id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.545 Rolnummer: A. 187178/X-13675 Zaak: Arrest 186545 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.545 van 29 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.545 van 29 september 2008 in de zaak A. 187.178/X-13.
- In zake : Myriam DE NAEYER, die woonplaats kiest bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen :
- de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Myriam DE NAEYER op 22 februari 2008 heeft ingediend, en waarin zij de schorsing en de nietigverklaring vordert van het besluit van 27 november 2007 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge waarbij aan Philippe HAERYNCK en Ilse CLOET de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een terras aan de achtergevel van hun woning gelegen te Brugge, Ezelpoort 3, kadastraal bekend sectie E, nr. 854/p10; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag over het beroep tot nietigverklaring opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; X-13.675-1/7 Gelet op de beschikking van 23 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 mei 2008; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. RYELANDT, die verschijnt voor de verzoekster, van advocaat M. HERTEGONNE, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Feiten 1.1 Op 5 februari 2007 dienen de heer en mevrouw HAERYNCK - CLOET een aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge tot het bouwen van een terras aan de achtergevel van hun woning gelegen te Brugge, Ezelpoort
- 1.
- Aangezien de bouwaanvraag een afwijking inhoudt van het toepasselijke bijzonder plan van aanleg Kristus Koning N.O., goedgekeurd bij koninklijk besluit van 20 oktober 1998, wordt de aanvraag aan een openbaar onderzoek onderworpen. Naar aanleiding van dit openbaar onderzoek dient de verzoekster op 7 mei 2007 een bezwaarschrift in. Op de zitting van 5 oktober 2007 van het college van burgemeester en schepenen wordt het bezwaarschrift van de verzoekster ontvankelijk doch ongegrond bevonden en wordt het dossier met een gunstig X-13.675-2/7 preadvies doorgestuurd naar het Agentschap R.O.-Vlaanderen voor afwijking van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg. Op 22 november 2007 verleent de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar een gunstig advies over de aanvraag. 1.
- Op de zitting van 27 november 2007 beslist het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning af te leveren. Dit is het bestreden besluit. 1.
- Met een brief van 6 december 2007 wordt de verzoekster ervan in kennis gesteld dat haar bezwaarschrift ongegrond werd verklaard en de vergunning werd verleend. Op 14 december 2007 vraagt de raadsvrouw van de verzoekster een kopie van de afgeleverde bouwvergunning op bij de stad Brugge. Deze kopie wordt de verzoekster toegezonden bij brief van 27 december
- Ontvankelijkheid 2.
- In haar verzoekschrift brengt de verzoekster het volgende aan in verband met de tijdigheid van haar beroep: “Bij schrijven van de raadsman van verzoekster d.d. 14.12.2007 werd aan het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Brugge, een kopie aangevraagd van de ondertussen afgeleverde stedenbouwkundige vergunning voor de constructie van het terras. Bij schrijven van 27.12.2007 werd de raadsman van verzoekster in kennis gesteld door de Stad Brugge van een kopie van de stedenbouwkundige vergunning. Bij schrijven van 8.01.2008 werd door de Stad Brugge nogmaals een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning overgemaakt aan de raadsman van verzoekster. De termijn van 60 dagen voor huidig beroep in nietigverklaring loopt derhalve vanaf ontvangst van afschrift van de stedenbouwkundige vergunning, waarbij verzoekster kan kennis nemen van de inhoud en de motivatie van de stedenbouwkundige vergunning”. 2.
- De eerste verwerende partij werpt in haar nota de volgende exceptie van laattijdigheid op: “
- De verzoekende partij spreekt niet tegen dat de verwerende partij haar op 6 december 2007 - zie eveneens de op die datum afgestempelde X-13.675-3/7 verzendingsopdracht aan de post (...) - een schrijven heeft overgemaakt waarin haar werd medegedeeld: • om welke redenen haar bezwaarschrift werd afgewezen; • dat het dossier met gunstig advies aan het agentschap R.O.- Vlaanderen is overgemaakt; • dat het agentschap inmiddels akkoord is gegaan met de voorgestelde afwijking op het BPA; • en last but not least: ‘het college van burgemeester en schepenen besliste in zitting van 27.11.2007 de vergunning te verlenen’
- Gezien de verzendingsopdracht dagtekent van eveneens 6 december 2007 mag er worden van uitgegaan dat de zending op 7 december 2007 de verzoekende partij heeft bereikt en dat zij mitsdien vanaf die dag heeft geweten dat er een vergunning was verleend en welke de aard en de draagwijdte ervan was. Derhalve is de termijn voor het instellen van het annulatieberoep op die dag ingegaan, wat met zich brengt dat het ingediende beroep laattijdig is want ruimschoots buiten de termijn van 60 dagen.
- De verwerende partij heeft de gewoonte te handelen zoals ze te dezen heeft gehandeld, nl. de bezwaarindieners individueel en schriftelijk op de hoogte te brengen van de beslissing omtrent hun bezwaar op het ogenblik dat over de aanvraag zelf een eindbeslissing is genomen. Verwerende partij heeft eveneens aldus gehandeld in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest (...). Ook toen had de raadsman, na eerdere ontvangst van een omzeggens identiek schrijven als dit van 6 december 2007, om een afschrift gevraagd en de toezending daarvan als vertrekdatum voor het annulatieberoep genomen. Het arrest stelt vast dat zulke informatiebrief is gestuurd en ‘dat aldus blijkt dat verzoekers, die de bouwaanvraag van bij het begin hebben opgevolgd, op dat ogenblik wisten om welke redenen hun bezwaren waren afgewezen en dat de stedenbouwkundige vergunning voor ‘de nieuwbouw van een hogeschoolcampus, met conciërgewoning en terreinaanleg op de vroegere gronden van de Xaverianen’ was verleend; dat de termijn van 60 dagen om een vordering tot schorsing in te stellen op dat ogenblik is beginnen lopen en niet het ogenblik waarop de verzoekende partijen kennis hebben genomen van de brief van 19 oktober 2005 waarbij een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning aan de vierde verzoeker werd verstuurd,’(...).
- Uw Raad beslist thans vast dat het noodzakelijk is doch voldoende dat de verzoekende partij op een welbepaalde dag, te dezen minstens vanaf 7 december 2007, ‘voldoende kennis (had) van het bestaan, de aard en de draagwijdte’ van de genomen beslissing, hetgeen in talloze arresten van Uw Raad is verwoord. Uw Raad heeft sinds lang de stelling verlaten dat de volledige inhoud bekend moet zijn. Thans wordt niet meer vereist ‘dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan’ (...). Anders dan wanneer de belanghebbende enkel een vermoeden heeft, of moet hebben, dat er inmiddels een vergunning bestaat, in welk geval hem een redelijke termijn wordt gelaten om daaromtrent zekerheid te bekomen (...), beslist Uw Raad thans dat de termijn om een annulatieberoep in te stellen meteen ingaat de dag waarop de ‘voldoende’ kennis is bekomen, in welk geval de belanghebbende ‘tijdens de beroepstermijn gebruik kan maken van het inzagerecht van de beslissing en van het dossier’(...). Het aangehaalde arrest nr. (...) zegt klaar en duidelijk ‘dat, opdat de termijn voor een derde zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, enkel vereist is dat die derde een voldoende kennis heeft X-13.675-4/7 van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan; dat daarenboven, in niet ter zake dienende gevallen, de termijn voor derden belanghebbenden ook kan ingaan met de dag waarop zij kennis hebben kunnen nemen van de vergunning, door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van hun inzagerecht.’ Onderscheid moet dus worden gemaakt tussen het geval dat de belanghebbende enkel een (vaag) vermoeden heeft dat er mogelijks een vergunning bestaat -in welk geval hij over een redelijke termijn beschikt om daaromtrent zekerheid te verwerven-, eensdeels, en het geval dat de belanghebbende met zekerheid weet dat er een vergunning is en er ook de aard en de draagwijdte van kent, anderdeels. Het is de tweede hypothese die zich te dezen aandient. Het verzoekschrift is derhalve kennelijk laattijdig”. De tweede verwerende partij werpt eenzelfde exceptie van onontvankelijkheid wegens laattijdigheid op. 2.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde termijn van 60 dagen in beginsel ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning. Opdat de termijn voor een derde zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, is enkel vereist dat die derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aankleven. Het blijkt dat de stad Brugge op 6 december 2007 volgend schrijven aan de verzoekster heeft gestuurd: “Het College van Burgemeester en Schepenen heeft in zitting van 05.10.2007 omtrent bovenvermelde aanvraag en bezwaarschrift beraadslaagd. Ons bestuur besliste dat uw bezwaarschrift ontvankelijk doch ongegrond is. U argumenteert tegen de verstoring van de privacy door het plaatsen van een terras. Er zou permanente inkijk zijn in de aangebouwde keuken vanop het terras. Bovendien tekent u bezwaar aan tegen het overschrijden van de maximale bezetting, aangegeven door het BPA Wat de inbreuk op de privacy door inkijk betreft, kunnen we stellen dat het ontwerp de gebruikelijke inkijk bij woningen in gesloten bebouwing niet overschrijdt. Doordat uw keuken op de verdieping ligt en daarenboven is ondergebracht in een aanbouw op de verdieping is er inderdaad inkijk. Op de foto’s blijkt evenwel dat er op heden reeds inkijk is van u op de achtergevel van de aanpalende en dat u zelf eveneens een klein terras op de verdieping hebt. X-13.675-5/7 Voorliggend ontwerp is overigens conform de wetgeving op de lichten en zichten. Voor wat betreft de afwijking ten opzichte van de norm inzake 50% bezetting, kan er louter visueel worden vastgesteld dat u eveneens het maximale percentage overschrijdt. Als we de kadastergegevens nagaan, krijgen we bij u ook een bezetting van 61%. Een terras op verdieping laat trouwens nog een tuinzone eronder toe, wat bij effectieve bebouwing niet mogelijk zou zijn. Ons bestuur besliste tezelfdertijd voornoemde aanvraag met gunstig advies over te maken aan het agentschap R.O.-Vlaanderen. Ondertussen ontvingen wij het akkoord van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar met de voorgestelde afwijking ten opzichte van het bijzonder plan van aanleg. Het College van Burgemeester en Schepenen besliste in zitting van 27.11.2007 de vergunning te verlenen”. Aldus blijkt dat de verzoekster, die de bouwaanvraag van bij het begin heeft gevolgd, op het ogenblik van de ontvangst van deze brief kennis had van het feit dat een stedenbouwkundige vergunning was afgegeven voor het bouwen van een terras aan de woning gelegen te Brugge, Ezelpoort 3 en dit ondanks de door haar in het raam van het openbaar onderzoek tegen de aanvraag ingediende bezwaren. Op dat ogenblik had zij derhalve voldoende kennis van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden beslissing. Aldus is de termijn van 60 dagen om een annulatieberoep en een vordering tot schorsing in te stellen beginnen te lopen daags na ontvangst van het schrijven van 6 december
- Het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing zijn derhalve laattijdig ingesteld. De exceptie is gegrond en het beroep is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-13.675-6/7 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-13.675-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.545 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div