id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.552 Rolnummer: A. 69897/IX-2131 Zaak: Arrest 186552 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-13 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.552 van 29 september 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.552 van 29 september 2008 in de zaak A. 69.897/IX-
- In zake : Philippe VAN HOUTTE, wonende te LOVENDEGEM, Grote Baan 195 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDEN EYNDE, kantoor houdende te BRUSSEL, Gulden Vlieslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VAN HOUTTE op 16 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 28 mei 1996 waarbij hij met ingang van 1 juni 1996 wordt afgedankt wegens beroepsongeschiktheid als stagedoend adjunct-inspecteur 2de klasse met inacht- neming van een opzeggingstermijn van drie maanden; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 20 januari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2008; IX-2131-1/20 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, en van advocaat B. VAN HYFTE die, loco advocaat J. VANDEN EYNDE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker wordt op 1 oktober 1995 toegelaten tot de proeftijd als adjunct-inspecteur 2de klasse bij het ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. 1.
- De maandelijkse stageverslagen van de maanden oktober en november 1995, die door verzoeker zonder dagtekening voor kennisname zijn ondertekend, vermelden als “globale indruk” : “De stagiair zou beter kunnen”, en als “negatieve vaststellingen” onder meer “gedrag : onvoldoende” en “soms over- moedig”. Voorts wordt vermeld dat er op volgende punten verbetering nodig is : “De houding van betrokkene kan beter. Hij komt geforceerd over, overdreven collegiaal” en “Ook het gedrag van betrokkene dient te veranderen. Zijn ‘druktemake- rij’ isoleert hem in de groep en wekt negatieve verwachtingen op”. 1.
- Op 27 februari 1996 wordt verzoeker door twee eerstaanwezend inspecteurs over een aantal feiten ondervraagd. Het betreft vooreerst het bezit van een alarmpistool waaromtrent op 15 december 1995 door de rijkswacht proces-verbaal werd opgemaakt nadat door een geldtransport van de Post alarm was geslagen, toen verzoeker het pistool toonde aan enkele collega's. IX-2131-2/20 Voorts wordt hij ondervraagd over zijn verklaringen aan de rijkswacht bij een verkeersongeval op 16 december 1995, over het eigenmachtig aanmaken van visitekaartjes met de vermelding van de functie “sociaal controleur”, over het gebruik van een parkeerplaats voor minder-validen gedurende een lessencyclus te Gent en over het feit dat hij zich beroept op zijn functie van sociaal controleur om zich tegenover een treinconducteur te verantwoorden voor het niet aanschaffen van een treinticket aan het loket. 1.
- De maandelijkse stageverslagen van de maanden december 1995 en januari en februari 1996, die door verzoeker zijn ondertekend met vermelding van 4 maart 1996 als datum van kennisname, wijzen op een negatieve “globale indruk”, bevatten volgende “negatieve vaststellingen” : “houding en opvoeding, uiterlijk voorkomen : slecht”, “gedrag : slecht”, “karakter : onaangenaam” en concluderen dat verzoeker “wegens beroepsongeschiktheid (zou) moeten worden afgedankt”. Het verslag van de maand december 1995 verwijst bovendien naar bijgevoegde aanvullende verslagen van het verhoor van verzoeker op 27 februari
- Blijkens die verslagen komen de sociale inspecteurs D.V. en W.D. als gevolg van de confrontatie met verzoeker tot de conclusie dat hij een gebrek aan ernst heeft, een onvolwassen houding, een sensatiezucht die de waardigheid van het ambt schaadt, een misprijzen ten aanzien van politie en rijkswacht en “een ontstellend en misdadig gebrek aan verantwoordelijkheidszin”, dat hij zich verstopt achter drogredenen en “uitvluchten” zoekt, dat hij onbetrouwbaar is, dat hij niet beant- woordt aan de criteria van oprechtheid, beginselvastheid, gezond beoordelingsver- mogen en maturiteit die vereist zijn voor de functie van sociaal controleur en dat de stage moet worden beëindigd om reden van ongeschikt karakter, dubieuze houding en onverantwoordelijk gedrag. Het verslag van de maand februari 1996 verwijst naar een bijgevoegd individueel evaluatierapport. Blijkens dit rapport, dat werd opgesteld naar aanleiding van een evaluatiegesprek met verzoeker op 26 februari 1996, beschikt hij over een misplaatste geldingsdrang en mist hij kordaatheid, karakter- vastheid en verantwoordelijkheidsgevoel. 1.
- Het eindstageverslag dat op 29 maart 1996 door verzoeker voor kennisname wordt ondertekend, besluit met het voorstel om hem af te danken IX-2131-3/20 wegens beroepsongeschiktheid. Blijkens dit verslag en de bijlagen ervan worden aan verzoeker twee nieuwe feiten ten laste gelegd die op het einde van de laatste stagemaand maart hebben plaatsgevonden, met name de inzage van dossiers van een andere dienst zonder aanvraag of toestemming en het op eigen initiatief organiseren van een grote controle-actie met andere diensten zonder inachtneming van de onderrichtingen en het protocol ter zake. 1.
- Op 2 mei 1996 wordt verzoeker gehoord door de departementale stagecommissie. Deze beslist éénparig, op één onthouding na, de afdanking van verzoeker voor te stellen op grond dat “in hoofde van de stagiair een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidszin en zelfdiscipline werd vastgesteld, dat betrokkene een overmoedig en niet-rechtlijnig gedrag vertoont, waarbij hij zich niet conformeert aan de richtlijnen van de hiërarchie, dat hij bijgevolg niet beschikt over de vereiste karakteriële hoedanigheden voor het uitoefenen van het beroep van sociaal controleur”. 1.
- Bij ministerieel besluit van 28 mei 1996 wordt verzoeker wegens beroepsongeschiktheid afgedankt met een opzeggingstermijn van drie maanden met ingang van 1 juni
- Dit is de bestreden beslissing. Over de ontvankelijkheid van het beroep
- De verwerende partij werpt twee excepties van onontvankelijkheid op. De eerste exceptie is afgeleid uit de schending van artikel 2, § 2, A, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: het procedurereglement), doordat het onderhavige beroep een geval betreft zoals bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het verzoekschrift geen enkele aanduiding bevat overeenkomstig voormeld artikel 2, § 2, A. IX-2131-4/20 De tweede exceptie is afgeleid uit de schending van artikel 86 van het procedurereglement, doordat het verzoekschrift geen inventaris van de stukken bevat, waardoor de verwerende partij niet kan nagaan welke stukken verzoeker inroept ter staving van zijn beroep en waardoor de eventueel door hem ter griffie neergelegde stukken bijgevolg uit de debatten geweerd moeten worden.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het volstaat dat uit het verzoekschrift de identiteit blijkt van de partijen en dat het vermelden van de taalrol bijgevolg geen ontvankelijkheidsvoorwaarde is. In het bijzonder wijst hij erop dat in dezen zijn identiteit op voldoende duidelijke wijze is omschreven, dat er geen twijfel mogelijk is inzake de taalrol vermits zijn verzoek- schrift in het Nederlands is opgesteld en dat de verwerende partij dienaangaande geen nadeel heeft ondervonden. De ontstentenis van een inventaris van de stukken bij het verzoekschrift kan volgens verzoeker niet worden beschouwd als een schending van een substantieel vormvoorschrift omdat bij de verwerende partij geen twijfel kan bestaan omtrent de toedracht van het geschil en zij niet kan worden geschaad in haar rechten van verdediging, gezien zij beter op de hoogte dient te zijn van de motieven van de beslissing dan hijzelf. Bovendien merkt hij op dat het verzoekschrift wel degelijk een inventaris van de stukken bevat en dat zelfs het ontbreken van een afschrift van de bestreden beslissing niet tot de nietigheid van een verzoekschrift kan leiden wanneer die beslissing werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
- Luidens het destijds vigerende artikel 2, § 2, A, van het procedurereglement dient het verzoekschrift in het geval bedoeld in artikel 54 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State één van de volgende vermeldingen te bevatten, in de opgegeven volgorde : “1/ het eentalig gebied waarin de ambtenaar zijn ambt uitoefent; 2/ de taalrol waartoe hij behoort; 3/ de taal waarin hij zijn toelatingsexamen heeft afgelegd; 4/ de taal van het diploma of getuigschrift dat hij voor zijn benoeming heeft moeten overleggen”. Het vermelden van één van deze gegevens in het verzoekschrift tot nietigverklaring is geen op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven vormvereiste. Overigens kan uit het administratief dossier worden afgeleid dat verzoeker tot de Nederlandse taalrol behoort. IX-2131-5/20 De eerste exceptie kan niet worden aangenomen.
- Luidens artikel 86, eerste lid, van het procedurereglement moeten de tot de Raad van State gerichte verzoekschriften en memories een inventaris bevatten van de ter staving ingeroepen stukken. In casu heeft verzoeker aan dit voorschrift voldaan, maar werd geen kopie van die inventaris met een afschrift van het verzoekschrift naar de verwerende partij verstuurd. Het niet toezenden van een kopie van de inventaris is evenwel geen substantiële vormvereiste. De verwerende partij kon de Raad van State verzoeken om een kopie van de inventaris mee te delen. Bijgevolg is er geen reden om de stukken die gevoegd werden bij het verzoekschrift uit de debatten te weren. De tweede exceptie mist feitelijke grondslag. Over de gegrondheid van het beroep
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 28quinquies van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (hierna: het statuut), doordat de maandelijkse stageverslagen laattijdig en een aantal ervan gelijktijdig werden opgesteld, ondertekend door de vormingsdirecteur en aan verzoeker voor kennisname voorgelegd. Verzoeker verwijst in het bijzonder naar de maandverslagen van december 1995 en van januari, februari en maart 1996, die hij pas op 4 maart 1996 voor kennisname heeft ondertekend en die volledig in negatieve zin zijn opgesteld teneinde het naar aanleiding van het verhoor van 27 februari 1996 door de verwerende partij ingenomen standpunt kracht bij te zetten. Hij stelt dat de verwerende partij hem door die handelwijze geen eerlijke kans op een vaste benoeming heeft geboden, aangezien hij niet maandelijks in kennis is gesteld van de wijze waarop hij werd beoordeeld en bijgevolg niet in de mogelijkheid is gesteld om in de loop van de stage zijn gedrag en werkwijze aan te passen aan haar verwachtingen en dat zij op die wijze zijn belangen heeft geschaad, nu voormeld artikel 28quinquies in het statuut is opgenomen precies ter bescherming van de belangen van de stagiair. Hij voegt hieraan toe slechts negatieve verslagen te hebben gekregen nadat hem een aantal feiten werden verweten, waarvan er één plaatsvond buiten de diensturen en IX-2131-6/20 de andere het gevolg waren van een toevallige samenloop van omstandigheden die hem niet ten laste kunnen worden gelegd.
- De verwerende partij antwoordt dat uit de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995 geenszins blijkt dat deze laattijdig zouden zijn opgesteld, vermits verzoeker heeft nagelaten de datum van kennisname ervan te vermelden in de daarvoor voorziene ruimte en vermits de data van het opstellen van het verslag, van het ondertekenen ervan voor kennisname door verzoeker en van het ondertekenen ervan door de vormingsdirecteur niet noodzakelijk samenvallen. De kennisgeving aan verzoeker op 4 maart 1996 van het stageverslag van de maand december 1995 schrijft de verwerende partij toe aan het ernstig onderzoek dat zij heeft gevoerd naar aanleiding van een aantal zwaarwichtige feiten die plaatsvonden in december 1995 en die het voorwerp hebben uitgemaakt van een proces-verbaal waarvan haar pas op 23 januari en 8 februari 1996 afschrift werd verleend door de procureur des Konings en naar aanleiding waarvan verzoeker de mogelijkheid werd geboden om zijn standpunt te verduidelijken tijdens het verhoor van 27 februari
- Bovendien wijst zij op de verslagen van de maanden februari en maart 1996, die niet laattijdig door verzoeker voor kennisname zijn ondertekend, respectievelijk op 4 en 29 maart
- Zij benadrukt dat het statuut geen enkele termijn bepaalt waarbinnen de maandelijkse verslagen en het eindverslag dienen te worden opgesteld en dat overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State de verplichting vervat in voormeld artikel 28quinquies om maandelijks een stagevers- lag op te stellen niet impliceert dat die verslagen ook strikt iedere maand aan de stagiair moeten worden voorgelegd, maar dat het volstaat dat deze hem regelmatig worden voorgelegd en dat hem de mogelijkheid wordt geboden zijn opmerkingen te formuleren. De verwerende partij is bovendien van oordeel dat verzoeker geen enkel belang heeft bij het inroepen van dit middel, aangezien de vertraging bij het opstellen van het verslag van december 1995, te wijten aan haar bezorgdheid om dit verslag met de grootste zorgvuldigheid op te stellen en aan te vullen met bijlagen, gebeurde in het belang van verzoeker zelf en enkel tot gevolg had dat hij nog enkele maanden langer in dienst kon blijven dan noodzakelijk was voor de dienst, vermits de feiten die hadden plaatsgevonden in december 1995 en waarvan zij op dat ogenblik al kennis had op zich reeds de afdanking van verzoeker wegens beroeps- ongeschiktheid rechtvaardigden. IX-2131-7/20 De verwerende partij betwist de stelling van verzoeker dat de stageverslagen enkel in negatieve zin zijn opgesteld teneinde het standpunt ingenomen naar aanleiding van het verhoor van 27 februari 1996 kracht bij te zetten, aangezien dit verhoor, dat voor het eerst kon plaatsvinden nadat door de procureur des Konings afschrift werd verleend van de processen-verbaal in kwestie, slechts betrekking had op feiten vastgesteld in december 1995 die van belang waren voor het opstellen van het verslag van die maand, aangezien in de verslagen van de maanden oktober en november 1995 reeds een negatieve beoordeling van verzoeker tot uiting kwam en aangezien uit de bijlagen van het eindstageverslag van maart 1996 andere feiten blijken die een negatieve beoordeling van verzoeker wettigen, met name het ongevraagd inzage nemen van dossiers op een andere dienst, het organiseren van een controle-actie in strijd met de onderrichtingen en het vroegtijdig verlaten van de dienst.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende partij geenszins het middel weerlegt, maar integendeel toegeeft dat de stageverslagen hem niet maandelijks zijn voorgelegd. De ontstentenis van de datum waarop hij de verslagen van oktober en november 1995 heeft ondertekend, kan volgens hem ook in zijn voordeel worden uitgelegd, vermits er geen bewijs voorhanden is van een tijdige voorlegging van die verslagen en vermits het tot de taak van de verwerende partij behoort om hem, een leek inzake administratieve aangelegenheden, erop te wijzen dat die datum moet worden vermeld. Voorts betoogt hij dat het verslag van de maand december 1995 reeds opgesteld en ondertekend was, maar opnieuw is opgesteld na de kennisname door de dienst in de loop van januari 1996 van de hem ten laste gelegde feiten en na het verhoor van 27 februari 1996, dat de navolgende verslagen inhoudelijk gelijkaardig zijn en geen rekening houden met de weekverslagen, met zijn positieve inzet en met de positieve opmerkingen van zijn begeleiders, en dat hij het verslag van de maand februari 1996, waaruit blijkt dat dit door hem voor kennisname is ondertekend op 4 maart 1996, pas op 29 maart 1996 heeft ondertekend, maar dat hem is gevraagd dit verslag te antidateren. Waar volgens de verwerende partij de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat de verplichting om maandelijks een stageverslag op te stellen geenszins inhoudt dat die verslagen stipt om de maand aan de stagiair moeten worden voorgelegd, maar het volstaat dat deze regelmatig worden meegedeeld en de betrokkene zijn opmerkingen dienaangaande kan doen kennen, stelt verzoeker dat in casu geen sprake kan zijn van zulke regelmatige mededeling, gelet op de maanden vertraging, en dat hem evenmin de mogelijkheid werd geboden om zijn IX-2131-8/20 opmerkingen te doen kennen. Wat zijn controle-actie betreft die zou zijn gevoerd in strijd met de onderrichtingen, voert hij aan dat dit geen protocolactie was die door meerdere inspectiediensten tegelijk moest worden behandeld, vermits de omvang van het onderzoek te gering was en protocolacties uitdrukkelijk door de oversten als dusdanig moeten worden aangemerkt, dat de wet op de arbeidsinspectie van 16 november 1972 hem de toelating verleent om alle onderzoekshandelingen in het kader van die controleactie te verrichten en om de inspectiedienst van de BTW in kennis te stellen van de actie en dat bovendien zijn directe overste van de actie op de hoogte was.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de stageverslagen van de maanden december 1995 en januari en februari 1996 positieve vermeldingen bevatten en hem voorgelegd waren voor kennisname, maar dat zij nadien zijn vernietigd, volledig in negatieve zin opnieuw zijn opgesteld en hem dienvolgens zijn voorgelegd op 29 maart 1996, met het verzoek ze te antidateren op 4 maart 1996, waardoor hij in de waan is gelaten dat zijn stage goed verliep. Hij wijst erop dat deze verslagen duidelijk samen zijn opgesteld gezien de data van hun ondertekening door het hoofdbestuur en door de vormingsdirecteur en dat de opmerkingen uit het verslag van december 1995 bijna letterlijk zijn overgenomen in de verslagen van januari en februari 1996 teneinde voldoende negatieve beoordelingen te hebben om hem te kunnen afdanken. Hij beweert op het einde van zijn stage eind maart 1996 nog steeds geen vermoeden te hebben gehad van een mogelijke afdanking, vermits hij telkenmale “niet akkoord” noteerde op de verslagen en zich tegen de tenlasteleg- gingen probeerde te verdedigen met brieven via hiërarchische weg, vermits hij pas op 10 juni 1996 de drie verslagen terug in handen kreeg en tot de vaststelling kwam dat na de ondertekening ervan aan het verslag van december 1995 met een schrijfmachine toevoegingen waren gedaan waarvan hem nooit is gevraagd deze te ondertekenen, vermits zijn individuele evaluatierapport, gevoegd bij het verslag van de maand februari 1996, de indruk wekte dat hem een verlenging van de stage zou worden toegekend door letterlijk te melden dat “vanaf heden (...) met de mogelijk- heid rekening gehouden (moet) worden dat de zes maanden stage onvoldoende zijn om te beslissen dat de stagiair zijn taak naar behoren zal kunnen uitoefenen”, vermits hem in maart 1996 verantwoordelijkheid is bijgegeven in de zin dat hij toen ook op zelfstandige wijze controles mocht uitvoeren en vermits in februari 1996 zijn hiërarchische chef hem nog had meegedeeld dat hij een perfectionist was, goede resultaten behaalde en nog steeds vorderingen maakte. IX-2131-9/20
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij op tegenstrij- digheden in de stelling van verzoeker, aangezien hij in zijn verzoekschrift vermeldt dat hij op 4 maart 1996 de verslagen van de maanden december 1995 en januari en februari 1996 heeft ondertekend, in zijn memorie van wederantwoord vermeldt dat hij het verslag van de maand februari 1996 pas heeft ondertekend op 29 maart 1996 en heeft geantidateerd op 4 maart 1996 en in zijn laatste memorie vermeldt dat hij de verslagen van de maanden december 1995 en januari en februari 1996 pas op 29 maart 1996 heeft ondertekend en heeft geantidateerd op 4 maart
- Zij wijst ook op de rubriek “J.” in het verslag van de maand december 1995, waarin verzoeker meldt niet akkoord te gaan met het verslag en aankondigt ten laatste op 19 maart 1996 per post bijkomende uitleg te zullen overmaken, en op diezelfde rubriek in de verslagen van de maanden januari en februari 1996, waaronder hij verwijst naar die opmerking. Zij beschouwt het als vanzelfsprekend dat verzoeker geenszins bijkomende opmerkingen zou hebben aangekondigd vóór 19 maart 1996, indien hij de verslagen pas zou hebben ondertekend op 29 maart
- Wat de kennisname door verzoeker van de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995 betreft, mag worden aangenomen dat deze heeft plaatsgevonden uiterlijk op 8 februari 1996, zijnde de datum waarop beide verslagen zijn ondertekend door de vormingsdirecteur, vermits uit de andere stageverslagen blijkt dat de vormingsdirecteur deze steeds als laatste ondertekent. Wat de kennisname door verzoeker van het stageverslag van de maand december 1995 betreft, kan met de verwerende partij worden aangenomen dat deze wel degelijk heeft plaatsgevonden op 4 maart 1996 en niet op 29 maart 1996, vermits verzoeker in dat verslag onder de rubriek “J. Eventuele opmerkingen van de stagiair” verklaart er niet mee akkoord te gaan en aankondigt ten laatste op dinsdag 19 maart 1996 bijkomende uitleg per post over te maken. Wat de aanvullende verslagen inzake het verhoor van 27 februari 1996 betreft die bij dat verslag gevoegd zijn, lijkt verzoeker te stellen dat hij hiervan pas kennis nam naar aanleiding van zijn vaststelling op 10 juni 1996 dat na de ondertekening van het verslag van de maand december 1995 de vermelding van de bijlagen ervan met een schrijfmachine is toegevoegd. In de rubriek “G. Verantwoording van de globale indruk” van het verslag van de maand december 1995 wordt echter reeds verwezen naar een “aanvullend verslag in bijlage”. Ook het blijkbaar naderhand bij het verslag van de maand december 1995 gevoegde verweer van 19 maart 1996 van verzoeker, gericht aan de hoofdinspecteur-directeur, verwijst naar de nota van eerstaanwezend IX-2131-10/20 inspecteur W.D. “gevoegd bij het stagerapport van december 1995”. Bijgevolg mag worden aangenomen dat op 4 maart 1996, samen met het stageverslag van de maand december 1995, minstens ook het aanvullend verslag van eerstaanwezend inspecteur W.D. inzake het verhoor van 27 februari 1996 aan verzoeker ter kennisname is voorgelegd.
- Artikel 28quinquies van het statuut, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “Maandelijks en ook op het einde van de stage maakt de vormingsdirecteur een verslag van de stage op overeenkomstig de modellen vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheid het openbaar ambt behoort. Ieder verslag wordt ter kennis gebracht van de stagiair, die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt, en in zijn persoonlijk dossier opgenomen.”
- De verplichting om periodiek en regelmatig een stageverslag op te maken, strekt ertoe de betrokkene in te lichten over zijn eventueel tekortkomen, derwijze dat hij alsnog zijn wijze van dienen kan verbeteren vooraleer definitief over zijn vaste benoeming dan wel over zijn afdanking moet worden beslist. Derhalve heeft verzoeker, wanneer blijkt dat hij daadwerkelijk kennis had van zijn tekortkomingen en van het feit dat die tekortkomingen een rol konden spelen bij de beoordeling van zijn prestaties op het einde van zijn stage, er geen belang bij het niet-regelmatig redigeren van een verslag aan te voeren. Omgekeerd kan zijn belang slechts worden aanvaard wanneer blijkt dat het redigeren van een maandelijks verslag hem beter had ingelicht over de zienswijze van de verwerende partij ten aanzien van de evolutie van zijn presteren. In casu is verzoeker uiterlijk op 8 februari 1996 in kennis gesteld van de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995 en dus van de zienswijze van de verwerende partij dat zijn gedrag als “onvoldoende” wordt beschouwd en onder meer als overmoedig en “druktemake- rij” wordt aangemerkt. Ondanks deze verwittiging wordt verzoeker naar aanleiding van zijn verhoor op 27 februari 1996, zoals blijkt uit de verslagen ter zake, niet zozeer om reden van de feiten daterend van december 1995 die er worden besproken, maar eerder als gevolg van zijn houding die hij tijdens dit verhoor aanneemt en die typerend is voor zijn algemene ingesteldheid, onder meer omschreven als dubieus, sensatiezuchtig, zoekend naar “uitvluchten” en verre van coöperatief en wordt vastgesteld dat hij niet voldoet aan de vereisten van oprecht- heid, beginselvastheid, gezond oordeelsvermogen en maturiteit gesteld aan de functie van sociaal controleur, en wordt zelfs gesteld dat hij over “een ontstellend IX-2131-11/20 en misdadig gebrek aan verantwoordelijkheidszin” beschikt en eerder de indruk geeft van een “arran-geur” dan van een controleur. Vervolgens wordt verzoeker op 4 maart 1996 in kennis gesteld van het stageverslag van de maand december 1995 en van het verslag van eerstaanwezend inspecteur W.D. inzake het verhoor van 27 februari
- Op die wijze neemt verzoeker kennis van de zienswijze van de verwerende partij dat zijn houding, opvoeding, uiterlijk voorkomen en gedrag als “slecht” worden beoordeeld en zijn karakter als “onaangenaam”, dat hij verre van coöperatief is, dat hij eerder als een “arrangeur” wordt aanzien, dat hij niet voldoet aan de vereisten van oprechtheid, beginselvastheid, gezond oordeelsvermogen en maturiteit en dat hij wegens beroepsongeschiktheid zou moeten worden afgedankt. Ondanks deze niet mis te verstane signalen, blijkt uit het eindstageverslag en de bijlagen ervan dat aan verzoeker nieuwe feiten worden ten laste gelegd die hebben plaatsgevonden einde maart en begin april 1996, met name de inzage van dossiers van een andere dienst zonder aanvraag of toestemming, het op eigen initiatief organiseren van een grote controle-actie met andere diensten zonder inachtneming van de onderrichtingen en het protocol ter zake, slordig dossierbeheer en het vroegtijdig verlaten van de dienst. In die omstandigheden wordt niet ingezien dat een stipt maandelijks verslag hem beter had kunnen voorlichten.
- Verzoeker stelt dat hem niet de mogelijkheid is geboden om naar aanleiding van de stageverslagen zijn opmerkingen te formuleren. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat elk stageverslag een rubriek “J. Eventuele opmerkingen van de stagiair” bevat en verzoeker in geen enkel verslag heeft nagelaten om onder deze rubriek een notitie aan te brengen. Hieruit blijkt reeds voldoende dat verzoeker in de mogelijkheid is gesteld om zijn opmerkingen aan elk verslag toe te voegen.
- Het middel kan niet aangenomen worden.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de rechten van verdediging, doordat hij zijn verweer voor de stagecommissie niet op degelijke wijze heeft kunnen voorbereiden en hem dus niet de mogelijkheid is geboden om nuttig voor zijn belangen op te komen, vermits hij niet over een redelijke termijn beschikte om dat verweer voor te bereiden en aangezien de aard van de voorgenomen maatregel noch de motieven ervan hem waren medegedeeld. Verzoeker verduidelijkt dat hij op 11 april 1996 een uitnodiging heeft ontvangen om te verschijnen voor de stagecommissie op 17 april 1996 en hij bijgevolg het IX-2131-12/20 dossier, waarvan hij nog geen enkel stuk had ontvangen, onmogelijk tijdig kon inzien gelet op het weekend van 13 en 14 april, dat hij op 24 april 1996 opnieuw is uitgenodigd om te verschijnen voor de stagecommissie, nu op 2 mei 1996, als gevolg van de ongeldige samenstelling van die commissie op 17 april 1996, dat hem pas op 11 juni 1996, na zijn mondeling verzoek aan de personeelsdienst, een afschrift van het dossier is overgemaakt, dat bovendien onvolledig was, omdat het verslag van de praktische proeven en van de psycho-technische proef ontbrak, en dat hij bijgevolg niet op de hoogte was van de concrete bedoeling van zijn verschijning voor de stagecommissie.
- De verwerende partij antwoordt dat er op het ogenblik van de zitting van de stagecommissie op 2 mei 1996 nagenoeg twee maanden waren verstreken sedert de kennisname door verzoeker op 4 maart 1996 van de stagevers- lagen van de maanden december 1995, januari en februari 1996 en van de bijlagen ervan, dat in die verslagen, alsook in het eindstageverslag dat hij voor kennisname heeft ondertekend op 29 maart 1996, duidelijk melding wordt gemaakt, enerzijds van de aard van de voorgenomen maatregel, met name de afdanking wegens beroepsongeschiktheid, en anderzijds, in een voetnoot, van het feit dat het dossier in elk geval aan de bevoegde stagecommissie moest worden voorgelegd, dat hem tijdens zijn verhoor op 27 februari 1996 verduidelijkt is dat dit verhoor in aanmerking zou worden genomen bij de evaluatie van zijn stage, dat hij in de daartoe voorziene ruimte op de verslagen zijn opmerkingen ter zake heeft geformuleerd en dat hij bijgevolg bezwaarlijk kan volhouden niet tijdig op de hoogte te zijn geweest van de aard van de voorgenomen maatregel, van de motieven ervan en van de bedoeling van zijn verschijning voor de stagecommissie teneinde zijn verweer voor te bereiden voor de zitting van die commissie. Voorts betoogt de verwerende partij dat verzoeker ter zitting van de stagecommissie werd bijgestaan door zijn raadsman en dat volgens de rechtspraak van de Raad van State geen enkele bepaling de verplichting oplegt om het definitieve en gemotiveerde voorstel van de stagecommissie, voorafgaand aan de beslissing van de administratieve overheid, voor te leggen aan de stagiair, zodat in die zin verzoekers rechten van verdediging evenmin zijn geschonden.
- In zijn memorie van wederantwoord ontkent verzoeker dat hij sedert zijn verhoor op 27 februari 1996 op de hoogte was van zijn nakende afdanking en verwijst hij naar zijn individueel evaluatierapport dat bij het stageverslag van de maand februari 1996 is gevoegd waarin sprake is van een IX-2131-13/20 verlenging van de stage. Hij is van oordeel dat zijn recht van verdediging wel degelijk is geschonden, om volgende redenen: de verslagen van de maanden december 1995 tot februari 1996 zijn hem pas op 4 maart 1996 voorgelegd en hij moest onmiddellijk op alle verslagen zijn opmerkingen formuleren; op 4 maart 1996 was hij nog overtuigd van zijn gelijk en hoopte hij op een rechtzetting door het hoofdbestuur; slechts vanaf het ogenblik van zijn oproeping om te verschijnen voor de stagecommissie kon hij kennis nemen van “alle middelen van de dienst, zodat hij op het ogenblik van de zitting nog niet alle documenten” in zijn bezit had; de weekrapporten van de begeleiders heeft hij pas verkregen na de zitting van de stagecommissie; een kopie van de verslagen van de maanden december 1995 tot maart 1996 werd pas verkregen op 10 juni
- Voorts betoogt hij dat de zitting van de stagecommissie op 17 april 1996 wel degelijk heeft plaatsgevonden, zij het met een ongeldige samenstelling, dat tussen die zitting en deze van 2 mei 1996 zijn overste hem reeds had meegedeeld dat de commissie altijd het advies van de dienst volgt en de beslissing zou worden gehandhaafd en dat de aanwezigheid van zijn raadsman ter zitting geen afbreuk doet aan het feit dat de verdediging niet in het bezit was van alle documenten.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat hij niet op de hoogte was van de bedoeling van zijn verschijning voor de stagecommissie en dus niet op nuttige wijze kon opkomen voor zijn belangen, aangezien de stageverslagen van de maanden december 1995 tot februari 1996 melding maken van een mogelijke afdanking “of” verlenging van de stage en hem bij gelegenheid eerder op een verlenging werd gewezen, gelet op het feit dat die verslagen slechts op een latere datum opnieuw zijn opgesteld en gezien hem in maart 1996 nog werd toegestaan om zelfstandig controles uit te voeren. Hij stelt dat reeds op de zitting van 17 april 1996 de stagecommissie haar definitieve beslissing heeft genomen, niettegenstaande zij ongeldig zetelde.
- De beslissing om een stagedoend personeelslid op het einde van zijn proeftijd wegens beroepsongeschiktheid te ontslaan, kan slechts worden genomen nadat de betrokkene vooraf de gelegenheid heeft gehad op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Dit impliceert dat zowel de aard van de overwogen maatregel als de motieven ervan vooraf aan de betrokkene worden medegedeeld en dat de betrokkene over een redelijke termijn moet beschikken om zijn verweer degelijk te kunnen voorbereiden. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat verzoeker op 4 maart 1996 kennis heeft genomen van de overwogen maatregel om IX-2131-14/20 hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid en van de motieven ervan. Ook de stageverslagen van de maanden januari en februari 1996 en het eindstageverslag, die uiterlijk op 29 maart 1996 aan verzoeker zijn voorgelegd, vermelden het voornemen om hem af te danken wegens beroepsongeschiktheid en de motivering ervan. Verzoeker kan bijgevolg bezwaarlijk volhouden dat hij voorafgaand aan de zitting van de stagecommissie geen kennis had van de aard van de overwogen maatregel en van de motieven ervan of dat hij niet op de hoogte was van de concrete bedoeling van zijn verschijning voor de stagecommissie. Verzoeker stelt op 11 april 1996 zijn uitnodiging om te verschijnen voor de stagecommissie te hebben ontvangen. Afgezien van de zitting van 17 april 1996, heeft blijkens het administratief dossier de stagecommissie verzoeker en zijn raadsman gehoord op 2 mei
- Op geen enkele wijze blijkt dat met het door verzoeker of zijn raadsman op de zitting van 2 mei 1996 gevoerde verweer geen rekening zou zijn gehouden. Aldus beschikte verzoeker over een redelijke termijn om zijn verweer voor te bereiden. Bovendien blijkt uit geen enkel gegeven dat verzoeker of zijn raadsman vóór hun verschijning voor de stagecommissie op 2 mei 1996 tevergeefs zouden hebben gevraagd om inzage te krijgen van het dossier. Het middel mist feitelijke grondslag.
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing niet steunt op een redelijke feitenvinding, aangezien hem door een toevallige samenloop van omstandigheden een aantal feiten ten laste zijn gelegd op grond waarvan hij is afgedankt. Hij verduidelijkt dat op het ogenblik dat nog geen stageverslagen waren opgesteld en hem nog geen tekortkomingen waren verweten, hij op 27 februari 1996 door twee eerstaanwezend inspecteurs is verhoord inzake een proces-verbaal van een verkeersongeval met zijn auto waarbij hijzelf niet de bestuurder was en waarbij hij ter plaatse en nog in shock een verklaring had afgelegd en inzake het bezit van een alarmpistool dat na een ongelukkige samenloop van omstandigheden eveneens is vastgesteld bij proces-verbaal, zaak die evenwel geseponeerd is, en dat door zijn verhoorders toen gesuggereerd is dat deze feiten aanleiding zouden geven tot een verlenging van de stage en eventueel tot een afdanking wegens beroepongeschikt- heid. IX-2131-15/20
- De verwerende partij antwoordt dat op 27 februari 1996 de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995 reeds waren opgesteld en voor kennisname ondertekend door verzoeker en dat hem bijgevolg op die datum wel degelijk reeds tekortkomingen werden verweten. Voorts wijst zij erop dat het verhoor van 27 februari 1996 plaatsvond teneinde verzoeker de mogelijkheid te bieden inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de feiten daterend van december 1995 die bij proces-verbaal waren vastgesteld en stelt zij dat zowel de bij het stageverslag van de maand december 1995 gevoegde aanvullende verslagen van de eerstaanwezend inspecteurs inzake dat verhoor, als de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995, de bij het verslag van de maand februari 1996 gevoegde evaluatie van 26 februari 1996 en de twee bijlagen van het eindstage- verslag aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij op 27 februari 1996 nog niet op de hoogte was van de hem verweten tekortkomingen en van zijn concrete situatie, vermits, wat de stageverslagen van de maanden oktober en november 1995 betreft, hij deze heeft ondertekend zonder vermelding van de datum van kennisname, waardoor de verwerende partij geenszins kan aantonen op welke datum die verslagen werden opgesteld, de vormingsdirecteur slechts op 8 februari 1996 kennis heeft genomen van die verslagen, wat wijst op een zeer laattijdige redactie, en in die verslagen geconcludeerd wordt dat “de stage mag worden voortgezet”, wat geen negatieve conclusie is, en vermits de stageverslagen van de maanden december 1995 tot februari 1996 hem pas zijn voorgelegd op 4 maart
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de negatieve stagever- slagen een aanvang hebben genomen met het verslag van de maand december 1995 en dat zijn verhoor op 27 februari 1996 bijgevolg wel degelijk moet worden beschouwd als de vertrekbasis van de negatieve beoordelingen. Hij wijst erop onvolledige verklaringen te hebben afgelegd tijdens dat verhoor, als gevolg van de zware druk die door de verhoorders op hem werd uitgeoefend op een ogenblik dat hij nog niet volledig was hersteld van een zware griep en nog steeds koorts had, en als gevolg van het feit dat hij zich, zonder enige kennis van de hem verweten tekortkomingen, onvoorbereid naar het verhoor had begeven. Zijn karakteriële omschrijving door zijn verhoorders is volgens hem louter een aanvulling van de feiten teneinde het dossier lastens hem te verzwaren met het oog op zijn afdanking. Voorts bespreekt hij op omstandige wijze de feiten die volgens hem ten grondslag IX-2131-16/20 liggen aan de bestreden beslissing, met name zijn wantrouwen ten aanzien van de politie en de rijkswacht, zijn verkeersongeval in staat van dronkenschap, het ongeoorloofd aanmaken van visitekaartjes met dienstvermeldingen, het nemen van de trein zonder vervoersbewijs, het gedurende een ganse maand fout parkeren naar aanleiding van een lessencyclus te Gent, het wederrechtelijk bezit van een alarmpistool en het op eigen initiatief organiseren van een grote controle-actie met andere diensten in strijd met de onderrichtingen en met het protocol. De verzoeker komt tot de conclusie dat alle tenlasteleggingen ongegrond zijn en dat enkel het wederrechtelijk bezit van een alarmpistool van enig nut is voor de evaluatie van zijn stage en een eventuele sanctie kan wettigen, zoals een blaam, zodat de hem opgelegde straf geenszins in verhouding staat tot dit feit.
- Het bestuur beschikt bij de beoordeling van de prestaties van de stagiairs over een ruime appreciatiebevoegdheid en het komt de Raad van State niet toe zich dienaangaande in de plaats van het bestuur te stellen. De Raad kan slechts een marginale controle uitoefenen, hetgeen betekent dat alleen een kennelijk onredelijke beslissing, dit wil zeggen een beslissing die buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten, als onwettig kan worden aangemerkt.
- Verzoeker laat uitschijnen dat de negatieve beoordeling van zijn stage uitsluitend te wijten is aan een aantal hem ten laste gelegde feiten naar aanleiding waarvan hij, op één feit na, verhoord is op 27 februari 1996, maar die hij meent te kunnen ontkrachten. Nochtans blijkt zowel uit de maandelijkse stageversla- gen als uit het eindstageverslag dat de stage van verzoeker in zijn geheel ongunstig werd beoordeeld, eerder om reden van zijn houding en karakteriële ongeschiktheid dan op grond van bedoelde feiten. Het eindstageverslag geeft hiervan volgend overzicht : “Oktober 1995 : Reeds na de 1e stagemaand bleek dat de stagiair beter zou kunnen. Hij werkte wel goed mee, had een goed begrip van de dienst, maar was soms overmoedig. November 1995 : In de 2e stagemaand werd Ph. Van Houtte hoofdzakelijk begeleid door W.D.S., adjunct-inspecteur. Uit afgenomen testen bleek een onvoldoende voor administratieve kennis, werkzaamheid en prestatie. De overmoedigheid bleef een constante. December 1995 : Zijn administratieve en technische kennis evolueert naar gewoon. Dit was ook zo voor het begrip van de dienst, werkzaamheid, prestatie, orde, methode en nauwgezetheid. IX-2131-17/20 Wel is er een slechte beoordeling voor houding, opvoeding en karakter. De sociaal inspecteurs namen kennis van d.d. pro-justitia nr. 45.44.105075 d.d. 15.12.1995 nopens verdachte handelingen en wederrechtelijk dragen van verweerwapens en de pro-justitia nr. 8545.201527-95 d.d. 16.12.1995 nopens een verkeersongeval met lichtgekwetsten. Betrokkene werd gehoord omtrent bepaalde verklaringen afgelegd aan de Rijkswacht ondermeer omtrent het in het bezit (zijn) van een alarmpistool. Tevens werd hij in kennis gesteld van andere administratieve onwettigheden zoals het gebruik van visitekaartjes met de titel sociaal controleur. Uit de confrontatie bleek duidelijk één zaak, nl. het gebrek aan ernst, de onvolwassen houding, het zoeken naar uitvluchten en het misprijzen ten overstaan van Politie en Rijkswacht. Januari 1996 : Zijn kennis en begrip van de dienst blijft gewoon. Er is geen beterschap in houding, opvoeding en karakter. De stagiair laat een negatieve indruk na. Februari 1996 : Uit een individuele evaluatie op het Hoofdbestuur bleek een vrij oppervlakkige theoretische kennis. Er bleek verder een misplaatste geldingsdrang en onvoldoende kordaatheid. Maart 1996 : Ook in de laatste stagemaand komen weer ongunstige elementen aan het licht zoals inzage nemen in dossiers van een andere dienst zonder toestemming en het op eigen initiatief organiseren van een grote controle actie met andere diensten, die terug wijzen op een karakteriële ongeschiktheid voor de functie. Zijn globale kennis van de dienst blijft gewoon. Er zijn evenwel genoeg negatieve elementen aan het licht gekomen opdat de stagiair wegens beroepsongeschiktheid zou moeten worden afgedankt.” In het licht van die globale beoordeling kan de beslissing om verzoeker wegens beroepsongeschiktheid af te danken niet als kennelijk onredelijk of als onzorgvuldig worden aangemerkt.
- Het middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-2131-18/20 IX-2131-19/20 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 29 september 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2131-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.552 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.