id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.544 Rolnummer: A. 189716/IX-6064 Zaak: Arrest 186544 - Penitentiair recht - 26/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-06 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.544 van 26 september 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.544 van 26 september 2008 in de zaak A. 189.716/IX-
- In zake : Karim TAZI, die woonplaats kiest bij advocaat N. LORENZETTI, kantoor houdende te BRUGGE, Langestraat 87 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Karim TAZI op 16 september 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 10 september 2008 van de directeur van de strafinrichting te Hasselt waarbij hem de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : “3 maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten) + geen gemeenschappelijke eredienst gelet op het risico van drugssmokkel”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 september 2008, om 11.30 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. CASTEUR die, loco advocaat N. LORENZETTI, verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; IX-6064-1/8 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Op dit ogenblik verblijft de verzoeker in de gevangenis te Hasselt. 1.
- Op 31 augustus 2008 wordt lastens de verzoeker een eerste tuchtrapport opgemaakt voor feiten die werden vastgesteld om 15.02 uur. Dit rapport luidt als volgt: “Bij een opgedragen controle der verblijfsruimte van gedetineerde Tazi deden we volgende vaststellingen: - opgespaarde medicatie : 12 IBUPROFEN 600 mg, 2 perdolan, 3 CETERI- ZINE 10 mg. - 1 zilverkleurige ring met steentjes + 1 goudkleurig hangertje, beiden niet vermeld op de persoonlijke fiche. - 1 witte substantie in plasticfolie gewikkeld, verborgen in de afstandsbedie- ning van TV. - 1 paar sportschoenen ‘NEW IMPACT’ met onder de inlegzool verschillen- de holle ruimtes. (deze schoenen zijn zeker 2-3 maten te groot voor deze gedetineerde en zijn in de teenruimtes opgevuld met papier om ze passend te maken ...) Niet vermeld op pers. fiche. - 1 pleister met kleine restanten plasticfolie die nog plakten aan de kleefstrip van de pleister. Naar aanleiding van deze controle verrichtten KO B. en ikzelf (DDKO S.) een fouille op het lichaam bij deze gedetineerde en stelden vast dat op de keerzijde van de badge een bruine substantie kleefde. De voorwerpen hier omschreven werden in beslag genomen en zullen worden gedeponeerd/onderzocht.” Voornoemd rapport vermeldt de identiteit van twee ooggetuigen. 1.
- Op 5 september 2008, om 15.00 uur wordt een tweede tuchtrap- port opgemaakt dat als volgt luidt: “Heden werd ons telefonisch meegedeeld door de politie dat het labo- onderzoek uitgevoerd op substanties gevonden bij bovengenoemde gedetineer- de (zie tucht 31/08/2008) positief waren. Het gaat over 0.2g speed en een onbekende hoeveelheid hasj (maandag volgt de officiële mail van politie)” 1.
- Op 5 september 2008 wordt lastens de verzoeker een tuchtproce- dure opgestart. IX-6064-2/8 1.
- Op 10 september 2008 wordt de verzoeker gehoord in aanwezig- heid van zijn raadsvrouw. Het relaas van dit verhoor en de tussenkomst van de raadsvrouw luiden als volgt : “- Gelet op de feiten die als volgt worden omschreven: Betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan drugsbezit + opsparen medicatie - Gelet op de argumenten van de gedetineerde (en / of zijn advocaat) die het tuchtdossier heeft kunnen raadplegen en hieromtrent op 10.09.2008 werd gehoord : Gedetineerde: eerst en vooral wil ik u zeggen dat de Hasj van mij is, maar dat van dat wit spul, dat is niet van mij! U mag mijn bloed onderzoeken en dan zal u alleen sporen van Hasj vinden. De schoenen heb ik geruild met een medegedetineerde omdat ik medelijden had met die persoon. Ze zien er misschien raar uit, maar ik heb ze zelfs niet gebruikt en ik zal nooit iets smokkelen. De pillen neem ik omdat ik last heb van een abces. Ik ben zeker geen pillen gebruiker, alleen af en toe neem ik iets. Ik handel ook niet in pillen want ze lagen gewoon in mijn cel en anders zou ik ze toch verstoppen. Ik ben niet van plan om mijn vrijheid op het spel te zetten voor drugs. Dan zou ik eerder eten mee binnen smokkelen. Ik neem mijn verantwoordelijkheid voor het gebruik van de Hasj en geef mijn excuses. Raadsman: wanneer je aan een dossier begint, moet je van nul beginnen. Ik zie hier dat er al een advies doorgestuurd werd naar de DIG voor weigering UV. Hier staat (...) eigenlijk in dat hij schuldig is. Dan moet u vandaag niet meer met een tucht starten. Hij heeft ook recht om te vragen naar een tegenexpertise. We mogen vragen om het te betwisten. Hier wordt ook het accent gelegd op het verhandelen van drugs en hij geeft enkel toe dat hij 0,2 gram hasj heeft gebruikt.” 1.
- Op 10 september 2008 wordt de volgende tuchtstraf uitgesproken: “3 maanden individueel regime (glasbezoek, individuele wandeling, geen gemeenschappelijke activiteiten) + geen gemeenschappelijke eredienst gelet op het risico van drugssmokkel.” De motivering van voornoemde sanctie luidt als volgt: “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan: drugsbezit + opsparen medicatie - dat dergelijke feiten absoluut niet kunnen worden getolereerd en een gepaste sanctie zich opdringt - dat hij de feiten gedeeltelijk toegeeft - de mogelijke nefaste gevolgen voor de gezondheid van hemzelf/mede- gedetineerden”. IX-6064-3/8
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Wat de eerste schorsingsvoorwaarde betreft, voert de verzoeker op goede gronden aan dat “doordat de maatregelen per 10.09.2008 ingang vinden, (...) de gevraagde schorsing uiterst dringend (is). In de vaste rechtspraak wordt men geacht diligent geweest te zijn wanneer het verzoek wordt neergelegd binnen een termijn van vijf dagen, hetgeen in casu het geval is. Verzoeker heeft quasi onmiddellijk betreffend verzoekschrift opgemaakt. Er zat immers een weekend tussen”. Bijgevolg staat het vast dat de verzoeker alert en diligent heeft gehandeld. Er is bijgevolg voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en
- 2.2.1.
- Wat de tweede voorwaarde betreft, voert de verzoeker in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. 2.2.1.
- Uit het verhoor van de gedetineerde door de gevangenisdirecteur blijkt dat de tuchtrechtelijke tenlastelegging als volgt luidt: “Betrokkene heeft zich schuldig gemaakt aan drugsbezit + opsparen van medicatie”. Uit de lezing van het eerste middel blijkt dat het tweede onderdeel van de tenlastelegging door de verzoeker niet wordt betwist, met name het “opsparen” van medicatie. Het eerste tuchtrapport van 31 augustus 2008 toont aan dat het gaat om pijnstillende medicatie die in een vrij grote hoeveelheid in de cel van de verzoeker werd aangetroffen. Wat het eerste onderdeel van de tenlastelegging betreft, met name het zich schuldig maken aan drugsbezit, betwist de verzoeker niet dat hij in het bezit werd gevonden van hasj. Op het eerste gezicht volstaan voornoemde vastgestelde IX-6064-4/8 tuchtfeiten, met name het opsparen van medicatie en het bezit van hasj als materiële motivering van de bestreden beslissing. Bijgevolg is de motivering op het eerste gezicht pertinent draagkrachtig en afdoend. 2.2.1.
- Het eerste middel is niet ernstig. 2.2.
- De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, gewijzigd door de ministeriële omzendbrief nr. 1782 van 15 maart 2006, omdat de verzoeker gedurende twee dagen in het ongewisse werd gelaten, “nopens het feit dat tegen hem een tuchtrapport werd opgesteld”. Hierin ziet de verzoeker een schending van het redelijkheidsbeginsel. 2.2.2.
- Uit het administratief dossier blijkt dat de gevangenisdirectie prompt en diligent heeft gereageerd, vermits het eerste tuchtrapport van 31 augustus 2008 aanleiding gaf tot een labo-onderzoek, om de gevonden witte substantie in de cel van de verzoeker te onderzoeken. Op 5 september 2008 wordt het resultaat van het labo-onderzoek door de politie meegedeeld aan de gevangenisdirectie. Op dezelfde datum wordt een tweede rapport opgesteld. Deze werkwijze strekt de verzoeker tot voordeel, omdat door dit onderzoek de ware aard van de witte substantie werd bepaald. Een tegenexpertise lijkt in dit verband overbodig. Dat de verzoeker ontkent dat bij hem 0,2 g speed werd aangetroffen is niet relevant, gelet op het feit dat hij het bezit van een onbekende hoeveelheid hasj toegeeft, wat vanzelfsprekend niet kan worden getolereerd. Gelet op wat voorafgaat werd het redelijkheidsbeginsel op het eerste gezicht niet geschonden. 2.2.2.
- Het tweede middel is niet ernstig. 2.2.
- De verzoeker voert in een derde middel de schending van de rechten van verdediging aan. Als essentiële grief voert de verzoeker aan dat hij geen inzage had, “in de essentiële informatie van de politie” en dat hij geen tegenexperti- se kon laten plaatsvinden in verband met de witte substantie die in zijn cel werd gevonden. IX-6064-5/8 2.2.3.
- Uit deze grief blijkt op het eerste gezicht geen schending van de rechten van verdediging, vermits de verzoeker zich heeft verdedigd wat de twee bestanddelen van de tuchtrechtelijke tenlastelegging betreft, met name het drugsbezit (het bezit van hasj) en het opsparen van medicatie. Voor wat het eventueel bezit van 0,2 g speed betreft is er blijkbaar nog een strafrechtelijk informatieonderzoek aan de gang, zodat dit gegeven geen deel uitmaakt van de thans weerhouden tuchtfeiten. 2.2.3.
- Het derde middel is niet ernstig. 2.2.
- In een vierde middel voert de verzoeker de schending aan “van zijn recht op een onpartijdige rechter. ” De verzoeker stelt in dit verband dat “door 2 dagen vóór de zitting een negatief advies te richten aan de Dienst Individuele Gevallen op basis van nog te beoordelen feiten, de Directie zijn vooringenomenheid toont.” 2.2.4.
- De gevangenisdirecteur is geen rechter, maar een lid van het bestuur van het ministerie van Justitie. In die hoedanigheid oefent hij in de gevangenis het tuchtrecht uit. Als bestuurder van de gevangenis moet hij tijdig de verschillende diensten die te maken hebben met het gevangeniswezen verwittigen. Het negatief advies dat de directie heeft gericht aan de dienst Individuele Gevallen, in verband met de verzoeker is niet het voorwerp van huidige procedure en staat op het eerste gezicht los van de beoordeling van de feiten die weerhouden werden in de tuchtprocedure. De feiten zoals ze zich voordeden, ongeacht hun tuchtrechtelijke bestraffing, verantwoorden op het eerste gezicht dat een preventieve maatregel door de directie wordt genomen naar de dienst Individuele Gevallen toe. Bovendien beperkt de gevangenisdirecteur zich in het advies betreffende de uitgaansvergun- ningen tot een weergave van de feiten vermeld in het tuchtverslag. Hij voegt daaraan toe dat de verzoeker dient te verschijnen voor het tuchtcollege en “er sterke aanwijzingen [zijn] dat betrokkene zich schuldig maakt aan smokkel van drugs.” De directeur heeft het enkel over “sterke aanwijzingen”, maar loopt niet vooruit op de uitspraak van de tuchtzaak. Uit voornoemd advies blijkt op het eerste gezicht geen vooringenomenheid. 2.2.4.2 Het vierde middel is niet ernstig. IX-6064-6/8 2.2.
- In een vijfde middel voert de verzoeker de schending aan van het proportionaliteitsbeginsel, als beginsel van behoorlijk bestuur, met verwijzing naar de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005, gewijzigd door de ministeriële omzendbrief nr. 1782 van 15 maart
- 2.2.5.
- Uit de lezing van het middel blijkt niet hoe en waarom het proportionaliteitsbeginsel zou zijn geschonden, omdat de tuchtrechtelijke tenlastelegging bestaat uit twee componenten (verboden drugsbezit en verboden bezit van een belangrijke hoeveelheid geneesmiddelen die hoofdzakelijk bestaat uit pijnstillers). Uit het verzoekschrift blijkt niet, zoals gezegd, dat het tweede onderdeel van de tenlastelegging wordt betwist. Het blijkt evenmin dat het bezit van hasj wordt betwist. De twee onderdelen van de tenlastelegging verantwoorden op het eerste gezicht de oplegde tuchtstraf. 2.2.5.
- Het vijfde middel is niet ernstig.
- Bijgevolg is niet voldaan aan één van de cumulatieve voorwaar- den van voormeld artikel 17, §§ 1 en
- Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6064-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 26 september 2008, door : de HH. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. D. MOONS. IX-6064-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.544 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.728 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.