id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.559 Rolnummer: A. 187796/X-13729 Zaak: Arrest 186559 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 29/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-08 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:37 Fiche Arrest nr 186.559 van 29 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.559 van 29 september 2008 in de zaak A. 187.796/X-13.
- In zake :
- Herman VAN RIET,
- Jos DE NEVE,
- Jos LIEKENS,
- Peggy DE DECKER,
- Peter GOVAERTS, die woonplaats kiezen bij advocaat D. DE KEUSTER, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Graanmarkt 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- tussenkomende partij : de Intercommunale HAVILAND, die woonplaats kiest bij advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Herman VAN RIET, Jos DE NEVE, Jos LIEKENS, Peggy DE DECKER en Peter GOVAERTS op 7 april 2008 hebben ingediend en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 18 januari 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 februari 2008; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; X-13.729-1/17 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. DE KEUSTER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- Rechtspleging Met een verzoekschrift van 23 mei 2008 heeft de Intercommunale HAVILAND gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen.
- De feiten 2.
- Oostelijk van de A12 Brussel-Antwerpen bevindt zich op het grondgebied van Westrode, een deelgemeente van Meise, een gebied van ongeveer 75 hectare groot, dat momenteel nog grotendeels een agrarisch gebruik kent. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse zijn deze terreinen bijna volledig ondergebracht in een industriegebied en voor het diepere gedeelte ten opzicht van de A12 in een reservegebied voor industriële uitbreiding. Daarrond liggen aan die zijde van de A12 nog agrarisch gebied, een stuk natuurgebied en stroken woongebied met landelijk karakter die van de industriezone gescheiden worden door bufferzones. X-13.729-2/17 2.
- De tussenkomende partij stelt reeds sinds 1974 bezig te zijn met de realisatie van het betreffende industrieterrein. Zo werden een aantal onteigeningsbesluiten getroffen en werden de gronden voor het grootste gedeelte ook reeds door de tussenkomende partij in eigendom verworven. 2.
- Op 2 juli 1998 weigert de gemachtigde ambtenaar van AROHM Vlaams-Brabant aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning om de zone te voorzien van de nodige uitrusting en infrastructuur (waaronder wegen). De ambtenaar overweegt dat de site, met uitzondering van een benzinestation langs de A12, nog “onbebouwd en niet ontsloten” is en weigert de vergunning omdat de werken de noodzakelijke herstructurering van de A12 en de verkeersafwikkeling in het gedrang zouden kunnen brengen. 2.
- In stukken van het dossier wordt gewag gemaakt van een princiepsbeslissing die de Vlaamse regering op 3 december 2004 zou hebben genomen om de betreffende zone “Westrode”, op voorstel van de provincie Vlaams-Brabant, te ontwikkelen als een regionaal bedrijventerrein voor “hoogwaardige logistieke transport- en distributieactiviteiten”. Daartoe zou de opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan noodzakelijk zijn, inbegrepen een nieuw op- en afrittencomplex op de A12 noordelijk op het grondgebied van de gemeente Londerzeel, en een aantal andere randvoorwaarden inzake onder meer mobiliteit, duurzame ontwikkeling, zuinig ruimtegebruik en landschappelijke inkleding en buffering. 2.
- In opdracht van de verwerende en de tussenkomende partij wordt een project-MER opgesteld, dat door de cel-MER van de Vlaamse administratie wordt goedgekeurd op 12 januari
- 2.
- Over het voorontwerp van gewestelijk RUP wordt een plenaire vergadering gehouden op 19 januari
- 2.
- Met een besluit van 23 maart 2007 wordt het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel door de Vlaamse regering voorlopig vastgesteld. Het plan voorziet voor de gronden een X-13.729-3/17 nieuwe bestemming als zone voor transport, distributie en logistiek, die in de plaats komt van de bestemmingen industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding van het gewestplan. Rondom deze zone komt een bufferstrook (in overdruk), onder meer ten opzichte van de woningen in de Patatestraat en langs de Papenboskant. Ten noorden van de bedrijvenzone wordt een bosgebied voorzien, dat bestemd is voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van het bos. Tenslotte wordt nog noordelijk daarvan, reeds op het grondgebied van de gemeente Londerzeel, een omvangrijk gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur ingetekend, dat voor het grootste gedeelte in overdruk bestemd wordt voor “ongelijkvloerse” infrastructuur teneinde een op- en afrittencomplex op de A12 te kunnen aanleggen. 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden 28 bezwaarschriften ingediend, waaronder twee collectieve bezwaarschriften ondertekend door 385 personen, en ook een bezwaarschrift uitgaande van de gemeente Meise. Op 17 september 2007 beraadslaagt de VLACORO over het dossier en de ingediende bezwaren, en wordt een gunstig advies over het ontwerp-plan verleend, mits te voldoen aan een aantal opmerkingen. 2.
- Op 13 december 2007 verleent de afdeling wetgeving van de Raad van State advies over het ontwerp-plan. 2.
- Met het bestreden besluit van 18 januari 2008 wordt het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel door de Vlaamse regering definitief vastgesteld. Aan de stedenbouwkundige voorschriften worden nog een aantal aanpassingen aangebracht, ingevolge de ingediende bezwaren en het advies van de VLACORO. Van het besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 februari
- Ontvankelijkheid 3.
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de gevraagde schorsing en vernietiging, aangezien zij daaruit X-13.729-4/17 geen voordeel zouden kunnen halen, “integendeel” zelfs. Zij voert aan dat geen van de verzoekende partijen eigenaar is van onroerende goederen in het gebied, en dat het bestreden gewestelijk RUP in de plaats komt van gewestplanbestemmingen zoals industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding, die op zich “een groter nadeel” inhouden dan de nieuwe bestemmingen die meer “garanties” en zelfs “zekerheden” bieden voor de omwonenden. 3.
- Hieronder (punt 6.2) zal blijken dat de verzoekende partijen ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigen te ondergaan. Zij hebben dan ook a fortiori het vereiste belang bij de voorliggende vordering.
- De grondvoorwaarden tot schorsing Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- Ernstig middel 5.
- Standpunten van de partijen 5.1.
- De verzoekende partijen voeren in het eerste onderdeel van het eerste en van het tweede middel het volgende aan: “Eerste Middel Schending van de artikelen 19, §2 en 41, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna ‘DRO’) Het bestreden GRUP wijkt af van bindende bepalingen van het RSV. Eerste onderdeel Het bedrijventerrein waarvoor het bestreden GRUP is opgesteld, valt niet binnen een economisch knooppunt. Buiten een economisch knooppunt is enkel nog de ontwikkeling van bedrijventerreinen mogelijk voor historisch gegroeide bedrijven. Toelichting bij het Middel
- De bindende bepalingen van het RSV zijn bindend voor de Vlaamse regering bij het goedkeuren van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het RSV stelt hierbij zelf het volgende : X-13.729-5/17 ‘De bindende bepalingen zijn de spil tussen de in het richtinggevend gedeelte uitgewerkte gewenste ruimtelijke structuur en de realisatie ervan. Hun functie bestaat erin het dwingend kader aan te geven voor de uitvoering van het ruimtelijk structuurplan via uitvoerende instrumenten. Overeenkomstig art. 7§2 van het decreet zijn deze bepalingen bindend voor het Vlaamse Gewest, de diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen die onder het administratief toezicht staan van het Vlaamse Gewest en de vennootschappen die een erkenning hebben van betrokken instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest. De bindende bepalingen zijn inhoudelijk samenhangend en concreet, en worden beperkt tot essentiële elementen. De uitvoering ervan moet immers duidelijk toetsbaar (verifieerbaar) zijn. Een uitgebreide en te weinig precieze invulling ondermijnt de slagkracht en de geloofwaardigheid van de bindende bepalingen.’ Een rechter kan een uitvoeringsplan toetsen aan de bindende bepalingen van het structuurplan (...). Eerste Onderdeel
- Het bindend gedeelte van het RSV duidt op pagina 587 limitatief de economische knooppunten aan : ‘
- Selectie van economische knooppunten De volgende economische knooppunten worden geselecteerd. Deze selectie is limitatief. 1.
- Stedelijke gebieden Alle geselecteerde stedelijke gebieden (grootstedelijke gebieden, regionaalstedelijke gebieden, structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau) zijn economische knooppunten. Stedelijke gebieden kunnen één of meer gemeenten of delen ervan bevatten. 1.
- Economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal Volgende gemeenten zijn economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal. Naast de gemeenten reeds genoemd binnen de stedelijke gebieden Antwerpen, Bilzen, Geel, Hasselt-Genk en Herentals, worden ook de gemeenten [...], Grobbendonk, Ham, Heusden-Zolder, Laakdal, Lanaken, Lummen, Meerhout, Olen, Ranst, Schilde, Schoten, Tessenderlo, Westerlo, Zandhoven en Zutendaal als economisch knooppunt geselecteerd. ([15] gemeenten) (geschrapt respectievelijk vervangen bij herziening van 12 december 2003) 1.
- Economische knooppunten buiten de stedelijke gebieden en buiten het economisch netwerk van het Albertkanaal Naast de stedelijke gebieden en de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal worden de volgende gemeenten weerhouden als economisch knooppunt: Aalter, Alken, Anzegem, Ardooie, Arendonk, Bornem, Duffel, Hamont-Achel, Hooglede, Houthalen-Helchteren, Kortemark, Londerzeel, Malle, Meulebeke, Nazareth, Puurs, Staden, Ternat, Wielsbeke, Willebroek, Wingene en Zele. In het kader van het Europees regionaal beleid worden aanvullend volgende gemeenten als economisch knooppunt geselecteerd: Avelgem, Balen, Dilsen- Stokkem, Kluisbergen, Maldegem, Nieuwpoort, Opglabbeek en Wervik. (30 gemeenten).’ De Gemeente Meise behoort niet tot de economische knooppunten. Het bindend gedeelte van het RSV bepaalt vervolgens (...) dat in de gemeenten buiten de economische knooppunten enkel maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven kunnen worden afgebakend. X-13.729-6/17 ‘
- Afbakening van bedrijventerreinen De behoefte aan uit te rusten bedrijventerreinen wordt vastgesteld op 10.000 ha tot
- Hiervan zal in aanlegplannen 6.000 ha worden afgebakend als bedrijventerrein en 4.000 ha als reservebedrijventerrein. [...] (geschrapt bij herziening van 12 december 2003) De verhouding naar categorie en naar locatie van de af te bakenen nieuwe bedrijventerreinen is als volgt: - 80-85 % als lokale en regionale bedrijventerreinen of bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven in de economische knooppunten; - 15-20 % als lokale bedrijventerreinen en als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven in gemeenten buiten de economische knooppunten. In gemeenten buiten de economische knooppunten kunnen maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven worden afgebakend. De verdeling binnen iedere provincie van de bovenvermelde verhouding is als volgt: Antwerpen 83-88 12-17; Limburg 84-89 11-16; Oost-Vlaanderen 77-82 18-23; Vlaams-Brabant 71-76 24-29; West-Vlaanderen 76-81 19-24; Vlaanderen 80-85 15-
- De regionale bedrijventerreinen in de grootstedelijke- en de regionaalstedelijke gebieden en in de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, en de bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau en in de overige economische knooppunten worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend.’(...) Het RSV stelt duidelijk dat regionale bedrijventerreinen enkel mogen worden aangelegd in economische knooppunten (stedelijke gebieden, economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, overige economische knooppunten) met uitzondering van deze voor historisch gegroeide bedrijven doch beperkt tot 500 ha voor gans Vlaanderen. Deze interpretatie sluit volledig aan bij het richtinggevend gedeelte van het RSV waarin op pagina 454 letterlijk wordt gesteld dat regionale bedrijventerreinen die nog niet effectief zijn ontwikkeld buiten de economische knooppunten niet meer kunnen worden aangesneden (...). Het regionaal bedrijventerrein dat het bestreden GRUP beoogt, heeft een totaal andere finaliteit dan de uitbreiding van een historisch gegroeid bedrijf (zie artikelen 1 en 2 van de stedenbouwkundige voorschriften). Het betreft, zowel in feite als in rechte, een volledig nieuw specifiek bedrijventerrein voor transport en distributie. Het regionaal bedrijventerrein kan derhalve niet worden ontwikkeld buiten een economisch knooppunt. Zoals reeds aangetoond onder randnummer 9 en zoals nog zal worden uitgediept onder de randnummers 18 e.v., tracht de Vlaamse regering deze tegenstrijdigheden te camoufleren door te stellen dat het een bestaand bedrijventerrein zou betreffen. Dit is noch in rechte noch in feite correct. Het bestreden GRUP schendt derhalve het bindend gedeelte van het RSV omdat het een regionaal bedrijventerrein voorziet buiten de economische knooppunten. Het eerste onderdeel is ernstig. X-13.729-7/17 Tweede Middel Schending van de materiële motiveringsplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur in samenhang met een schending van de artikelen 19, §3 en 41, §2 DRO. Een voldoende materiële motivering voor de afwijkingen van het richtinggevend gedeelte van het RSV ontbreekt; de aanwezige motivering is zelfs manifest onjuist zodat ook het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Eerste Onderdeel Het bedrijvenpark kan geenszins worden beschouwd als een bestaand bedrijvenpark zodat overeenkomstig het richtinggevend gedeelte van het RSV geen bedrijventerrein kan ontwikkeld worden aangezien Meise behoort tot het buitengebied en geen economische knooppunt betreft. Toelichting bij het Middel
- Indien Uw Raad van oordeel zou zijn, quod non, dat de bindende bepalingen van het RSV geen verbod zouden opleggen van de aanleg van nieuwe regionale bedrijventerreinen buiten de economische knooppunten, dan volgt dit zonder enige twijfel uit het richtinggevend gedeelte van het RSV. Hiervan mag de overheid niet afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen (artikel 19, §3 DRO) Uw Raad neemt aan dat de betrokken overheid over een ruime appreciatiemarge beschikt ten aanzien van het richtinggevend gedeelte van het RSV (...). Uw Raad stelde hierbij wel dat hij bevoegd is om na te gaan of de betrokken overheid is uitgegaan van feitelijke juiste gegevens: (...) Eerste Onderdeel
- Verzoekende partijen verwijzen hiervoor naar randnummer 9 van hun verzoekschrift, doch verwijzen ook naar pagina 454 van het RSV waarin nogmaals letterlijk wordt gesteld dat regionale bedrijventerrein enkel mogelijk zijn in economische knooppunten : ‘Regionaal bedrijventerrein Volgende principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen - lokalisatie uitsluitend in de stedelijke gebieden; de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten; - lokalisatie bij voorkeur aansluitend bij de bestaande bedrijventerreinen; - verantwoording vanuit een globale ruimtelijke visie op het economisch knooppunt en de positie van het economisch knooppunt in Vlaanderen en in de provincie; in het bijzonder wordt in ieder economisch knooppunt een gewenste ruimtelijk-economische structuur uitgewerkt; - afstemming van de oppervlakte van het regionaal bedrijventerrein op de reikwijdte en het belang van het economisch knooppunt en de spreiding van bedrijventerreinen in de overige economisch knooppunten in de provincie; - afstemming van het bereikbaarheidsprofiel van de locatie op het mobiliteitsprofiel van de voorziene bedrijven (= locatiebeleid); naast de uitwerking van het locatiebeleid dienen ook de in te zetten instrumenten (waaronder ook niet-ruimtelijke instrumenten zoals het organiseren van openbaar en collectief vervoer) te worden aangegeven; - geen kleinhandelsbedrijven op regionale bedrijventerreinen, tenzij op deze die gedeeltelijk als kleinhandelszone zijn afgebakend; - ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen; - maximale algemene uitrusting (telecommunicatie, water, gas en electriciteitsvoorziening, waterzuivering en riolering) en maximale X-13.729-8/17 specifieke uitrusting voor de respectievelijke specifieke regionale bedrijventerreinen.’ Op pagina 440 stelt het RSV dat in gemeenten buiten de economische knooppunten enkel nog bedrijventerreinen zijn toegelaten voor familiale bedrijven en KMO’s : ‘In de gemeenten die niet als economisch knooppunt zijn geselecteerd blijven voor de bestaande economische activiteiten zoals KMO’s en/of familiale bedrijven, ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden gegarandeerd onder meer door de volgende maatregelen : - De ontwikkeling van een bestaand lokaal bedrijventerrein in de hoofddorpen voor de herlokalisatie van bestaande bedrijven door middel van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (c.q. een BPA) - De opmaak van een ‘sectoraal BPA’ voor de ontwikkeling en uitbreiding ter plaatse van bestaande bedrijven. - De ontwikkeling van bedrijventerreinen voor historische gegroeide bedrijven voor de herlokalisatie van bestaande historisch gegroeide bedrijven binnen de gemeente, aansluitend bij een hoofddorp en binnen de voorziene 500 ha.’
- De Vlaamse regering is zich bewust van dit probleem en tracht het probleem te omzeilen door te stellen dat het een bestaand bedrijventerrein zou betreffen. Het besluit bevat hieromtrent de volgende overweging : ‘Overwegende dat het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het gebied hoofdzakelijk bestemt als transport, distributie en logistieke zone op de locatie voorzien op het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse als industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding; dat de ontwikkeling van het specifiek regionaal bedrijventerrein voor transport, distributie en logistiek ‘Westrode’ moet worden beschouwd als de ontwikkeling van een bestaand en bestemd bedrijventerrein, gelegen buiten de geselecteerde economische knooppunten, zoals richtinggevend bedoeld op pagina 434 van ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat het regionaal bedrijventerrein ‘Westrode’ derhalve geen onderdeel is van het economisch knooppunt Londerzeel.’ (...) De Vlaamse regering tracht zich vast te klampen aan de passage op pagina 436 van het RSV dat bedrijventerreinen gelegen buiten de geselecteerde economische knelpunten die reeds zijn vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan en vandaag worden ontwikkeld, als een vaststaand gegeven worden beschouwd. Deze zinsnede op de wijze geïnterpreteerd door de Vlaamse regering, is op zich reeds strijdig met een hele reeks andere bepalingen van het richtinggevend- en bindend gedeelte van het RSV (...). Zo stelt het RSV op pagina 434 nergens dat een bestaand en bestemd bedrijventerrein kan worden ontwikkeld buiten de economische knooppunten. Op deze pagina staat het volgende vermeld : ‘Voor de herlokalisatie en uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven kan ruimte worden voorzien in gemeenten buiten de economische knooppunten.’ Er is in casu noch sprake van enige herlokalisatie, noch van een uitbreiding van historisch gegroeide bedrijven. Op pagina 438 wordt gesteld dat het bedrijventerreinen dienen te betreffen die effectief in ontwikkeling zijn. Op pagina 545 wordt geen enkele uitzondering toegelaten voor regionale bedrijventerreinen buiten de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten. De doelstellingen van het RSV, zijnde ‘Vlaanderen stedelijk en open’ beogen een duidelijke trendbreuk met de bestaande toestand. Het loutere feit dat de zone ooit op een gewestplan gedeeltelijk is ingekleurd als industriezone, maakt van deze zone geenszins al een bestaand bedrijventerrein. Indien deze redenering zou worden gehanteerd, verliest het RSV haar doel. X-13.729-9/17 Zoals reeds aangetoond onder randnummer 9 is er in elk geval geen sprake, noch in recht noch in feite, van een bedrijventerrein dat in ontwikkeling is. De stedenbouwkundige vergunningen zijn ofwel vervallen ofwel geweigerd. Het terrein ligt braak en is niet ontsloten. Dit motief is dan ook flagrant onjuist. Om die reden is zowel de materiële motiveringsplicht als de zorgvuldigheidsplicht geschonden. De Vlaamse regering is in het bestreden GRUP duidelijk uitgegaan van feitelijk onjuiste gegevens. Het bedrijventerrein waarvoor het bestreden GRUP is bedoeld, is niet effectief in ontwikkeling. Binnen het wettigheidstoezicht van Uw Raad, dient Uw Raad dan ook een schending vast te stellen van de artikelen 19, §3 DRO en 41, §2 DRO. Het eerste onderdeel is ernstig”. 5.1.
- In de nota antwoordt de verwerende partij dat het RSV op bladzijde 434 voorziet dat bedrijventerreinen buiten de geselecteerde economische knooppunten, die reeds zijn opgenomen in bijvoorbeeld een gewestplan en die vandaag worden ontwikkeld, als vaststaand gegeven moeten worden beschouwd, en dat die motivering ook in het bestreden besluit voorkomt. 5.1.
- De tussenkomende partij voert een gelijkaardig verweer, en verwijst bovendien naar de genomen onteigeningsbesluiten, de verwerving van een groot deel van de gronden, de bouwaanvraag voor de infrastructuurwerken, het continue overleg met de bevoegde overheden, en een bouwvergunning die in 1988 werd verleend aan “Arophar en n.v. Eurosan voor de oprichting bedrijfsgebouw met burelen”. Tevens wijst de tussenkomende partij op een fragment op bladzijde 585 van het RSV, waar gesteld wordt dat indien na onderzoek blijkt dat de taakstelling met betrekking tot de invulling van de bedrijventerreinen in de economische knooppunten niet afdoende gerealiseerd kan worden, er een invulling kan gebeuren op nabijgelegen zones in een aangrenzende gemeente. 5.
- Beoordeling 5.2.
- Luidens artikel 19, §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening zijn de bindende onderdelen van het RSV onder meer bindend voor het Vlaams Gewest. 5.2.
- De gemeente Meise, waar het bestreden RUP het regionaal bedrijventerrein afbakent, is volgens de bindende bepalingen van het RSV niet geselecteerd als economisch knooppunt (zie de bindende bepalingen in verband met de gebieden voor economische activiteiten, onder punt 1.3, selectie van X-13.729-10/17 economische knooppunten buiten de stedelijke gebieden en buiten het economisch netwerk van het Albertkanaal). Voorts vermeldt het bindend gedeelte van het RSV met betrekking tot de afbakening van bedrijventerreinen: “De behoefte aan uit te rusten bedrijventerreinen wordt vastgesteld op 10.000 ha tot
- Hiervan zal in aanlegplannen 6.000 ha worden afgebakend als bedrijventerrein en 4.000 ha als reservebedrijventerrein. [...] De verhouding naar categorie en naar locatie van de af te bakenen nieuwe bedrijventerreinen is als volgt: - 80-85 % als lokale en regionale bedrijventerreinen of bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven in de economische knooppunten - 15-20 % als lokale bedrijventerreinen en als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven in gemeenten buiten de economische knooppunten In gemeenten buiten de economische knooppunten kunnen maximaal 500 ha als bedrijventerrein voor historisch gegroeide bedrijven worden afgebakend. De verdeling binnen iedere provincie van de bovenvermelde verhouding is als volgt: Antwerpen 83-88 12-17 Limburg 84-89 11-16 Oost-Vlaanderen 77-82 18-23 Vlaams-Brabant 71-76 24-29 West-Vlaanderen 76-81 19-24 Vlaanderen 80-85 15-20 De regionale bedrijventerreinen in de grootstedelijke- en de regionaalstedelijke gebieden en in de economische knooppunten in het economisch netwerk van het Albertkanaal, en de bedrijventerreinen voor historisch gegroeide bedrijven worden door het Vlaams Gewest in de gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend. De regionale bedrijventerreinen in de structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden en de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau en in de overige economische knooppunten worden in provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend of op voorstel en op vraag van de provincie door het Vlaams Gewest in de gewestplannen afgebakend”. 5.2.
- Op het eerste gezicht bieden deze bindende bepalingen geen grondslag voor het bestreden besluit, waarmee het gewest een regionaal bedrijventerrein afbakent op het grondgebied van een gemeente die niet geselecteerd is als economisch knooppunt. 5.2.
- De verwerende en de tussenkomende partij wijzen er evenwel op dat het bestreden besluit uitdrukkelijk is gesteund op een richtinggevende bepaling uit hetzelfde RSV, die opgenomen is in het hoofdstuk dat betrekking heeft op de selectie van de economische knooppunten, en die als volgt luidt : “de bedrijventerreinen gelegen buiten de geselecteerde economische knooppunten, die reeds zijn vastgelegd in een ruimtelijk uitvoeringsplan (c.q. X-13.729-11/17 gewestplan, B.P.A.) en vandaag worden ontwikkeld, (worden) als vaststaand gegeven (...) beschouwd”. De vraag stelt zich of deze richtinggevende bepaling voldoende steun kan bieden voor het aangevochten gewestelijk RUP. In het licht van de gewestplanbestemming tot industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding, zou op het eerste gezicht eventueel kunnen worden aangenomen dat de gronden kunnen worden beschouwd als een bedrijventerrein dat in het gewestplan is vastgelegd. 5.2.
- Bovendien moet het evenwel gaan om een bedrijventerrein dat “vandaag” (dit is ten tijde van het vaststellen van het RSV bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997) wordt “ontwikkeld”. Het bestreden besluit en de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP doen niets meer dan poneren dat dit zo is. De elementen in het dossier wijzen nochtans op het eerste gezicht uit dat het gebied, zelfs tot op heden, niet werd “ontwikkeld”. Dat de tussenkomende partij doorheen de jaren in het bezit is gekomen van een groot deel van de gronden, betekent nog niet dat het terrein werd “ontwikkeld” in de zin van de betreffende bepaling uit het RSV. Eerder lijken deze verwervingen noodzakelijk te zijn met het oog op een latere ontwikkeling van de terreinen, en gaan ze met andere woorden aan de eigenlijke ontwikkeling vooraf. Hetzelfde kan gesteld worden over het jarenlange overleg dat de tussenkomende partij gepleegd zou hebben met meerdere betrokken overheden. Het komt voor dat dit overleg precies geschiedde met het oog op de door de tussenkomende partij gewenste (en dus nog niet bestaande) ontwikkeling van het gebied. De initiatieven die werden genomen om werk te maken van de voorzieningen en de infrastructuur binnen het gebied, en die telkens niet voleindigd blijken te zijn, wijzen er ook eerder op dat de zone niét werd ontwikkeld. Naar aanleiding van de bouwaanvraag die de verzoekende partij zelf indiende, stelde de gemachtigde ambtenaar in zijn weigeringsbesluit van 2 juli 1998 trouwens dat de terreinen nog “onbebouwd en niet ontsloten” zijn. Ook de enkele bouwvergunning die in 1988 zou zijn verleend aan “Arophar en n.v. Eurosan voor de oprichting bedrijfsgebouw met burelen”, lijkt onvoldoende om van “ontwikkeling” van het ganse gebied te kunnen spreken. X-13.729-12/17 Bovendien lijkt de verwerende partij zelf met dit gegeven geen rekening gehouden te hebben. 5.2.
- De tussenkomende partij werpt “ondergeschikt” nog op dat het gewestelijk RUP kan gekaderd worden in een bepaling van het RSV, waar gesteld wordt dat indien na onderzoek blijkt dat de taakstelling met betrekking tot de invulling van de bedrijventerreinen in een economisch knooppunt niet afdoende gerealiseerd kan worden, er een invulling kan gebeuren op nabijgelegen zones in een aangrenzende gemeente. Dit argument kan niet weerhouden worden, al is het maar omdat de plannende overheid er zich zelf niet van heeft bediend, niet in de planopmaakprocedure en zelfs niet ten titel van verweer in de voorliggende procedure voor de Raad van State. Dergelijke optie staat volgens de betreffende passage uit het RSV ook enkel open indien daaraan een “onderzoek” voorafgaat. Weliswaar is in het opgestelde milieu-effectenrapport, zoals in elk MER, een hoofdstuk gewijd aan locatiealternatieven voor het bedrijventerrein, doch nergens blijkt dat dit onderzoek door de plannende overheid ook is meegenomen in de planopmaakprocedure, en voorts wordt in het MER ook uitdrukkelijk aangegeven dat de criteria voor een degelijke en ernstige locatiekeuze “nog niet beschikbaar” zijn, en dat “daarom géén andere locatiealternatieven voor het bedrijventerrein onderzocht” werden. 5.2.
- De beide middelonderdelen zijn dan ook ernstig.
- Moeilijk te herstellen ernstig nadeel 6.
- Standpunten van de partijen 6.1.
- In het verzoekschrift wordt dienaangaande het volgende uiteengezet: “
- De verzoekende partijen betreffen allemaal bewoners wiens tuin grenst aan het bedrijventerrein. Onder stuk nr. 2 is een kaartje gevoegd waarbij de woningen van verzoekende partijen zijn aangeduid ten opzichte van het nieuw aan te leggen bedrijventerrein. Zowel de Patatestraat als de Papenboskant worden expliciet meermaals in het MER vernoemd. De Patatestraat ligt oostelijk van het bedrijventerrein. Aangezien in Vlaanderen de wind doorgaans vanuit het westen waait, zullen de uitlaatgassen en de geluiden meestal in de richting van deze verzoekende partijen worden verplaatst. X-13.729-13/17 Eerste verzoekende partij woont samen met zijn gezin in de Patatestraat nr.
- Dit betreft een rustige straat welke rechtstreeks zal worden aangesloten op de verkeerswisselaar. Achter zijn woning zal een aarden wal worden opgetrokken van zes meter hoog. Daarachter komen loodsen van 30 meter hoog. Eerste Verzoekende partij leidt aan astma. Een kopie van het medisch attest wordt toegevoegd als stuk nr.
- Tweede verzoekende partij woont samen met zijn gezin (echtgenote en twee geadopteerde Chinese dochters waarbij hij schriftelijk heeft moeten beloven aan de Chinese adoptieadministratie om te zorgen voor gezonde leefomstandigheden) -zoals eerste verzoekende partij- in de Patatestraat. Hij krijgt derhalve ook de aarden wal achter aan de tuin. Daarenboven zullen schuin achter zijn woning geen loodsen worden aangelegd maar twee spaarbekkens en daartussen een fietspad. Vermits de gebouwen geen buffering zullen vormen tegen geluidshinder, zal de geluidsverstoring nog groter zijn dan voor de andere woningen waar naast de aarden wal ook gebouwen worden geplaatst. De toename van de gemiddelde geluidsdruk wordt ingeschat met ongeveer 3 dB en dit zowel voor Lden als voor Lnight. Deze toename is substantieel en betekent een verdubbeling van de geluidsdruk op die locatie zowel gedurende het etmaal als gedurende meer specifiek de nacht. De toename met 3dB is een verdubbeling op de logaritmische dB schaal want 40 dB + 40db = 43 dB (iedere toename met dB betekent een verdubbeling van de geluidsdruk). Het dochtertje van de tweede verzoekende partij, Caitlin, lijdt aan bronchiale hyperreactiviteit. Haar gezondheidstoestand dreigt ernstig te lijden onder de aanleg van het bedrijventerrein. Een medisch attest wordt toegevoegd onder stuk nr.
- Derde verzoekende partij woont sinds 1973 aan de Papenboskant. Hij woont bijgevolg op deze locatie van vóór het gewestplan. Er was dus toen nog geen sprake van de aanleg van een industrieterrein. Zijn woning is laag gelegen. Het risico op verdere vernatting zal toenemen omdat het huidige afwateringstraject wordt onderbroken. Verzoekende partij vreest dan ook voor wateroverlast. Hij heeft zijn bezwaar ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Hierop werd inhoudelijk niet geantwoord. Deze bezwaren blijven derhalve nog steeds geldig. Het bezwaarschrift alsmede een nota waarin het waterprobleem meer in detail wordt uiteengezet, wordt toegevoegd als stuk nr.
- Vierde verzoekende partij woont samen met haar gezin (twee jonge kinderen van 7 en 4 jaar) aan de Patatestraat nr.
- Haar woning komt vlak (150 meter) aan de verkeerswisselaar te liggen. Achter haar woning zal op minder dan 100 meter een toegangsweg worden aangelegd naar het bedrijventerrein. Al het verkeer moet via deze weg het bedrijventerrein bereiken. Op deze toegangsweg is filevorming zeer waarschijnlijk. De milieuhinder voor de vierde verzoekende partij zal om die reden nog veel sterker zijn dan deze beschreven in het MER. Het MER heeft trouwens voor de Patatestraat, welke wordt aangetakt op de verkeerswisselaar en de Al2, geen effectenbeoordeling gemaakt voor het gemotoriseerd vervoer (...). Vijfde verzoekende partij woont met zijn gezin in de Patatestraat
- De locatie van zijn huis is vergelijkbaar met deze van de vierde verzoekende partij.
- Het spreekt voor zich dat verzoekende partijen ernstige milieuhinder zullen ondervinden van dit geplande bedrijvenpark. Zo bepaalt het MER op pagina 7.25 dat tijdens de ochtendspits 1540 bijkomende personenwagens en 465 vrachtwagens op de wegvakken aanwezig zullen zijn. Deze bijkomende verkeersstroom zal op zich reeds onmiskenbaar het woonklimaat aanpassen. Elke dag zullen 4009 vrachtwagens het bedrijventerrein op of af rijden. Daarbij dient men de personenwagens te rekenen van de ca 2.500 werknemers en de vele bezoekers. X-13.729-14/17 Het MER gaat op pagina 9.3 uit van een toename van stikstofoxide met 27% en fijn stof met 17%. Zoals aangetoond in dit verzoekschrift zal de toename nog sterker zijn. Het bedrijvenpark zal onmiskenbaar ook geluidsoverlast veroorzaken. Deze zou volgens het MER beperkt blijven omdat het MER aanneemt dat overal geluidswerende buffers zullen worden voorzien. Dit is niet het geval. Het woonklimaat van de verzoekende partijen zal dan ook sterk worden aangetast. Het feit dat er een bufferzone met groenaanleg is voorzien, zal hieraan geen afbreuk doen. Uw Raad heeft een aantasting van het woonklimaat in negatieve zin aanvaard als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (...).
- De bijkomende hoeveelheid luchtverontreiniging zal tevens de levensverwachting van de verzoekende partijen sterk negatief beïnvloeden. Onder stuk nr. 5 wordt een verklaring toegevoegd van Dr. Goethals, cardioloog, waarin deze geneesheer tot de conclusie komt dat het bedrijvenpark een toename van het risico op overlijden aan een hartkwaal met 38% tot gevolg zal hebben, risico op een hart- en vaatziekte met 12% en op een hersentrombose met 17.5%.
- Verzoekende partijen dreigen tevens het slachtoffer te worden van een gefaseerde aanpak zonder enige ruimtelijke waarborg (...). Deze gefaseerde aanpak dreigt bovendien een permanent karakter te krijgen.
- Het is evident dat dit nadeel niet kan worden hersteld indien Uw Raad tot annulatie zou overgaan. Het bedrijventerrein zal dan immers reeds gerealiseerd zijn. Het zal onmogelijk zijn dit bedrijventerrein terug te verwijderen. De negatieve gevolgen voor het woonklimaat en de levensverwachting zullen zich dan definitief hebben voorgedaan. Verzoekende partijen merken in dat verband nog op dat Haviland reeds volop bezig is met de voorbereidingen van de aanleg van het bedrijventerrein. Bij de gemeente Meise werd een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning ingediend. Er werd reeds een overheidsopdracht geplubiceerd (...)”. 6.1.
- In de nota antwoordt de verwerende partij dat bij de beoordeling van het nadeel rekening dient gehouden te worden met de vooropgestelde milderende maatregelen en met “de huidige gewestplanbestemming”. 6.1.
- De tussenkomende partij betoogt in essentie dat de aangevoerde nadelen slechts het gevolg zullen zijn van “de eventuele exploitaties die nadien vergund zouden worden binnen het plangebied”, dat de voorschriften een groenbuffer en een geluidswal voorzien, en dat de gevreesde hinder een hypothetisch karakter heeft. 6.
- Beoordeling Het bestreden gewestelijk RUP voorziet naast de bestemming als zone voor transport, distributie en logistiek, die in de plaats komt van de bestemmingen industriegebied en reservegebied voor industriële uitbreiding van het gewestplan, in het noordelijk gedeelte van het plangebied ook een omvangrijk X-13.729-15/17 gebied voor verkeers- en vervoersinfrastructuur, dat voor het grootste gedeelte in overdruk bestemd wordt voor “ongelijkvloerse” infrastructuur, teneinde ten behoeve van de bedrijvenzone een nieuw op- en afrittencomplex op de A12 te kunnen aanleggen. De bestreden beslissing maakt het mogelijk dat in de onmiddellijke omgeving van de woningen van de verzoekende partijen een nieuw “ongelijkvloers” op- en afrittencomplex op de A12 wordt opgericht, en een nieuwe toegangsweg wordt aangelegd naar het bedrijventerrein. Dit alles dreigt voor de verzoekende partijen een ernstige bijkomende aantasting van hun woon- en leefklimaat te veroorzaken, ook al ondergaan die partijen thans reeds de hinder veroorzaakt door het verkeer op de A
- Deze dreiging wordt op de eerste plaats mogelijk gemaakt door het bestreden RUP. Dit plan zal als noodzakelijke rechtsgrond dienen bij de aflevering van latere stedenbouwkundige vergunningen en milieuvergunningen. Van deze verkeersinfrastructuren zou op intensieve wijze gebruik gemaakt worden door zwaar vervoer, mede gelet op de specifieke bestemming van het gebied als transport-, distributie- en logistieke bedrijvenzone. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld.
- Gedeeltelijke schorsing Op het ter terechtzitting door de verwerende partij geformuleerd verzoek om het bestreden besluit slechts gedeeltelijk te schorsen kan niet worden ingegaan, nu het bestreden besluit prima facie een ondeelbaar geheel uitmaakt. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de Intercommunale HAVILAND in het administratief kort geding wordt ingewilligd. X-13.729-16/17 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 18 januari 2008 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Specifiek regionaal bedrijventerrein “transport, distributie en logistieke zone Westrode” te Meise en Londerzeel, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 februari
- Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-13.729-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.559 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div