← België

Arrest 186546 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.546 Rolnummer: A. 100687/X-10163 Zaak: Arrest 186546 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.546 van 29 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.546 van 29 september 2008 in de zaak A. 100.687/X-10.

  1. In zake : Antoine VAN DE KEERE, die woonplaats kiest bij advocaat M. VANDER KIMPEN, kantoor houdende te 9620 ZOTTEGEM, Grotenbergstraat 49 tegen : de gemeente SINT-LIEVENS-HOUTEM, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Antoine VAN DE KEERE op 19 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 november 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem waarbij aan EECKHOUT - VANDERHAEGEN Bart de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend tot het bouwen van een garage te Sint-Lievens-Houtem, Hazenakkerstraat 5, kadastraal bekend sectie B, nr. 294/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 18 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; X-10.163-1/11 Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VANDER KIMPEN, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. Het kwestieuze terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het is niet gelegen in het beheersingsgebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling, noch binnen dit van een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. 1.
  5. Op 29 september 2000 (datum van het ontvangstbewijs) dient Bart Eeckhout-Vanderhaegen een aanvraag in bij het gemeentebestuur van Sint-Lievens-Houtem tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een garage op dat terrein. De garage heeft een oppervlakte van 21 m² (6 m diep op 3,5 m breed), een kroonlijsthoogte van 2,50 m en een nokhoogte van 3 m. De inplanting is volgens het ene inplantingsplan voorzien op 10 cm van de perceelsgrens met de verzoeker, op een ander, ook bij de aanvraag gevoegd inplantingsplan is de linkervoorhoek van de garage ingeplant op de perceelsgrens en volgt dan een steeds groter wordende afstand verder tussen de garage en de grens gelet op het schuinlopen van die perceelsgrens. 1.
  6. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 5 oktober 2000 tot 5 november
  7. X-10.163-2/11 1.
  8. Met een brief van 25 oktober 2000 dienen de verzoeker en zijn echtgenote bezwaar in bij het gemeentebestuur. Ze merken op dat de garage ingeplant wordt op de perceelsgrens zonder hun akkoord. De inplanting veroorzaakt een belangrijke belemmering van de normale levenssfeer. De garage heeft repercussies wat betreft de berijdbaarheid bij vriesweer van hun oprit. De garage zou beter ingeplant worden bij de reeds bestaande bijgebouwen achter het woonhuis van de aanvrager. 1.
  9. Op 16 november 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen tot de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning. Vooreerst vermeldt het dat er geen advies van de gemachtigde ambtenaar is ingewonnen omwille van de omvang van de aangevraagde werken. Voorts motiveert het zijn standpunt als volgt : “Volgens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem is het perceel gelegen in een woongebied met landelijk karakter. Het bouwen van een garage van 21 m² aan de perceelsgrens brengt de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang. Het raam aan de linker zijgevel mag niet geplaatst worden, rekening houdend met de lichten en zichten. Tijdens het openbaar onderzoek werd één bezwaarschrift ingediend. Het bezwaarschrift is ontvankelijk en ongegrond nl. # De aanpalende eigenaars zijn in kennis gesteld, een schriftelijk akkoord is niet vereist. # De normale levenssfeer (privacy, leefkwaliteit en uitzicht) wordt door het bouwen van deze garage niet belemmerd. # De ontoegankelijkheid (onberijdbaarheid) van de naastliggende opricht wordt niet in de hand gewerkt. Dat de oprit niet berijdbaar is bij vriesweer en dat ze niet kan opdrogen doet bij deze aanvraag niet terzake. # Het voorstel van de klager, dat de garage beter kan aansluiten bij de bestaande bijgebouwen is niet haalbaar. De bouwdiepte van deze gebouwen zou meer dan 20 meter bedragen”. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  10. Blijkbaar formuleerde de verzoeker bij een mondeling onderhoud met de burgemeester nog mondelinge bezwaren. 1.
  11. Hierop stuurt de burgemeester namens het college een brief met als datum 28 december 2000 aan de verzoeker : “Wij kunnen u mee delen dat uw bijkomende mondelinge bezwaren tegen het afleveren van de stedenbouwkundige vergunning aan Eeckhout-Vanderhaegen Bart op 16 november 2000 onderzocht werden. Wij X-10.163-3/11 hebben geen gegronde redenen gevonden om de afgeleverde bouwvergunning in te trekken of te wijzigen”. 1.
  12. Met een brief gedagtekend op 2 januari 2001 vragen de verzoeker en zijn echtgenote het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning aan te passen door de inplanting naar rechts te verplaatsen zodat er geen erfdienstbaarheden lastens hun ontstaan.
  13. De ontvankelijkheid van het beroep 2.1.
  14. In zijn inleidend verzoekschrift stelt de verzoeker dat de bekendmaking van de vergunning dient te geschieden door een aanplakking en dat er nog geen aanplakking is gebeurd. Bovendien zijn de werken nog niet gestart. Bijgevolg is het beroep tijdig ingesteld. 2.1.
  15. De verwerende partij werpt bij wege van exceptie op dat de verzoeker minstens op 21 december 2000 kennis had van de bestreden beslissing en dat het beroep laattijdig is. 2.1.
  16. De verzoeker verwijst in zijn memorie van wederantwoord opnieuw naar de ontbrekende aanplakking. Voorts dupliceert hij dat zelfs al zou hij op 21 december 2000 volledige kennis had gehad van de bestreden beslissing, het beroep dan nog tijdig is daar het ingediend werd op 19 februari
  17. 2.
  18. Indien de verzoeker op 21 december 2000 kennis had van de bestreden beslissing, was het beroep tijdig ingesteld, met name op de zestigste dag van de beroepstermijn. Er blijkt niet dat de verzoeker eerder kennis had of kon hebben gehad van die beslissing. De exceptie gaat niet op. X-10.163-4/11
  19. De gegrondheid van het beroep 3.
  20. Het eerste middel In het auditoraatsverslag wordt het eerste middel verworpen. Nadat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord verklaarde zich dienaangaande “te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State”, “onderschrijft” hij in zijn laatste memorie “de conclusies” van dit verslag. Hij wordt dan ook geacht afstand te hebben gedaan van het eerste middel. Op die mogelijke conclusie ter terechtzitting gewezen door de kamervoorzitter-verslaggever, betwist hij dit overigens niet. 3.
  21. Het tweede middel 3.2.
  22. De standpunten van de partijen 3.2.1.
  23. Het tweede middel is als volgt gelibelleerd in het verzoekschrift : “DOORDAT : de motivering van het gewraakte Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Sint-Lievens-Houtem niet afdoende is, minstens de wet schendt door te argumenteren dat : ‘Het bouwen van een garage van 21 m² aan de perceelsgrens ... de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang (brengt)’. TERWIJL : uit de combinatie van art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 - betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen - met de bepalingen van het Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening (d.d. 18.05.99) blijkt dat de wet in casu vereist dat de Overheid afdoende motiveert om welke redenen de bewuste aanvraag - de concrete omstandigheden in acht genomen - kan ingepast worden in de plaatselijke ruimtelijke ordening, minstens een onwettigheid begaat door - niettegenstaande de concrete omstandigheden van de zaak - te oordelen dat de geplande garage de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang brengt; ZODAT: het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Sint-Lievens-Houtem in haar Besluit d.d. 16.11.00 een onwettig (ten aanzien van de motieven) begaat door - de concrete omstandigheden van de aanvraag in acht genomen - te oordelen dat de aanvraag kan ingepast worden in de plaatselijke ruimtelijke ordening; TOELICHTING : wat de concrete omstandigheden van de zaak betreft herhaalt de verzoekende partij dat : • het betrokken percee l vol ge ns he t ge we s tplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem in een woongebied met landelijk karakter ligt; X-10.163-5/11 • de aanvragers - tegen de perceelsgrens van de terreinen 290 f & 294 b - de realisatie beogen van een garage van 21 m² - constructie die zal worden aangebouwd aan hun woonhuis - met een kroonlijsthoogte beperkt tot 2,5 meter en een nokhoogte van in totaal 3 meter; • de wet het geplande gebouw kwalificeert als een werk van geringe omvang (zie hoger); M.b.t. de concrete omstandigheden van de zaak is het inzake tevens belangrijk te wijzen op het feit dat : • open bebouwingen de half-open bebouwing van de Heer en Mevrouw Eeckhout-Vanderhaegen begrenzen; • het Decreet d.d. 04.11.97 - tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag van de bouwvergunning - bepaalt dat voor werken van geringe omvang een dossier met een eenvoudige dossiersamenstelling volstaat; • art. 3 van voormeld Decreet - onder meer - stipuleert dat een eenvoudig dossier : P door de aanvragers gedateerd en ondertekende grafische documenten van de geplande werken dient te bevatten; P een liggingsplan vereist op een gebruikelijke schaal groter dan of gelijk aan 1/25000; P een inplantingsplan vraagt met vermelding van - onder meer - de afstanden tot de perceelsgrenzen, de te slopen verhardingen, de opnamepunten en de kijkrichting van de bij het dossier gevoegde foto’s, ...; P een tekening van de geplande werken verlangt met - onder meer - de aanduiding van de gebruikte schaal, de aard en de kleur van de te gebruiken uitwendige materialen en deze van de gevel tegen dewelke wordt aangebouwd, de doorsnede met - als ze zouden voorkomen - de profielen van de bebouwing waar wordt tegenaan gebouwd de vermelding van de hoogtepeilen ten opzichte van een referentiepeil op de weg waaraan het goed paalt, ...; • het dossier van de aanvragers de voormelde door art. 3 vereiste gegevens ontbeert; Door de mededeling van gegevens betreffende de afstanden van het geplande gebouw tot de perceelsgrenzen, de aard en de kleur van de te gebruiken uitwendige materialen, ..., te vereisen, benadrukt de wetgever dat voormelde gegevens - zelfs voor een werk van geringe omvang - onontbeerlijk zijn voor de beoordeling van de inpassing van de te bouwen garage in de plaatselijke ruimtelijke ordening. Het gewraakte Besluit d.d. 16.11.00 oordeelt zonder te beschikken over de betreffende inlichtingen. Het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Sint-Lievens-Houtem motiveert evenwel niet welke juridische en feitelijke overwegingen maken dat deze verplicht over te leggen gegevens in casu niet in overweging dienden te worden genomen. Minstens begaat het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Sint-Lievens-Houtem een onwettigheid door te oordelen dat - niettegenstaande - het ontbreken van iedere informatie omtrent : • de aard en de kleur van enerzijds de voor de garage te gebruiken uitwendige materialen en anderzijds de gebruikte uitwendige materialen van de betreffende half-open bebouwing; • de juiste afstand van de geplande garage tot de perceelsgrens tussen de terreinen 290 f - 294 b (waarbij de te realiseren bouw blijkbaar vertrekt vanaf de perceelsgrens om er zich vervolgens stelselmatig van te verwijderen. Situatie die waarschijnlijk voortvloeit uit het feit dat het terrein 294 b schuin loopt en het volgen van de perceelsgrens zou leiden tot een bebouwde oppervlakte van méér dan 21 m²); X-10.163-6/11 • de doorsnede met de profielen van de bebouwing waar tegenaan gebouwd wordt; • de hoogtepeilen ten opzichte van een referentiepeil op de weg waaraan het goed paalt; het bouwen van een garage van 21 m² aan de perceelsgrens de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang brengt. Besluit : Het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Sint-Lievens-Houtem begaat in haar Besluit d.d. 16.11.00 een onwettigheid (ten aanzien van de motieven) door te oordelen dat de aanvraag van de echtgenoten Eeckhout-Vanderhaegen kan ingepast worden in de plaatselijke ruimtelijke ordening”. 3.2.1.
  24. De verwerende partij repliceert : “
  25. Verweerster moet vooreerst vaststellen dat de verzoekende partij niet aangeeft welke bepalingen van het Decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening door het besluit van verweerster d.d. 16 november 2000 zouden zijn geschonden. Bijgevolg zal enkel moeten nagegaan worden of er sprake kan zijn van een schending van art. 3 van de Wet van 29 juli
  26. Maar zelfs dan tast verweerster nog in het duister waarom de verzoekende partij nu precies de mening is toegedaan dat verweerster een onwettigheid heeft begaan door in haar besluit d.d. 16 november 2000 te stellen dat de geplande garage de ruimtelijke draagkracht niet in het gedrang brengt en welke concrete omstandigheden de verzoekende partij meent te kunnen weerhouden om tot een gebeurlijke onwettigheid te besluiten.
  27. Er moet immers vastgesteld worden dat verweerster in de motivering van haar besluit d.d. 16 november 2000 zich nochtans terdege vergewist heeft van en rekening heeft gehouden met de concrete omstandigheden van de zaak en de door de verzoekende partij geopperde bezwaren. Getuige daarvan onder andere het gegeven dat verweerster in haar besluit d.d. 16 november 2000 oordeelde dat het raam aan de linker zijgevel van de garage (zoals voorzien in de aanvraag van de heer en mevrouw Eeckhoudt - Vanderhaegen) niet mag geplaatst worden en dit rekening houdend met de lichten en zichten, evenals de afwegingen omtrent de inplanting van de garage welke verweerster maakte (in repliek op het voorstel van verzoekende partij om de garage te laten aansluiten op de bestaande bijgebouwen) om vast te stellen dat een bouwdiepte van 20 meter, terecht, als ruimtelijk niet haalbaar dient aangemerkt te worden.
  28. Nu art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de opgelegde motivering in de akte de feitelijke en juridische overwegingen moet vermelden die aan de beslissing te grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn, dient vastgesteld te worden dat zulks in casu het geval is aangezien verweerster in haar overwegingen rekening hield met de aard en de bestemming van het gebied, de omvang en de impact van de geplande garage om terecht te concluderen dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet in het gedrang zou worden gebracht. Verweerster moet derhalve besluiten dat dit aspect van het tweede middel van verzoekende partij onontvankelijk en ongegrond is. X-10.163-7/11
  29. Voor de volledigheid kan nog gewezen worden op het feit dat de verzoekende partij in de toelichting bij haar tweede middel verwijst naar het Decreet d.d. 04.11.97 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag van de bouwvergunning. Er is verweerster geen dergelijk decreet bekend. Vermoedelijk verwijst de verzoekende partij naar het Besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning. Voor de goede orde wenst verweerster op te merken dat zij heeft moeten vaststellen dat de aanvraag van de heer en mevrouw Eeckhout - Vanderhaegen inderdaad een aantal gegevens ontbeerde of afweek van de terzake geldende bepalingen. Niettemin moet benadrukt worden dat de aanvraag over de vereiste gegevens beschikte om verweerster toe te laten een juist oordeel te vormen over de plaatselijke toestand en de stedenbouwkundige gevolgen van het geplande bouwwerk en dat zij haar door de wet toegekende beoordelingsrecht naar behoren heeft kunnen uitoefenen. Er zijn dan ook geen elementen die toelaten aan te nemen dat het ontbreken van bepaalde gegevens verweerster hebben misleid wat de aard en de omvang van de geplande werken betreft, laat staan dat deze leemten verweerster op een dwaalspoor hebben gebracht omtrent de aanleg van de plaats.
  30. 0ok dit aspect van het tweede middel van de verzoekende partij dient als onontvankelijk en ongegrond afgewezen te worden”. 3.2.1.
  31. De verzoeker dupliceert : “
  32. Het verzoekschrift d.d. 19.02.01, zou geen melding maken van de door tegenpartij geschonden bepalingen van het Decreet d.d . 18.05.99 : De verwerende partij vergist zich wanneer ze stelt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring niet preciseert welke bepalingen van het Decreet d.d. 18.05.99 - door het Besluit d.d. 16.11.00 - zijn geschonden. Immers : Het beroep tot nietigverklaring van concluderende meldt duidelijk dat het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Lievens-Houtem de wet schendt door te argumenteren dat de geplande garage de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang brengt. De verplichting voor de Overheid om na te gaan of een geplande bouwwerk verenigbaar is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, stelt het Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening niet expliciet. Voormelde norm volgt evenwel uit de art.
  33. § 2 van het betreffend Decreet (luidens dewelke de gemeente in het tweede deel van haar akte, verslag dient uit te brengen over de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening). De verplichting een aanvraag te toetsen aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening is derhalve een norm die impliciet volgt uit het Decreet. Bijkomend : de vraag of concluderende inzake al dan niet het artikel behoorde aan te wijzen dat door het Besluit d.d. 16.11.00, werd geschonden, is inzake onbelangrijk. Verzoeker argumenteert namelijk subsidiair dat verwerende partij een onwettigheid begaat door te oordelen dat de geplande garage de ruimtelijke draagkracht van de omgeving niet in het gedrang brengt. BESLUIT: X-10.163-8/11 Verwerende partij stelt ten onrechte dat concluderende niet aangeeft welke norm vervat in het Decreet d.d . 18.05.99, door het Besluit d.d. 16.11.00, werd geschonden;
  34. Omtrent de bewering dat het Besluit d.d. 16.11.00, afdoende zou zijn gemotiveerd : Het beroep tot nietigverklaring d.d. 19.02.01, stelt - onder meer - dat de gewraakte bouwaanvraag geen melding bevat van de aard en kleur van de voor de te bouwen garage uitwendige materialen, de juiste afstand van het geplande bouwwerk tot de perceelsgrens tussen de terreinen 290 f / 294 b (waarbij de te realiseren bouw blijkbaar vertrekt vanaf de perceelsgrens om er zich vervolgens stelselmatig van te verwijderen), ... Concluderende constateert dat het Besluit d.d. 16.11.00, niet is gestruikeld over voormelde vaststellingen. Het voorgaande impliceert dat de verwerende partij de aanvrager het recht heeft verleend om een garage uit te voeren in de door laatstgenoemde vrij te kiezen kleuren, materialen, inplanting t.o.v. de perceelsgrens, ... (dit terwijl het betrokken perceel ligt in een woongebied met landelijk karakter). Het voorgaande staaft ontegensprekelijk dat een dergelijke manier van werken strijdt met de regels van behoorlijk bestuur. De goede ruimtelijke ordening impliceert namelijk onmiskenbaar dat de verwerende partij behoorde na te gaan of de door de aanvrager geplande garage qua kleur, materiaal, inplanting, ...de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet in het gedrang brengt. Minstens staat vast dat verwerende partij diende te motiveren waarom betreffende informatie (m.b.t. de kleur, materialen, ...) voor haar niet nodig was om te oordelen over de verenigbaarheid van de geplande garage met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening (daar waar het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 04.11.97, vereist dat een aanvraag dergelijke gegevens kenbaar maakt aan de Overheid). BESLUIT: Het voorgaande bewijst dat tegenpartij - ten onrechte - argumenteert rekening te hebben gehouden met de impact van de geplande garage op de ruimtelijke draagkracht van gebied.
  35. Omtrent de ontbrekende gegevens in de aanvraag van de echtgenoten Eeckhout - Vanderhaegen : Niettegenstaande de verwerende partij erkent dat de aanvraag van het echtpaar Eeckhout - Vanderhaegen enerzijds een aantal gegevens ontbeert en anderzijds afwijkt van de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 04.11.97 (door concluderende in zijn verzoekschrift per vergissing aangeduid als het Decreet d.d. 04.11.97), beweert tegenpartij dat de ontbrekende inlichtingen haar niet hebben misleid wat enerzijds de aard en de omvang van de geplande werken betreft en anderzijds de aanleg van de plaats. Voornoemde stelling is onjuist. Immers : (sic) BESLUIT: Het voorgaande bewijst dat tegenpartij - ten onrechte - argumenteert de ontbrekende inlichtingen haar niet hebben misleid wat enerzijds de aard en de omvang van de geplande werken betreft en anderzijds de aanleg van de plaats”. X-10.163-9/11 3.2.1.
  36. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden : “
  37. (...), moet opgemerkt worden dat - in tegenstelling tot wat wordt aangevoerd - de gegevens met betrekking tot de inplanting van de kwestieuze garage, zoals opgenomen in het administratief dossier, hoewel summier, zonder meer duidelijk zijn. Er kon dan ook niet de minste twijfel bestaan omtrent de inplanting van de garage zodat ook de wettigheid van de motivering inzake de verenigbaarheid van het project (onder meer qua inplanting) met de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang kan komen. Ten overvloede kan terzake opgemerkt worden dat uit het bezwaarschrift van de verzoekende partij naar aanleiding van het openbaar onderzoek blijkt dat ook in haar hoofde geenszins onduidelijkheid bestond omtrent de exacte inplanting van de kwestieuze garage. Eén en ander blijkt ontegensprekelijk uit de aard van de bezwaren en het voorstel van de verzoekende partij om de garage elders op het perceel in te planten. De verwerende partij heeft middels de bestreden beslissing al deze bezwaren weerlegd en hieruit vervolgens afgeleid dat de vergunde inplanting de ruimtelijke draagkracht niet in het gedrang bracht. Ook de motivering met betrekking tot de eventuele schending van de privacy van de omwonenden (in casu de verzoekende partij) is op afdoende wijze geschied. Getuige hiervan de overwegingen betreffende het al dan niet plaatsen van een raam in de linkerzijgevel. Het plaatsen van vermeld raam werd geweigerd precies teneinde te vermijden dat de privacy van de verzoekende partij niet in het gedrang zou gebracht worden. De bestreden beslissing werd derhalve afdoende gemotiveerd zodat ook het tweede middel als onontvankelijk, minstens ongegrond dient afgewezen te worden”. 3.2.
  38. Bespreking 3.2.2.
  39. Het middel mist precisie waar het de formele motiveringsplicht, de materiële motiveringsplicht en de regels betreffende de samenstelling van een bouwdossier door mekaar haspelt. 3.2.2.
  40. Onder punt 1.5 werd hoger de motivering van het bestreden besluit weergegeven. Uit het oogpunt van de formele motiveringsverplichting is dit besluit klaarblijkelijk niet onwettig. Het geeft voldoende duidelijk de motieven aan die eraan ten grondslag liggen. 3.2.2.
  41. Uit de motivering blijkt dat de verwerende partij de aanvraag heeft onderzocht rekening houdend met het gegeven dat de kwestieuze garage gedeeltelijk op of zo goed als op de perceelsgrens wordt gepland. De verschillen in de plannen X-10.163-10/11 wat die inplantingsplaats betreft zijn niet van die aard dat zij tot een verschillende beoordeling van de plaatselijke aanleg leiden. Het middel toont niet aan en er blijkt uit het administratief dossier ook niet dat de overheid niet over de vereiste gegevens beschikte om zich een juist oordeel te vormen over de plaatselijke toestand en de stedenbouwkundige gevolgen van het geplande bouwwerk, of dat zij werd misleid of op een dwaalspoor gebracht, dermate dat ze het haar door de regelgeving toegekende beoordelingsrecht met betrekking tot de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg niet naar behoren zou hebben kunnen uitoefenen. 3.2.2.
  42. Het middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  43. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  44. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.163-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.546 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.