegd - niet structuurbepalend zijn voor het buitengebied. Onder die ‘andere’, niet X-13.567-11/60 structuurbepalende functies ressorteert de afvalwaterzuiveringsinfrastructuur. Bij een aantal van die ‘andere’ buitengebiedfuncties voorziet het RSV een taakstelling (bijv. specifieke toeristisch-recreatieve infrastructuren die een uitspraak op Vlaams niveau behoeven, (...)), en bij sommige niet, zoals bijvoorbeeld voor RWZI’s (...). Aangezien RWZI’s niet behoren tot de structuurbepalende elementen van het buitengebied - die volgens het RSV exclusief tot de Vlaamse bevoegdheid behoren, behoudens andersluidende taakstelling - heeft het Vlaamse gewest in het RSV geen globaal engagement opgenomen om RUP’s op te maken voor RWZI’s. De geformuleerde ontwikkelingsperspectieven voor RWZI’s zijn immers niet bedoeld om te worden ‘gerealiseerd’ of ‘uitgevoerd’ door het Vlaamse gewest zelf, maar zijn ruimtelijke principes die zijn bedoeld om ‘door te werken’ naar uitvoeringsplannen van om het even welk niveau, en dit ter vrijwaring van de structuurbepalende elementen van het buitengebied, in eerste instantie de natuurlijke en de agrarische structuur. Het RSV heeft dus de bevoegdheid voor het opmaken van RWZI’s niet aan het Vlaamse gewest voorbehouden, noch heeft het RSV hierover een taakstelling geformuleerd. Het RSV laat de vraag open welke overheid in welke gevallen bevoegd is voor het opmaken van een RUP voor een RWZI. Het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant gaat ook in op de problematiek van de RWZI’s. Het PRS voorziet - in tegenstelling tot het RSV - wel in een taakstelling, en wel een provinciale taakstelling (...): ‘De provincie acht rioolwaterzuiveringsinstallaties van provinciaal niveau, waarvan het afvalwater: # afkomstig is uit meerdere gemeenten; # afkomstig is uit een zuiveringsgebied dat (delen van) kleinstedelijke gebieden omvat; # afkomstig is van regionale bedrijventerreinen in kleinstedelijke gebieden en in de specifieke economische knooppunten’. In casu betreft de RWZI ELIKSEM een installatie voor een zuiveringsgebied dat het afvalwater zal zuiveren van de deelgemeenten Overwinden, Neerwinden, Laar, Eliksem en Ezemaal (...), dit zijn allemaal deelgemeenten van de stad LANDEN. De RWZI valt bijgevolg niet onder de criteria voor RWZI’s van provinciaal niveau. Naast die bevoegdheidsverdelende taakstelling voegt het PRS nog twee ruimtelijke principes toe aan de reeds vermelde principes uit het RSV (...): ‘Hiernaast (naast de principes van het RSV) formuleert de provincie (e)en bijkomend principe: # Inplanting van infrastructuur voor afvalwaterzuivering dient steeds te kaderen binnen het provinciaal en gebiedsgericht ruimtelijk beleid. # Afstemming tussen het provinciaal ruimtelijk beleid en integraal waterbeleid wordt vooropgesteld’. De verzoekende partijen interpreteren die ruimtelijke principes volkomen ten onrechte als bevoegdheidsverdelende regels. Dit zijn ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven die van toepassing zijn op RUP’s voor RWZI’s van om het even welk planningsniveau (gemeente, provincie of gewest). De verzoekende partijen tonen niet aan dat de geformuleerde principes zouden zijn geschonden. De tussenkomende partij verwijst integendeel naar het standpunt van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant - die trouwens het best geplaatst is om de conformiteit met het provinciale beleid te beoordelen - en stelt vast dat het advies van de deputatie d.d. 7 december 2006 gunstig was en dat de deputatie het RUP heeft goedgekeurd. Behoudens tegenbewijs (cfr. het pr(i)vilège du préalable) - dat geenszins wordt geleverd door de verzoekende partijen - mag er aldus worden van uitgegaan dat het RUP conform is met de principes die worden geformuleerd in het PRS. X-13.567-12/60 Aangezien het RSV geen bevoegdheidsregels bevat aangaande RWZI’s en aangezien voor een RWZI dat zich beperkt tot het afvalwater van het grondgebied van één gemeente overeenkomstig het PRS niet tot de provinciale bevoegdheid behoort, betekent dit dat voor het voorliggende RUP moet worden nagegaan of de gemeente bevoegd was overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel - voor zover het subsidiariteitsbeginsel op zich kan worden beschouwd als een rechtsregel (...), en of het RUP rekening heeft gehouden met de richtinggevende bepalingen uit het RSV inzake RWZI’s, die als volgt luiden (...): ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
  3. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4.7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)’. Uit die bepalingen zijn twee verschillende soorten regels terug te vinden: - Enerzijds worden er een aantal inhoudelijke ruimtelijke localisatieprincipes geformuleerd die bedoeld zijn om ‘door te werken’ naar de RUP’s omtrent RWZI’s. Hierbij onderscheidt het RSV vooreerst een aantal technische wetmatigheden (gravitatieprincipe en nabijheid van een waterloop) en daarnaast - binnen die technische mogelijkheden - een aantal ruimtelijke principes (gedeconcentreerde bundeling, inpasbaarheid in schaal van het landschap en verenigbaarheid met de structuurbepalende functies van het buitengebied). Hierop wordt dieper ingegaan bij de weerlegging van het tweede middel. - Anderzijds stelt het RSV een aantal regels voorop die eerder ‘procedureel’ van aard zijn, met name de volgende zin: ‘De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
  4. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied’. Hierin komen drie aspecten naar voor: 1) ‘de overheidssector’ moet per hydrografisch bekken een gebiedsgerichte visie opmaken met de reële behoefte aan bijkomende RWZI’s, en 2) de locaties moeten in overleg met ‘alle betrokken overheidssectoren’ 3) worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. X-13.567-13/60 Wat die eerste voorwaarde betreft verwijst de tussenkomende partij naar het overzicht van de behoefte aan bijkomende RWZI’s in het Demerbekken, het Maasbekken (deel in provincie Limburg), het Benedenscheldebekken en het Denderbekken (...). De RWZI van LANDEN-ELIKSEM staat vermeld op p. 12. Wat de tweede voorwaarde betreft, verwijst de tussenkomende partij naar de overlegvergaderingen tussen Aquafin, het departement RWO (het toenmalige ARP), het Agentschap RWO (het toenmalige ROHM Vlaams-Brabant) enerzijds en de verschillende betrokken gemeenten anderzijds, waarin de verschillende ruimtelijke maatregelen voor RWZI’s werden besproken (...). Bovendien merkt de tussenkomende partij op dat het RUP tijdens de plenaire vergadering werd voorgelegd aan alle ‘betrokken overheidssectoren’, en dat de diverse administraties en besturen adviezen hebben uitgebracht over het (voor)ontwerp van het RUP. Wat de derde voorwaarde betreft blijkt uit de memorie van toelichting dat de RWZI wordt gekaderd binnen het ruimtelijke beleid zoals vastgelegd in het RSV, het PRS en het GRS (...). Tot slot rest de vraag welke overheid of overheden uiteindelijk de bevoegdheid hadden om voor de RWZI van LANDEN-ELIKSEM een RUP op te maken, nadat de lokatie ervan in overleg tussen de betrokken overheidssectoren werd bepaald en werd gekaderd binnen het ruimtelijke beleid? Hierboven werd reeds aangetoond dat bij gebreke aan taakstelling er geen enkele overheid exclusief bevoegd is voor de opmaak van RUP’s voor RWZI’s, en dat die (residuaire) bevoegdheid bijgevolg uiteindelijk moet worden uitgeklaard op basis van het subsidiariteitsbeginsel, gesteld dat dit beginsel kan worden beschouwd als een rechtsregel. In de rechtsleer wordt in dit verband alvast opgemerkt dat - in de hypothese dat het subsidiariteitsbeginsel te beschouwen is als een rechtsregel - het beginsel hoe dan ook dermate vaag is dat het geen ‘afdwingbare’ of ‘toetsbare’ rechtsregel is en dat enkel een kennelijke schending ervan in aanmerking komt voor sanctionering, gelet op de grote beleidsvrijheid van de overheid. Uw Raad heeft trouwens reeds bij herhaling gesteld dat de rechterlijke controle op het richtinggevende gedeelte van het RSV slechts marginaal is. Gelet op het ontbreken van een taakstelling over de bevoegdheid voor het opmaken van RUP’s voor RWZI’s werd door de drie overheidsniveaus op basis van het subsidiariteitsbeginsel een bevoegdheidsverdeling afgesproken, die er als volgt uitziet (...): - Gemeentelijk niveau: RWZI’s voor kleine zuiveringsgebieden die niet kunnen of zullen aangesloten worden op een grotere installatie en die geheel of grotendeels binnen de grenzen van de gemeente gesitueerd zijn. Kleinere delen van het zuiveringsgebied kunnen tot een aangrenzende gemeente behoren maar kunnen, mits overleg en akkoord met de betrokken gemeente, meegenomen worden binnen het project. - Provinciaal niveau: installaties die afvalwater zuiveren dat uit meerdere gemeenten afkomstig is of uit zuiveringsgebieden die (delen van) kleinstedelijke gebieden bevatten en voor installaties die (mede) afvalwater zuiveren van regionale bedrijventerreinen in kleinstedelijke gebieden en in de specifieke economische knooppunten. - Gewestelijk niveau: installaties die afvalwater zuiveren uit zuiveringsgebieden die (delen van) grootstedelijke of regionaalstedelijke gebieden bevatten en voor installaties die (mede) afvalwater verwerken van (regionale) bedrijventerreinen in groot- en regionaalstedelijke gebieden, economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, zeehavens, de luchthaven van Zaventem en internationaal georiënteerde multimodale logistieke parken. X-13.567-14/60 In casu betreft de RWZI ELIKSEM een installatie voor een zuiveringsgebied dat het afvalwater zal zuiveren van de deelgemeenten Overwinden, Neerwinden, Laar, Eliksem en Ezemaal (...), dit zijn allemaal deelgemeenten van de stad LANDEN. De RWZI voldoet aldus aan de criteria die werden vooropgesteld voor de opmaak van een gemeentelijk RUP. De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze taakverdeling een kennelijke schending van het subsidiariteitsbeginsel zouden inhouden. (...)”. 3.2.1.4. Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.1.4.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging (hierna: Wet oppervlaktewateren) en het subsidiariteitsbeginsel doordat, kort samengevat, de gemeenten niet bevoegd zijn voor de waterzuivering en zij dus ook geen RUP kunnen maken voor een RWZI. 3.2.1.4.2. De verzoekende partijen preciseren niet welke bepaling van de Wet oppervlaktewateren tegen verontreiniging geschonden zou zijn. In het kader van een administratief kort geding kan geen analyse van deze omvangrijke wet worden gemaakt teneinde na te gaan welke bepaling eventueel zou kunnen geschonden zijn, temeer daar deze wet op het eerste gezicht geen bepaling bevat waarvan, zonder dat daarover twijfel kan bestaan, kan worden vastgesteld dat het die bepaling is waarvan de verzoekende partijen de schending aanvoeren. 3.2.1.4.3. Dat in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO) het subsidiariteitsbeginsel enkel kan inhouden dat elke overheid die bevoegd is voor ruimtelijke ordening zich inlaat met de aangelegenheden die geschikt zijn om op haar niveau te worden geregeld, zegt niets omtrent de vraag op welk niveau welke materies dan wel thuishoren. Zo volgt uit het subsidiariteitsbeginsel niet rechtstreeks dat gemeenten niet bevoegd zouden zijn op het vlak van de waterzuivering. Wat de verzoekende partijen in wezen voorhouden lijkt op het eerste gezicht een bevoegdheidskwestie te zijn, doch welke precieze regels met betrekking tot de bevoegdheden op het vlak van waterzuivering dan wel zouden zijn geschonden, wordt niet verduidelijkt. Een algemene verwijzing naar de Wet oppervlaktewateren, naar het DRO of het subsidiariteitsbeginsel kunnen niet volstaan voor zo’n verduidelijking. Ook een verwijzing naar niet bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) of het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant volstaat op dat vlak niet. Overigens stelt het RSV, zoals de verzoekende partijen zelf aangeven, dat de RWZI’s voor X-13.567-15/60 huishoudelijk afvalwater dienen aan te sluiten bij de kernen, en dat is precies wat er in casu wordt beoogd. Daarenboven is het op het eerste gezicht niet evident dat de inplanting van een relatief kleine waterzuiveringsinstallatie die instaat voor de verwerking van afvalwater van bepaalde deelgemeenten van een gemeente, op grond van het subsidiariteitsbeginsel aan de bevoegdheid van de gemeenten onttrokken zou zijn. Op te merken valt dat zowel de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening als de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het ontworpen GRUP gunstig hebben geadviseerd, wat er op het eerste gezicht op wijst dat zij geen onverenigbaarheid hebben gezien met de ruimtelijke structuurplannen die zij hadden opgemaakt. 3.2.1.4.4. Bovendien moet de bevoegdheid om ruimtelijke uitvoeringsplannen te maken, teneinde de inplanting van een RWZI op een bepaalde plaats in concreto te realiseren, worden onderscheiden van de beslissing waar zodanige installatie het best wordt ingeplant. In casu deed de n.v. AQUAFIN een voorstel tot inplanting op een bepaalde plaats. Verzoekers tonen niet aan dat de n.v. AQUAFIN daartoe niet bevoegd was. Wat het RUP beoogt is niet meer dan de verdere concrete realisatie van de principiële beslissing van de n.v. AQUAFIN, en voor die verdere concrete realisatie middels een gemeentelijk RUP is de gemeente op het eerste gezicht bevoegd. 3.2.1.4.5. Het eerste middel is niet ernstig. 3.2.2. Tweede middel 3.2.2.1. In een tweede middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen” voeren de verzoekende partijen de schending aan “van artikel 31 DRO, van artikel 38, §, 4/ DRO en artikel 48, § 2 DRO”, “Doordat de bestreden beslissingen voorbij gaan aan de omstandigheid dat de vallei van de Kleine Gete behoort tot de bovenlokale natuurlijke structuur; doordat niet is nagegaan of een ruimtelijke afgewogen gebiedsgerichte visie op gans het hydrografisch bekken is gemaakt (en daarbij o.a. niet is nagegaan of een reële behoefte bestaat aan een bijkomende RWZI); en doordat niet is nagegaan of de locatie gekaderd is een het ruimtelijk beleid voor het gebied; en doordat de bestreden beslissingen in het algemeen geen rekening houden met de inhoud van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan Vlaams-Brabant; Terwijl, krachtens artikel 31 DRO, het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zich moet richten naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en naar het X-13.567-16/60 Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan, en het krachtens artikel 38,§4 DRO zo is dat ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt worden in uitvoering van ruimtelijke structuurplannen (bepaling, voor de gemeentelijke RUP’S, geconcretiseerd door artikel 48§2 DRO), zodat een ruimtelijk uitvoeringsplan dat strijdig is met een ruimtelijk structuurplan dat op een hoger niveau is vastgesteld niet regelmatig is; en terwijl volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de locatie van een nieuwe RWZI wordt gekozen volgens het principe van de gedeconcentreerde bundeling (...); dat de bedoeling van dat principe is wat bij elkaar hoort te bundelen en te verweven in de steden en de kernen van het buitengebied, met respect voor de draagkracht van dit gebied; dat men zodoende de druk op het buitengebied wil wegnemen; dat de bundeling schaalvoordelen kan opleveren; dat de toepassing van dat principe niet onderzocht is en niet geargumenteerd in het aangevochten RUP; dat men stelt dat de waterzuiveringsinstallatie ruimtelijk moet aansluiten bij de ‘woonkern’, d.w.z. de woonkern die last veroorzaakt; dat hierbij voorbij wordt gegaan aan het gegeven dat de voorziene installatie niet enkel bedoeld is voor de lasten van Eliksem maar ook om de vuilvracht te zuiveren van Overwinden, Neerwinden, Laar en Ezemaal; dat de nieuwe RWZI wordt gepland tegen de dorpskern; dat dit zeker ingaat tegen het beginsel van de gedeconcentreerde bundeling nu enkel de bewoners van Eliksem de last en de stank krijgen voor de lasten van het ganse gebied; dat de bewering dat er een aansluiting zou zijn bij ‘de woonkern’ dus fout is, nu er geen aansluiting is bij de woonkernen waar meer dan 4/5 van de vuilvracht vandaan komt; dat dit een disproportioneel nadeel vormt voor de woonkern nu Eliksem, op Ezemaal na, kleiner is dan de andere gebieden; dat het beroep op het principe van gedeconcentreerde bundeling acceptabel zou zijn als het enkel om de afvoer van water uit Eliksem zou gaan omdat de collector dan kleiner, de last minder en de bezwaren ook minder zouden zijn; dat volgens het RSV de verenigbaarheid qua reuk, lawaai en visuele hinder met de woonfunctie worden nagegaan, hetgeen werd herhaald in het advies van de planologische ambtenaar zoals vervat in deel 4 van het gemeentelijk RUP RWZI Eliksem (behandeling van de adviezen); dat de verenigbaarheid van de te plaatsen RWZI met de woonfunctie van Eliksem niet onderzocht is; dat die duidelijk relevant is en in elk geval veel relevanter dan het onderzoek naar de verenigbaarheid met het landschap; dat het bezoek dat verzoekers op initiatief van de overheid brachten aan de installatie in Kampenhout verzoekers sterkte in de overtuiging dat zij zich moesten verzetten omdat de geur-, geluids- en visuele hinder manifest was; dat alle bezochte installaties afzichtelijke bombastische betonnen bunkers zijn; dat, voor zover verzoekers konden uitmaken, de Vlaamse regering in uitvoering van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen beslist heeft om de agrarische gebieden zoals opgenomen in de gewestplannen op te nemen in de agrarische structuur; dat dit inhoudt dat een gemeente met een RUP geen afbreuk kan doen aan het agrarisch gebied; dat de gemeente niet kan ingaan tegen deze beleidsoptie van de hogere overheid; dat de wijziging van de ruimtelijke kwalificatie door de gemeente in iets anders dan een landschappelijk waardevol agrarisch karakter neerkomt op een bevoegdheidsoverschrijding; dat de gemeente vast zit aan de landbouwbestemming van de inplantingsplaats en deze niet kan wijzigen; dat uit het advies van de planologische ambtenaar in elk geval blijkt dat het gemeentelijk RUP RWZI Eliksem moest worden aangepast om strijdigheden met Vlaamse opties te vermijden; dat uit het vorig middel ook al gebleken is dat het RUP RWZI Eliksem moest worden aangepast om strijdigheden met Vlaamse opties te vermijden; dat over het structuurplan Landen wordt gezegd (...) dat het slechts een vrij algemene planningscontext weergeeft en dat de relatie tussen structuurplan en uitvoeringsplan onvoldoende is uitgewerkt; dat uit het vorig middel is gebleken dat waterzuivering volgens het provinciaal X-13.567-17/60 ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant ook een bovenlokale bevoegdheid is; dat daarom nooit uit een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een andere conclusie kan worden afgeleid met betrekking tot die bevoegdheid en dat bijgevolg een RUP geen kader kan creëren voor de aanleg van een installatie waar dit ingaat tegen de opties genomen op een hoger niveau; Zodat de Stad Landen dit RUP niet kon opmaken nu hun structuurplan strijdig is met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarbij Landen vastzit aan de landbouwbestemming van de inplantingsplaats en deze niet kan wijzigen, waaruit moet worden afgeleid dat de bestreden beslissingen (de eerste door het definitief vaststellen van het RUP RWZI Eliksem, de tweede door het goedkeuren van die beslissing) de aangehaalde decreetsbepalingen schenden”. 3.2.2.2. In een gezamenlijke nota antwoorden de verwerende partijen: “Vooreerst dient opgemerkt dat verzoekers de schending opwerpen van artikel 38, §4 DRO - behoudens vergissing omvat artikel 38 slechts drie paragrafen. Artikel 31 DRO, waarvan tevens de schending wordt opgeworpen, bepaalt dat er voor elke gemeente een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wordt vastgesteld dat zich richt naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan; artikel 48, §2 DRO bepaalt verder dat de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Verzoekers houden voor dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig zou zijn met het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen (RSV) en dientengevolge niet regelmatig zou zijn. Volgens verzoekers zou de gemeente ‘vast zitten’ aan de landbouwbestemming van de inplantingsplaats en kan deze niet worden gewijzigd. Het is inderdaad zo dat de lagere structuurplannen zich dienen te richten naar de hogere structuurplannen; met betrekking tot de uitvoeringsplannen wordt ten dien einde in artikel 38, §3 DRO voorzien dat de voorschriften van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen de voorschriften van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die daar strijdig mee zijn, van rechtswege opheffen. Ook de voorschriften van de provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen heffen de voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, die daar strijdig mee zijn, van rechtswege op. Aldus dient het gemeentelijk structuurplan zich te richten naar het provinciaal structuurplan, dat zich op zijn beurt dient te richten naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Al deze toepasselijke ruimtelijke structuurplannen werden goedgekeurd; hieromtrent bestaat geen discussie. De ruimtelijke uitvoeringsplannen dienen opgemaakt ter uitvoering van het overeenstemmend ruimtelijk structuurplan, wat maakt dat ze daar niet kunnen van afwijken. Zo bepaalt artikel 48, §2 dat het gemeentelijk ruimtelijke uitvoeringsplan dient opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan en dat (cfr. artikel 48, §3) de voorschriften van dit gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet kunnen afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. De verzoekende partijen kunnen geen enkel punt aanhalen op hetwelk het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan al zou afwijken van toepasselijke provinciale en/of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. X-13.567-18/60 Omgekeerd, het weze herhaald, worden de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan van rechtswege opgeheven zo deze strijdig zouden zijn met de voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; dit wordt uitdrukkelijk voorgeschreven in artikel 38, §3 DRO. Het bestreden ruimtelijke uitvoeringsplan kadert perfect binnen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; verzoekers kunnen het tegendeel niet aannemelijk maken. De voorschriften van het DRO werden in deze perfect nageleefd. De voorgestelde inplantingsplaats is in overeenstemming met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant en van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, gezien de aansluiting bij de bestaande bebouwing van de kern-in-het-buitengebied, de beperking van de aantasting van de open ruimte en de aansluiting bij de waterloop, waarbij in het ministerieel besluit van 21 december 2006 nog wordt bevestigd dat de ontwikkelingsperspectieven uitgaan van het bundelen van de aan het wonen gekoppelde gemeenschaps- en nutsvoorzieningen aan de kernen, en dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie verenigbaar zal zijn met de woonfunctie en dat de schaal en de omvang van de voorziening aansluit bij de schaal van het landschap. Ook uit het advies van 3 augustus 2006 van de gewestelijk planologische ambtenaar blijkt tevens de verenigbaarheid met het RSV en wordt tevens de toetsing gemaakt aan het GRS. (...)”. 3.2.2.3. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel het volgende gelden : “1. Nopens de beweerde schending van het principe van gedeconcentreerde bundeling. De tussenkomende partij wenst eerst en vooral op te merken dat enkel een kennelijke schending van het principe van de gedeconcentreerde bundeling in aanmerking komt voor sanctionering, gelet op de grote beleidsvrijheid van de overheid. Voorts wenst de tussenkomende partij erop te wijzen dat niet enkel het principe van de gedeconcentreerde bundeling van belang is, maar dat het RSV voor RWZI’s een aantal specifieke ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven vooropstelt (...): ‘Strikte voorwaarden voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur Nieuwe infrastructuur voor de zuivering van industrieel afvalwater moet worden gelokaliseerd op het bedrijventerrein, gekoppeld aan het bedrijf of gegroepeerd. De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. De overheidssector maakt een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op per hydrografisch bekken waarin de reële behoefte aan bijkomende rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’
  5. s)wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren worden gekaderd in het ruimtelijk beleid voor het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s. X-13.567-19/60 - de locatie van een RWZI gaat uit van het principe van de gedeconcentreerde bundeling waarbij de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie maximaal is; - de schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap; - de omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Voor de aanleg van nieuwe rioleringen en collectoren geldt zoveel mogelijk het principe van bundeling met lijninfrastructuren (cf. hoofdstuk III.4.7. Pijpleidingen en elektriciteitsleidingen)’. De locatiekeuze hangt dus in de eerste plaats af van een aantal technische wetmatigheden, zoals de gravitatieprincipes en de nabijheid van een waterloop. De fysische wetmatigheden beperken de locatiemogelijkheden (een RWZI kan bijvoorbeeld niet worden ingeplant op de top van een heuvel). De fysische principes komen er onvermijdelijk op neer dat RWZI’s in laaggelegen delen moeten worden ingeplant, zoals valleien van waterlopen, zoals in casu het geval is. De memorie van toelichting motiveert de locatiekeuze dan ook terecht vanuit de door het RSV erkende technische principes (...): ‘De inplantingsplaats is logisch daar het zwaartepunt van de vervuiling hier aanwezig is zodat voor elke andere inplantingsplaats een terugpompen (stroomopwaarts) van de vuilvracht noodzakelijk is ofwel het verder doorvoeren van de vuilvracht betekent. Ook naar topografie toe is deze inplantingsplaats (monding Waarbeek in de Kleine Gete) het meest geschikt. Door de waterlopen te volgen, kon de gravitaire aansluiting voorzien worden voor de collector Waarbeek naar de inplantingsplaats, die dan ook op het laagste punt ingeplant zal worden. De aansluiting met de verbindingsriolering Ezemaal kan gravitair gebeuren. Verder stroomafwaarts wordt geen vuilvracht meer aangesloten. Aan de basis van de inplantingsplaats lag de gravitaire afvoer van de vuilvracht, zoals reeds vermeld. Om die reden is de RWZI gelocaliseerd in de vallei van de Kleine Gete, maar zij sluit tevens aan bij de bestaande woonkern van Eliksem. Het gravitair aansluiten wordt ook in het RSV aangehaald als criterium bij de locatiekeuze, evenals het ruimtelijk aansluiten bij de woonkern’. Binnen de beperkte fysisch-technische mogelijkheden schuift het RSV de volgende ruimtelijke principes naar voor (...). Het RUP voldoet aan elk van die principes. # De zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen: De RWZI sluit aan bij de woonconcentratie ELIKSEM, dat een geselecteerde ‘kern’ is. Het PRS Vlaams-Brabant heeft ELIKSEM geselecteerd als ‘Kern-in-het-buitengebied’ (...). Dat Eliksem de op één na kleinste kern van de vijf deelgemeenten van het zuiveringsgebied is - in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren - volstrekt irrelevant. Dat de RWZI voor 4/5 de vuilvracht van andere deelgemeenten zuivert is een wetmatige logica die zou gelden voor elke betrokken deelgemeente uit het zuiveringsgebied en die volgt uit het feit enerzijds dat een RWZI moet aansluiten bij een kern en anderzijds dat het zuiveringsgebied vijf deelgemeenten omvat. Het pleidooi van de verzoekende partijen getuigt van een extreem NIMBY-gehalte. Het enige alternatief zou erin bestaan dat elk gehucht zijn eigen vuilvracht zou zuiveren. Dit zou pas fundamenteel in strijd zijn met het door de verzoekende partijen ingeroepen principe van de gedeconcentreerde bundeling en van principe van het vrijwaren van het openruimtekarakter van het buitengebied. X-13.567-20/60 De memorie van toelichting motiveert de locatiekeuze op dit punt als volgt (...): ‘Aan de basis van de inplantingsplaats lag de gravitaire afvoer van de vuilvracht, zoals reeds vermeld. Om die reden is de RWZI gelocaliseerd in de vallei van de Kleine Gete, maar zij sluit tevens aan bij de bestaande woonkern van Eliksem. Het gravitair aansluiten wordt ook in het RSV aangehaald als criterium bij de locatiekeuze, evenals het ruimtelijk aansluiten bij de woonkern’. # Principe van de gedeconcentreerde bundeling: maximale verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie. Ten onrechte stellen de verzoekende partijen dat de verenigbaarheid van de RWZI met de woonfunctie van ELIKSEM niet zou zijn onderzocht. De memorie van toelichting stelt hierover het volgende (...): ‘De voorgestelde locatie ligt in de omgeving van deze die voorgesteld werd in het eerste ontwerp. Op basis van de bezwaren werd gekozen voor een alternatief. De nieuwe locatie sluit dus enerzijds aan bij de kern maar houdt tegelijkertijd ook voldoende afstand om de eventuele hinder voor de omwonenden tot een minimum te beperken. Anderzijds wordt ook voldoende afstand gehouden tot de Kleine Gete, zodat de natuurlijke loop van de waterloop niet gehinderd wordt door de installatie’. De deputatie overwoog in zijn advies d.d. 8 augustus 2006 in dit verband het volgende: ‘( ...) Ook op het vlak van milieuhinder is de site goed gekozen. De mogelijke geurhinder wordt van de bewoning weggeblazen’. (...) # De schaal van het RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap. Hierover zegt de memorie van toelichting het volgende (...): ‘Het ruimtelijk versterken van de kasseiweg door een bomenrij wordt meegenomen als uitgangspunt bij de inrichting van de bufferzone rond de RWZI. De Koningsmolen wordt als toeristisch speerpuntproject uitgebouwd. Door voldoende afstand te houden en door een goede inbuffering is de installatie ook verenigbaar met deze doelstelling. De draadafsluiting rond de RWZI zal voorzien worden dat zij niet visueel storend werkt naar het omliggende landschap. Het gaat hier weliswaar niet om een bedrijventerrein, toch kan men in dit geval ook de maatregelen voor landschappelijke integratie van storende elementen die voor bestaande en nieuwe bedrijventerreinen worden voorzien, toepassen. Vooropgesteld wordt dat aan de raakvlakken met de buitenruimte, wordt gestreefd naar een groenvoorziening met een homogene inheemse beplanting bestaande uit een bomenlaag en een struiklaag. Binnen deze buitenbuffers zal de gemeente een stimulerend beleid voeren voor een kwantitatieve groenvoorziening. De bufferzone rond de RWZI voldoet hieraan’. De voorschriften van de Zone voor openbaar nut (art. 1.) vermelden: ‘De maximale bouwhoogte wordt beperkt tot 4,00m. .... Voor alle gevels dienen de gebruikte materialen zoals gevelmaterialen, dakbedekking, schrijnwerkerij, beglazing en buitenschilderwerk esthetisch verantwoord te zijn en in harmonie met omgeving’. De voorschriften van de Zone voor buffer (art. 2) vermelden: X-13.567-21/60 ‘De bufferzone heeft een esthetische en afschermende functie en vormt de overgang tussen het terrein en zijn omgeving. ... De afsluiting dient zodanig ingeplant te worden dat (zij) niet zichtbaar is vanuit het landschap’. Het advies van Onroerend Erfgoed d.d. 7 augustus 2006 stelde het volgende: ‘De omvang van de site past bij de perceelsstructuur in de omgeving. De voorschriften beperken de bouwhoogte en de bebouwde oppervlakte binnen de zone voor openbaar nut. Er is een vrij behoorlijke randbeplanting voorzien die een goede landschappelijke inpassing laat ontstaan. Daardoor blijft de schaal van de gebouwen en de infrastructuur dezelfde als deze van de gebouwen in Eliksem, en sluit de schaal aan bij deze van het landschap’. # De omvang van het RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Hierover zegt de memorie van toelichting het volgende: ‘Anderzijds wordt ook voldoende afstand gehouden tot de Kleine Gete, zodat de natuurlijke loop van de waterloop niet gehinderd wordt door de installatie. (...) (...) Voor de valleigebieden wordt uitgegaan van een behoud van de bestaande natuurwaarden. Voor de Kleine Gete zijn dat dan vooral de natte weilanden. Door de inplanting van de RWZI aansluitend bij de Konijnenbergstraat worden de weilanden op de oever gevrijwaard. De bufferzone wordt ingericht als een soort van ‘bebossing’. Bebossing in de valleien (wordt) eveneens beschouwd als een vorm van natuurontwikkeling en past hiermee dus ook in de visie van het GRS. De buffer kan ook een rol spelen als klein landschapselement in het gebied voor kleine landschapselementen (...)’ Het advies van Onroerend Erfgoed d.d. 7 augustus 2006 stelde het volgende: ‘Het project blijft voldoende ver verwijderd van het smalle valleigebied rondom de Kleine Gete, wat de ontwikkelingskansen van de natuurlijke structuur garandeert’. 2. Beweerde schending van de bevoegdheid inzake de agrarische structuur. De verzoekende partijen geven niet aan op welke rechtsgrond ze zich baseren om te stellen dat het wijzigen van de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied via een gemeentelijk RUP niet mogelijk zou zijn. Dit onderdeel van het middel is bijgevolg onontvankelijk. Indien uw Raad van oordeel zou zijn dat het onderdeel toch kan worden beschouwd als een ontvankelijk middel, is het ongegrond omwille van de volgende redenen. Artikel 201 DRO bepaalt dat de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan de voorschriften van een plan van aanleg vervangen voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben. Deze bepaling biedt de rechtsgrond om via een gemeentelijk RUP het gewestplan op te heffen en te vervangen door een andere bestemming. Deze regel is het gevolg van het nieuwe planningsconcept dat is gebaseerd op het principe van subsidiariteit en op het opstellen van de structuurplannen, die worden uitgevoerd door uitvoeringsplannen. Artikel 201 DRO wordt algemeen beschouwd als een impliciete vertaling van het subsidiariteitsbeginsel. In de mate dat de verzoekende partijen zouden verwijzen naar de Vlaamse bevoegdheid voor de afbakening van de agrarische structuur via gewestelijke RUP’s, merkt de tussenkomende partij op dat op de locatie van de geplande RWZI er geen gewestelijk RUP van toepassing is in die zin. Het gemeentelijk X-13.567-22/60 RUP is dus op geen enkele manier strijdig met ‘de agrarische structuur’ zoals de verzoekende partijen lijken te beweren, aangezien de agrarische structuur op die plaats (nog) niet is afgebakend. Geen enkele bepaling uit het RSV verbiedt om, in afwachting van de afbakening van de agrarische structuur, andere planningsinitiatieven te nemen. In dergelijke gevallen is het aan de bevoegde Vlaamse administratie om desgevallend te wijzen op een mogelijke strijdigheid met de Vlaamse opties inzake de afbakening van de agrarische structuur. De tussenkomende partij stelt vast dat het Departement Landbouw en Visserij, Duurzame Landbouwontwikkeling het RUP onvoorwaardelijk gunstig heeft geadviseerd en hierbij uitdrukkelijk heeft gesteld dat ‘door de aansluiting bij het landelijk woonlint de impact op de externe agrarische structuren niet al te groot is en de site aanvaardbaar is vanuit landbouwkundig standpunt’. (...)”. 3.2.2.4. Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.2.4.1. De verzoekende partijen voeren de schending aan van “artikel 31 DRO, van artikel 38, §, 4/ DRO en artikel 48, §2 DRO”. Wat de tweede bepaling betreft bedoelen de verzoekende partijen wellicht artikel 38, §1, 4/ DRO. Deze bepalingen luiden als volgt: “Art. 31. Voor elke gemeente wordt een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan vastgesteld. Het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan richt zich naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie waarbinnen de gemeente ligt. Het kan van het richtinggevend deel van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en van het provinciaal ruimtelijk structuurplan slechts afwijken op grond van de motieven, bepaald in artikel 19, § 3. Van de als bindend aangeduide onderdelen kan niet worden afgeweken. Art. 38. §1. Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: (...) 4/ de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; (...) Art. 48. (...) § 2. De gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan”. 3.2.2.4.2. Uit artikel 31 blijkt dat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zich moet richten naar de structuurplannen op Vlaams en provinciaal niveau. Aan de orde is hier evenwel, niet een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, maar wel gemeentelijk ruimtelijk “uitvoeringsplan”. Er valt dan ook niet in te zien hoe artikel 31 DRO geschonden zou kunnen zijn. X-13.567-23/60 3.2.2.4.3. Artikel 38, §1, 4/ geeft één van de elementen aan die een ruimtelijk uitvoeringsplan moet omvatten, met name de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de structuurplannen waarvan het een uitvoering is. Meer wordt niet vereist. In de toelichting bij het bestreden GRUP wordt op p. 8-12 stilgestaan bij de planningscontext. Daarin komen het RSV, het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan aan bod. Aldus wordt de relatie met de andere structuurplannen gelegd. 3.2.2.4.4. De verzoekende partijen geven niet aan in welk opzicht artikel 48, §2 DRO zou geschonden zijn, nu zij niet verduidelijken waarom het bestreden GRUP geen uitvoering van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zou zijn. Overigens wordt in de toelichting bij het GRUP (op p. 17) gesteld: “De voorgestelde locatie is niet in strijd met de opties van het GRS en kan deze door een gepaste inrichting van het gebied zelfs ondersteunen”. In het advies van de gewestelijk planologisch ambtenaar verleend op 3 augustus 2006 wordt hieromtrent gesteld: “De relatie tussen de gewenste ruimtelijke structuur van het gemeentelijk structuurplan en dit uitvoeringsplan is behoorlijk uitgewerkt”. De kritiek van de verzoekende partijen komt er in essentie op neer dat het bestreden GRUP in strijd zou zijn met de ruimtelijke structuurplannen op Vlaams en provinciaal niveau. In de toelichting bij het GRUP wordt omstandig uiteengezet waarom het GRUP wél verenigbaar is met het RSV en het provinciaal ruimtelijk structuurplan. De aldaar gegeven uiteenzetting vertoont op het eerste gezicht voldoende overtuigingskracht. Op 3 augustus 2006 adviseerde de gewestelijk planologisch ambtenaar het ontwerp van GRUP gunstig, en inzonderheid werd gesteld dat het ontworpen GRUP niet strijdt met Vlaamse opties. Op 7 december 2006 adviseert de deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant gunstig. Op 21 december 2006 wordt het ontwerp GRUP door de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening gunstig geadviseerd. Wat betreft het RSV wordt in de toelichting bij het GRUP gesteld dat de open ruimte overweegt. Gemeenschaps- en nutsvoorzieningen worden geconcentreerd in de kernen van het buitengebied, waarbij de voorzieningen in overeenstemming moeten zijn met het belang van de kern. Voor de ontwikkeling en uitbreiding van afvalwaterzuiveringsinfrastructuur gelden strikte voorwaarden. Zuivering van huishoudelijk afvalwater is ruimtelijk gebonden aan de kernen. Er moet een ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie worden opgemaakt per hydrografisch bekken, waarin de reële behoefte aan bijkomende RWZI’s wordt aangetoond en waarin de locaties in overleg met alle betrokken overheidssectoren X-13.567-24/60 worden gekaderd in het ruimtelijk beleid van het gebied. Vanuit technisch oogpunt is de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk van gravitatieprincipes en van de nabijheid van een waterloop voor de lozing van het effluent. Daarnaast kunnen een aantal ruimtelijke voorwaarden worden gesteld aan de locatiekeuze van nieuwe en de uitbreiding van bestaande RWZI’s: het principe van de gedeconcentreerde bundeling, de schaal van de RWZI sluit aan bij de schaal van het landschap, de omvang van de RWZI tast de structuur en de functie van de structuurbepalende functies van het buitengebied niet aan. Het blijkt op het eerste gezicht niet dat de RWZI in kwestie in strijd is met de hierboven weergegeven opties van het RSV. Verschillende principes spelen, en de overheden lijken op het eerste gezicht over enige appreciatiemarge te beschikken. De uitoefening van die appreciatiebevoegdheid kan slechts marginaal worden getoetst. Rekening houdend met de hiervoor vermelde opties lijkt de keuze van de betrokken locatie op het eerste gezicht niet kennelijk onredelijk. 3.2.2.4.5. De verzoekende partijen betogen dat er geen ruimtelijk afgewogen gebiedsgerichte visie op gans het bekken is gemaakt, en dat niet is nagegaan of er reële behoefte is aan een RWZI. In het advies van de GECORO (p. 14) wordt evenwel gesteld dat de afgewogen gebiedsgerichte visie is gebeurd bij de opmaak van het investeringsprogramma en de opmaak van het Technisch Plan. 3.2.2.4.6. De verzoekende partijen betogen ook dat het principe van de “gedeconcentreerde bundeling” is geschonden, doordat ook het afvalwater van een aantal andere deelgemeenten wordt verwerkt. Dit standpunt van de verzoekende partijen lijkt er op het eerste gezicht op neer te komen dat elke bewoningskern zijn eigen RWZI moet hebben. Dit lijkt evenwel in strijd met een ander principe van het RSV, met name het vrijwaren van de open ruimte in het buitengebied. Ook valt de betekenis van gravitatieprincipes niet goed te begrijpen als niet uitgegaan wordt van de aanname dat meerdere bewoningskernen op een gezamenlijke RWZI kunnen aansluiten. Als elke bewonerskern zijn RWZI moet hebben, dan zou het aspect “bundeling” van het begrip “gedeconcentreerde bundeling” verdwijnen. 3.2.2.4.7. De verzoekende partijen stellen dat, voor zover zij “konden uitmaken”, de agrarische gebieden zoals opgenomen in de gewestplannen zouden worden opgenomen in de agrarische structuur. De verzoekende partijen tonen dit evenwel niet aan en leggen op het eerste gezicht geen document over waaruit dit blijkt. X-13.567-25/60 3.2.2.4.8. De verenigbaarheid met het woongebied is onderzocht. In de toelichting bij het GRUP (deel 3 : Toelichting, p. 13) wordt vermeld dat voldoende afstand wordt gehouden ten opzichte van de woonkern om de eventuele hinder voor de omwonenden tot een minimum te beperken. Dat men oog had voor de verenigbaarheid met de woonfunctie blijkt ook uit het feit dat een buffer van 15 meter wordt vereist, hetgeen -naast een betere integratie in het landschap- ook tot een betere afscherming ten opzichte van het woongebied moet leiden en dus tot een betere verenigbaarheid ermee. 3.2.2.4.9. Ten slotte wordt de onverenigbaarheid met het provinciaal ruimtelijk structuurplan door de verzoekende partijen niet uitgewerkt. 3.2.2.4.10. Het tweede middel is niet ernstig. 3.2.3. Derde middel 3.2.3.1. In een derde middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “van artikel 38, § 1, 3/ DRO, 49, § 5 en 6 DRO en van de zorgvuldigheidsnorm”, “Doordat het ontwerp gemeentelijk RUP RWZI Eliksem de feitelijke en juridische toestand onvolledig weergeeft; dat onder punt 5.1 van het ontwerp vermeld staat : ‘De afvoer van slib gebeurt ca. 33 x per jaar met vrachtwagens met een brutogewicht van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie’; dat de verkeerssituatie van de weg zodanig is dat de doorgang van vrachtwagens boven de 5,5 ton verboden is gelet op de aanwezige kasseiweg; dat dit dus wil zeggen dat het bezwaarde RUP geen rekening houdt met de reële toestand die de volgende is wanneer 44 ton slib x 33 keer of totaal 1452 ton op een verkeersreglementaire wijze dient afgevoerd te worden met vrachtwagens tot 5,5 ton dan zijn er

(264)(a)fvoerbeurten nodig, dwz. : elke werkdag van een jaar; dat, nu de vrachtwagens toekomen en dezelfde weg terugrijden spreken we over 528 keer (dat een) vrachtwagen door de dorpskern van Eliksem rijdt, waarvan elke dag met stinkend slib; dat dit onaanvaardbaar is en onverenigbaar met de functie van een veilige dorpskern om nog maar te zwijgen van de schade die zal ontstaan aan het plaatselijk wegennet; dat de reële last betekent dat er een dagelijkse opening is van de installaties waardoor er ook een dagelijkse blootstelling is aan de hinderlijke stank van het slib naast de afvoerlast; dat de beperking van de plaatselijke transportlast overigens is voorzien omdat wagens met een dergelijke hoge tonnenmaat schade doen ontstaan, door de trillingen, aan de huizen; en doordat het bezwaarde RUP geen rekening houdt met de uitbreiding van de woonzone - en de dorpskern van Eliksem - tot de Konijnenberstraat nr. 9, waarbij de relevantie van de nieuwe juridische toestand nochtans doorslaggevend is; dat de woning van eerste verzoekers daardoor in de woonkern komt te liggen; dat de inplanting dus voorzien is vlak tegen de dorpskern; X-13.567-26/60 Terwijl, eerste onderdeel, bij een ruimtelijk uitvoeringsplan de feitelijke en juridische toestand moet worden weergegeven; dat op de overheid de verplichting rust ingevolge artikel 38,§1, 3/ DRO; dat aldus de verplichting bestaat om wat in feite en in rechte bestaat kenbaar te maken; dat dit in de eerste plaats het onderzoek en de advisering betreft; dat op basis van deze gegevens de particulieren hun bezwaren en de andere overheden hun adviezen kunnen formuleren; dat een onjuiste of onvolledige weergave het bezwaarrecht beknot en een correcte advisering verhindert; dat ook de overheid die met het goedkeuringstoezicht is belast, zoals de planoverheid, op grond van de feitelijk en juridische toestand zich een concreet inzicht moet kunnen verschaffen; dat waar mogelijk de bestaande toestand grafisch moet worden weergegeven; dat verder de bestuurlijke of de rechterlijke beslissingen die de bestemming of de inrichting van het gebiedsdeel bepalen eveneens moeten worden weergegeven; En terwijl, tweede onderdeel, de overheid bij het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan moet uitgaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens; dat zij die gegevens zorgvuldig moet verzamelen en correct moet beoordelen; dat het - inzake de vaststelling van planologische instrumenten - zo is dat de overheid enkel op grond van juiste en volledige gegevens die correct zijn beoordeeld tot een besluit inzake de bestemming van de verschillende percelen kan komen; En terwijl, derde onderdeel, de eerste bestreden beslissing aan het RUP RWZI Eliksem een aantal elementen toevoegt met betrekking tot de feitelijke en de juridische toestand zonder dat die onderworpen zijn aan de verplichting tot openbaar onderzoek (zie terzake ook het zesde middel); Zodat, ten eerste, de bestreden beslissingen strijdig zijn met artikel 38,§1, 3/ DRO (de eerste doordat zij de toestand verkeerd weergeeft, de tweede doordat zij de eerste beslissing ten onrechte goedkeurt); En zodat, ten tweede, het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is; En zodat, ten derde, in de mate waarin er op grond van de bestreden beslissingen wijzigingen worden aangebracht aan het ontwerp-RUP RWZI Eliksem die niet onderworpen werden aan openbaar onderzoek, de artikelen 49, §5 en 6 DRO, en het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zijn”. 3.2.3.
  1. In hun gezamenlijke nota antwoorden de verwerende partijen: “In deze dient herhaald dat verzoekers niet alleen in een middel dienen aan te duiden welke precieze rechtsgrond zij geschonden achten, doch tevens dienvolgens de geschonden geachte rechtsgrond concreet dienen te betrekken op hun grieven. Verzoekers werpen in dit middel op dat het ‘ontwerp’ gemeentelijk RUP RWZI de feitelijke en juridische toestand onvolledig zou weergeven, doch laten volkomen na aan te duiden om welke reden dit al het geval zou zijn. Artikel 38, §1, 3/ bepaalt weliswaar dat een ruimtelijk uitvoeringsplan een weergave van de feitelijke en juridische toestand dient te bevatten, waar artikel 49, §§ 5 en 6 de procedure omschrijft van het door de GECORO te verstrekken advies en de definitieve vaststelling van het RUP door de gemeenteraad, doch in dit middel wordt niet aangeduid om welke reden deze bepalingen al zouden geschonden zijn. Onder punt 6.
  2. Toekomstige inrichting en ontwikkeling van het terrein wordt inderdaad gesteld dat de ontsluiting van de installatie voor de afvoer van slib zal gebeuren via de Konijnenbergstraat rechtstreeks naar de gewestweg. Verder wordt vermeld dat de Konijnenbergstraat ook wordt gebruikt voor X-13.567-27/60 zwaarder landbouwverkeer, zodat men er mag van uitgaan dat de afvoer van het slib geen grotere belasting betekent voor de kasseiweg. Er wordt onder punt 6.
  3. inderdaad vermeld: ‘De afvoer van het slib gebeurt ca 33 maal per jaar met vrachtwagens met een brutogewicht geladen van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie’. Verzoekers duiden echter niet aan om welke reden een en ander niet zou stroken met de feitelijke en juridische toestand. Verzoekers tonen geenszins aan dat er bij de definitieve vaststelling van het GRUP wijzigingen werden aangebracht opzichtens het voorlopig vastgesteld plan die niet zouden gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide administraties en overheden, of het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. (...)”. 3.2.3.
  4. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel het volgende gelden : “
  5. Afvoer van slib De memorie van toelichting bepaalt hierover het volgende (...): ‘De ontsluiting van de installatie voor de afvoer van slib zal gebeuren via de Konijnenbergstraat rechtstreeks naar de gewestweg. De Konijnenbergstraat wordt ook gebruikt voor zwaarder landbouwverkeer, zodat men er mag van uitgaan dat de afvoer van het slib geen grotere belasting betekent voor de kasseiweg. De afvoer van het slib gebeurt ca 33 maal per jaar niet vrachtwagens met een brutogewicht van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie’. De opmerking van de verzoekende partijen over de beperkte tonnenmaat van 5,5 ton voor de Konijnenbergstraat werd ook reeds geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek. Dit heeft geleid tot de volgende overwegingen van de gemeenteraad, gelet op het advies van de GECORO: ‘Overwegende dat het statuut van de Konijnenbergstraat, buurtweg nummer 3, gedeeltelijk gewijzigd moet worden tussen de Grote Steenweg en het zuiveringsstation; Overwegende dat het statuut van de Konijnenbergstraat ongewijzigd blijft tussen de Brouwerijstraat en het zuiveringsstation’. Een identieke overweging staat te lezen in de memorie van toelichting (...). Op dezelfde plaats staat bovendien dat de toegang tot de RWZI werd verschoven om de belasting van de Konijnenbergstraat tot een minimum te herleiden: ‘Om de belasting van de Konijnenbergstraat tot een minimum te beperken wordt de toegang van de installatie in oostelijke richting verschoven tot tegen de bufferzone’. Uit deze documenten blijkt dat de beslissing wel degelijk zorgvuldig rekening heeft gehouden met zowel de feitelijke als met de juridische toestand, aangezien al de volgende elementen in rekening werden gebracht: 1) De toegang werd gekozen in functie van een minimale belasting van de Konijnenbergstraat. 2) De afvoer van het slib gebeurt ca 33 maal per jaar met vrachtwagens niet een brutogewicht van 44 ton. Dit kan eventueel ook gebeuren met X-13.567-28/60 vrachtwagens met een kleinere tonnenmaat. Logisch gevolg daarvan is dan een verhoging van de frequentie. 3) Het statuut van de Konijnenbergstraat, buurtweg nummer 3, zal gedeeltelijk gewijzigd worden tussen de Grote Steenweg en het zuiveringsstation omdat hiervoor momenteel een beperking geldt tot 5,5 ton. 4) De Konijnenbergstraat wordt gebruikt voor zwaarder landbouwverkeer en kan dus de belasting van vrachtwagens aan. Dit alles samen betekent dat de afvoer ten allen tijde mogelijk is - hetzij met minder grote vrachtwagens, hetzij met meer kleine vrachtwagens - maar dat de gemeente zich engageert om de tonnagebeperking op te heffen, wat perfect mogelijk is aangezien de weg een zwaardere belasting kan verdragen. Voor de GECORO heeft de vertegenwoordiger van de tussenkomende partij trouwens verklaard dat het volume van de 40-tonvrachtwagens niet volledig wordt ingenomen. Er zullen maximum twee afvoerbeurten per week vereist zijn, en dit tijdens de werkuren. Het is niet de bedoeling om te werken met vrachtwagens van 5,5 ton, wat ook niet nodig zal zijn indien de gemeente zijn engagement nakomt om het statuut van de weg aan te passen. Zolang de gemeente dit niet doet zal de tussenkomende partij uiteraard ertoe gehouden zijn om zich te houden aan de verkeersreglementering. Maar zelfs in die optie is er nog maar een frequentie van gemiddeld één (kleine) vrachtwagen per werkdag. Dit kan bezwaarlijk worden beschouwd als een onevenredige hinder. Aangezien de gemeente zich in het gemeenteraadsbesluit heeft geëngageerd om iets te doen aan het statuut van de weg, is de gemeente er (juridisch) toe gehouden om dit engagement ten uitvoer te brengen. Dit kan (en moet) gebeuren alvorens de RWZI operationeel wordt, wat zonder probleem mogelijk is. De bedenking van de verzoekende partijen dat er schade zal ontstaan aan het wegdek is geen argument van ruimtelijke ordening. De memorie van toelichting overweegt dat de weg gebruikt wordt voor zwaar landbouwverkeer, wat aantoont dat de weg een grote belasting aankan. Maar hoe dan ook is de gemeente er als beheerder van de gemeentelijke wegen toe gehouden om zijn wegennet in een goede staat te onderhouden indien de weg zou beschadigd worden door de slibafvoer. De gemeente heeft bij de opmaak en de goedkeuring van het RUP aldus wel degelijk zorgvuldig rekening gehouden met alle relevante elementen: het statuut van de weg zal worden aangepast, en zolang dit niet het geval is zal de afvoer moeten gebeuren via kleinere vrachtwagens, wat vooral voor de tussenkomende partij een probleem is, maar niet voor de verzoekers, aangezien er zelfs in dit geval geen sprake is van onevenredige hinder.
  6. Uitbreiding van de woonzone De verzoekende partijen stellen dat het RUP ‘geen rekening houdt met de uitbreiding van de woonzone - en de dorpskern van Eliksem - tot de Konijnenbergstraat nr. 9, waarbij de relevantie van de nieuwe juridische toestand nochtans doorslaggevend is; dat de woning van eerste verzoeker daardoor in de woonkern komt te liggen; dat de inplanting dus voorzien is vlak tegen de dorpskern’ Nochtans werd het RUP op dit punt aangepast na een gelijkaardige opmerking van de verzoekende partijen en na het advies van de GECORO hierover. Dit blijkt uit het gemeenteraadsbesluit tot definitieve aanvaarding van het RUP: ‘Overwegende dat naar aanleiding van het advies van de GeCoRo volgende punten worden opgenomen in het RUP: - (...) X-13.567-29/60 - Vervolledigen van de bestaande juridische gegevens - RUP zonevreemde woningen - afbakening van de woning gelegen aan de Konijnenbergstraat nr. 9 - (...)’ Het RUP houdt dus wel degelijk rekening met de correcte juridische toestand. Deze wijziging is, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren geenszins doorslaggevend: zoals bij de weerlegging van het tweede middel werd aangetoond schrijft het RSV voor dat RWZI’s moeten aansluiten bij een kern van het buitengebied. Het standpunt van de verzoekende partijen bevestigen dat het RUP op dit punt conform is met het RSV.
  7. De wijziging(en) werden niet onderworpen aan een nieuw openbaar onderzoek Dit maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk middel. De argumenten hierover worden uiteengezet bij de bespreking van het zesde middel. (...)”. 3.2.3.
  8. Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.3.4.
  9. In het middel wordt in essentie aangevoerd dat het ontwerp geen rekening hield met de feitelijke en juridische toestand op de volgende twee punten :
(1)wat betreft het aantal en het effect van de vrachtwagenbewegingen;
(2)wat betreft het feit dat de RWZI tot vlak tegen de dorpskern komt te liggen, en dat door die onjuistheden het openbaar onderzoek en de advisering niet correct zijn kunnen verlopen. 3.2.3.4.
  1. Artikel 38, §1, 3/ DRO bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan moet bevatten: “een weergave van de feitelijke en juridische toestand”. Deze bepaling slaat op het eerste gezicht op het GRUP, niet op het ontwerp van RUP. Artikel 49, §§5 en 6 van hetzelfde decreet heeft betrekking op de advisering en het openbaar onderzoek. Uit de door de verzoekende partijen aangehaalde bepalingen blijkt niet dat de plaatselijke verkeerssituatie in detail moet worden uiteengezet in het plan met de bestaande toestand. Hoe dan ook dient te worden vastgesteld dat, in antwoord op het bezwaarschrift van de verzoekende partijen, een duidelijke indicatie werd gegeven omtrent de verkeersimpact, en dat de verzoekende partijen daar kritiek op uitoefenen. Het blijkt dus op het eerste gezicht niet zo te zijn dat op dat punt te weinig gegevens werden verstrekt, en wel in die mate dat het openbaar onderzoek en de adviesverlening niet naar behoren zouden hebben kunnen plaatsvinden. Uit het advies van de GECORO (p. 9-10) blijkt dat in elk geval voor de goedkeuring van het plan rekening werd gehouden met de plaatselijke verkeerssituatie en de frequentie van de vrachtwagentrafiek. Verkeersafwikkeling X-13.567-30/60 is mogelijk, het tonnage van de vrachtwagens is 40 ton maar dit wordt niet volledig ingenomen, en de tonnenmaat 5½ zal nooit worden gebruikt vermits dit milieutechnisch en financieel niet te verantwoorden is. De beperking tot 5½ ton zal moeten worden opgeheven op de plaatselijke weg. Afvoer van slib gebeurt in afgesloten tankwagens. De kasseiweg zal moeten verstevigd worden. Het argument dat geen rekening zou zijn gehouden met de uitbreiding van de woonzone (tot de Konijnenbergstraat nr. 9) mist feitelijke grondslag. Zowel uit het grafisch plan met de bestaande toestand als uit de toelichting bij het RUP (inzonderheid de passus over de feitelijke en juridische toestand, p. 7) blijkt dat melding wordt gemaakt van een gemeentelijk RUP “zonevreemd wonen” (11/9 Konijnenbergstraat 9). Uit artikel 49, §6 DRO blijkt dat het ontwerp mag worden aangepast op grond van opmerkingen en bezwaren die werden gemaakt tijdens het openbaar onderzoek of op grond van de uitgebrachte adviezen. 3.2.3.4.
  2. Het derde middel is niet ernstig. 3.2.
  3. Vierde middel 3.2.4.
  4. In een vierde middel, dat is “gericht tegen de beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “van artikel 4 DRO en van het beginsel dat de overheid bij het bepalen van de ruimtelijke ordening op planologisch en vergunningsniveau oog moet hebben voor de vereisten van goede ruimtelijke ordening”, “Doordat de bestreden beslissingen de inplanting mogelijk maken van een RWZI in de onmiddellijke nabijheid van een woonkern; Terwijl, eerste onderdeel, de ruimtelijke ordening krachtens artikel 4 DORO gericht is op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden; dat daarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen; dat er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen en dat op deze manier wordt wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit; dat dit onder meer inhoudt dat de overheid bij de planning de goede ruimtelijke ordening op het oog moet hebben en dat vergunningsplichtige werken slechts kunnen uitgevoerd worden indien zij aanvaardbaar zijn uit overwegingen van goede ruimtelijke ordening; dat bij het vastleggen van de ruimtelijke inplantingsplaats van een RWZI door middel van een RUP niet enkel de verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie moet worden nagegaan, maar men ook moet onderzoeken of er wel een milieuvergunning zal kunnen worden afgeleverd; dat in dat X-13.567-31/60 verband zal moeten worden nagegaan of de algemene en sectoriële milieuvoorwaarden op die plaats wel zullen kunnen worden gerealiseerd, wat in het bijzonder geldt voor geluid en geur; dat uit het dossier blijkt dat de Vlaamse Milieumaatschappij wees op de plicht tot het aanvragen van een milieuvergunning; dat men niet inziet hoe dergelijke vergunning kan worden afgeleverd voor een omvangrijke en stinkende installatie vlak bij een woonkern; En terwijl, tweede onderdeel, het duidelijk is dat de infrastructuur van een RWZI de draagkracht van het naastgelegen woongebied, dit is de dorpskern, en de omliggende woningen overstijgt; dat een dergelijke infrastructuur omwille van zijn aard en intrinsieke hinder niet verenigbaar is met de woonfunctie en er ruimtelijk van gescheiden moet worden; dat dergelijke infrastructuur omwille van zijn hinderlijk karakter in een daartoe bestemde zone moet worden ondergebracht, met voldoende waarborgen voor de verenigbaarheid qua reuk, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie; dat uit het advies van het Departement Duurzame Landbouwontwikkeling van 18 juli 2006, gevoegd als bijlage bij het bezwaarde RUP, de stelling van verzoekers bevestigt dat er in een RUP normaal gesproken verschillende locaties moeten worden geëvalueerd en op basis van voor- en nadelen de beste locatie moet uitgezocht worden; dat in weerwil van alle beweringen dit niet gebeurd is in dit dossier; dat het bezwaarde RUP (zoals vastgesteld en goedgekeurd door de bestreden beslissingen) alleszins een verkeerde invulling hanteert van het begrip ‘onderzoek van de alternatieven’; dat het om een derde versie gaat van een ‘alternatief’ dat wordt onderzocht waaruit opnieuw blijkt dat de bezwaren en alternatieven van de onderzoekers niet (ernstig) onderzocht werden; En terwijl, derde onderdeel, nergens in redelijkheid wordt uitgelegd waarom men verkiest om de last van de infrastructuur maximaal op de bestaande woonomgeving te leggen; dat men mag verwachten dat het wonen minder aantrekkelijk zal worden zodat de druk op het buitengebied en zelfs op de dorpskern om te verhuizen zal toenemen; dat de beslissing om het RUP RWZI Eliksem vast te stellen en goed te keuren zoals men het gedaan heeft des te onbegrijpelijker is gelet op de eerdere beslissingspraktijken van het plaatselijke bestuur; dat men immers vaststelt dat het college van burgemeester en schepenen eerder negatief oordeelde over de plaatsing van een kapelletje onder een boom in de Konijnenbergstraat en wel aan de overkant van de inplantingsplaats en met een grootte van 2 vierkante meter; dat die afwijzende beslissing werd gemotiveerd op grond van het karakter van ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’; dat men niet begrijpt, enerzijds, waarom een kapelletje niet zou mogen en een monstrum met de oppervlakte van een kathedraal wel mogelijk is en, anderzijds, waarom het gebied zijn karakter van landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou verloren hebben; Zodat, ten eerste, het de bestreden beslissingen (de eerste doordat zij definitief het RUP RWZI Eliksem vaststelt, de tweede doordat zij die beslissing goedkeurt), door de inplanting mogelijk te maken van een rioolwaterzuiveringsinstallatie naast een woongebied, de ingeroepen bepaling van het DRO schenden (schending artikel 4 DRO); En zodat, ten tweede, de bestreden beslissingen zondigen tegen het beginsel dat de overheid die ruimtelijk ordent zich in haar plannings- en beslissingspraktijk moet laten leiden door de goede ruimtelijke ordening; En zodat, ten derde, de bestreden beslissingen de toets van de redelijkheid niet kunnen doorstaan (schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald inbreuk op het redelijkheidsbeginsel)”. 3.2.4.
  5. In hun gezamenlijke nota antwoorden de verwerende partijen: X-13.567-32/60 “(...) Het GRUP bepaalt dat de zone is voorbehouden voor de inrichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie voor het betreffende zuiveringsgebied, waarbij alle gebouwen, constructies en installaties noodzakelijk voor de goede werking van de zuiveringsinstallatie zijn toegelaten. Met betrekking tot de inrichting wordt in de verordenende bepalingen gesteld dat de inplanting van de gebouwen en verhardingen dient te gebeuren binnen de grafisch aangeduide zone op het plan; de gebouwen dienen zo kort als mogelijk bij de weg ingeplant te worden en de maximale bouwhoogte wordt beperkt tot 4,00m. In functie van specifieke technische eisen betreffende het optimaal functioneren van de waterzuivering kunnen hierop afwijkingen worden toegelaten. Voor alle gevels dienen de gebruikte materialen zoals gevelmaterialen, dakbedekking, schrijnwerkerij, beglazing en buitenschilderwerk esthetisch verantwoord te zijn en in harmonie met de omgeving. Het gebruik van groendaken is toegelaten. Verhardingen worden tot een minimum beperkt. De niet bebouwde of verharde oppervlakten worden beplant. De verhardingen die niet toegankelijk moeten zijn voor zwaar verkeer worden uitgevoerd in waterdoorlatende materialen. Met betrekking tot het beheer wordt in de stedenbouwkundige voorschriften vooropgesteld dat bij elke stedenbouwkundige vergunningsaanvraag een landschapsplan dient te worden gevoegd, waaruit de landschappelijke integratie van de installatie, conform onder andere het bosbeheersplan, blijkt. Het hemelwater van dakoppervlakten en verhardingen wordt opgevangen en gebufferd binnen de contouren van de zone voor openbaar nut. Verder wordt voorzien in de aanleg van een bufferzone die een esthetische en afschermende functie heeft en de overgang vormt tussen het terrein en zijn omgeving. Hierbij wordt voorzien in een specifieke inrichting waarbij de buffer aan te leggen is op de aangeduide plaatsen met de respectievelijke omvang. Zo dient de bufferzone een aaneengesloten geheel te zijn en is het doorbreken van de bufferzone enkel toegelaten in functie van de aanleg van een toegangsweg tot de installatie en de ontsluiting van de achtergelegen percelen. Om een afschermende functie te kunnen vervullen moet de beplanting een dichte structuur hebben en is de buffer permanent en gelaagd, in die zin dat er verschillende lagen in onderscheiden worden die overgaan in elkaar: een bodembedekkende kruidlaag, heestermassieven en hoogstammig groen; slechts op deze manier kan de buffer zijn functie ten volle vervullen. De buffering en inkleding dient te gebeuren door middel van de aanplanting van streekeigen soorten, conform het bosbeheerplan, waarin onder andere, boskers, zomereik, es, beuk, haagbeuk, linde, esdoorn en els worden opgenomen; de struiklaag kan bestaan uit hazelaar, kornoelje, egelantierroos, sleedoorn, wilg, hulst, e.d. Verder moet er bij de aanleg van de groenbuffer zoveel mogelijk worden gewerkt met streekeigen pioniers en planten van langere generatieduur, dit is het systeem van wijkers en blijvers. De opmaak van een beplantingsplan moet deel uitmaken van het dossier van de stedenbouwkundige vergunning en zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan de bevoegde diensten. Deze zone voor buffer dient beplant te zijn uiterlijk het tweede plantseizoen na de bouw van de RWZI. De buffer dient hierbij een minimale effectieve breedte te hebben van 15 meter! Hieruit moge aldus blijken dat er bij het opleggen van de stedenbouwkundige voorschriften bijzondere aandacht werd besteed aan de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving. X-13.567-33/60 Omtrent de vraag naar de geschiktheid (stedenbouwkundig en anders) van de locatie voor de inplanting van een RWZI werd in de loop van de procedure zeer veel aandacht besteed en moge onder meer verwezen worden naar de uitvoerige toelichting hieromtrent in het GRUP onder punt 6.
  6. Locatiekeuze en 6.
  7. Toekomstige inrichting en ontwikkeling van het terrein. Hieruit moge blijken dat de overheid geenszins onzorgvuldig tewerk is gegaan bij de keuze van de locatie, integendeel. Zo werd de oorspronkelijk voorziene locatie klaarblijkelijk zelfs veranderd als een gevolg van de destijds ingediende bezwaren van de omwonenden en werd een nieuwe locatie gekozen die aansluit bij de kern maar tegelijkertijd ook voldoende afstand houdt om de eventuele hinder voor de omwonenden tot een minimum te beperken. Eén en ander wordt uitdrukkelijk bevestigd in het goedkeuringsbesluit, waarin uitdrukkelijk wordt overwogen: ‘(... )De voorgestelde nieuwe inplantingsplaats is in overeenstemming met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaams-Brabant, gezien de aansluiting bij de bestaande bebouwing van de kern-in-het- buitengebied, de beperking van de aantasting van de open ruimte en de aansluiting bij de waterloop. Ook op het vlak van milieuhinder is de site goed gekozen. De mogelijke geurhinder wordt van de bewoning weggeblazen. Binnen het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt de zone voor effectieve inplanting van de rioolwaterzuiveringsinstallatie bestemd als een zone voor openbaar nut, specifiek voor de zuivering van afvalwater. De overgang naar de omgeving wordt gerealiseerd door middel van een 15m brede buffer. Daarnaast zijn de nodige kwalitatieve en kwantitatieve randvoorwaarden opgenomen opdat inpassing van de installatie in het landschap voldoende wordt gewaarborgd. Het ontwerp ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Eliksem’ past tevens binnen de visie en de doelstellingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Landen dat bij ministerieel besluit van 5 juli 2003 werd goedgekeurd.(...)’. Dat ook in het ministerieel besluit van 21 december 2006 wordt overwogen dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie verenigbaar zal zijn met de woonfunctie en dat de schaal en de omvang van de voorziening aansluit bij de schaal van het landschap; de minister overwoog hierbij tevens dat de reuk- en lawaaihinder van zo’n kleine installatie verenigbaar is met de nabije woonomgeving en dat de schaal van de gebouwen en de omvang van de site aansluit bij de schaal van het landschap gevormd door de bestaande gebouwen zoals de Koningsmolen en de nabije hoeve en de grotere percelen in de omgeving; dat de site de vallei van de Kleine Gete vrijwaart. Dat het voorzien van de mogelijkheid tot inplanting van een RWZI op voornoemde plaats aldus wel degelijk verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Hierbij dient nog opgemerkt dat de locatie van de zuiveringsinstallatie te verantwoorden is om reden dat deze het meest stroomafwaarts is gelegen van het zuiveringsgebied zodat de aansluitingen van de vuilvracht gravitair kunnen gebeuren; om deze milieutechnische redenen werd gekozen voor een inplanting ter hoogte van Eliksem; inplantingen stroomopwaarts voorzien zou tot gevolg hebben dat de vuilvracht zou moeten worden opgepompt. Dat de in het middel aangehaalde bepalingen aldus geenszins werden geschonden. (...)”. 3.2.4.
  8. De tussenkomende partij laat met betrekking tot dit middel het volgende gelden : X-13.567-34/60 “
  9. Algemene opmerking De verzoekende partijen wijzen er op dat Uw Raad reeds bij herhaling heeft geoordeeld dat de overheid bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, zoals bepaald in artikel 4 DRO over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis dat het gelijktijdig tegen elkaar afwegen van deze verschillende maatschappelijke activiteiten niet impliceert dat de verschillende ruimtelijke behoeften waarvan sprake noodzakelijk gelijkwaardig zijn, aangezien bij de afweging één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie. In casu is er sprake van twee maatschappelijke belangen die tegen elkaar moeten worden afgewogen: de noodzaak om huishoudelijk afvalwater te zuiveren enerzijds en het woonklimaat anderzijds. Hierbij is het niet zo dat de verzoekende partijen het recht kunnen claimen op een woonklimaat dat te allen tijde ongewijzigd blijft. De verzoekende partijen moeten aanvaarden dat ander(e) ruimtebehoeften hierin een wijziging kunnen brengen. Het is de taak van de overheid om hierin keuzes te maken, zonder hierbij kennelijk onredelijke beslissingen te mogen treffen.
  10. De algemene en sectorale milieuvoorwaarden De verzoekende partijen beperken zich tot de sloganeske bewering dat ze ‘niet inzien hoe dergelijke vergunning kan worden afgeleverd voor een omvangrijke en stinkende installatie vlak bij een woonkern’. De tussenkomende partij vraagt zich af waarover de verzoekende partijen zich dan zorgen maken: indien er toch geen milieuvergunning kan worden verkregen, betekent dit dat er voor de RWZI nooit een uitvoerbare stedenbouwkundige (vergunning) kan worden afgeleverd en dat de RWZI er bijgevolg nooit zal komen. De tussenkomende partij wijst er bovendien op dat zowel de gemeente bij de opmaak van het plan, als de deputatie bij de goedkeuring ervan, wel degelijk rekening hebben gehouden met de mogelijke hinder. De memorie van toelichting stelt hierover het volgende (...): ‘De voorgestelde locatie ligt in de omgeving van deze die voorgesteld werd in het eerste ontwerp. Op basis van de bezwaren werd gekozen voor een alternatief. De nieuwe locatie sluit dus enerzijds aan bij de kern maar houdt tegelijkertijd ook voldoende afstand om de eventuele hinder voor de omwonenden tot een minimum te beperken. Anderzijds wordt ook voldoende afstand gehouden tot de Kleine Gete, zodat de natuurlijke loop van de waterloop niet gehinderd wordt door de installatie’. De memorie van toelichting vermeldt eveneens (...): ‘Voor het influentgemaal, het staprooster, de gravitaire indikker en de slibbuffer zullen maatregelen tegen geurhinder voorzien worden. Hiervoor zullen kritieke procesonderdelen afgedekt en/of gecomparitmenteerd worden en dit in combinatie niet ventilatie en luchtbehandeling. Er wordt geen opvang van septisch materiaal voorzien”. De deputatie overwoog in zijn advies d.d. 8 augustus 2006 in dit verband het volgende: ‘(...) Ook op het vlak van milieuhinder is de site goed gekozen. De mogelijke geurhinder wordt van de bewoning weggeblazen’. De GECORO stelde: ‘Voor bezwaar 4.6: onderzoek naar verenigbaarheid tussen RWZI en woongebied: Weerlegging: Inplanting is verplaatst (geurhinder + geluidshinder + visuele hinder). De buffer is vergroot (visuele hinder + geluidshinder) Maatregel tegen geurhinder wordt voldoende aandacht besteed’ X-13.567-35/60 Bovendien houdt de ‘voorspelling’ van de verzoekende partijen i.v.m. het niet kunnen krijgen van een milieuvergunning juridisch geen steek. Het onderzoek naar de algemene en sectorale voorwaarden gebeurt naar aanleiding van de aanvraag van de milieuvergunning. Naar aanleiding daarvan kan het bijvoorbeeld gebeuren dat de aanvraag moet worden bijgestuurd indien hij niet voldoet aan de reglementaire normen of dat er bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden worden opgelegd om de eventuele hinder maximaal te beperken en bijgevolg te zorgen voor een maximale verenigbaarheid qua reuk-, lawaai- en visuele hinder met de woonfunctie. Dit onderzoek gebeurt op het niveau van concrete bouwplannen voor de installatie, niet bij het vastleggen van de bestemming. De tussenkomende partij wijst er tot slot op dat de stelling van de verzoekende partijen dat een RWZI hoe dan ook ruimtelijk moet worden gescheiden van een woonkern, strijdig is met het RSV, dat precies bepaalt dat een RWZI moet worden gebundeld met een kern van het buitengebied, teneinde een verdere ruimtelijke versnippering van het buitengebied te vermijden (zie weerlegging tweede middel).
  11. De weigering van de vergunning voor het kapelletje De verzoekende partijen verwijzen ten onrechte naar een vergunningsbeslissing voor een klein kapelletje, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Zonder de inhoud van de beslissing te kennen, wijst de tussenkomende partij er op dat een vergunningsaanvraag moet worden getoetst aan de vigerende bestemming van het gewestplan, met name landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De bestreden beslissing betreft geen vergunningsbeslissing, maar integendeel een RUP dat er precies is op gericht om de bestemming van het gewestplan te wijzigen. De verzoekende partij vergelijkt met andere woorden twee zaken die niet met elkaar vergelijkbaar zijn. (...)”. 3.2.4.
  12. Onderzoek van de ernst van het middel 3.2.4.4.
  13. Het middel is afgeleid uit de schending van artikel 4 DRO, dat bepaalt wat volgt: “De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit”. 3.2.4.4.
  14. Het betreft op het eerste gezicht een in algemene bewoordingen gestelde, programmatorische bepaling met betrekking tot de vaststelling van ruimtelijke structuurplannen, ruimtelijke uitvoeringsplannen en verordeningen. Er kan dan ook slechts een concrete rechtsschending aan worden ontleend in geval van X-13.567-36/60 een kennelijke miskenning van de in die bepaling opgesomde, zeer algemene principes. De kritiek die door de verzoekende partijen wordt geformuleerd lijkt op het eerste gezicht in ruime mate een opportuniteitskritiek. De nabijheid ten opzichte van het woongebied sluit aan bij de opties van het RSV en is er juist op gericht de open ruimte te vrijwaren. In die zin lijkt het niet aannemelijk dat er een miskenning zou zijn van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en een goede ruimtelijke ordening. De vraag of er al dan niet een milieuvergunning zal kunnen worden afgeleverd is thans niet aan de orde. Indien de verzoekende partijen van oordeel zijn dat dit in rechte niet mogelijk is, zullen zij zich hiertegen ten gepaste tijde met de hen ter beschikking staande rechtsmiddelen kunnen verzetten. 3.2.4.4.
  15. Uit het onderzoek van het tweede middel is reeds gebleken dat, rekening houdend met de toe te passen principes (aansluiting bij een woonkern, gravitatieprincipe, lozingsmogelijkheden van het effluent), de gekozen locatie op het eerste gezicht niet kennelijk onredelijk is. Uit de toelichting bij het GRUP (p. 13) blijkt dat aandacht werd besteed aan de locatiekeuze. Voorts blijkt uit het dossier dat er wel degelijk locatiealternatieven werden onderzocht, vermits een eerste locatiekeuze werd verlaten omwille van de ingediende en gefundeerde bezwaren. 3.2.4.4.
  16. Het vierde middel is niet ernstig. 3.2.
  17. Vijfde middel 3.2.5.
  18. In een vijfde middel, dat is “gericht tegen beide bestreden beslissingen”, voeren de verzoekende partijen de schending aan “van de motiveringsplicht (materieel/formeel) en van artikelen 49, § 5 en § 6 alsmede van artikel 50 DRO”, “Doordat de bestreden beslissingen het advies van GECORO Landen als ‘gunstig’ omschrijven, waarbij nochtans was vastgesteld dat GECORO Landen in feite een groot deel van de bezwaren van verzoekers - zoals neergeschreven in hun bezwaarschrift - overneemt, derwijze dat er in feite tegenspraak bestaat tussen de aangegeven conclusie van het advies en de inhoud ervan, en derwijze dat de bestreden beslissingen verwijzen naar een ‘gunstig advies’ dat er eigenlijk geen is; dat uit het advies immers blijkt dat in het ontwerp tal van zaken moesten worden herbekeken of gewijzigd; dat er o.a. werd gezegd dat het statuut van een weg (Konijnenbergstraat) moest worden gewijzigd; dat een kasseiweg moest worden verstevigd; dat het fietsroutenetwerk moet bekeken X-13.567-37/60 worden en meer bepaald of dit via de Konijnenbergstraat gaat; dat de inrit van de RWZI zover mogelijk van de woningen gelegen moest zijn; dat een telling op de Grote Steenweg en de Konijnenbergstraat moest worden uitgevoerd; dat een drastische grondpeilverlaging moest worden voorzien; dat de juridische toestand van een aantal zaken moest worden onderzocht o.a. de juridische afbakening van de Konijnenbergstraat nr. 9 (woning van eerste verzoekers); dat het zuiveringsstation beter voorgesteld moest worden naar de inwoners aan de hand van een detailplan en een 3D-voorstel, kortom dat het dossier beter uitgewerkt moest worden; enz. Terwijl de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening ingevolge 49,§5 DRO alle adviezen inzake ontwerp-RUP’s bundelt en coördineert, alsook alle opmerkingen en bezwaren en binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uitbrengt bij de gemeenteraad; dat dit advies maar als ‘gemotiveerd’ kan worden beschouwd indien de motivering voldoet aan de beginselen van de Uitdrukkelijke Motiveringswet en onder andere consistent is; dat dit niet het geval kan zijn voor zover er tegenspraak bestaat tussen de inhoud van het advies en de conclusies ervan, of dat de GECORO Landen zichzelf bij het uitbrengen van het advies tegenspreekt; dat er bijgevolg tegenspraak is tussen de motieven van het advies van GECORO Landen en de conclusies ervan; dat men moeilijk kan aannemen dat de bestreden beslissingen ten genoege van recht zijn gemotiveerd als dergelijke tegenspraak zich voordoet; dat de eerste bestreden beslissing dus niet kan worden aanvaard in zoverre zij verwijst naar een ‘gunstig’ gemotiveerd advies van GECORO Landen (...) (het advies van 29-01-2007 was allerminst gunstig) en dat de tweede bestreden beslissing dus allerminst kan stellen dat ‘de gemeenteraad op advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening alle bezwaren op gemotiveerde wijze heeft weerlegd’; dat het ‘zogenaamd weerlegd’ advies immers allerminst regelmatig was en de gemeenteraad er dus ook niet op evenwichtige wijze kon op antwoorden; dat de gemeenteraad dus niet op grond van artikel 49§6 DRO het RUP kon vaststellen en de bestendige deputatie het niet op grond van artikel 50 DRO kon goedkeuren. Zodat, ten eerste, de bestreden beslissingen (de eerste omdat zij ten onrechte het RUP RWZI Eliksem vaststelt, de tweede omdat zij die eerste beslissing ten onrechte goedkeurt) artikel 49,§5, §6 en 50 DRO schenden, aangezien de plicht om de beslissingen te motiveren impliciet in deze bepalingen begrepen is; En zodat, ten tweede, de bestreden beslissingen, gelet op de tegenspraak tussen de inhoud en de conclusies van het verslag van de GECORO Landen (...) dat als een ‘gunstig gemotiveerd advies’ wordt aangemerkt maar tal van kritieken bevat en dus niet als ‘gunstig’ kan worden aangemerkt - de vlag dekt immers de lading niet - niet op draagkrachtige wijze is gemotiveerd (schending van de formele en materiële motiveringsplicht : de formele motiveringsplicht, omdat de bestreden beslissingen niet de afdoende motivering bevatten die op grond van de Uitdrukkelijke Motiveringswet is vereist, de materiële motiveringsplicht, omdat de aangehaalde motieven allerminst draagkrachtig zijn en de beslissing niet vermogen te verantwoorden)”. 3.2.5.
  19. In een gezamenlijke nota antwoorden de verwerende partijen: “(...) Verzoekers geven in deze geen correcte weergave van de feiten. De GECORO heeft inderdaad een aantal verzuchtingen en bemerkingen geformuleerd naar aanleiding van behandeling van het dossier. Deze punten deden echter geen afbreuk aan het gunstig advies van de GECORO en aan de weerlegging van de ingediende bezwaren. X-13.567-38/60 Deze opmerkingen van de GECORO werden echter door de gemeenteraad behandeld; in het gemeenteraadsbesluit van 27 maart 2007 wordt hieromtrent het volgende overwogen: ‘(...) Gelet op het gunstig gemotiveerd advies van het Gemeentelijke Commissie van Ruimtelijke Ordening betreffende het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met aandacht voor de volgende punten: - voor de Konijnenstraat moet de verkeersproblematiek worden onderzocht en moet de stad het statuut van de weg gedeeltelijk wijzigen; - visuele problemen; opmaak van een visuele voorstelling, om de integratie te verduidelijken; - de bestaande juridische gegevens vervolledigen; Overwegende dat volgende punten verder moeten worden afgewerkt vooraleer een RUP kan worden opgesteld: - visuele voorstelling van het ontwerp ter verduidelijking van de integratie (opmaak van een 3D voorstel); - vervollediging van de bestaande juridische gegevens - RUP zonevreemde woningen - afbakening van de woning gelegen aan de Konijnenbergstraat nr. 9; - onderzoek van de verkeersproblematiek en de gedeeltelijke wijziging van het statuut van de Konijnenbergstraat door de stad (op te nemen in het gemeenteraadsbesluit bij definitieve vaststelling); - de telling van de Grote Steenweg en de Konijnenbergstraat (moet gebeuren in de fase voor de goedkeuring van de stedenbouwkundige vergunning voor het zuiveringsstation. (...)’. Ten einde deze punten grondig te kunnen onderzoeken heeft de gemeenteraad van de stad Landen in zitting van 27 maart 2007 beslist om de termijn, waarbinnen het RUP ‘RWZI Eliksem’ definitief moet worden vastgesteld, met maximum 60 dagen te verlengen. In het gemeenteraadsbesluit van 29 mei 2007 werden deze opmerkingen van de GECORO opnieuw opgenomen en werd hieromtrent overwogen ‘(...) dat naar aanleiding van het advies van de GECORO volgende punten werden opgenomen in het RUP: - visuele voorstelling van het ontwerp ter verduidelijking van de integratie (opmaak van een 3D voorstel); - vervollediging van de bestaande juridische gegevens - RUP zone vreemde woning

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.