← België

Arrest 186522 - Diploma’s - 25/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.522 Rolnummer: A. 189742/XII-5552 Zaak: Arrest 186522 - Diploma's - 25/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.522 van 25 september 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.522 van 25 september 2008 in de zaak A. 189.742/XII-

  1. In zake : Steffi VAN GORP, die woonplaats kiest bij advocaat T. Peeters, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 27 tegen : het SINT-URSULA-INSTITUUT. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Steffi Van Gorp op 18 september 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de weigering vanwege de inrichtende macht van het Sint-Ursula Instituut van 9 september 2008 om de over haar delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 september 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Peeters, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat K. Vanhalle, die loco advocaat S. Leroy verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, XII-5552-1\13 OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feitelijke gegevens van de zaak 1.
  2. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling in het tweede jaar van de derde graad Secretariaat-Talen aan het Sint-Ursula Instituut te Onze-Lieve-Vrouw-Waver. Blijkens haar rapport behaalt verzoekster 48% voor de geïntegreerde proef (GIP). Voor de andere vakken zijn er geen jaartekorten. Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om haar een oriënteringsattest C te geven. De klassenraad notuleert over zijn beslissing het volgende : “Onvoldoende jaarresultaten voor Geintegreerde Proef 48 %. Het rapport van de Geintegreerde Proef en het attituderapport tonen over het hele schooljaar één rode lijn. Wat het proces betreft, scoort Steffi voor 2 periodes van de 3 zwaar onvoldoende. Voor het produkt waren zowel het eindwerk als de presentatie ook onvoldoende. Daarnaast blijven de resultaten op het syntheserapport algemeen zwak, met een laag algemeen gemiddelde van 59,5 %. De vakken die in de Geintegreerde Proef voorkomen blijven ook als afzonderlijke vakken erg zwak, en compenseren onvoldoende het Geintegreerde Proef-tekort. Dit resultaat toont dan ook dat de beöogde vormingscomponenten onvoldoende zijn verworven”. 1.
  3. Na overleg tussen verzoekster en de directie beslist deze laatste op 3 juli 2008 om de klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 28 augustus 2008 handhaaft de klassenraad zijn beslissing. Hij oordeelt dat de voorgelegde bezwaren “geen echte nieuwe elementen bevatten t.o.v. eind juni”. Over zijn bespreking notuleert de klassenraad : “De leden van de klassenraad wijzen op volgende elementen - Het feit dat leerlingen taken moeten afgeven door ze op Smartschool te plaatsen, is een onderdeel van de GIP-werking en daar zijn ook afspraken over gemaakt. Overigens kan de leerling zelf controleren of zijn taak inderdaad op Smartschool staat. Daarvoor moet die geen signaal van de leerkracht krijgen. - Mw. Neels, als GIP-mentor van Steffi, heeft Steffi een tijdlang individueel begeleid. Dit is echter pas kunnen gebeuren op aansturen van Mw. Vandormael, klastitularis en GIP-coördinator. Dan pas heeft Steffi haar mentor aangesproken. Die begeleiding is dan stopgezet want voor Steffi waren er geen vragen meer, het liep wel zegde ze. XII-5552-2\13 - Alle leerlingen krijgen de kans op hun GIP-opdrachten bij te sturen. Dat hoort bij de filosofie van de GIP. Alle taken of opdrachten worden 2x nagekeken vooraleer ze definitief worden. De leerling kan die dan maximaal verbeteren. De zelfde GIP-filosofie legt eveneens een grote verantwoordelijkheid bij de leerling. Ook het opnemen van die verantwoordelijkheid, de zelfstandigheid daarbij, wordt geëvalueerd tijdens het proces. - Het signaal dat de GIP zeer zwaar doorweegt op de einddeliberatie is gegeven tijdens de speciale infoavond voor ouders in september. Het staat eveneens vermeld in de schoolgids. Tijdens het jaar zijn de cijfers zelf en de resultaten, ook van de attituden, op het GIP-rapport zelf ook duidelijke info. Zowel op GIP-rapport met cijfers als attituderapport van Steffi staan de signalen telkens duidelijk te lezen. - Een tekort voor de GIP kan niet beschouwd worden als een tekort voor een vakproefwerk. Het is geen vak. Het overkoepelt a.h.w. de vakken. Een uiteindelijk jaartekort voor de GIP is een zeer zware element in de einddeliberatie. Slecht in zeer uitzonderlijke gevallen zal een leerling die een tekort heeft voor de GIP toch nog slagen. Dit staat ook zo beschreven in de GIP-richtlijnen”. 1.
  4. Op 29 augustus 2008 richt verzoekster zich tegen deze beslissing tot de beroepscommissie. Voor de beroepscommissie doet zij volgende argumenten gelden : “
  5. De delibererende klassenraad dient ten minste te bestaan uit de leraren die in het betrokken schooljaar bij de opleiding van de leerling betrokken waren. Over de samenstelling van de delibererende klassenraad wordt in de meegedeelde beslissing van de opnieuw samengekomen klassenraad echter niets gezegd. Onderaan het individueel notulenblad wordt, behoudens de directeur, enkel verwezen naar ‘drie leden’, wier naam en handtekening echter ontbreken, en wier aantal zeker geen geldig samengestelde klassenraad kan vormen. In de beslissing wordt vermeld dat een opgestarte individuele begeleiding werd stopgezet, ‘want voor Steffi waren er geen vragen meer, het liep wel zegde ze’. Er is hoe dan ook geen verdere reactie of indicatie geweest dat begeleiding wel nog aangewezen was. Dit betekent dus niet meer of niet minder, ofwel dat het inderdaad in de goede richting ging en er dus geen begeleiding meer nodig was, ofwel dat de betrokken leerlinge aan haar lot werd overgelaten.
  6. Minstens bij één toets kreeg Steffi van Gorp een 0/20, niet omdat de taak slechts was en ook niet omdat de taak niet ingediend was. Op de bewuste beoordeling stond : ‘Geen versie op SS geplaatst. Ik kijk je bestand elektronisch na & niet op papier!’ (stuk 1) . In de bestreden beslissing wordt gesteld dat het aanreiken van taken via Smart een onderdeel van de GIP-werking uitmaakt en dat daarover ook afspraken werden gemaakt. Daarover moet de leerling van de leerkracht geen signaal krijgen. Dit lijkt erop dat Stefi Van Gorp eigenlijk een algemene slordigheid wordt aangewreven. Nochtans was er daaromtrent wel een signaal, zoals blijkt uit de e-mail van dezelfde leerkracht van 19 februari 2008, waarin deze vraagt om de brief van Spaans ‘ook’, op SS te zetten, met de vermelding : ‘Jullie moeten hier niets achtergaan zoeken, gewoon op SS te zetten, en neen je bent niet te laat in principe moest dit niet!’ (stuk 2) . Dit is regelrecht in strijd met de daaropvolgende weigering om punten te geven. XII-5552-3\13
  7. Niet alleen de procesevaluatie, maar ook de productevaluatie zou zwak zijn. Nochtans verzond de betrokken leerkracht die de eindbundels beoordeelde, op 8 april 2008 nog een e-mail naar alle leerlingen van de klas, dus ook aan Steffi Van Gorp : ‘Tot hiertoe kan ik al het volgende zeggen : ‘Als ik alles in zijn geheel bekijk mogen jullie best wel fier zijn op jullie werk! (stuk 3). Een duidelijke indicatie dat het de goede weg opging. met dit eindwerk kan het dus, ook voor Steffi Van Gorp, toch niet zo slecht zijn geweest als nu wordt gesteld.
  8. De behaalde resultaten in hun geheel zijn zeer behoorlijk en vooral zeer regelmatig. Dit niet alleen voor wat betreft de eindproeven, maar ook wat betreft het jaarwerk en de permanente evaluatie. Door te stellen dat de geïntegreerde proef zeer zwaar doorweegt en vervolgens te verwijzen naar ‘een laag algemeen gemiddelde van 59,5%’, wekt de klassenraad de indruk dat de beoordeling van de geïntegreerde proef al de rest in de schaduw stelt, en alle overige positieve resultaten aldus gedegradeerd mogen worden.
  9. Mevrouw Steffi Van Corp betreurt tenslotte de telefonische mededeling aan haar moeder, dat zij in geval van hoger beroep niet meer welkom zou zijn op de school”. Op 8 september 2008 adviseert de beroepscommissie om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen op grond van de volgende overweging : “Het hoofdargument van de ouders betreft de al dan niet onterechte nulscore voor Zakelijke Communicatie Spaans op 11 februari 2008 in het kader van de GIP van Steffi. De commissie is van oordeel dat de Delibererende Klassenraad van 28 augustus 2008 hiermee voldoende rekening heeft gehouden, zoals blijkt uit het notulenblad”. 1.
  10. De algemeen directeur van het Sint-Ursula-Instituut deelt op 9 september 2008 aan verzoekster mee dat de inrichtende macht heeft beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te overwegen, “gelet op de conclusies en het advies van de beroepscommissie” dat in bijlage ter kennis wordt gegeven. De ontvankelijkheid
  11. Het inleidend verzoekschrift wees ook de twee hiervoor vermelde beslissingen van de klassenraad én het advies van de beroepscommissie aan als voorwerp van de vordering, wat bij verwerende partij in haar nota de terechte opmerking uitlokte dat blijkens ’s Raads rechtspraak, enkel de weigeringsbeslissing van 9 september 2008 de in rechte aanvechtbare eindbeslissing is. Verzoekster verklaart echter op de terechtzitting dat haar beroep wel degelijk zo moet worden begrepen dat enkel die weigeringsbeslissing wordt aangevochten. De ontvankelijkheidsbezwaren van verwerende partij zijn dan ook zonder voorwerp. XII-5552-4\13 Anders dan verwerende partij in haar nota voorts lijkt te beweren heeft verzoekster dan weer die beslissing van 9 september 2008 wel degelijk én duidelijk vermeld als voorwerp van haar vordering. Wat overigens minder duidelijk kan worden achterhaald, is wie beschouwd moet worden als de “inrichtende macht” van “het Sint-Ursula-Instituut”. Een afschrift van de beslissing van die inrichtende macht ligt niet voor, enkel de kennisgeving ervan door de algemeen directeur. Het advies van de beroepscommissie is gericht “aan de Raad van Bestuur”, zonder verdere precisering. De brieven, uitgaande van verwerende partij vermelden enkel “Sint-Ursula-Instituut SUI O.-L.-V.-Waver”, zonder precisering van rechtsvorm (of verenigings- of ondernemingsnummer). Verzoekster noch verwerende partij konden aan de Raad van State enige opheldering verschaffen over de vraag welke rechtspersoon het bevoegd gezag is ten aanzien van het in het Sint-Ursula-Instituut ingericht onderwijs en welk orgaan van die rechtspersoon heeft gehandeld. Wanneer in dit arrest het Sint-Ursula-Instituut wordt genoemd, wordt dan ook dat niet nader gespecificeerde schoolbestuur -naar alle waarschijnlijkheid de raad van bestuur van een vzw- bedoeld. De schorsingsvoorwaarden
  12. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De eerste en de derde schorsingsvoorwaarde
  13. Wat de uiterst dringende noodzakelijkheid betreft, wijst verzoekster er op dat een gewone vordering tot schorsing te laat dreigt te komen voor een succesvolle overstap naar het hoger onderwijs. Voor het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel verwijst zij naar het dreigend verlies van een schooljaar. XII-5552-5\13 Noch in haar nota, noch ter terechtzitting is enig verweer gevoerd tegen deze zienswijze. De Raad van State is van oordeel dat de uiteenzetting van verzoekster genoegzaam aantoont dat te dezen de bedoelde voorwaarden vervuld zijn. De tweede schorsingvoorwaarde
  14. Verzoekster voert twee middelen aan. In de beide wordt de motiveringsplicht geschonden genoemd omdat verzoekster in de beroepsprocedure geen deugdelijk en afdoend antwoord vindt in de zes door haar geformuleerde en hiervoor sub 1.
  15. geciteerde bezwaren. In het eerste middel concentreert zij zich op haar derde grief en neemt zij aanstoot aan het antwoord er op : “Doordat verzoekende partij bij een ingeleverde proef van 11 februari 2008, die deel uitmaakte van de GIP een 0/20 resultaat had gekregen omdat zij de test ten onrechte niet via computer (d.m.v. het daartoe bestemde smart-system) had ingediend. Op de test zelf werd dit uitdrukkelijk als enige reden voor de 0 vermeld. De klassenraad had deze redenering ook gevolgd. terwijl de betrokken leerkracht zelf in een e-mail van 19 februari 2008 weliswaar had gevraagd om de tekst op Smart te zetten, maar ook ‘Jullie moeten hier niets achter zoeken, gewoon op SS zetten, en neen je bent niet te laat in principe moest dit niet’; en terwijl verzoekende partij dit element ook duidelijk als grief had voorgedragen, niet alleen voor de klassenraad zelf, maar ook voor de interne beroepscommissie; en terwijl de interne beroepscommissie volledig in strijd met het voorgaande en integendeel haaks daarop antwoordt ‘dat de delibererende klassenraad van 28 augustus 2008 hiermee voldoende rekening heeft gehouden zoals blijkt uit het notulenblad’ en terwijl de inrichtende macht bij de beslissing tot weigering om de klassenraad terug samen te roepen uitsluitend naar het advies van de interne beroepscommissie heeft verwezen; zodat de grief van verzoekende partij, zoals aangekaart voor de delibererende klassenraad van 28 augustus 2008 en voor de interne beroepscommissie, niet alleen gegrond voorkomt, maar verder niet ernstig genomen werd, laat weerlegd”. In het tweede middel herinnert verzoekster aan de overige grieven uit haar bezwaarschrift, “Terwijl de interne beroepscommissie deze grieven in het geheel niet behandeld heeft, zelfs niet gesteld heeft dat ze bij gebrek aan relevantie niet dienden beantwoord te worden; En terwijl de inrichtende macht vervolgens enkel verwezen heeft naar het advies van de interne beroepscommissie, en ze dus evenmin behandeld heeft XII-5552-6\13 zodat voormelde grieven compleet onbeantwoord gebleven zijn”.
  16. Verwerende partij antwoordt op het eerste middel in hoofdorde : “Verzoekster tracht ten onrechte uit de bewoordingen van de e-mail dd. 19 februari 2008 van de betrokken GIP-leerkracht af te leiden dat het aanreiken van de GIP opdracht via Smartschool niet meer noodzakelijk was omdat zij haar taak reeds had aangereikt via een papieren versie. Betreffende mail werd op de delibererende klassenraad besproken en als volgt verduidelijkt : Oorspronkelijk was het niet de bedoeling dat er ook voor de Spaanse brief beoordeeld werd op de BIN-normen. Enkel de inhoud zou worden geëvalueerd. Later werd er beslist om deze brief ook na te kijken op de BIN-normen en daardoor diende de brief ook aan Mevr. Coosemens via Smartschool te worden doorgestuurd. Dit werd ook aan de leerlingen gecommuniceerd, De Spaanse brief werd op 11 februari 2008 aan de Mevr. Mesmaekers overgemaakt, maar op 19 februari 2008 was verzoekster nog steeds niet in orde om de betreffende brief via Smartschool door te sturen naar Mevr. Coosemans, die deze dan op de BIN-normen zou nakijken. De betreffende 0120 had dus enkel te maken met de evaluatie van de Spaanse brief op de BINnormen die niet kon geschieden door de betreffende leerkracht, Mevr. Coosemans, omdat zij deze brief niet via Smartschool van verzoekster had ontvangen, Deze quotering had niets met de inhoud van de brief te maken. Deze geschiedde via de vakleerkracht, mevr. Mesmaekers. Ook na 19 februari 2008 mocht Mevr. Coosemans deze brief niet via Smartschool van verzoekster ontvangen waardoor uiteindelijk een 0/20 werd gegeven. Aangezien de delibererende klassenraad reeds in haar eerste motivering voor haar beslissing op 28 augustus 2008 deze grief heeft beantwoord en heeft weerlegd : ‘Het feit dat leerlingen taken moeten afgeven door ze op Smartschool te plaatsen, is een onderdeel van de GIP-werking en daar zijn dan ook afspraken over gemaakt. Overigens kan de leerling zelf controleren of zijn taak inderdaad op Smartschool staat. Daarvoor moet die geen signaal van de leerkracht krijgen’. Aangezien de interne beroepscommissie tevens rekening heeft gehouden met deze grief en heeft beantwoord zoals blijkt uit haar advies aan de Inrichtende Macht op 8 september 2008 : ‘Het hoofdargument van de ouders betreft de al dan niet onterecht nulscore voor Zakelijke Communicatie Spaans op 11 februari 2008 in het kader van de GIP van Stefi. De commissie is van oordeel dat de Delibererende Klassenraad van 28 augustus 2008 hiermee voldoende rekening heeft gehouden, zoals blijkt uit het notulenblad’”. In de nota met opmerkingen zet zij vervolgens uiteen dat bij de deliberatie ook rekening werd gehouden met “een hele reeks van evaluatiepunten”. Zij verwijst naar de drie zogenaamde “SAM formulieren” die de attitude evaluatie bevatten door zes leerkrachten in elk trimester waar verzoekster telkens een onvoldoende kreeg voor de kwaliteitszorg en resultaatgerichtheid. Over de studiehouding van verzoekster is op haar tussentijdse rapporten ook regelmatig XII-5552-7\13 genoteerd. Verwerende partij legt ook een stuk neer waaruit moet blijken dat de aangevochten 0/20 score geenszins een gewicht in het totaal heeft dat een doorslaggevend resultaat heeft gegeven. Meer nog, zelfs een score van 20/20 zou op de eindbeoordeling van de GIP geen weerslag hebben gehad en zou de “beeldvorming” bij de leerkrachten niet hebben bijgesteld. Over de vraag met betrekking tot de samenstelling van de klassenraad legt verwerende partij “thans [...] in het administratief dossier” een stuk over “waaruit genoegzaam blijkt dat de klassenraad bestond uit het voltallig betrokken lerarenkorps”. Wat de begeleiding van verzoekster betreft, is het volgens verwerende partij op aansturen van de klastitularis en GIP-coördinator dat een mentor een tijdlang individuele begeleiding heeft gegeven aan verzoekster; zelf heeft zij ondanks talrijke aanbevelingen “zoals blijkt uit het administratief dossier” geen enkel initiatief genomen om extra hulp te vragen. Verzoekster heeft dan zélf die begeleiding laten stopzetten omdat het volgens haar vlot liep. De opmerking van verzoekster is dus buiten haar context gehaald. Verzoekster probeerde eerder zelf de problemen te ontlopen dan contact opnemen met de vakleerkrachten. Eigen verantwoordelijkheid en zelfstandigheid vormen echter een essentieel onderdeel van de GIP-filosofie. De door verzoekster aangehaalde e-mail van 8 april 2008 heeft enkel betrekking op drie verbeterde werken, waaronder niet dat van verzoekster aangezien de verbetering in alfabetische volgorde verliep. Het gezegde kan niet worden veralgemeend naar de GIP van verzoekster. De beslissing van de klassenraad is volgens de nota uiteindelijk niet uitsluitend gebaseerd op de resultaten van de GIP. Verzoekster toont volgens haar niet aan dat geen rekening zou zijn gehouden met alle gegevens van het dossier. Een loutere onvoldoende voor de GIP is niet het uitgangspunt van de deliberatie. Wel vormt de GIP een belangrijk onderdeel van het leerprogramma en met deze proef bewijst de leerling dat zij de leerstof van de verschillende vakken op een zelfstandige wijze kan aanwenden voor het uitvoeren van een opdracht. In die zin is zij dan ook totaal inherent aan het al dan niet voldaan hebben voor het geheel van de vorming. Het tekort van verzoekster op de GIP stemt duidelijk overeen met de zeer zwakke jaarresultaten van de richtingsvakken van de opleiding Secretariaat- XII-5552-8\13 Talen. Ter adstructie van de grondige evaluatie legt verwerende partij als stuk 13 een “deliberatiedocument” voor met de opmerkingen die doorheen het jaar aan verzoekster werden gemaakt; het betreffen opmerkingen als “haal je het in juni niet”, “nodig om je te herpakken”, “problemen in juni te vermijden”... Beoordeling
  17. Tegen de beslissing van de delibererende klassenraad om aan verzoekster een oriënteringsattest C te geven is binnen de school de beroepsprocedure gevolgd die is georganiseerd in de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : organisatiebesluit). Die procedure biedt een leerling het recht om de haar betreffende beslissing te betwisten en vereist, in geval zij in haar betwisting volhardt, de tussenkomst van een beroepscommissie. Zoals de Raad van State reeds bij herhaling heeft uiteengezet, is dergelijke beroepsprocedure maar zinvol als de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in een nieuwe beoordeling worden betrokken en als er minstens een antwoord wordt gegeven op die bezwaren welke van aard zijn, mochten ze gegrond zijn, aan de leerling een kans te geven op een gunstiger resultaat. Van belang is daarbij ook dat enkel de delibererende klassenraad, als enig orgaan, autonoom beslist over het al dan niet slagen van de leerling. Het schoolbestuur kan die beslissing niet overdoen of zich anderszins mengen met de inhoud van de beslissing, maar het mag enkel nagaan of uit de beslissing van de klassenraad blijkt of de -relevant lijkende- grieven en vragen van een leerling al dan niet reeds onderzocht werden en op grond daarvan al dan niet een nieuwe deliberatie uitlokken. Zoals artikel 70 van het organisatiebesluit bevestigt, mag het schoolbestuur ook steeds uit eigen beweging de klassenraad vragen om de beslissing opnieuw te overwegen; het schoolbestuur is dus niet gebonden aan het bestaan of de inhoud van een concrete klacht.
  18. De Raad van State is op zijn beurt evenmin een beroepsinstantie die het oordeel van de klassenraad over het al dan niet slagen van de leerling mag overdoen. XII-5552-9\13
  19. In de thans voorliggende zaak is door de algemeen directeur, “gemandateerde van de inrichtende macht”, aan verzoekster meegedeeld dat “de inrichtende macht beslist [heeft] om de klassenraad niet meer opnieuw samen te roepen”, “gelet op de conclusies en het advies van de interne beroepscommissie”. Zoals hiervoor is opgemerkt, wordt in het administratief dossier geen afschrift van de eigenlijke beslissing voorgelegd. Voortgaande op de kennisgeving ervan, neemt de Raad van State aan dat het schoolbestuur geen andere argumenten voor zijn weigering had dan de sub 1.
  20. geciteerde overweging die de beroepscommissie tot haar negatief advies heeft gebracht.
  21. De beroepscommissie heeft naar eigen bewoordingen enkel een antwoord gegeven op het “hoofdargument” van verzoekster. Behalve de grief die als “hoofdargument” is gedistilleerd, merkt de Raad van State ook vragen over, onder meer, de regelmatige samenstelling van de klassenraad of over een beweerde “degradatie” van de andere resultaten. Er kan moeilijk worden aangenomen, en er wordt door verwerende partij vooralsnog niet aangetoond, dat de overige grieven die in het bezwaarschrift voorkomen allemaal zo evident naast de kwestie zijn dat ze zelfs geen uitdrukkelijk antwoord behoefden in de loop van de beroepsprocedure. Het schoolbestuur had bijvoorbeeld moeten nagaan of de klassen- raad regelmatig was samengesteld en zijn gemotiveerde conclusie daaromtrent aan verzoekster meedelen. Mocht immers de grief van verzoekster op dit punt steek houden, dan had het schoolbestuur geen andere optie dan een regelmatig samen- gestelde klassenraad samen te roepen. Het lijkt derhalve een grief die niet zonder antwoord had mogen blijven. Overigens merkt verzoekster terecht op dat het stuk dat nu in het administratief dossier wordt voorgelegd de kwestie nog niet uitklaart, gesteld dat dit in de huidige stand van de zaak nog mogelijk zou zijn. Het stuk is enkel een voorgedrukte namenlijst van de leerkrachten met kruisjes naast elke naam, dus zonder handtekeningen van de betrokken leerkrachten. Het stuk draagt één handtekening, wellicht van de voorzitter. Aangezien blijkens artikel 5, § 6, van het organisatiebesluit van de beslissingen van de delibererende klassenraad een proces- verbaal moet worden opgemaakt en notulen moeten worden gehouden en zowel het proces-verbaal als de notulen door de voorzitter en door drie leden van de raad moeten worden ondertekend, is de bewijskracht van een stuk van de klassenraad dat alleen door de voorzitter ondertekend is, meer dan twijfelachtig. XII-5552-10\13 Verwerende partij poogt alsnog “thans”, zoals zij zelf in de nota schrijft, in de procedure voor de Raad van State, ook de overige grieven te weerleggen. Dit had evenwel eerder in de loop van de beroepsprocedure moeten gebeuren. In de mate waarin deze uiteenzetting post factum méér doet dan een explicitering van het notulenblad van 28 augustus 2008, kan ze niet aan het schoolbestuur of de beroepscommissie worden toegerekend. Dat is bijvoorbeeld het geval als verwerende partij nu uiteenzet, met betrekking tot de vierde grief, waarom de daar bedoelde e-mail niet naar het werk van verzoekster verwijst. De Raad mag daarmee geen rekening houden, aangezien dit geen motief lijkt te zijn die binnen de beroepsprocedure aan verzoeker kenbaar is gemaakt op de plaats en de wijze zoals het hoort. De Raad van State kan verwerende partij wel bijvallen in haar toelichting bij de tweede grief. Met deze grief herhaalt verzoekster een passus uit het notulenblad van 28 augustus 2008 en plaatst zij er vervolgens vraagtekens bij op een wijze die geen rekening lijkt te houden met de context. Vooralsnog meent de Raad van State dat verwerende partij reeds in het notulenblad de mate van begeleiding bij de GIP-proef in abstracto heeft toegelicht én de wijze waarop verzoekster er (geen) gebruik van heeft gemaakt niettegenstaande “de signalen telkens duidelijk te lezen [staan]”. Het mag worden aanvaard, zo lijkt, dat de beroepscommissie en vervolgens het schoolbestuur dit onderdeel van het bezwaarschrift onbesproken laat. Bovendien heeft verzoekster maar belang bij een antwoord op een grief, indien dit antwoord kan bijdragen tot een gunstiger beoordeling. De Raad ziet niet dadelijk hoe een eventuele tekortkoming in de begeleiding tijdens het schooljaar er toe moet leiden het uiteindelijke resultaat als beter te evalueren dan wat er is geleverd. Tegen een beweerd gebrekkige begeleiding lijkt tijdig gereageerd te moeten worden, en dat is niet nadat de prestatie is geleverd. In zoverre is het middel niet ernstig, zelfs al heeft de verwerende partij inderdaad nergens uitdrukkelijk gesteld dat ze bij gebrek aan relevantie niet diende beantwoord te worden. Ter terechtzitting erkent verzoekster ook dat de zesde “grief” niet van aard is om een gunstiger resultaat te ontlokken. Het tweede middel is bijgevolg in de besproken mate ernstig. XII-5552-11\13
  22. Formeel is wél een motief gegeven om de grief van verzoekster over de 0/20 score te weerleggen: de beroepscommissie refereert aan het notulenblad, dat volgens haar reeds het antwoord bevat. Mocht die vaststelling in feite kloppen, dan zou het motief in rechte deugdelijk zijn. De Raad van State stelt evenwel vooralsnog vast dat uit het notulenblad niet valt af te leiden waarom verzoekster voor het al dan niet plaatsen van haar werk op Smartschool niet mocht voortgaan op de e-mail, uitgaande van een leerkracht, met de vermelding “in principe moest dit niet”. Dat over het gebruik van Smartschool afspraken zijn gemaakt is een te algemene vaststelling. Ze verduidelijkt niet waarom de bedoelde e-mail niet minstens voor verwarring kon zorgen, zo het al niet als een uitdrukkelijke afwijking van de afspraken kon worden begrepen. Dat een leerling voor het plaatsen van taken op Smartschool luidens het notulenblad “geen signaal van de leerkracht [moet] krijgen” lijkt zelfs geheel naast de kwestie, want te dezen meent verzoekster net wél een -tegenovergesteld- signaal te hebben ontvangen. In de huidige stand van de procedure kan de Raad van State de beroepscommissie dan ook niet bijvallen in haar overtuiging dat uit het notulenblad van de delibererende klassenraad van 28 augustus 2008 blijkt dat die klassenraad voldoende rekening heeft gehouden met de door verzoekster gegeven uiteenzetting over haar nulscore voor zakelijke communicatie Spaans in het kader van de GIP. De Raad herinnert er nog aan dat mogelijke verklaringen voor het niet geslaagd verklaren van de betrokken leerling die blijken uit stukken die niet uitgaan van het enige bevoegde orgaan, de delibererende klassenraad, een falende motivering in de notulen van de vergadering van die klassenraad niet goed kan maken. Zelfs indien verwerende partij het bij het rechte eind heeft, dat een maximale score van 20/20 het eindresultaat niet fundamenteel zou hebben beïnvloed -wat de Raad in het midden laat, aangezien ook dit argument niet is terug te vinden op het notulenblad- dan kan nog worden meegegaan met de vaststelling door verzoekster dat ook de GIP-attitude, naast de puntentoekenning, bij de evaluatie heeft meegespeeld, dat de vermeende onzorgvuldigheid bij het gebruik van Smartschool tot die “beeldvorming” bij de leerkrachten kan hebben bijgedragen en XII-5552-12\13 dat de deliberatie een proces is waar niet enkel de precieze cijfers in aanmerking worden genomen. Ook het eerste middel is ernstig.
  23. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  24. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de weigering vanwege de inrichtende macht van het Sint-Ursula Instituut van 9 september 2008 om de over Steffi Van Gorp delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig september 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5552-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.522 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.438 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.