DORO luidt als volgt: ‘Na de vaststelling van ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan.’
DORO luidt: ‘Ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in de artikelen 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest bedoeld in artikel 135.’ Voor het DORO waren dezelfde bepalingen terug te vinden in het planningsdecreet van 24 juli 1996 en meer bepaald in artikel 3, artikel 7§6 en §7. Het aangevochten gemeentelijk structuurplan is als zodanig louter een instrument tot sturing van het (gemeentelijk planologisch) beleid. Het heeft geen directe invloed op de behandeling van de vergunningsaanvragen. Het heeft geen enkele verordenende kracht in tegenstelling tot de plannen van aanleg resp. de uitvoeringsplannen. Overeenkomstig artikel 38§1, laatste lid DORO heeft het grafische plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften verordenende kracht en dit, overeenkomstig artikel 38§2, eerste lid DORO tot ze worden vervangen. Luidens artikel 14 §1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de nietigverklaring gevorderd worden wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. De bestreden beslissingen kan aangemerkt worden als een ‘akte’, in die zin van een bestuurshandeling met individuele strekking die rechtsgevolgen ressorteert. Aldus dient nagegaan te worden of het vastgestelde en goedgekeurde structuurplan beschouwd kan worden als een ‘reglement’ in de zin van voornoemde bepaling uit de gecoördineerde wetten. In ieder geval kan men daarbij niet om de vaststelling heen dat artikel 18 DORO het structuurplan een ‘beleidsdocument’ noemt. Een structuurplan bevat geen concrete regels die de aanwendingsmogelijkheden van onroerende goederen beïnvloeden, dit in tegenstelling tot de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen die een intrinsiek bodembestemmend karakter hebben, en luidens artikel 2 DRO c.q. artikel 38 § 1, laatste lid DORO ‘verordenende kracht’ bezitten.
DORO bepaalt bovendien dat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte bevat.
DORO stelt: ‘Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. ... Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren.’ M.a.w. zullen de bindende onderdelen van een gemeentelijk structuurplan enkel eenzijdig gelden ten overstaan van deze overheden en speelt het bindend X-11.487-3/10 karakter niet voor de burger, hetgeen nog eens geformaliseerd en zelfs versterkt wordt in
DORO dat uitdrukkelijk verbiedt dat ruimtelijke structuurplannen een beoordelingsgrond zouden vormen voor stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen en voor aanvragen tot het bekomen van een stedenbouwkundig uittreksel en attest. Juist daarom hebben de belangrijkste bepalingen van de structuurplannen verbindende, maar geen verordenende kracht gekregen. Het ‘bindend’ karakter van welbepaalde onderdelen van een structuurplan, impliceert dus geenszins dat die gedeelten een ‘verordenend’ karakter zouden hebben. Zulks werd bijvoorbeeld uitdrukkelijk bevestigd in de memorie van toelichting bij het planningsdecreet: ‘Bij de beoordeling van de bouwvergunningsaanvragen kan de bindende kracht van een structuurplan niet primeren op de verordenende kracht van de bestaande plannen van aanleg.’ Samen gelezen met de hierboven weergegeven bepaling van art. 19 §6 DORO, impliceert dit dat een voor de overheid bindende bepaling uit een structuurplan, pas rechtsgevolgen zal kunnen ressorteren voor de burger, eens deze ‘omgezet’ is in een verordenende bepaling in een plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan. De plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen vormen de enige beoordelingsgrond voor stedenbouwkundige en verkavelingsaanvragen en voor aanvragen tot het bekomen van een stedenbouwkundig uittreksel en attest. (...) Het is op het ogenblik dat effectief het bestemmingsplan wordt vastgesteld en goedgekeurd dat de planologische en juridische toestand wordt gewijzigd en dat door belanghebbenden ook met volle kennis van zaken een annulatieberoep kan worden ingesteld. (Het) verzoek tot nietigverklaring is dan ook onontvankelijk”. 2.1.
3 DRO). Daarnaast is een gemeentelijk structuurplan ook bindend voor de gemeente en de instellingen die eronder ressorteren (
DRO). Dit heeft tot gevolg dat de gemeentelijke overheden verplicht zijn om de beleidskeuzes die gemaakt worden in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan ten uitvoer te leggen, dat het hen verboden is beleidskeuzes ten uitvoer te leggen die in strijd zijn met het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, en dat hen zelfs verboden is om ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken die geen aansluiting vinden bij beleidsopties die gemaakt werden in het ruimtelijk structuurplan. Dit is een rechtsgevolg dat niet enkel op zich voortvloeit uit het ruimtelijk structuurplan. Het is ook een rechtsgevolg dat beoogd wordt met de opmaak van een ruimtelijk structuurplan. De bedoeling van een ruimtelijk structuurplan is niet enkel om beleidsopties te nemen die vrijblijvend door de overheid kunnen worden gevolgd. Het is de fundamentele optie van het nieuwe decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening om meer bevoegdheden te geven aan lokale beleidsniveaus op voorwaarde dat er garanties bestaan dat zij deze bevoegdheden op een verantwoorde manier zullen uitoefenen. In het kader van die optie verplicht het decreet de gemeenten niet enkel om hun beleid op te nemen in een document dat onderworpen wordt aan een openbaar onderzoek, aan het advies van diverse instanties en aan goedkeuring van de hogere overheid. Het decreet verplicht de gemeenten ook om zich aan dit beleid te houden, en dit op een dubbele wijze: waarin niet in het structuurplan is voorzien, kan niet door ruimtelijke uitvoeringsplannen worden uitgevoerd, en wat door ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt uitgevoerd, mag niet in strijd zijn met het structuurplan. Door het opnemen van een beleidsoptie in het beleidsdocument dat het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan is, beoogt het bestuur aldus zeer duidelijk om een rechtsgevolg tot stand te brengen. Het geeft het bestuur immers de mogelijkheid de optie ten uitvoer te leggen en zorgt er meteen voor dat er geen handelingen worden gesteld die in strijd zijn met deze beleidsoptie. Het structuurplan is al evenmin een louter voorbereidende handeling in het kader van de opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan. (...) X-11.487-5/10 Een structuurplan beperkt uiteraard de beoordelingsvrijheid van de gemeentelijke overheid wanneer deze een ruimtelijk uitvoeringsplan dient op te maken, of op een andere wijze reglementair dient op te treden. Dit vloeit simpelweg voort uit
van het decreet: - voor wat betreft de bindende gedeelten: ‘Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren’ - voor wat betreft het richtinggevende gedeelte: ‘Het richtinggevende gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen.’ Meer nog, een ruimtelijk uitvoeringsplan kan enkel ten uitvoer leggen wat in een ruimtelijk structuurplan staat (artikel 37, lid 1, 3/ en artikel 48, §2 DRO). Het structuurplan beperkt dan ook de beoordelingsvrijheid die de gemeentelijke overheid heeft. Een structuurplan werkt dan ook indirect door op de rechtspositie van de burger. Zeer pertinent is die doorwerking naar de burger beschreven door B. ROELANDTS, meer bepaald voor drie facetten ervan: het vergunningsbeleid, de rechterlijke controle op de verhouding tussen de diverse structuurplannen uitvoeringsplannen en vergunningen en de planschaderegeling. Dit is in het bijzonder van belang voor de verzoekende partij. De goederen van de verzoekende partij zijn gelegen in een woonuitbreidingsgebied, waardoor zij uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, waarbij dit laatste meestal middels een B.P.A. gebeurt. Door de goedkeuring van het ruimtelijk structuurplan kan de Stad Gent geen B.P.A.’s meer opmaken. De verzoekende partij heeft er belang bij dat de bestemming woonuitbreidingsgebied vervangen wordt door een bestemming die iets anders toelaat dan groepswoningbouw. Door het ruimtelijk structuurplan kan de gemeente evenwel niet anders dan het woonuitbreidingsgebied vervangen door een bestemming die woningbouw verbiedt en uitsluitend glastuinbouw toelaat. Meer nog, de gemeente is verplicht om deze bestemming door te voeren. Aangezien de schrapping van het woonuitbreidingsgebied en de inrichting voor glastuinbouw opgelegd is in het bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan, is het meteen ook uitgesloten dat het gemeentebestuur een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaakt dat ter plekke in een woonbestemming voorziet. De bestreden beslissing beperkt de beleidsvrijheid van de gemeente wel degelijk, zodat zij een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is”. 2.1.4. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog wat volgt: “Zoals reeds gezegd werd in de memorie van wederantwoord is een akte in de zin van
van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat rechtsgevolgen ontstaan. X-11.487-6/10 Het is daarbij niet vereist dat het gaat om rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partij. Nochtans is de afwezigheid van rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partij het argument om te stellen dat de beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling vormt. Dit gaat niet op: de vraag of een welbepaalde rechtshandeling aanvechtbaar is, moet beantwoord worden aan de hand van de eigen kenmerken van een beslissing. Het betreft hier de bevoegdheid van de Raad van State, en niet het belang van de verzoekende partij. Het gaat daarbij niet op om ten aanzien van de ene verzoekende partij te stellen dat de Raad van State wel bevoegd is om uitspraak te doen over het verzoek tot nietigverklaring, en ten aanzien van een andere partij te zeggen dat de Raad van State niet bevoegd is. De vereiste van het bestaan van rechtsgevolgen in hoofde van de verzoekende partij is door uw Raad nooit gesteld. Zo verleent een vergunning in beginsel enkel rechtsgevolgen in hoofde van de begunstigde van de vergunning. Door de vergunning krijgt deze persoon, en slechts deze persoon, het recht om een bepaalde handeling te stellen, die zonder deze vergunning verboden is. Voor derden heeft deze vergunning geen rechtsgevolgen. Zij ondergaan enkel de feitelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de rechtsgevolgen die aan deze vergunning zijn verbonden. Niettemin is het onbetwistbaar dat ook derden deze vergunning voor uw Raad kunnen aanvechten. (...) De vordering is bijgevolg wel degelijk ontvankelijk”. 2.1.
, § 5 D.R.O. luidt als volgt : “Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan”.
, § 6 D.R.O. bepaalt wat volgt : “De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135”.
, § 2, eerste en vierde lid D.R.O. bepaalt wat volgt : “Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. (...) Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren”. X-11.487-8/10 2.2.4. Uit de hiervoor aangehaalde bepalingen blijkt dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een document is dat louter beleidsdoelstellingen op lange termijn omvat voor de realisatie waarvan nog (verordenende) maatregelen moeten worden genomen. Het ruimtelijk structuurplan geeft aldus enkel de beleidsintenties voor de gewenste ruimtelijke structuur en een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied aan. De overheid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld, is op grond van
, § 5 D.R.O. weliswaar verplicht de nodige maatregelen te nemen om de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen met het ruimtelijk structuurplan in overeenstemming te brengen, maar deze rechtsplicht, die in casu enkel in hoofde van de gemeente bestaat, houdt echter niet in dat het bestreden ruimtelijk structuurplan ook in hoofde van de verzoekende partij rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen. De onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, die als bindend zijn aangeduid, zijn immers enkel bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren, terwijl dit bindend karakter, gelet op
, § 6 D.R.O., bovendien geen betrekking heeft op de beoordeling van een vergunningsaanvraag, noch van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundig uittreksel of attest. Het ruimtelijk structuurplan als beleidsdocument in het algemeen en de bindende onderdelen ervan in het bijzonder doen derhalve in hoofde van de verzoekende partij geen rechtsgevolgen ontstaan, noch beletten zij dat zij tot stand komen en kunnen om die reden in hoofde van de verzoekende partij niet als een administratieve rechtshandeling in de zin van artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden beschouwd. De omstandigheid dat het bestreden besluit wel rechtsgevolgen heeft voor de gemeentelijke overheden vermag aan deze vaststelling geen afbreuk te doen, terwijl het betoog van de verzoekende partij dat een vergunning enkel rechtsgevolgen heeft in hoofde van de begunstigde van de vergunning maar ook door derden kan worden aangevochten, pertinentie mist, gelet op de onder 2.2.3 vermelde, specifieke decreetsbepalingen die op het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan toepassing vinden. 2.2.5. De exceptie van de verwerende partijen is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. X-11.487-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.487-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.561 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.