← België

Arrest 186548 - Monumenten en Landschappen - 29/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.548 Rolnummer: A. 156366/X-12086 Zaak: Arrest 186548 - Monumenten en Landschappen - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.548 van 29 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.548 van 29 september 2008 in de zaak A.156.366/X-12.086. In zake : POLDER SINT-TRUDO LEDEKEN, die woonplaats kiest bij advocaat S. BONTE, kantoor houdende te 8550 ZWEVEGEM, Otegemstraat 131 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat POLDER SINT-TRUDO LEDEKEN op 8 oktober 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 augustus 2004 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende weigering van de stedenbouwkundige vergunning voor het uitvoeren van oeverwerken aan de Hoofdsloot, gelegen te Oostkamp, Van Cailliedreef, kadastraal bekend sectie A, (1e blad) en van “het bindend advies van Monumenten en Landschappen dd. 30 januari 2004”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 februari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 februari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; X-12.086-1/21 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BONTE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat C. ROMMELAERE, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur B. SPEYBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Over de gegevens van de zaak 1.1. Op 2 september 1999 wordt door de verzoekende partij een aanvraag om een bouwvergunning voor technische werken ingediend, conform het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning. De aanvraag heeft als voorwerp het uitvoeren van “Natuurvriendelijke oeverwerken aan de Hoofdsloot, waterloop nr. 0.8 - 2/ categorie, aanvoersloot van het pompgemaal Moerbrugge”. 1.2. De aangevraagde werken zijn volgens het gewestplan Brugge-Oostkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Zij zijn niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. De aangevraagde werken situeren zich in het landschap “Meersengebied”, dat ten tijde van het indienen van de aanvraag een voorlopige bescherming genoot als landschap, vastgelegd bij ministerieel besluit van 11 juni 1999. Hangende het onderzoek van de aanvraag wordt het “Meersengebied”, bij ministerieel besluit van 19 november 2001, definitief als landschap beschermd. 1.3. Het college van burgemeester en schepenen van Oostkamp heeft op 20 september 1999 een gunstig advies uitgebracht. X-12.086-2/21 Bij brief van 6 oktober 1999 stelt de Afdeling Land - West-Vlaanderen dat zij geen bezwaren inbrengt tegen de voorgelegde aanvraag. Zij verwijst naar het advies van de Afdeling Natuur - Buitendienst West-Vlaanderen van 30 september 1999 en het advies van de Afdeling Water - West-Vlaanderen van 20 september 1999. De Afdeling Water - West-Vlaanderen meent in haar advies van 20 september 1999 dat “het ontwerp gunstig kan geadviseerd worden”. Het advies van de Afdeling Natuur - Buitendienst West-Vlaanderen van 30 september 1999 luidt oorspronkelijk gedeeltelijk gunstig. Op 7 oktober 1999 wordt door de Afdeling Natuur - Buitendienst West-Vlaanderen het voormeld advies van 30 september 1999 genuanceerd en aangevuld. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium adviseert op 22 september 1999 de aanvraag gunstig onder voorwaarden. 1.4. Op 7 september 1999 wordt door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het advies gevraagd aan de afdeling Monumenten en Landschappen. Op 19 oktober 1999 vindt een overlegvergadering plaats tussen de verzoekende partij, de Technische Dienst Waterlopen van de Provincie West- Vlaanderen en de Cel Monumenten en Landschappen - Afdeling West-Vlaanderen, omdat de Cel Monumenten en Landschappen meer duidelijkheid wenst “over de mogelijke effecten van de gevraagde oeverwerken naar het waterpeilbeheer en de waterhuishouding in het beschermd landschap (voorlopige bescherming d.d. MB 11/06/99) van het Meersengebied”. Naar aanleiding van dit overleg richt het Hoofd van de Technische Dienst Waterlopen, op 28 oktober 1999, aan de Cel Monumenten en Landschappen een schrijven met de volgende inhoud : “Naar aanleiding van ons overleg dd. 19/10/1999 sturen wij u een liggingsplan met aanduiding van het volledige bemalingsgebied van het pompgemaal Moerbrugge en de ontwerpklassering van de Assebroekse Meersen. • Wat het pompgemaal Moerbrugge betreft blijft de bestaande pompcapaciteit behouden. De streefpeilen zijn ingesteld door middel van ultrasone elektroden ter hoogte van de instroom van het pompgemaal. Het streefpeil is momenteel +3.90m. Het is de bedoeling om dit streefpeil te behouden. • Door het verbreden en verdiepen van de aanvoersloot en het behoud van de bestaande pompcapaciteit zullen de pompen minder frekwent aanslaan waardoor voortdurende peilschommelingen in de aanvoersloot worden beperkt. Evenwel zullen de streefpeilen in het ganse gebied dezelfde blijven. X-12.086-3/21 • Bij behoud van de bestaande toestand zullen de oeverafkalvingen systematisch toenemen, wordt de bedding van de waterloop verder opgevuld en ontstaat er een kleinere waterdiepte waardoor de pompen door onvoldoende buffercapaciteit voortdurend zullen aan- en afslaan. In deze situatie zal het noodzakelijk worden het peilverschil tussen aan- en afslaan te vergroten waardoor nog grotere peilschommelingen in de aanvoersloot zullen optreden. • Een breder en dieper beekprofiel biedt ook meer waarborgen voor het maximale zomerpeil in periodes van droogte”. Op 9 november 1999 wordt door het Hoofd van de Technische Dienst Waterlopen aan de Cel Monumenten en Landschappen een schrijven gericht met de volgende inhoud : “Naar aanleiding van uw vraag dd. 8/11/1999 werd de aanvullende nota aangepast aan uw 4 vragen. 1. Wat is de actuele problematiek m.b.t. de structuur en bergingscapaciteit van de Hoofdsloot i.f.v. de afwatering met het huidig peilbeheer van het pompgemaal? Bij behoud van de bestaande toestand zullen de oeverafkalvingen systematisch toenemen, wordt de bedding van de waterloop verder opgevuld en ontstaat er een kleinere waterdiepte waardoor de pompen door onvoldoende buffercapaciteit voortdurend zullen aan- en afslaan. In deze situatie zal het noodzakelijk worden het peilverschil tussen aan- en afslaan te vergroten waardoor nog grotere peilschommelingen in de aanvoersloot zullen optreden. 2. Welke oplossingen biedt het voorgesteld ontwerp van oeverinrichting aan de Hoofdsloot? Door het verbreden en verdiepen van de aanvoersloot en het behoud van de bestaande pompcapaciteit zullen de pompen minder frekwent aanslaan waardoor voortdurende peilschommelingen in de aanvoersloot worden beperkt. Evenwel zullen de streefpeilen in het ganse gebied dezelfde blijven. 3. Wordt het huidig peilbeheer behouden en wat zijn de mogelijke effecten van de voorgestelde verbreding en verdieping van de Hoofdsloot op de afwatering en bijgevolg op de waterhuishouding in het beschermd landschap? Wordt een versnelde afvoer beoogd? Wat het pompgemaal Moerbrugge betreft blijft de bestaande pompcapaciteit behouden. De streefpeilen zijn ingesteld door middel van ultrasone elektroden ter hoogte van de instroom van het pompgemaal. Het streefpeil is momenteel +3.90m. Het is de bedoeling om dit streefpeil te behouden. Door behoud van de bestaande pompcapaciteit is geen versnelde afvoer mogelijk naar het kanaal Gent-Brugge waarvan het streefpeil bijna 2 meter hoger is gelegen (5.70m) 4. Kan de komberging van het voorgesteld ontwerp op de Hoofdsloot fungeren als retentiebekken ter bevloeiing om de inbreng van gebiedsvreemd water (‘vervuild water’ in casu vanuit Kanaal Gent-Brugge) in de zomermaanden uit te schakelen? Een breder en dieper beekprofiel biedt ook meer waarborgen voor het maximale zomerpeil in periodes van droogte waardoor de inbreng van gebiedsvreemd water kan beperkt worden. De bestaande bergingscapacifeit over de aan te passen aanvoersloot (lengte = 370m ) bedraagt 1610m³, de ontworpen bergingscapaciteit bedraagt 4100m³”. X-12.086-4/21 Op 10 november 1999 richt de Cel Monumenten en Landschappen een schrijven aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarin zij besluit tot een “voorlopig ongunstig advies”. Het volgende wordt gesteld : “Aansluitend op mijn schrijven van 25.10.1999, laat ik u bijgaand het antwoord vanwege de Provinciaal Technische Dienst Waterlopen geworden. Hieruit blijkt dat het bestaande pompgemaal op de Hoofdsloot efficiënter zou kunnen werken, dus m.a.w. met een hoger peilrendement, indien de huidige frequente peilschommelingen (max; 0,5m) op de Hoofdsloot verminderd worden. Dit kan alleen door een grotere watermassa aan te bieden vóór het pompgemaal zodanig dat de pomp mindere malen aan- en afslaat (...). Vervolgens stelt men dat het huidige streefpeil van het pompgemaal van 3,90 meter met max. 4,10 meter en min. 3,60 meter behouden blijft en dat bijgevolg geen versnelde afvoer naar het kanaal Brugge-Gent mogelijk is (...). Wat de duur en de frequentie van het handhaven van een minimumpeil 3,60 meter en een maximumpeil 4,10 meter in de loop van een jaar zowel in de bestaande toestand als in de ontworpen toestand betekent en welke percelen hierbij rechtstreeks effecten van ondervinden is tot nog toe niet duidelijk. Nochtans mag verwacht worden dat een breder en dieper beekprofiel van de Hoofdsloot met een 2 1/2 maal grotere bergingscapaciteit (4100 m³) dan de bestaande (1610 m³) de mogelijkheid biedt om beter (meer) af te wateren. Wat de mogelijke effecten zijn op de afwatering en waterhuishouding in het beschermd landschap wordt vooralsnog niet aangetoond. Tevens ontbreekt een vergelijking van de actuele en potentiële natuurwaarden enerzijds van de bestaande toestand en anderzijds van de ontworpen toestand van de Hoofdsloot. Op basis van hogerstelde problemen en onvolledigheden in dit dossier, dringen wij aan op een aanvulling van de aanvraag met de volgende gegevens : C opstellen van een terreinmodel (bij voorkeur in een digitaal bestand t.b.v. toekomstig gebruik) met aanduiding van de hoogteligging van de percelen in het stroomgebied van de Hoofdsloot in het beschermd landschap ; C opstellen van een hydrologisch model op basis van een normaal en piek afvoerregime met voorstelling van een aantal scenario’s bv. bij min.peil 3,60 m en max.peil 4,10 (

  1. m)perceelsgewijze m.b.t. overstroombaarheid,-duur en -frequentie. C berekening van de debieten in huidige en in de ontworpen toestand. In afwachting van de resultaten van dit bijkomend onderzoek teneinde voldoende garanties in te bouwen voor het behoud en het beheer van de intrinsieke waarden van het beschermd landschap, dienen wij te besluiten met een voorlopig ongunstig advies”. Op de overlegvergadering van 14 april 2000, met als doel over het “project milieutechnische werken hoofdsloot (...) de visies van alle partijen te horen en hierover te debatteren”, wijst de verantwoordelijke van de Cel Monumenten en Landschappen erop dat “de verantwoording van het project (...) nog steeds onvoldoende” blijft. Men “dringt aan op een hydrografische studie van het meersengebied om een beter zicht te krijgen op de effecten voor de waterbeheersing t.g.v. de geplande werken”. X-12.086-5/21 Op de voormelde vergadering wordt het volgende overeengekomen : “- de provincie zal in vervanging van een hydrografische studie, een kaart met peilopgaven binnen het meersengebied ter beschikking stellen van de cel Monumenten en Landschappen waarmee de partijen kunnen akkoord gaan; - er komt nadien een nieuw overleg met de polder, de provincie en de adm. M & L om het bouwdossier te bespreken”. Bij schrijven van 27 oktober 2000 worden door de verzoekende partij aan de Cel Monumenten en Landschappen de volgende plannen overgemaakt : “• Plan 4: NGI-kaart met peilopgave binnen het Meersengebied. • Plan 5: Ortho-foto-kaart met peilopgave binnen het Meersengebied. Op deze plannen is het afwateringsbekken van de hoofdsloot aangeduid in een licht gele kleur. De streefpeilen in dit afwateringsbekken zijn in de zomer + 3.90 m en in de winter + 3.70 m. Het is de bedoeling om deze streefpeilen te behouden. Verder is ook de klassering van de Assebroekse Meersen omrand”. In antwoord stelt de Cel Monumenten en Landschappen in een schrijven van 20 november 2000 het volgende : “Het bijgevoegde plan, opgemaakt door de Provincie (Technische Dienst Waterlopen) vermeldt enkel de reeds gekende streefpeilen in het afwateringsgebied van de Hoofdsloot waartoe het beschermd landschap behoort. Dit plan maakt ons niets wijzer en voldoet niet aan de afspraken van de overlegvergadering dd. 14.04.2000. De zogenaamde ‘peilopgaven binnen het meersengebied’, waarvan sprake in het verslag van de vergadering dd. 14.04.2000, heeft betrekking op het niveau van het maaiveld van de percelen in het stroomgebied van de Hoofdsloot, in casu in het beschermd landschap. Teneinde hieraan vlug een oplossing te kunnen bieden, werd de Administratie voor Ondersteunende Studies en Opdrachten (Vlaamse Gemeenschap) geraadpleegd om een topografische opmeting te laten uitvoeren. Wij verwachten in de loop van volgende week hierop reactie”. Ter aanvulling van voormeld schrijven, richt de Cel Monumenten en Landschappen een schrijven aan de verzoekende partij met de volgende inhoud : “In aansluiting op ons schrijven van 20.11.2000 betreffende de topografische opmeting van een aantal percelen in het Meersengebied, laten wij u weten dat deze opdracht werd overgemaakt aan de Administratie van Ondersteunende Studies en Opdrachten van de Vlaamse Gemeenschap. In afwachting van deze concrete gegevens, kan uit het bijkomende overleg en onderzoek van de afdeling Water het volgende worden vooropgesteld. Uit de berekeningen blijkt dat voor de voorziene te herprofileren lengte van de Hoofsloot, zijnde 377 m, rekening houdend dat de ingestelde peilen van het pompgemaal dezelfde zouden blijven, slechts een bijkomende berging van 198 m3 kan worden gerealiseerd. Rekening houdend met de huidige capaciteit van de vijzels van het pompgemaal, zijnde 2 x 35 m3/min.= 70m3/min., zou het interval van aanslaan kunnen vergroot worden met 2,8 min. Dit blijkt dan ook X-12.086-6/21 het enige voordeel te zijn van de bijkomende berging. Dit lijkt ons niet voldoende om het project te verantwoorden. Wij zijn dan ook van oordeel dat voor zover de huidige waterhuishouding in het beschermd landschap niet gewijzigd wordt en voor zover een toegevoegde natuur- en landschapswaarde kan worden gerealiseerd door de voorziene herprofilering van de Hoofdsloot het principe van bijkomende berging in functie van het pompgemaal kan aanvaard worden enkel onder de volgende voorwaarden : 1. er dienen een aantal peilbuizen (afleesbaar) te worden geplaatst in het beschermd landschap ter aflezing van de huidige waterpeilen, namelijk in de loop van dit jaar ; de respectievelijke punten dienen ter plaatse in overleg met Monumenten & Landschappen, Afdeling Natuur en het Instituut voor Natuurbehoud te worden bepaald ; 2. indien tengevolge van de herprofileringswerken aan de Hoofdsloot verlagingen van de waterpeilen worden vastgesteld, in casu op de afleesbare punten van de peilbuizen, dienen het ingestelde zomer-en winterpeil van het pompgemaal op de Hoofdsloot te worden aangepast, zijnde verhoogd. 3. de te realiseren bijkomende komberging op de Hoofdsloot dient eveneens te worden aangewend voor eventuele bevloeiing in de zomerperiode; bevloeiing met gebiedsvreemd water, in casu afkomstig van het kanaal Brugge-Gent dient vermeden te worden. Indien noodzakelijk dient het ingestelde zomerpeil van het pompgemaal te worden verhoogd. 4. de uitvoeringsmodaliteiten van de voorziene herprofileringswerken dienen mits akkoord van hogervermelde voorwaarden in overleg te worden bepaald met Monumenten en Landschappen, Afdeling Natuur en het Instituut voor Natuurbehoud. Mogen wij u vragen ons uw standpunt dienaangaande over te maken en de betrokken partijen uit te nodigen voor overleg en concrete afspraken terplaatse”. Blijkbaar voldoet het kaartmateriaal van de Administratie voor Ondersteunende Studies en Opdrachten niet aan de vereisten en daarom wordt in samenspraak met de Provinciale Technische Dienst van de Waterlopen, de verzoekende partij, het Instituut voor Natuurbehoud en de Cel Monumenten en Landschappen in 2001 “een aantal meetpunten (...) uitgezet op het terrein en cartografisch weergegeven (...) teneinde de nodige wetenschappelijke gegevens inzake waterpeilen te verzamelen voor de inschatting van de effecten op de waarden van het landschap”. Deze meetgegevens worden door de Cel Monumenten en Landschappen op 12 juni 2003 ter interpretatie voorgelegd aan het Instituut voor Natuurbehoud. De Cel Monumenten en Landschappen stelt in haar definitief bindend ongunstig advies van 30 januari 2004 dat uit het advies van het Instituut voor Natuurbehoud van 7 juli 2003 het volgende blijkt : “- De aangereikte gegevens hebben niet de mogelijkheid geboden voor een adequate en totale effectbeoordeling van de betreffende werken aangezien ze enkel oppervlaktewaterpeilen behelzen over een periode van 1 jaar; X-12.086-7/21 - De effecten zijn afhankelijk van de waterbeheersing in combinatie met andere ingrepen; - De invloed van de werken op het grondwater is momenteel niet gekend; de impact van mogelijke grondwaterpeilwijzigingen op de natuurwaarden dient verder onderzocht te worden; - Een modelmatige benadering in functie van waterbeheersing wordt gesuggereerd”. Daarnaast overweegt de Cel Monumenten en Landschappen in haar advies nog : “(...) dat eventuele grondwaterpeilwijzigingen ten gevolge van de werken een impact kunnen hebben op de zeer specifieke bodemgesteldheid en het bodemgebruik, Overwegende hoger vermelde bemerkingen besluiten we dat de effecten op de intrinsieke waarden van het beschermd landschap ten gevolge van de betreffende werken onvoldoende gekend zijn, en dat bijkomend onderzoek aangewezen is in functie van de effectenbeoordeling van de aangevraagde werken”. Op 9 augustus 2004 weigert de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de vergunning. Dit is de bestreden beslissing. 2. Over de ontvankelijkheid De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de volgende exceptie van niet-ontvankelijkheid op : “Verzoekende partij legt bij haar inleidend verzoekschrift geen stukken voor waaruit haar procesbevoegdheid blijkt, zodat haar vordering onontvankelijk is ratione personae”. De verzoekende partij heeft vervolgens de stukken voorgelegd waaruit haar procesbevoegdheid moet blijken. De verwerende partij betwist de procesbevoegdheid in het verder verloop van de rechtspleging niet meer. De exceptie wordt verworpen. 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1.1. De verzoekende partij voert in haar inleidend verzoekschrift een enig middel aan dat als volgt luidt : “Schending van de formele en materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel X-12.086-8/21 Op 30 januari van 2004 brengt Monumenten en Landschappen (hierna afgekort M & L) haar definitief ongunstig advies uit. Dit definitief ongunstig advies wordt voorafgegaan door een voorlopig ongunstig advies dd. 10 november 1999 en door een aantal brieven en door een aantal vergaderingen met de betrokken instanties. Belangrijk is daarbij een brief van 2 maart 2001, uitgaande van M & L. Daarin worden door M & L voorwaarden gesteld om de herprofileringswerken te kunnen aanvaarden (...) : (...) In essentie komt het standpunt van M & L er op neer dat: 1. er moesten peilbuizen worden geplaatst in het beschermd landschap; 2. als door de herprofileringswerken aan de hoofdsloot bleek dat het waterpeil in de buizen daalde, dan moesten de waterpeilen worden aangepast. Er werden peilbuizen gestoken, zoals door M & L gevraagd. Er werden metingen uitgevoerd naar de huidige waterpeilen. Daardoor zou men kunnen vergelijken en eventuele peilaanpassingen aan het pompgemaal laten gebeuren wanneer bleek dat het peil van het water in het beschermd landschap veranderde. Dit kon als voorwaarde worden opgelegd. Ook door de toenmalig voor de landschapsbescherming bevoegde Minister, daarin wellicht geadviseerd door zijn diensten, werd op 8 oktober 2001 een brief geschreven naar verzoeker waarin ondermeer het volgende staat vermeld (...): ‘... Mijn kabinet neemt ook akte van het feit dat de gevraagde en voor jullie bestuur nodige aanpassingswerken (verbreding en natuurtechnisch profiel over een lengte van 300 meter) aan de Hoofdsloot, gelet op de uitgevoerde peilmetingen, binnen afzienbare tijd zullen kunnen vergund worden...’ Desondanks werd uiteindelijk drie jaar later toch negatief advies gegeven door M & L, voornamelijk omdat men geen zicht zou hebben op de invloed op de waterhuishouding van de bijkomende bergingscapaciteit in de hoofdsloot. Door de provinciale dienst bevoegd voor de waterlopen was nochtans reeds gesteld in een brief van 9 november 1999, die aan M & L was overgemaakt, dat er geen versnelde afvoer mogelijk was omdat de pompcapaciteit en het peil dat werd aangehouden aan het pompgemaal, gelijk bleef, zodat er geen invloed kon zijn op de waterhuishouding (...). (...) Het standpunt van de provincie, dienst waterlopen, werd nogmaals verduidelijkt in een brief van 9 november 1999 (...) : (...) Er wordt dus in deze brief door de bevoegde dienst van de provincie duidelijk gesteld dat er geen invloed op de waterhuishouding zal zijn. Het streefpeil in het ganse gebied blijft behouden. Bovendien heeft men de peilbuizen geplaatst. Bij eventuele wijziging in de waterhuishouding, wat eigenlijk onmogelijk is ten gevolge van de herprofileringswerken, zou een aanpassing van het waterpeil waarbij het pompgemaal aanslaat, kunnen gebeuren. Het is niet redelijk te motiveren waarom M & L een negatief advies gaf, voornamelijk er in bestaande dat men na vijf jaar vergaderen en brieven schrijven niet weet wat de invloed op de waterhuishouding zou zijn van de herprofileringswerken, zonder zelfs maar te motiveren waarom men meent dat er mogelijks een invloed zou zijn, rekening houdend met het feit dat het waterpeil gelijk gehouden wordt. Ook de gewraakte beslissing die zich op deze motivering baseert is dus noch formeel noch materieel juist gemotiveerd. Bovendien is het redelijkheidsbeginsel manifest geschonden. X-12.086-9/21 ‘Om niet het redelijkheidsbeginsel te schenden moet de bestreden maatregel het resultaat zijn van een deugdelijke afweging, met zin voor maat en verhouding van alle betrokken belangen. Deze afweging moet in principe blijken uit de formele motivering’ (...) De motiveringen in feite, voornamelijk hierop neerkomende dat men niet weet of men al dan niet zou mogen vergunnen, is manifest onredelijk. Temeer daar men zelf de controlemogelijkheden had ingebouwd om na te gaan of er een invloed op de waterhuishouding zou zijn en ook de instrumenten had om bij een eventuele wijziging van het peil de nodige aanpassingen te verrichten. Nergens in de motivering blijkt waarom of hoe de herprofileringswerken (een) invloed zouden kunnen hebben op het peil van de oppervlaktewateren of het peil van het grondwater. Er kan geen argument worden gevonden waarom de stelling als zou er wel een invloed zijn op de waterhuishouding juist zou zijn. Er wordt geen tegenargumentatie aangebracht op de feitelijke verduidelijkingen die werden gegeven door de bevoegde instanties”. 3.1.2. De verwerende partij repliceert het volgende in haar memorie van antwoord : “(...) 2. De werken waarvoor een bouwaanvraag werd ingediend zijn gesitueerd in het ‘Meersengebied’ te Oostkamp, dat bij Ministerieel Besluit van 11 juni 1999 voorlopig werd beschermd als landschap, en bij Ministerieel Besluit van 19 november 2001 een definitieve bescherming als landschap verkreeg. Op 7 september 1999 wordt door de vergunningverlenende overheid onder meer aan de Afdeling Monumenten en Landschappen een advies gevraagd omtrent de bouwaanvraag. Gezien de werken een belangrijke invloed kunnen hebben op het beschermde landschap, wordt door deze afdeling reeds bij schrijven van 4 oktober 1999 bijkomende informatie gevraagd aan verzoekende partij omtrent de mogelijke effecten van de geplande werken op het waterpeilbeheer en de waterhuishouding in het ‘Meersengebied’. Daarop volgt overleg en een plaatsbezoek met verzoekende partij en met de Provinciale Technische Dienst Waterlopen, die bijkomende informatie verschaft omtrent de werken. Op 10 november 1999 meldt de Afdeling Monumenten en Landschappen aan de vergunningverlenende overheid dat ze voorlopig ongunstig adviseert, gezien ze niet beschikt over de door haar gewenste bijkomende informatie, teneinde garanties in te bouwen voor het behoud en beheer van de intrinsieke waarden van het beschermd landschap. Meer bepaald wenst deze Afdeling dat verzoekende partij haar vergunningsaanvraag aanvult met volgende gegevens : ‘- een terreinmodel (bij voorkeur in een digitaal bestand t.b.v. toekomstig gebruik) met aanduiding van de hoogteligging van de percelen in het stroomgebied van de Hoofdsloot in het beschermd landschap - een hydrologisch model op basis van een normaal en piek afvoerregime met voorstelling van een aantal scenario's bv. bij min.peil 3,60m en max.peil 4,10m perceelsgewijze m.b.t. overstroombaarheid, -duur en - frequentie - berekening van de debieten in huidige en in de ontworpen toestand’ X-12.086-10/21 Gezien dit ongunstig advies, wordt op 14 april 2000 bijkomend overleg gepleegd met alle betrokken partijen. Daarbij wordt door de Afdeling Monumenten en Landschappen opnieuw benadrukt dat het project onvoldoende wordt verantwoord, niettegenstaande bijkomende verklarende nota’s, en wordt nogmaals gevraagd om een hydrografische studie van het Meersengebied op te maken, teneinde de effecten van de geplande werken op de waterbeheersing in dit gebied te kunnen inschatten. Uiteindelijk wordt beslist dat de provincie een kaart met peilopgaven binnen het Meersengebied zal overmaken aan de Afdeling Monumenten en Landschappen, waarna opnieuw overleg zal worden gepleegd. Op 20 november 2000 meldt de Afdeling Monumenten en Landschappen aan verzoekende partij dat de ontvangen bijkomende informatie niet voldoet aan hetgeen was overeengekomen tijdens de overlegvergadering, en dat de Afdeling Monumenten en Landschappen zelf initiatief neemt om de noodzakelijke gegevens te verkrijgen. Vervolgens wordt in samenspraak met alle betrokken partijen bijkomend onderzoek gevoerd, waarbij de nodige wetenschappelijke gegevens inzake waterpeilen worden verzameld, teneinde de effecten van de voorgenomen werken op de waarden van het landschap te kunnen inschatten. Op 12 juni 2003 worden de verzamelde meetgegevens voor advies voorgelegd aan het Instituut voor Natuurbehoud, die op 7 juli 2003 het volgende meldt : ‘De aangereikte gegevens hebben niet de mogelijkheid geboden voor een adequate en totale effectbeoordeling van de betreffende werken aangezien ze enkel oppervlaktewaterpeilen behelzen over een periode van 1 jaar; De effecten zijn afhankelijk van de waterbeheersing in combinatie met andere ingrepen; De invloed van de werken op het grondwater is momenteel niet gekend; de impact van mogelijke grondwaterpeilwijzigingen op de natuurwaarden dient verder onderzocht te worden; Een modelmatige benadering in functie van waterbeheersing wordt gesuggereerd.’ Gezien geciteerd standpunt van het Instituut voor Natuurbehoud, volgt op 30 januari 2004 nogmaals een ongunstig advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen, overeenkomstig artikel 14, §3 van het Decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg. Daarin overweegt de Afdeling Monumenten en Landschappen dat eventuele grondwaterpeilwijzigingen ten gevolge van de werken een impact kunnen hebben op de zéér specifieke bodemgesteldheid en het bodemgebruik van het beschermde landschap, terwijl de effecten op de intrinsieke waarden van het landschap ten gevolge van de aangevraagde werken op heden onvoldoende gekend zijn, zodat bijkomend onderzoek is aangewezen in functie van de effectenbeoordeling van de aangevraagde werken. 3. Het bestreden besluit geeft een duidelijke weergave van alle adviezen, en met name ook van de totstandkoming van het advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen. Met betrekking tot de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening wordt onder meer het volgende gesteld ‘(...) De werken situeren zich echter in een beschermd Meersengebied met een specifieke en waardevolle vegetatie en ook een welbepaalde waterhuishouding die rechtstreeks (
  2. in)verband moet gebracht worden met de bodemgesteldheid en het bodemgebruik ervan. X-12.086-11/21 Overwegend de aanvullende meetstudie van de afdeling Monumenten en Landschappen, en de vele technische besprekingen zonder enig resultaat, dit in samenspraak met het Instituut van Natuurbehoud, de Provinciale Technische Dienst van de Waterlopen, het Polderbestuur Sint-Trudoledeken teneinde de nodige wetenschappelijke gegevens inzake waterpeilen te verzamelen voor de inschatting van de effecten op de waarden van het landschap; overwegend dat de aangereikte gegevens niet de mogelijkheid bieden voor een adequate en totale effectbeoordeling van de betreffende werken aangezien ze enkel oppervlaktewaterpeilen behelzen over een periode van 1 jaar; overwegend dat de effecten afhankelijk zijn van de waterbeheersing in combinatie met andere ingrepen; overwegend dat de invloed van de werken op het grondwater momenteel niet gekend is; overwegend dat de impact van mogelijke grondwaterpeilwijzigingen op de natuurwaarden verder onderzocht dient te worden waarbij een modelmatige benadering in functie van waterbeheersing wordt gesuggereerd; overwegend dat eventuele grondwaterpeilwijzigingen ten gevolge van de werken een impact kunnen hebben op de zéér specifieke bodemgesteldheid en het bodemgebruik; wordt door de Afdeling Monumenten en Landschappen besloten dat de effecten op de intrinsieke waarden van het beschermd landschap ten gevolge van de betreffende werken onvoldoende gekend zijn, en dat bijkomend onderzoek aangewezen is in functie van de effectenbeoordeling van de aangevraagde werken. Bijgevolg besluit de afdeling Monumenten en Landschappen met een bindend ongunstig advies. In het verlengde daarvan besluit de Afdeling Natuur dat hun advies voor de verdieping en verbreding van de Hoofdsloot ongunstig is omdat dit tot een wijziging zal leiden van het waterafvoerregime. Door de versnelde afvoer zal de overstromingsduur in de Assebroekse meersen worden verkort, wat in tegenstrijd is met de ecologie en landschappelijke doelstellingen van het gebied. Gezien zowel de palinggoot als de schuine oevers (voldoen aan de principes van natuurtechnische milieubouw maar) in rechtstreeks verband staan met deze verbredings- en verdiepingswerken zijn deze werken niet uitvoerbaar binnen het huidige project. Overwegend bovenstaande motivering; overwegend de adviezen, eventueel met opgelegde voorwaarden, van zowel de Afdeling Land, de Afdeling Natuur, de Afdeling Water, het Instituut voor Archeologisch Patrimonium als de Afdeling Monumenten en Landschappen; overwegend de bijkomende studie uitgevoerd door de bovenvermelde werkgroep is het project niet aanvaardbaar vooral omwille van het feit dat de effecten op de intrinsieke waarden van het beschermd landschap ten gevolge van de betreffende werken onvoldoende gekend zijn, en dat bijkomend onderzoek aangewezen is.’ 4. Gezien bovenstaande uiteenzetting, blijkt aldus duidelijk dat in het -eerste- bestreden besluit afdoende wordt gemotiveerd waarom de stedenbouwkundige vergunning niet wordt verleend. Het middel van verzoekende partij met betrekking tot de schending van de motiveringsplicht mist aldus feitelijke grondslag. De weigeringsbeslissing wordt bovendien niet alleen gemotiveerd onder verwijzing naar het negatief advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen van 30 januari 2004, dat eveneens uitvoerig is gemotiveerd, doch ook op basis van het negatief advies van de Afdeling X-12.086-12/21 Natuur. In die zin betekent de gebeurlijke onwettigheid van het advies van de Afdeling Monumenten en Landschappen -quod non- niet noodzakelijk dat de weigeringsbeslissing van de vergunningverlenende overheid eveneens onwettig is. Voormelde beslissing is immers ook ingegeven door het negatief advies van de Afdeling Natuur. 5. Het middel van verzoekende partij is volledig gesteund op een technische discussie omtrent de mogelijke effecten van de geplande werken op het waterpeilbeheer en de waterhuishouding in het laaggelegen Meersenlandschap, waarin water uiteraard een essentiële rol vervult. Voormelde discussie heeft evenwel enkel betrekking op de opportuniteit van de gevraagde werken in het beschermd landschap, inachtgenomen de mogelijke negatieve effecten daarvan op dit gebied. Het stond dan ook aan de Afdeling Monumenten en Landschappen, die de intrinsieke waarden van het landschap moet vrijwaren, om te oordelen dat zij over onvoldoende gegevens beschikt om de gevraagde vergunning op heden positief te adviseren. Van belang hierbij is dat deze Afdeling reeds jaren, en met name vanaf oktober 1999, bijkomende informatie vraagt aan verzoekende partij, teneinde met kennis van zaken te kunnen oordelen, doch dat deze informatie op heden nog steeds niet voorhanden is. Verzoekende partij blijft immers ook in haar verzoekschrift nog steeds vasthouden aan haar stelling dat de herprofileringswerken geen enkele invloed zullen hebben op het waterpeil in het beschermd landschap, ondanks dat onder meer de Afdeling Natuur en het Instituut van Natuurbehoud daarvan allesbehalve zijn overtuigd, terwijl laatstgenoemden ongetwijfeld (over) meer deskundigheid ter zake beschikken dan verzoekende partij, die enkel de waterafvoer uit het beschermde gebied wenst te optimaliseren. De gegevens in het kader van het onderzoek naar de mogelijke effecten van de geplande werken op het waterpeilbeheer en de waterhuishouding in de Assebroekse Meersen die wel beschikbaar zijn, werden bovendien grotendeels verzameld op initiatief van de Afdeling Monumenten en Landschappen, terwijl verzoekende partij nooit noemenswaardige inspanningen leverde om wetenschappelijk aan te tonen dat de door haar voorziene werken geen storende invloed zullen hebben op de intrinsieke waarden van het beschermde landschap. Overigens blijkt ook uit het advies van de Afdeling Natuur dat de werken de overstromingsduur in de Assebroekse Meersen zullen verkorten, hetgeen in tegenstrijd is met de ecologische en landschappelijke doelstellingen van het gebied. De bestreden beslissingen schenden aldus geenszins de formele en de materiele motiveringsplicht, gezien daarin uitvoerig wordt omschreven waarom de gevraagde vergunning negatief wordt geadviseerd respectievelijk wordt geweigerd. Dat verzoekende partij zich daarmee niet akkoord kan verklaren, betekent evenmin de schending van het redelijkheidsbeginsel, gezien de adviserende overheden, respectievelijk (...) de vergunningverlenende overheid, op basis van het voorliggende dossier en de aangehaalde motivering konden besluiten dat de werken vooralsnog niet kunnen plaatsvinden in het beschermd landschap, zonder dat eerst voldoende wetenschappelijk is aangetoond dat ze geen schadelijke invloed op dit landschap zullen hebben. Voormelde overheden passen daarbij enkel het voorzorgsbeginsel toe. (6.) Verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat er peilbuizen werden gestoken en metingen werden uitgevoerd naar de huidige waterpeilen, waardoor men zou kunnen vergelijken en eventuele peilaanpassingen aan het pompgemaal laten gebeuren, wanneer zou blijken dat het waterpeil in het beschermd landschap verandert. Eén en ander kon volgens verzoekende partij als voorwaarde worden opgelegd. X-12.086-13/21 Vooreerst weze hieromtrent gesteld dat de plaatsing van de peilbuizen en de metingen naar de huidige waterpeilen in eerste instantie tot doel hadden de mogelijke effecten van de geplande werken op het beschermde landschap te kunnen inschatten, waarbij de opvolging van dit onderzoek dan nog hoofdzakelijk door de Afdeling Monumenten en Landschappen gebeurde. Zoals hierboven uiteengezet, bleek evenwel dat tot op heden bijkomend onderzoek zich opdringt. Wat betreft de stelling van verzoekende partij dat de Afdeling Monumenten en Landschappen, en dienvolgens ook de vergunningverlenende overheid, desgevallend voorwaarden aan het advies, respectievelijk de stedenbouwkundige vergunning, konden verbinden, weze opgemerkt dat dergelijke optie behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de betrokken overheden, waarbij het noch aan verzoekende partij, noch aan Uw Raad toekomt om de keuze van deze overheden in vraag te stellen. Uit alle dossierstukken blijkt bovendien dat het uitvoerig gemotiveerde oordeel van zowel de adviesverlenende instanties, met name de Afdeling Natuur en de Afdeling Monumenten en Landschappen, als van de vergunningverlenende overheid, niet kennelijk onredelijk is, inachtgenomen de wetenschappelijke gegevens die voorhanden zijn, en inachtgenomen de mogelijke implicaties van de werken op de intrinsieke landschapswaarden. Gezien bovenstaande uiteenzetting, is het eerste middel ongegrond”. 3.1.3. De verzoekende partij antwoordt daarop in haar memorie van wederantwoord wat volgt : “Inzake bouwvergunningen heeft de Raad van State meermaals de algemene regel herhaald dat de beslissing de juridische en feitelijke gegevens moet vermelden waarop zij steunt en dat enkel met deze feitelijke gegevens rekening kan worden gehouden. (...) ‘De verplichting tot het vermelden van de juridische overwegingen zal inzake bouwvergunningen niet al te veel problemen stellen. De vermelding van de concrete feitelijke gegevens is in deze materie daarentegen een zeer belangrijke verplichting die terdege in acht moet worden genomen.’ (...) 1. Het ongunstig advies van Monumenten en Landschappen dd. 30/1/2004, zoals geciteerd in de gewraakte beslissing, luidt als volgt : (...) De schending van de motiveringsplicht bestaat er in dat noch de gewraakte beslissing, noch advies van Monumenten en landschappen, antwoorden op de argumentatie van verzoeker en van de bevoegde dienst van de provincie dat er geen invloed kan zijn op de waterhuishouding van het gebied door de werken te vergunnen. In stuk 6 en 7, zijnde de brieven die uitgaan van een ingenieur met tientallen jaren ervaring als hoofd van de technische dienst waterlopen van de provincie wordt heel duidelijk aangegeven dat er geen invloed zal zijn op het grondwaterpeil in het beschermde gebied. De redenen daarom worden ook duidelijk gegeven. (...) Er mag verondersteld worden dat een hoofd van de dienst bij de provincie die de passende studies en een jarenlange ervaring terzake heeft, met kennis van zaken spreekt. Men hoeft zelfs helemaal geen ingenieur te zijn om in te zien X-12.086-14/21 dat, gezien het peil van het water in de hoofdsloot gelijk blijft en de capaciteit van de pompen gelijk blijven, het grondwaterpeil ook gelijk zal blijven. Nergens blijkt uit de gewraakte beslissing of het gewraakte advies op basis van welke wetenschappelijke, zij het zelfs rudimentaire redeneringen, verwerende partij er toe komt te stellen dat de redeneringen van de ingenieur en verzoeker niet kloppen. Bovendien heeft verweerster zelf aangegeven in haar brief van 2 maart 2001 hoe de nodige waarborgen zouden kunnen worden ingebouwd om alle risico's te vermijden (...) wanneer er toch een versnelde afvoer zou zijn of een verlaging van het grondwaterpeil zou zijn. (...) Er kan dan ook niet anders dan besloten worden dat verzoeker na vijf jaar onderhandelen, bespreken en onderzoeken van dit dossier met de adviserende overheden, met een kluitje in het riet werd gestuurd. 2. Het advies van de afdeling natuur is geen bindend advies en dit advies stelt zonder meer, en in tegenstelling tot hetgeen de bevoegde dienst van de provincie zegt, dat er een versnelde afvoer van het water zou zijn. Ook hier worden de argumenten van de bevoegde dienst van de provincie niet weerlegd of wordt er geargumenteerd hoe die versnelde afvoer tot stand zou komen. 3. De beslissing schendt dus manifest de motiveringsplicht die op verwerende partij berust, zowel voor het advies van Monumenten en Landschappen als voor de uiteindelijke beslissing omdat in de beslissing zelf, noch in het advies van monumenten en Landschappen, noch in het advies van de afdeling Natuur, blijkt waarom de redenering van de bevoegde dienst van de provincie dat er geen versnelde afvoer van water zal zijn en dat er ook geen invloed op het grondwaterpeil zal zijn, omdat het aangehouden peil en de pompcapaciteit in de Hoofdsloot gelijk blijft, verkeerd is. Op deze cruciale vraag vindt verzoeker geen antwoord. Het vooropstellen van bijkomend wetenschappelijk onderzoek, na vijf jaar en vele gedane inspanningen door alle partijen, is niet voldoende als motivering tot weigering. Het heeft op zich ook niets te maken met het feit of het hier nu al dan niet over een opportuniteitsbeoordeling gaat. Ab initio moeten de overwegingen van de beslissing en het bindend advies minstens argumenteren : Er van uitgaande dat het peil en de pompcapaciteit aangehouden worden in de hoofdsloot 1. waarom er een kans bestaat dat er invloed zal zijn op het grondwaterpeil 2. waarom er een kans bestaat dat er een versnelde afvoer van water zal zijn in het beschermde gebied 3. waarom dit beweerdelijk risico niet kan worden opgevangen door bijkomende voorwaarden naar het peil van het water toe in de hoofdsloot. Deze cruciale elementen zijn niet terug te vinden in de beslissing. Het voorzorgsbeginsel belet niet dat men duidelijk moet motiveren waarom de kans op schade aan de beschermde landschapswaarden in het beschermd gebied bestaat. Verweerster kan ook niet gevolgd worden waar zij stelt dat het tot haar discretionaire bevoegdheid behoort om te kiezen ofwel de nodige voorwaarden op te leggen die de doelstellingen die zij stelt voor ogen te hebben (
  3. te)vrijwaren ofwel de vergunning te weigeren. Een dergelijke beslissing tot weigering schendt uiteraard het redelijkheidsbeginsel, wanneer het beoogde beschermde belang ook met voorwaarden, die in casu door de afdeling Monumenten en Landschappen reeds waren geformuleerd, kan verwezenlijkt worden”. X-12.086-15/21 3.2.1. Artikel 111, § 5, 3/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.), zoals het toentertijd van toepassing was, bepaalt wat volgt : “§5. Voor de volgende aanvragen worden steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen : (...) 3/ aanvragen met betrekking tot voorlopig of definitief beschermde monumenten of aanvragen gelegen in voorlopig of definitief beschermde stads- en dorpsgezichten of landschappen, zoals bedoeld in de wetgeving tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de wetgeving houdende bescherming van landschappen, worden voor advies voorgelegd aan de administratie, bevoegd voor de monumenten en landschappen”. De voorlaatste en laatste alinea van artikel 111, § 5 D.R.O. luiden als volgt : “Deze adviezen dienen steeds binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesaanvraag verstuurd te zijn naar het college van burgemeester en schepenen. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten worden voorbijgegaan”. De aangevraagde werken situeren zich in het “Meersengebied”, dat op datum van het ontvangstbewijs van de aanvraag een voorlopige bescherming genoot als landschap en dat hangende het onderzoek van de aanvraag definitief als landschap werd beschermd. Uit het voorgaande volgt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar door het ongunstig advies van de Cel Monumenten en Landschappen - Afdeling West-Vlaanderen gebonden was en in dit verband over geen appreciatiebevoegdheid meer beschikte. Een eventuele schending van het redelijkheidsbeginsel kan dan ook slechts worden aangenomen ten aanzien van het bindend ongunstig advies van de Cel Monumenten en Landschappen. 3.2.2. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar steunt zijn beslissing in hoofdorde op het definitief bindend ongunstig advies van de Cel Monumenten en Landschappen, en daarnaast op het, niet bindend, ongunstig advies van de Afdeling Natuur - Buitendienst West-Vlaanderen. Deze beide adviezen worden in de bestreden beslissing weergegeven. De bestreden beslissing steunt verder op de volgende motivering om tot de weigering van de stedenbouwkundige vergunning te besluiten: X-12.086-16/21 “De werken kaderen in een totaalproject welke de beheersing van de waterhuishouding en inzonderheid de overstromingsproblemen in een ruim gebied corrigeren. De aanvraag is tevens conform de geldende bestemmingsvoorschriften gezien het hier gaat om waterbeheersingswerken aan bestaande waterlopen die een wezenlijk deel uitmaken van het polderlandschap zowel landschappelijk als natuurtechnisch. De geplande werken zijn in hoofdzaak infrastructuurwerken die de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang brengen gezien ze zich situeren langs en in bestaande lijninfrastructuren, zijnde waterlopen; gezien de bestaande perceelsstructuren in dit agrarisch gebied niet worden aangetast. Het wachtbekken volgt de bestaande perceelsstructuur waarbij de impact op de omgeving (ook landbouwpercelen) (wordt) beperkt. Ruimtelijk en voornamelijk landschappelijk zijn de werken aanvaardbaar. De werken situeren zich echter in een beschermd Meersengebied met een specifieke en waardevolle vegetatie en ook een welbepaalde waterhuishouding die rechtstreeks (
  4. in)verband moet gebracht worden met de bodemgesteldheid en het bodemgebruik ervan. Overwegende de aanvullende meetstudie van de afdeling Monumenten & Landschappen, en de vele technische besprekingen zonder enig resultaat, dit in samenspraak met het Instituut van natuurbehoud, de Provinciale Technische Dienst van de Waterlopen, het Polderbestuur Sint-Trudoledeken teneinde de nodige wetenschappelijke gegevens inzake waterpeilen te verzamelen voor de inschatting van de effecten op de waarden van het landschap; overwegende dat de aangereikte gegevens niet de mogelijkheid bieden voor een adequate en totale effectbeoordeling van de betreffende werken aangezien ze enkel oppervlaktewaterpeilen behelzen over een periode van 1 jaar; overwegende dat de effecten afhankelijk zijn van de waterbeheersing in combinatie met andere ingrepen; overwegende dat de invloed van de werken op het grondwater momenteel niet gekend is; overwegende dat de impact van mogelijke grondwaterpeilwijzigingen op de natuurwaarden verder onderzocht dient te worden waarbij een modelmatige benadering in functie van waterbeheersing wordt gesuggereerd; overwegende dat eventuele grondwaterpeilwijzigingen ten gevolge van de werken een impact kunnen hebben op de zeer specifieke bodemgesteldheid en het bodemgebruik; wordt door de afdeling Monumenten & Landschappen besloten dat de effecten op de intrinsieke waarden van het beschermd landschap ten gevolge van de betreffende werken onvoldoende gekend zijn, en dat bijkomend onderzoek aangewezen is in functie van de effectenbeoordeling van de aangevraagde werken. Bijgevolg besluit de afdeling Monumenten & Landschappen met een bindend ongunstig advies. In het verlengde daarvan besluit de Afdeling Natuur dat hun advies voor verdieping en verbreding van de Hoofdsloot ongunstig is omdat dit tot een wijziging zal leiden van het waterafvoerregime. Door de versnelde afvoer zal de overstromingsduur in de Assebroekse meersen worden verkort, wat in tegenstrijd is met de ecologische en landschappelijke doelstellingen van het gebied. Gezien zowel de palinggoot als de schuine oevers (voldoen aan de principes van natuurtechnische milieubouw maar) in rechtstreeks verband staan met deze verbredings- en verdiepingswerken zijn deze werken niet uitvoerbaar binnen het huidig project. Overwegende bovenstaande motivering; overwegende de adviezen, eventueel met opgelegde voorwaarden, van zowel de Afdeling Land, de Afdeling Natuur, de Afdeling Water, het Instituut voor Archeologisch Patrimonium als de afdeling Monumenten en landschappen; overwegende de bijkomende studie uitgevoerd door de bovenvermelde werkgroep is het project X-12.086-17/21 niet aanvaardbaar vooral omwille van het feit dat de effecten op de intrinsieke waarden van het beschermd landschap ten gevolge van de betreffende werken onvoldoende gekend zijn, en dat bijkomende onderzoek aangewezen is”. Hieruit blijkt dat de motieven die tot de weigering van de stedenbouwkundige vergunning hebben geleid op afdoende wijze worden geëxpliciteerd in de bestreden beslissing. De formele motiveringsplicht wordt aldus niet geschonden. 3.2.3. Waar de verzoekende partij verwijst naar de brief van 2 maart 2001 van de Cel Monumenten en Landschappen, blijkt dat deze werd geschreven “(I)n aansluiting op” het schrijven van de Cel Monumenten en Landschappen van 20 november 2000. In dit schrijven wordt gesteld dat de door het polderbestuur Sint- Trudo ledeken bij schrijven van 27 oktober 2000 overgemaakte plannen de Cel Monumenten en Landschappen “niets wijzer” maken en dat dit schrijven niet “voldoet (...) aan de afspraken van de overlegvergadering dd. 14.04.2000”. De Cel Monumenten en Landschappen stelt zelf de Administratie voor Ondersteunende Studies en Opdrachten (hierna : AOSO) te hebben geraadpleegd “om een topografische opmeting te laten uitvoeren”. Naast de door de verzoekende partij in haar verzoekschrift geciteerde passage uit de brief van 2 maart 2001, wordt in deze brief nog het volgende gesteld : “In afwachting van deze concrete gegevens, kan uit het bijkomend overleg en onderzoek van de Afdeling Water het volgende worden vooropgesteld. Uit de berekeningen blijkt dat voor de voorziene te herprofileren lengte van de Hoofdsloot, zijnde 377 m, rekening houdend dat de ingestelde peilen van het pompgemaal dezelfde zouden blijven, slechts een bijkomende berging van 198 m3 kan worden gerealiseerd. Rekening houdend met de huidige capaciteit van de vijzels van het pompgemaal, zijnde 2 x 35 m3/min.= 70 m3/min., zou het interval van aanslaan kunnen vergroot worden met 2,8 min. Dit blijkt dan ook het enige voordeel te zijn van de bijkomende berging. Dit lijkt ons niet voldoende om het project te verantwoorden”. Tot slot stelt de Cel Monumenten en Landschappen nog dat “het principe van bijkomende berging in functie van het pompgemaal kan aanvaard worden enkel onder de volgende voorwaarden”, zijnde de voorwaarden waarnaar de verzoekende partij in haar verzoekschrift verwijst, evenwel, “voor zover de huidige waterhuishouding in het beschermd landschap niet gewijzigd wordt en voor zover een toegevoegde natuur- en landschapswaarde kan worden gerealiseerd door de voorziene herprofilering van de Hoofdsloot”. X-12.086-18/21 Gelet op de volledige inhoud van het door de verzoekende partij geciteerde schrijven, kan het door haar in haar inleidend verzoekschrift voorgehouden standpunt ten aanzien van het advies van de Cel Monumenten en Landschappen niet worden bijgetreden. Het gegeven dat de toenmalig voor landschapsbescherming bevoegde Vlaamse Minister heeft geschreven dat de nodige aanpassingswerken, “gelet op de uitgevoerde peilmetingen, binnen afzienbare tijd zullen kunnen vergund worden”, vermag evenmin afbreuk te doen aan de overwegingen van het negatief advies. Uit het in de bestreden beslissing weergegeven “overzicht van het adviesverloop” van de Cel Monumenten en Landschappen blijkt dat deze peilmetingen tot doel hadden “de nodige wetenschappelijke gegevens inzake waterpeilen te verzamelen voor de inschatting van de effecten op de waarden van het landschap”. Deze meetgegevens werden vervolgens door het Instituut voor Natuurbehoud geïnterpreteerd. Zij stelde daarover dat zij niet de mogelijkheid boden “voor een adequate en totale effectbeoordeling van de betreffende werken aangezien ze enkel oppervlaktewaterpeilen behelzen over een periode van 1 jaar”. Deze vaststelling, die door de verzoekende partij op geen enkele concrete manier wordt betwist, wordt door de Cel Monumenten en Landschappen, onder meer, als motief gebruikt in haar definitief bindend negatief advies. Ter ondersteuning van haar betoog, verwijst de verzoekende partij nog naar brieven van 28 oktober 1999 en 9 november 1999 van de Technische Dienst Waterlopen van de Provincie West-Vlaanderen gericht aan de Cel Monumenten en Landschappen. Volgens de verzoekende partij blijkt daaruit dat door de herprofileringswerken “er geen invloed kon zijn op de waterhuishouding” doordat “er geen versnelde afvoer mogelijk was omdat de pompcapaciteit en het peil dat werd aangehouden aan het pompgemaal gelijk bleef”. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de effecten van de herprofileringswerken op het als landschap beschermd “Meersengebied” in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State heeft enkel tot opdracht na te gaan aan de hand van de concrete gegevens van de zaak of de overheid de feiten, waarop haar beoordeling steunt, correct heeft vastgesteld en of zij, op grond van die feiten, heeft kunnen oordelen dat de effecten van de te vergunnen herprofileringswerken op het “Meersengebied” onvoldoende gekend zijn zodat een bijkomend onderzoek noodzakelijk is. X-12.086-19/21 Er dient te worden vastgesteld dat geen van de door de verzoekende partij ontwikkelde argumenten aantonen dat de verwerende partij de feiten niet correct heeft vastgesteld. Het loutere feit dat “de provinciale dienst bevoegd voor de Waterlopen” er een, van het advies van de Afdeling Natuur en van de Cel Monumenten en Landschappen, afwijkende mening op nahoudt, vermag daar niets aan te veranderen. Er dient dan ook te worden besloten dat noch de formele noch de materiële motiveringsplicht, noch het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden. Het argument in de memorie van wederantwoord dat in de bestreden beslissingen niet werd geantwoord op de argumentatie van de verzoekende partij en van de provinciale dienst voor de Waterlopen is een onontvankelijk nieuw middel. Het enig middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-12.086-20/21 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.086-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.548 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.