id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.558 Rolnummer: A. 188028/X-13756 Zaak: Arrest 186558 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.558 van 29 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.558 van 29 september 2008 in de zaak A. 188.028/X-13.
- In zake : Hubert della FAILLE de LEVERGHEM, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaat I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Hubert della FAILLE de LEVERGHEM op 29 april 2008 heeft ingediend en waarin hij de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van 11 februari 2008 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. AQUAFIN voor het aanleggen van “een collector + PS + PL Sint-Brixius-Rode” op een perceel gelegen te Kapelle-op-den-Bos en Meise, Meiselaan, Potaardestraat, Broekstraat, Prinsendreef, Vroonwegel, Molenstraat, Birrebeekstraat en Bosbeekstraat, kadastraal bekend sectie C, nrs. 116/s, 116/t, 119/l, 119/m, 120/a, 120/b, 120/b2, 120/c, 121/c, 135/a, 138/d, 140/d, 141/c, 154/a, 157/a, 160, 161/e, 173/a en 185/d, en sectie D, nrs. 184, 185, 188/a, 189, 190/b, 191, 192, 193/a, 194/d, 206/a, 206/b, 211/e en andere; Gezien de nota van de verwerende partij; X-13.756-1/12 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST, die loco advocaten P. FLAMEY en P.-J. VERVOORT verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. PHLIPS, die loco advocaat I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging Met een verzoekschrift van 26 mei 2008 heeft de n.v. AQUAFIN gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
- De feiten 2.
- Op 14 juni 2007 dient de tussenkomende partij bij de diensten van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een aanvraag in voor een stedenbouwkundige vergunning tot het aanleggen van een afvalwatercollector met pompstation en persleiding van Kapelle-op-den-Bos over Nieuwenrode tot in Sint-Brixius-Rode. Het tracé, dat ongeveer 6,6 km lang is, doorkruist volgens de bestemmingskaart van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vooral agrarisch X-13.756-2/12 gebied, en voorts ook woongebied met landelijk karakter en een klein stukje bosgebied. Op het grondgebied van de gemeente Kapelle-op-den-Bos loopt een deel van het geplande tracé langs de Birrebeekstraat over de achterzijde van de eigendom van de verzoeker. 2.
- Er wordt over de aanvraag een openbaar onderzoek georganiseerd middels aanplakking. Er worden bezwaarschriften ingediend door Natuurpunt Meise en door Monica Olbrechts (dit laatste in verband met een perceel langs de Potaardestraat in Meise). Het college van burgemeester en schepenen van Meise verwerpt in vergadering van 24 september 2007 deze bezwaren, en verleent een gunstig advies over de aanvraag. Ook het college van burgemeester en schepenen van Kapelle-op-den-Bos had op 27 augustus 2007 reeds gunstig geadviseerd. 2.
- Op 25 juli 2007 bericht het agentschap Natuur en Bos aan de tussenkomende partij dat het ontwerp aanleiding geeft tot een aantal opmerkingen. In dit schrijven wordt gewag gemaakt van een bespreking die de administratie met de tussenkomende partij zou hebben gevoerd, en van de noodzaak om een deel van het tracé ter hoogte van de Broekstraat te verleggen teneinde een bos- en VEN-gebied te ontzien. Tevens formuleert het agentschap opmerkingen over het voorziene traject ter hoogte van de Birrebeekstraat en de eigendom van de verzoekende partij, waar een ontbossing nodig is waarvoor geen compensatie is voorzien. Als “alternatieve oplossing” stelt het agentschap hier voor “het traject deels te verleggen in het wegprofiel van de Birrebeekstraat gezien er geen doorgaand verkeer komt”. 2.
- Hierop volgend maakt de tussenkomende partij gewijzigde plannen op om het tracé van de collector ter hoogte van de Broekstraat te verleggen. Tevens wordt door de tussenkomende partij een formulier ingevuld voor de uit te voeren ontbossing ter hoogte van de eigendom van de verzoeker, waarbij geopteerd wordt voor de betaling van een bosbehoudsbijdrage. Op 26 november 2007 verleent Natuur en Bos een gunstig advies over deze maatregelen en over de aldus aangevulde en aangepaste aanvraag. X-13.756-3/12 2.
- Op 11 februari 2008 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde vergunning.
- Grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Ernstig middel 4.
- Standpunten van de partijen 4.1.
- Het tweede middel is genomen van de “schending van artikel 20 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de ge- westplannen (inrichtingsbesluit), (...) van artikel 145sexies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (DRO), (...) van artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, (...) van de materiële motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur en uit de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag Doordat, met het bestreden besluit de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de aanleg van een collector door Aquafin dewelke door verschillende bestemmingsgebieden loopt (agrarische gebied, woongebied, woongebied met landelijk karakter en bosgebied) en dewelke strikt genomen niet in overeenstemming is met de planologische voorschriften van het agrarisch gebied en bosgebied; Dat de geplande collector ter hoogte van het eigendom van verzoekende partij volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. 7 maart 1977) zou komen te liggen in agrarisch gebied; Dat in het bestreden besluit wordt erkend dat de voorziene collector strikt genomen niet bestaanbaar is met de planologische bestemming agrarisch gebied maar dat er toepassing gemaakt kan worden van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit en artikel 145sexies DRO; Dat de volgende ‘catch all’ - motivering wordt gegeven voor het gedeelte van de collector in het agrarische gebied en bosgebied: ‘Evenwel kan van het gewestplan worden afgeweken volgens artikel 20 van het KB van 28 december
- In dat artikel wordt het volgende bepaald: ‘Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daartoe speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met X-13.756-4/12 de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied.’ Omdat de werken grotendeels ondergronds gelegen zijn, omdat zij deels het bestaande stratenpatroon volgen omdat zij de bestaande lijninfrastructuur (beek) volgen, zijn zij zowel verenigbaar met de zowel de algemene bestemming als met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Daarom kan hier toepassing gemaakt worden van het genomen in artikel
- Bovendien kan van het gewestplan ook worden afgeweken volgens de bepalingen van artikel 145sexies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. (...) De werken hebben een relatief beperkte ruimtelijke impact omdat zij grotendeels ondergrond gelegen zijn. Bovengronds hebben de werken als gevolg dat de bestaande straten een nieuw wegdek krijgen, waardoor deze straten ontegensprekelijk zullen verfraaien.’. Terwijl, de vergunningverlenende overheid, wanneer zij toepassing maakt van artikel 20 Inrichtingsbesluit, in concreto moet onderzoeken of de voorziene bouwwerken verenigbaar zijn met het architectonisch karakter van het betrokken gebied; Dat uit het bestreden besluit minstens uit het administratief dossier moet kunnen worden afgeleid waarom de voorziene werken verenigbaar zijn met het architectonisch karakter van het gebied; Dat de verwerende partij in het besluit overweegt dat de aanvraag verenigbaar is met zowel de algemene bestemming van het gebied als het architectonisch karakter van het betrokken gebied omdat: - de werken grotendeels ondergronds gelegen zijn, - zij deels het bestaande stratenpatroon volgen of de bestaande lijninfrastructuur (beek) volgen; Dat voornoemde ‘catch all’ - motivering futiel en nietszeggend is; dat hieruit niet kan worden opgemaakt waarom de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de aanvraag ter hoogte van de eigendom van verzoekende partij verenigbaar is met het architectonisch karakter van het gebied; Dat zoals hoger gesteld voor de aanleg van de pijpleiding de bestaande bosstrook in de tuin van verzoekende partij langsheen de Birrebeekstraat zal gerooid moeten worden en dat er gelet op de erfdienstbaarheidszone geen nieuwe aanplantingen met hoogstammige bomen mogelijk is; Dat het architectonisch karakter van de omgeving van de eigendom van verzoekende partij bepaald wordt door het beboste gedeelte (rand) van de percelen 87B en 87D; dat door het rooien van deze beboste rand (en door het verbieden van heraanplanten) het architectonisch karakter van de omgeving aanzienlijk zal wijzigen; Dat de overweging dat de werken grotendeels ondergrond zijn noch de overweging dat de ondergrondse werken grotendeels het stratenbeeld volgt, afbreuk doet aan het feit dat de werken ter hoogte van de eigendom van verzoekende partij een aanzienlijke wijziging van het architectonisch karakter met zich zal brengen; Dat de vergunning in toepassing van artikel 145sexies DRO slechts kan worden afgeleverd voorzover de voorziene werken door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen; dat de vergunningverlenende overheid in concreto moet onderzoeken of de werken slechts een beperkte impact hebben; dat uit het bestreden besluit (minstens uit het administratief dossier) moet blijken dat zulke beoordeling heeft plaatsgevonden; Dat de opgegeven motivering (de werken hebben een relatief beperkte ruimtelijke impact omdat zij grotendeels ondergronds gelegen zijn) futiel en nietszeggend is; dat hiermee wordt voorbijgegaan aan het feit dat er voor de X-13.756-5/12 aanleg van de ondergrondse leidingen ter hoogte van de eigendom van verzoekende partij een bos gerooid moet worden en dat er ingevolge de daaruit voortvloeiende erfdienstbaarheidszone een verbod bestaat om opnieuw hoogstammige bomen aan te planten; dat de voorziene werken dus wel degelijk een aanzienlijke ruimtelijke impact hebben; dat de opgegeven motivering niet afdoende is en het bestreden besluit niet kan dragen; Dat daarenboven artikel 145sexies DRO oneigenlijk wordt toegepast; dat de aanleg van een collector door Aquafin bezwaarlijk kan beschouwd worden als een werkzaamheid die ‘gericht is op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden’ in de zin van dat artikel; Dat artikel 145sexies DRO werd ingevoegd bij artikel 4 van het decreet van 22 april 2005; dat in §1 van voornoemd artikel een oplossing werd uitgewerkt voor werkzaamheden die gericht zijn op het verhogen van landschappelijke waarden en natuurwaarden maar die, naar de letter bekeken, niet conform zijn aan het toepasselijke gewestplanvoorschrift; dat in de parlementaire voorbereiding de volgende voorbeelden worden gegeven (...): - het aanleggen van een houtkant in agrarisch gebied; - het graven van een amfibiepoel in agrarisch gebied; - het bouwen van een veldkapelletje in parkgebied; - het aanleggen van een ecologische infrastructuur in industriegebied; - het aanleggen van een rietveldje met het oog op individuele waterzuivering bij een zonevreemde woning in agrarisch gebied; - het opnieuw openleggen van een gedempte meanderende beek in agrarisch gebied; Dat het aanleggen van een collector door Aquafin waarvoor de bestaande karakteristieke bosrand zal verdwijnen, bezwaarlijk kan worden beschouwd als een werk gericht op de instandhouding, ontwikkeling en herstel van het natuurlijk milieu en van landschapswaarden; dat integendeel afbreuk wordt gedaan aan het natuurlijk milieu en de landschapswaarden door het rooien van een bos; dat het bestreden besluit dus een oneigenlijke toepassing heeft gemaakt van artikel 145sexies DRO en dat artikel heeft geschonden; Dat de voorziene werken - en vooral de daarmee gepaard gaande ontbossing en het verbod om opnieuw hoogstammige bomen aan te planten in de erfdienstbaarheidszone - dus wel degelijk afbreuk doen aan het architectonisch karakter van betreffende gebied en een belangrijke ruimtelijke impact hebben; Dat de opgegeven motieven het bestreden besluit niet kunnen dragen zodat de materiële motiveringsplicht is geschonden en het besluit genomen werd met ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; Dat uit de futiele en nietszeggende motivering van het bestreden besluit niet blijkt dat dit afdoende onderzocht is, zodat de formele motiveringsplicht is geschonden; Zodat, het bestreden besluit, door de vergunning af te leveren zonder dat verwerende partij zich concreet rekenschap heeft gegeven van de ruimtelijke impact van de werken in de omgeving van de eigendom van verzoekende partij, minstens zonder dat dit uitdrukkelijk blijkt uit de motivering van de vergunning, de in het middel opgesomde bepalingen en beginselen werden geschonden”. 4.1.
- De verwerende partij repliceert in de nota onder andere dat het gebied dat door de aan te leggen collector zal worden doorkruist “vergeven is van constructies die worden gebruikt voor bewoning, zodat de noodzaak bestaat tot aanleg van de collector”, dat het van zeer groot belang is dat de constructies X-13.756-6/12 ondergronds aangelegd worden, dat de problematiek van de ontbossing op het terrein van de verzoeker in acht werd genomen, dat artikel 145sexies van het DRO steun kan bieden voor de vergunning, dat niet het volledige bos wordt gerooid en dat het door de verzoeker geopperde alternatieve tracé onmogelijk is gelet op “de aard van het gebied (aanwezigheid van een woning net voor het perceel met kadasternummer 84a) en de bestrating met de daaraan verbonden technische moeilijkheden”. 4.1.
- De tussenkomende partij voegt daar nog aan toe dat de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen in het bestreden besluit gemotiveerd wordt door het grotendeels ondergrondse karakter van de constructies, het feit dat zoveel mogelijk de loop van bestaande lijninfrastructuren gevolgd wordt en dat het gedeeltelijke rooien van het bos het karakter en de bestemming van het gebied niet zal schaden. 4.
- Beoordeling 4.2.
- Wanneer de stedenbouwkundige overheid beslist gebruik te maken van de afwijkingsbepaling van artikel 20 van het voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972, om in strijd met de bindende gewestplanbestemming een vergunning te verlenen, kan dit enkel op voorwaarde dat de aangevraagde werken verenigbaar zijn met de “algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied”. Bij het beoordelen van de aanvraag moet nagegaan worden of aan deze voorwaarden is voldaan en de resultaten van dit onderzoek moeten, in het licht van de vereisten van de Formele motiveringswet van 29 juli 1991, bovendien terug te vinden zijn in de tekst van het uiteindelijke besluit over de aanvraag. Als uitzondering op de regel van de bindende kracht van de aanlegplannen, moet artikel 20 van het voormeld koninklijk besluit van 28 december 1972 in beperkende zin worden uitgelegd. In casu dient te worden vastgesteld dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de toetsing aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 enkel motiveert door te stellen dat “de werken grotendeels ondergronds gelegen zijn” en “zij deels het bestaande stratenpatroon (...) (en) de bestaande lijninfrastructuur (beek) volgen”. X-13.756-7/12 Uit geen enkel stuk in het administratief dossier lijkt te kunnen worden afgeleid dat de ambtenaar desbetreffende nader, concreet onderzoek zou hebben gedaan. Eén en ander klemt des te meer, nu uit hetzelfde administratief dossier wél blijkt dat het agentschap Natuur en Bos in een brief van 25 juli 2007 opmerkingen maakte over het voorziene tracé van de collector ter hoogte van de Birrebeekstraat en de eigendom van de verzoeker, met de vaststelling dat aldaar een ontbossing gepland was zonder enige compensatie. Als “alternatieve oplossing” stelt het agentschap in dit schrijven voor “het traject deels te verleggen in het wegprofiel van de Birrebeekstraat gezien er geen doorgaand verkeer komt”. Onder punt 2.4 hierboven werd reeds vermeld dat de initiatiefnemer er zonder meer voor geopteerd heeft om het tracé op die plaats ongewijzigd te laten, en als compensatie voor de ontbossing een bosbehoudsbijdrage te betalen. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar diende zich er op dat ogenblik bewust van te zijn dat het tracé van de collector ter hoogte van de Birrebeekstraat en de eigendom van de verzoeker geen onbetwist of onbetwistbaar gegeven was. In het licht van deze gegevens komt het voor dat het door de tussenkomende partij uitgetekende tracé van de collector langs de Birrebeekstraat niet zonder meer vergund kon worden onder de enkele motivering dat “de werken grotendeels ondergronds gelegen zijn” en “zij deels het bestaande stratenpatroon (...) (en) de bestaande lijninfrastructuur (beek) volgen”. De desbetreffende motivering lijkt dan ook niet afdoende te zijn. 4.2.
- Uiteraard kan de bijkomende motivering die met name de tussenkomende partij in dit verband in haar verzoekschrift tot tussenkomst in de voorliggende procedure verstrekt, aan dit gebrek niet verhelpen. 4.2.
- Ook de in het bestreden besluit gegeven bijkomende motivering met verwijzing naar de mogelijkheden die artikel 145sexies van het DRO zou bieden, kan hier bezwaarlijk soelaas bieden. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar doet in dit verband immers niets meer dan het betreffende decreetsartikel in zijn beslissing citeren, eraan toevoegend dat de werken tot gevolg zullen hebben dat de straten een nieuw wegdek zullen krijgen en derhalve “ontegensprekelijk zullen verfraaien”. Zelfs al betrekt men hierbij nog de onder het kopje van de “watertoets” in de vergunningsbeslissing voorkomende uitspraak van de ambtenaar, dat de werken ertoe strekken de kwaliteit van de oppervlaktewateren te verbeteren, X-13.756-8/12 dan nog kan niet aangenomen worden dat daardoor aangetoond is dat de aanvraag de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zal bevorderen, in de zin van het betreffende artikel 145sexies, § 1 van het decreet. Meer bepaald ontbreekt in dit verband elke bewuste en uitgedrukte afweging in verband met de ontbossing die de vergunde werken noodzaken langs de Birrebeekstraat. Het middel is in de aangegeven mate dan ook ernstig.
- Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.
- Standpunten van de partijen 5.1.
- In het verzoekschrift houdt de verzoeker desbetreffende het volgende betoog : “
- Verzoekende partij lijdt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (MTHEN) ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Zoals gezegd impliceert de aanleg van de aftakking van de collector langsheen de Birrebeekstraat op zijn eigendom (perceel 87D en 87D) dat het aanwezige bos aan de zuidelijke rand van de tuin van verzoekende partij langs de Birrebeekstraat over een 15 meter brede strook moet worden gerooid. Deze 15 meter brede strook wordt als werfzone gebruikt voor de aanleg van de rioolbuis. Na de werken dient een 5 meter brede zone voor erfdienstbaarheid van ondergrondse infrastructuur te worden gerespecteerd, hetgeen neerkomt op een verbod om op deze plaats (opnieuw) hoogstammige bomen - met diepe wortels - te planten.
- Het kappen van deze hoogstammige bomen (o.a. eiken) betekent in de eerste plaats een ecologisch nadeel: - vermindering van bosareaal; - verlies bijhorende fauna en fora; - wijziging van beeldbepalend element in het landschap en klein landschapselement.
- Daarenboven brengt de ontbossing voor verzoekende partij een ernstige vermindering van uitzicht met zich en wordt hierdoor afbreuk gedaan aan de beleving van de tuin van verzoekende partij. De tuin met hoogstammige bomen (o.a. eik) is bepalend voor het uitzicht en het karakter van de eigendom. Vanuit de woonkamer en de keuken heeft verzoekende partij direct zich op de te rooien bomen (...).
- Daarenboven zal door de voorziene ontbossing - en door het verbod om opnieuw bomen her aan te planten - vanaf de Birrebeekstraat rechtstreeks zicht ontstaan op de achtergevel van de woning, het terras en de volledige tuin. Zodoende brengt de ontbossing een ernstige vermindering van de privacy van verzoekende partij met zich.
- Het spreekt voor zich dat de ontbossing op de eigendom van verzoekende partij en het verbod om opnieuw hoogstammige bomen aan te X-13.756-9/12 planten, het eigendom van verzoekende partij in ernstige mate belast en een belangrijke minwaarde van zijn eigendom betekent.
- Volgens de vaststaande rechtspraak van Uw Raad dient het nadeel dat een verzoekende partij lijdt in globo worden bekeken. Welnu, in casu moet vastgesteld worden dat de gecumuleerde nadelen dewelke door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit worden veroorzaakt (ecologisch nadeel, vermindering uitzicht en belevingswaarde tuin, vermindering privacy door inkijk vanuit Birrebeekstraat, minwaarde eigendom) als ernstig moeten worden beschouwd.
- Het ernstige nadeel is daarenboven moeilijk te herstellen. Mocht de minwaarde voor de eigendom van verzoekende partij als financieel nadeel - theoretisch gezien - al herstelbaar zijn, kan alleszins niet hetzelfde gezegd worden van het ecologisch nadeel, van de vermindering aan uitzicht en belevingswaarde van de tuin en van de ernstige aantasting van de privacy. Zoals gezegd impliceert de zone voor erfdienstbaarheid van ondergrondse infrastructuur immers dat er in de praktijk geen hoogstammige bomen (met diepe wortels) meer kunnen worden aangeplant. De schade veroorzaakt door ontbossing is dus definitief aangezien er niet meer opnieuw kan worden aangeplant. Nog afgezien van het de facto bouwverbod door de erfdienstbaarheidszone van ondergrondse infrastructuur, zou het hoe dan ook tientallen jaren duren eer er opnieuw een gelijkaardig bos kan worden ontwikkeld. Het ernstige nadeel is dus moeilijk te herstellen”. 5.1.
- De verwerende partij repliceert in de nota dat de ontbossing in het aangepaste compensatievoorstel werd gereduceerd zodat bijna 2/3 van de bosstrook behouden blijft, dat er geen naburige woningen zijn van waaruit inkijk mogelijk is, dat het rooien van de bomen conform is met de planologische agrarische bestem- ming van de percelen, dat het eventuele nadeel in hoofde van de verzoeker niet opweegt tegen het nadeel dat erin zou bestaan dat er helemaal geen afvalwater- collector komt, en dat het nadeel weersproken wordt door het feit dat het verzoekschrift tot schorsing pas op de laatste nuttige dag van de beroepstermijn werd ingeleid. 5.1.
- De tussenkomende partij voegt daar aan toe dat er nog een dichte bosbegroeiing zal overblijven. 5.
- Beoordeling De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing impliceert dat aan de rand van de eigendom van de verzoeker een reep bos zal moeten worden gerooid, teneinde de ondergrondse collector te kunnen aanleggen. Er is sprake van een “werfzone” om de werken te kunnen uitvoeren, en ook nadien dient ten opzichte van het ondergrondse tracé een X-13.756-10/12 zogenaamde erfdienstbaarheidsstrook van 5 meter breed te worden gerespecteerd waarbinnen ook geen nieuwe beplantingen en aanplantingen kunnen gebeuren. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de strook bos een plaatselijk landschapselement vormt, dat minstens voor een deel zal teloorgaan indien de bestreden beslissing wordt ten uitvoer gelegd. De bosstrook bevindt zich op de zoom van de eigendom van de verzoeker, die er vanuit zijn woning een rechtstreeks zicht op heeft. Met de verzoeker kan aangenomen worden dat alleen reeds het verlies van een deel van die strook voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te vormen. Noch de “agrarische bestemming” van de percelen, noch het feit dat de verzoeker de hem toegemeten beroepstermijn volledig benut, doen aan die vaststelling enige afbreuk. Ten onrechte voert de verwerende partij terzake aan dat dit nadeel niet zou opwegen tegen het nadeel dat zou worden veroorzaakt indien er helemaal geen collector zou worden aangelegd. Uit het dossier blijkt immers dat het de verzoeker er niet zozeer om te doen is ten allen prijze de aanleg van de collector te verhinderen; de betwisting gaat vooral over het precieze tracé van de buisleiding ter hoogte van zijn eigendom. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 11 februari 2008 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar houdende toekenning van de stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. AQUAFIN voor het aanleggen van “een collector + PS + PL Sint-Brixius-Rode” op een perceel gelegen te Kapelle-op-den-Bos en Meise, Meiselaan, Potaardestraat, Broekstraat, Prinsendreef, Vroonwegel, Molenstraat, Birrebeekstraat en Bosbeekstraat, X-13.756-11/12 kadastraal bekend sectie C, nrs. 116/s, 116/t, 119/l, 119/m, 120/a, 120/b, 120/b2, 120/c, 121/c, 135/a, 138/d, 140/d, 141/c, 154/a, 157/a, 160, 161/e, 173/a en 185/d, en sectie D, nrs. 184, 185, 188/a, 189, 190/b, 191, 192, 193/a, 194/d, 206/a, 206/b, 211/e en andere. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-13.756-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.558 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.864 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div