id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.509 Rolnummer: A. 159811/XII-4384 Zaak: Arrest 186509 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 25/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:36 Fiche Arrest nr 186.509 van 25 september 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.509 van 25 september 2008 in de zaak A. 159.811/XII-
- In zake : Roger DE TANT, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan 3 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep 9 “Ringscholen”, die woonplaats kiest bij advocaat P. Roosens, kantoor houdende te Leuven, Maria-Theresiastraat 34 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger De Tant op 7 februari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 december 2004 van de raad van bestuur van Scholengroep 9 “Ringscholen”, waarbij zijn mandaat van algemeen directeur met ingang van 15 december 2004 wordt beëindigd en waarbij Freddy Schellens wordt aangeduid om de bevoegdheden van algemeen directeur uit te oefenen tot de dag waarop de nieuwe algemeen directeur zijn mandaat opneemt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de mededeling van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 29 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4384-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Eyskens, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Te Rijdt, die loco advocaat P. Roosens voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is, sedert 1 juli 1985, directeur van het koninklijk technisch atheneum Pro Technica te Halle. Op 26 september 2000 wordt hem bij beslissing van de raad van bestuur van de scholengroep 9 van het Gemeenschaps- onderwijs het mandaat van algemeen directeur van die scholengroep toegewezen. 1.
- Van 21 oktober 2004 tot 29 oktober 2004 is verzoeker afwezig wegens ziekte. Na een korte werkhervatting is hij opnieuw afwezig wegens ziekte vanaf 5 november 2004 tot 10 december
- Op 16 november 2004 beslist de raad van bestuur om G. Frans aan te wijzen als waarnemend directeur. G. Frans blijft ook zijn functie uitoefenen van directeur van MS Halle. Op 7 december 2004 dient hij zijn ontslag in als waarnemend algemeen directeur, omdat het volgens hem onmogelijk is gelijktijdig de beide functies naar behoren uit te oefenen. Op grond van een door verzoeker op 11 december 2004 meegedeeld, nieuw medisch arbeidsongeschiktheidsattest wordt zijn ziekteverlof verlengd tot 24 december
- 1.
- Op 14 december 2004 beslist de raad van bestuur om het mandaat van verzoeker met ingang van 15 december 2004 te beëindigen. F. Schellens, directeur KA Halle, wordt aangewezen om de bevoegdheden van algemeen directeur tijdelijk uit te oefenen. De procedure tot toewijzing van het mandaat van algemeen directeur wordt opgestart. XII-4384-2/13 De raad van bestuur steunt zijn beslissing op de artikelen 23, § 1, 3/, b, en 28, § 2, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeen- schapsonderwijs en op de artikelen 55quinquiesdecies, § 1, en 55septiesdecies, § 1, van het decreet van 27 maart 1991 rechtspositie personeelsleden gemeen- schapsonderwijs (hierna : het rechtspositiedecreet) en overweegt aldus : “Overwegende - dat de huidige algemeen directeur, de heer R. De Tant, afgezien van een kleine onderbreking van 30 oktober 2004 tot 4 november 2004, sedert 21 oktober 2004 afwezig is wegens ziekte; - dat zijn arbeidsongeschiktheid reeds tweemaal werd verlengd; - dat de duur van de arbeidsongeschiktheid, zoals vermeld op de verstreken attesten, manifest geen betrouwbare aanwijzing is voor het vermoedelijke tijdstip van werkhervatting; - dat verdere verlengingen van arbeidsongeschiktheid, na het verstrijken van de momenteel geattesteerde periode, die loopt tot en met 24 december 2004, niet uitgesloten zijn; - dat de scholengroep nu al bijna twee maanden de mandaathoudende algemeen directeur moet ontberen; - dat het Bijzonder decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998 bepaalde bevoegdheden exclusief aan de algemeen directeur toewijst, meer bepaald in artikel 30, - dat ingevolge de langdurige afwezigheid van de algemeen directeur de normale werking van de scholengroep in het gedrang komt en dat dit ten nadele is van de scholengroep in haar geheel en de scholen, de personeelsleden en de leerlingen in het bijzonder; - dat het Decreet rechtspositie van bepaalde leden van het Gemeenschaps- onderwijs van 27 maart 1991 niet voorziet in de mogelijkheid een plaatsvervangend algemeen directeur aan te stellen tijdens de arbeids- ongeschiktheid van de mandaathouder; - dat een ander lid van het college van directeurs slechts nadat het mandaat van de huidige algemeen directeur is beëindigd, tijdelijk de bevoegdheden van algemeen directeur kan uitoefenen, in afwachting van de definitieve toewijzing, via de daartoe decretaal voorziene procedure, van het mandaat van algemeen directeur aan een lid van het college van directeurs; - dat de Raad van Bestuur de plicht heeft alle noodzakelijke en wettelijk voorziene maatregelen te treffen teneinde de behoorlijke werking van de scholengroep te garanderen; - dat artikel 55 septiesdecies, § 1, van het Decreet rechtspositie van bepaalde leden van het Gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991 aan de Raad van Bestuur de mogelijkheid geeft het mandaat van de algemeen directeur op gemotiveerde wijze te beëindigen; - dat in casu de motivering bestaat uit de plicht de normale werking van de scholengroep te verzekeren, en dat die werking wegens de langdurige afwezigheid wegens ziekte van de mandaathoudende algemeen directeur onmogelijk is geworden, - dat de Raad van Bestuur op rechtsgeldige wijze in vergadering is overeenkomstig artikel 24, § 1, van het Bijzonder decreet betreffende het Gemeenschapsonderwijs van 14 juli 1998; - dat uit een geheime stemming blijkt dat een meerderheid van de raadsleden van oordeel is dat het mandaat van de algemeen directeur dient beëindigd te worden omdat zijn langdurige afwezigheid wegens ziekte de werking van de scholengroep ernstig in het gedrang brengt”. XII-4384-3/13 1.
- Op 16 december 2004 stuurt de voorzitter van de raad van bestuur volgend faxbericht aan verzoeker : “Gezien u telefonisch (op gsm-nummer en op thuisnummer) niet bereikbaar bent, wens ik u langs deze weg mee te delen dat de raad van bestuur in zijn zitting van 14 december 2004, in agendapunt A/2004/ALG/153, beslist heeft uw mandaat van algemeen directeur te beëindigen met ingang van 15 december 2004, 00u. Een officieel schrijven wordt u overgemaakt na de goedkeuring, op de raad van bestuur d.d. 21 december 2004, van de notulen van desbetreffende beslissing. Ik kan u wel nu reeds meedelen dat de weerhouden motivatie gerelateerd is aan de behoorlijke werking van de Scholengroep 9 en aan uw gezondheids- toestand die u verhindert uw mandaat zoals voorzien uit te oefenen.”. Een afschrift van de gemotiveerde beslissing wordt aan verzoeker meegedeeld met een aangetekende brief van 23 december
- 1.
- Op 10 februari 2005 richt verwerende partij een oproep aan de instellingshoofden van de scholengroep 9 om zich kandidaat te stellen voor het vacante mandaat van algemeen directeur. Verzoeker stelt zich kandidaat met een brief waaraan hij toevoegt “onder uitdrukkelijk voorbehoud dat ik de rechtmatigheid van mijn ontslag en bijgevolg ook de nieuwe benoemingsprocedure [...] betwist”. Verder is ook -en enkel- G. Frans kandidaat. Op 31 mei 2005 beslist de raad van bestuur, overeenkomstig de rangschikking en het voorstel van de daartoe aangestelde selectiecommissie, om G. Frans aan te stellen als algemeen directeur met ingang van 1 september
- De algemene vergadering van de scholengroep bekrachtigt die aanstellingsbeslissing op 7 juni
- Op 13 juni 2005 wordt aan verzoeker het resultaat van deze aanstellingsprocedure meegedeeld. De aanwijzing van de verwerende partij 2.
- Verwerende partij merkt op dat de bestreden beslissing uitgaat van een scholengroep en “totaal ten onrechte mede gevorderd [wordt] lastens het XII-4384-4/13 Gemeenschapsonderwijs”, zodat het beroep onontvankelijk is ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs. 2.
- In een geding voor de Raad van State is de verwerende partij in de regel een rechtspersoon. Om de redenen uiteengezet in het arrest Brackeva, nr. 144.324, van 12 mei 2005, heeft de scholengroep 9 geen afzonderlijke rechts- persoonlijkheid. Integendeel is “het Gemeenschapsonderwijs” de rechtspersoon die als verwerende partij moet worden beschouwd. Met het oog op de proces- vertegenwoordiging is de bevoegde scholengroep, zijnde het bestuursniveau dat krachtens het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschaps- onderwijs de instelling met rechtspersoonlijkheid “het Gemeenschapsonderwijs” als verwerende partij vertegenwoordigt, er mee belast om in de huidige procedure voor de Raad van State de belangen van die instelling te verdedigen, maar dit stelt evenwel de rechtspersoon zelve niet buiten de zaak. XII-4384-5/13 Het voorwerp van het beroep 3.
- In de op 7 juli 2005 ingediende memorie van wederantwoord vraagt verzoeker het beroep uit te breiden tot de beslissing van 31 mei 2005 van de raad van bestuur van de scholengroep, om G. Frans aan te stellen als algemeen directeur met ingang van 1 september 2005 en van de bekrachtiging van deze beslissing door de algemene vergadering van de scholengroep op 7 juni
- Verwerende partij gaat in haar laatste memorie niet in op deze vraag. 3.
- Mét verzoeker wordt vastgesteld dat de nieuwe aanstelling van een algemeen directeur in een vacant mandaat een navolgende handeling is van de met het voorliggende beroep bestreden verwijdering uit zijn mandaat die het vacant zijn van dat mandaat tot gevolg had, en dat de rechtsgrond ervoor vervalt indien tot de nietigverklaring wordt besloten van de oorspronkelijk bestreden beslissing. Tussen de bedoelde beslissingen bestaat dan ook een voldoende nauwe en rechtstreekse band, opdat het verzoek tot uitbreiding van het voorwerp kan worden ingewilligd. De grond van de zaak
- Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift vier vernietigings- gronden aan. Hierna worden het eerste onderdeel van het eerste middel en het derde middel samen besproken. Standpunt van de partijen
- In het eerste middel noemt verzoeker artikel 55quinquiesdecies, § 1, van het rechtspositiedecreet en de materiële motiveringsplicht geschonden. In een eerste onderdeel van dit middel zet verzoeker uiteen dat de beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan niet naar behoren is bewezen, meer bepaald wat de raad van bestuur in aanmerking neemt omtrent de arbeidsongeschiktheids- attesten. Die geneeskundige attesten bevatten immers de meest betrouwbare aanwijzing voor het tijdstip van werkhervatting en de werkgever moet er van uitgaan dat het personeelslid zijn werk zal hervatten onmiddellijk na de beëindiging van het ziekteverlof. De bewering dat verdere verlengingen niet uitgesloten waren XII-4384-6/13 berust op loutere speculatie en ze wordt tegengesproken door de feiten, aangezien hij geen nieuwe verlenging van zijn ziekteverlof heeft gevraagd. Verzoeker wijst er nog op dat de Vlaamse minister van Onderwijs in de praktijk een andere oplossing voorstaat en een vervanging van de afwezige algemeen directeur aanvaardt. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van, andermaal, de materiële motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het recht om gehoord te worden. Hij wijst er op dat de raad van bestuur hem op geen enkele wijze op de hoogte heeft gebracht van zijn voornemen en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt op een nuttige wijze weer te geven. Volgens verzoeker waren er geen dringende en dwingende omstandigheden voorhanden om af te wijken van dat beginsel dat van toepassing is in het geval van een ordemaatregel als voorliggende, die de betrokkene een ernstig nadeel toebrengt en gebaseerd is op zijn persoonlijke gedrag. Zo ook heeft de raad van bestuur, aldus verzoeker, zijn beslissing niet gesteund op een zorgvuldig feitenonderzoek maar op louter speculatieve en manifest onjuiste beweringen. Had de raad van bestuur oprecht twijfels gehad over de waarachtigheid van de gegevens verstrekt door de geneeskundige attesten en was hij oprecht bezorgd geweest dat zijn arbeids- ongeschiktheid nog na 24 december 2004 verder zou duren, dan had het volgens verzoeker volstaan om eenvoudig contact met hem op te nemen om te vernemen dat die vrees volstrekt ongegrond was.
- Verwerende partij wijst er in de memorie van antwoord vooreerst op dat het mandaat van de algemeen directeur overeenkomstig het bepaalde in artikel 55quinquiesdecies, § 1, “op elk ogenblik op gemotiveerde wijze [kan] worden beëindigd”. Volgens haar kan moeilijk worden volgehouden dat de bestreden beslissing niet in rechte en in feite zou zijn gemotiveerd. De feiten die worden aangehaald in de beslissing kunnen niet worden betwist, de afwezigheden van verzoeker kunnen niet worden ontkend en evenmin kan worden ontkend dat deze afwezigheid de goede werking van de scholengroep in het gedrang bracht. Dit volgt uit het feit dat bepaalde bevoegdheden exclusief toekomen aan de algemeen directeur en de toepasselijke wetgeving niet in de mogelijkheid tot plaatsvervanging voorziet. Het voorbeeld waar verzoeker naar verwijst om de mogelijkheid van een plaatsvervanging aan te tonen betrof een arbeidsongeval -geen ziekte- én was een uitzonderingsgeval. De beslissing steunt op motieven waarvan de feiten naar behoren zijn bewezen en die in rechte de beëindiging van het mandaat rechtvaardigen, zodat het eerste middel volgens verwerende partij ongegrond is. XII-4384-7/13 Omtrent het derde middel merkt verwerende partij op dat het rechtspositiedecreet zelf niet voorziet in een hoorplicht wanneer een dergelijke beslissing tot stand komt. Ook als algemeen beginsel is het recht om gehoord te worden geenszins imperatief. Te dezen staat vast dat door de afwezigheden van verzoeker de werking van de scholengroep in het gedrang kwam, er bijgevolg snel diende te worden gehandeld teneinde uit de impasse te geraken en verzoeker ingevolge zijn ziekte niet onmiddellijk beschikbaar was om te worden gehoord. Zo is ook op 14 december 2004 genotuleerd door de raad van bestuur : “de raad van bestuur had het voornemen de heer R. De Tant te horen i.v.m. zijn functioneren als algemeen directeur van de scholengroep 9, maar ingevolge zijn afwezigheid wegens ziekte was dit tot op heden onmogelijk”. De beslissing is voorts genomen op basis van objectieve feiten, met kennis van zaken en zonder enige vooringenomenheid. Het derde middel is bijgevolg eveneens ongegrond. In haar laatste memorie stelt verwerende partij vast dat artikel 55quinquiesdecies van het rechtspositiedecreet met ingang van 1 september 2007 is aangevuld met een paragraaf, § 5, waarin uitdrukkelijk in de mogelijkheid wordt voorzien om een vervanger aan te stellen bij afwezigheid van de algemeen directeur. Dit toont aan, aldus verwerende partij, dat zulks voordien een probleem vormde. Voorts wijst verwerende partij er op dat de data van werkhervatting van de twee vorige keren absoluut niet werden nageleefd, dat telkenmale een nieuw attest werd ingediend en dat zij niet blindelings is voortgegaan op de datum van werkhervatting zoals vermeld op het ziekteattest maar terecht het nodige voorbehoud formuleerde. Zij betoogt voorts wel degelijk gepoogd te hebben om verzoeker te horen om alsnog zekerheid te verkrijgen over de datum van de werkhervatting, wat moge blijken uit het faxbericht van 16 december 2004 en de vermeldingen aldaar “gezien u telefonisch (op gsm-nummer en op thuisnummer) niet bereikbaar bent”. Het is met andere woorden verzoeker die niet beschikbaar was en onmogelijk kon of wou gehoord worden. Bovendien moesten op 14 december 2004 dringend de taken van de algemeen directeur opnieuw worden opgenomen en het rechtspositiedecreet voorzag op dat moment nog niet in een mogelijkheid tot vervanging van de algemeen directeur met overdracht van bevoegdheden, zoals het opstellen van het jaarverslag en het opmaken van de begroting en de jaarrekeningen. Die hoogdringendheid rechtvaardigt een afwijking op de hoorplicht, voor zover die al van toepassing is. XII-4384-8/13 Beoordeling
- Artikel 55quinquiesdecies luidt : “§
- Het mandaat van algemeen directeur, zoals bedoeld in Hoofdstuk III - afdeling 4 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt toegewezen of beëindigd volgens de voorwaarden en op de wijze zoals bepaald in dat decreet. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze worden beëindigd. §
- Wanneer het mandaat van algemeen directeur vacant is, richt de raad van bestuur een oproep tot alle directeurs van de scholen van de scholengroep om zich kandidaat te stellen voor het mandaat van algemeen directeur. De raad van bestuur bepaalt de termijn waarbinnen de kandidaten zich kandidaat moeten stellen. Deze termijn bedraagt ten minste 10 kalenderdagen. §
- De raad van bestuur stelt vooraf de criteria vast op grond waarvan de kandidaten worden beoordeeld en deelt deze criteria bij de oproep mee aan de kandidaten. §
- Om in een mandaat van algemeen directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs. [Het personeelslid mag als laatste evaluatie geen evaluatie met eindconclusie ‘onvoldoende’ hebben verkregen.] [§
- Bij afwezigheid van het personeelslid dat met toepassing van § 1 initieel belast is met het mandaat van algemeen directeur, kan de raad van bestuur een ander personeelslid voor de duur van die afwezigheid belasten met het mandaat. Voor een periode van maximaal 60 dagen mag de raad van bestuur een lid van het college van directeurs aanduiden om het mandaat van algemeen directeur waar te nemen. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van artikel 55undecies, § 2, eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal 60 dagen.]”. De tekst die in het citaat tussen vierkante haken is geplaatst was nog niet van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing ; ze werd ingevoegd bij artikel VIII.7 van het decreet van 22 juni 2007 betreffende het onderwijs XVII, met ingang van 1 september
- Luidens de aangehaalde decreetsbepaling mag verwerende partij “op elk ogenblik” een einde stellen aan het mandaat van de algemeen directeur van de scholengroep, mits zij dit doet “op gemotiveerde wijze”. Die motiveringsplicht draagt in zich het vereiste dat de aangevoerde motieven een voldoende feitelijke grondslag moeten hebben. Het moeten werkelijk bestaande, concrete en pertinente feiten betreffen die door het bestuur met de nodige zorgvuldigheid werden vastgesteld. XII-4384-9/13 De bestreden beslissing is wezenlijk gesteund op de vaststelling dat de scholengroep “nu al bijna twee maanden de mandaathoudende algemeen directeur moet ontberen”, dat de duur van de arbeidsongeschiktheid, zoals vermeld op de verstrekte attesten, geen betrouwbare aanwijzing is voor het vermoedelijke tijdstip van werkhervatting en dat het rechtspositiedecreet de mogelijkheden van het bestuur beperkt om adequaat op te treden tijdens de arbeidsongeschiktheid van de mandaathouder. Dat verzoeker “al bijna twee maanden” afwezig was wegens ziekte is een feitelijk juiste, en op zich onbetwiste vaststelling. Al moet daar onmiddellijk aan worden toegevoegd dat verwerende partij zich vergist door te beweren dat het ziekteverlof in die periode twee maal zou zijn “verlengd”, aangezien verzoeker tussendoor het werk gedurende een kleine week heeft hervat. Uit de bestreden beslissing kan voorts ook niet worden afgeleid dat er voorheen, sedert de aanstelling van verzoeker op 26 september 2000, enige problemen gerezen waren in verband met verzoekers afwezigheden. Met niettemin het gegeven van verzoekers afwezigheid wegens ziekte voor ogen, is de vraag naar de deugdelijkheid van de motieven vooral prangend waar verwerende partij zich vragen stelt bij de betrouwbaarheid van het vermoedelijke tijdstip van de werkhervatting en bij de noodzaak om over een volwaardige vervanger te kunnen beschikken. Verzoeker wijst in dat verband terecht op de bewijskracht die geneeskundige attesten verondersteld worden te bezitten. Indien het bestuur redenen had om aan te nemen dat verzoeker na 24 december 2004 een nieuw attest zou indienen, had het zelf een geneeskundig onderzoek kunnen opleggen. Verwerende partij had ook haar beslissing kunnen treffen onder de opschortende voorwaarde dat verzoeker niet het werk zou hervatten op de gestelde datum. Zij had eventueel de mogelijkheid kunnen onderzoeken om een ander instellingshoofd aan te stellen om de taken van G. Frans na diens ontslag tijdelijk over te nemen in afwachting van de terugkeer van verzoeker na 24 december
- Uit de aan de Raad van State meegedeelde stukken blijkt voorts dat de raad van bestuur op 16 november 2004 twee opties had om de afwezigheid van verzoeker op te vangen. Uiteindelijk koos de raad van bestuur voor de waarnemende aanstelling - in casu door G. Frans. De andere oplossing is naderhand niet meer ter sprake gekomen. Verzoeker wijst ook op een precedent, waarbij de Vlaamse minister van Onderwijs wél een vervanging toeliet. Verwerende partij betwist niet het bestaan van dit precedent, maar stelt dat het om een uitzonderingsgeval ging. Waaruit zij dat meent te moeten afleiden, wordt XII-4384-10/13 door haar echter verder niet uitgewerkt. Of het al dan niet een alleenstaand geval is en er tussen afwezigheid wegens ziekte en afwezigheid wegens arbeidsongeval een onderscheid wordt gemaakt, kan derhalve niet worden uitgemaakt. Wel staat vast dat er een precedent is en dat verwerende partij -althans volgens de voorgelegde stukken- geen poging heeft gedaan om zelfs maar te onderzoeken of zij dit precedent ook in haar voordeel kon inroepen. De Raad van State stelt bijgevolg vast dat verwerende partij, na het ontvangen van het nieuwe attest, nagelaten heeft om de haalbaarheid en de wenselijkheid van verschillende pistes ter dege te onderzoeken en blindelings voor de optie van de verwijdering uit het mandaat heeft geopteerd. Door in die omstandigheden énkel voort te gaan op een louter vermoeden dat verzoeker na 24 december 2004 niet zou komen opdagen om die verwijdering te motiveren, getuigt niet van zorgvuldig bestuur. Alleszins had verwerende partij verzoeker ook in de gelegenheid moeten stellen om zijn standpunt hierover op nuttige wijze kenbaar te maken. Een beslissing om een algemeen directeur uit zijn mandaat te verwijderen kan, zelfs bij ontstentenis van een bepaling die zulks uitdrukkelijk voorschrijft, in principe slechts genomen worden nadat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad minstens zijn standpunt te doen kennen; zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan moeten vooraf aan de betrokkene worden medegedeeld en de betrokkene moet over een redelijke termijn kunnen beschikken om zijn standpunt voor te bereiden. Dat te dezen van dit beginsel afgeweken mocht worden wegens hoogdringendheid kan niet worden aangenomen. Zelfs indien met verwerende partij wordt aangenomen dat de afwezigheid van verzoeker in het belang van de scholengroep dringend moest worden verholpen, is daarmee nog niet aangetoond dat de beslissing die op die vaststelling moest volgen ook in die mate dringend getroffen moest worden dat geen nader uitstel te dulden was. In de bestreden beslissing is daarvan overigens ook geen gewag gemaakt, terwijl een bestuur dat afwijkt van het beginsel om de betrokkene toe te laten zijn standpunt naar voren te brengen, de redenen daarvan moet laten kennen. De verwijzing door verwerende partij naar het faxbericht is niet ter zake: dit bericht dateert van na de bestreden beslissing en refereert ook enkel XII-4384-11/13 aan de pogingen die werden ondernomen om die beslissing mee te delen aan verzoeker. De vermelding in de notulering van de beslissing van 14 december 2004 dan weer, dat verzoeker door zijn afwezigheid wegens ziekte niet gehoord kon worden, is nietszeggend. Het toont immers niet aan of, en welke pogingen werden ondernomen om verzoeker te bereiken. Verwerende partij beweert ook niet dat zij enige poging daartoe heeft ondernomen : integendeel, had zij luidens de notulen daartoe enkel een “voornemen”. Zij mocht er niet zomaar van uitgaan dat verzoeker zijn standpunt niet zou kunnen of willen meedelen, hetzij zelf hetzij bij wege van een raadsman, indien hem de gelegenheid daartoe was gegeven. Het eerste middel en het derde middel zijn in de besproken mate gegrond.
- Om de hiervoor sub 3.
- gegeven reden verantwoordt het aanvoeren van gegronde middelen tegen de eerst bestreden beslissing ook de nietigverklaring van de navolgende beslissingen waartoe het beroep is uitgebreid. XII-4384-12/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd worden de beslissing van 14 december 2004 van de raad van bestuur van Scholengroep 9 “Ringscholen” van het Gemeenschaps- onderwijs, waarbij het mandaat van algemeen directeur van Roger De Tant met ingang van 15 december 2004 wordt beëindigd en waarbij Freddy Schellens wordt aangeduid om de bevoegdheden van algemeen directeur uit te oefenen tot de dag waarop de nieuwe algemeen directeur zijn mandaat opneemt en de beslissing van dezelfde raad van bestuur van 31 mei 2005, waarbij Geert Frans wordt aangesteld als algemeen directeur met ingang van 1 september 2005, zoals bekrachtigd door de algemene vergadering op 7 juni
- Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig september 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4384-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.509 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.