← België

Arrest 186615 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.615 Rolnummer: A. 188726/XII-5478 Zaak: Arrest 186615 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:38 Fiche Arrest nr 186.615 van 30 september 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.615 van 30 september 2008 in de zaak A. 188.726/XII-

  1. In zake : Rudolf NOPPEN, die woonplaats kiest bij advocaat E. Vergauwen, kantoor houdende te Heverlee, Koning Leopold III-laan 9 tegen : de STAD LEUVEN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Socquet, kantoor houdende te Tervuren, Merenstraat 2-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rudolf Noppen op 26 juni 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de “beslissing van heren [R.V.] en [K.V.], in hun hoedanigheid van personeelslid van de Stad Leuven, houdende ongunstige evaluatieresultaat voor 2007, verzoeker ter kennis gebracht op 09.04.2008”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Weekers; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Coopman, die loco advocaat E. Vergauwen verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-5478-1/4 Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Verzoeker is vast benoemd als geschoold arbeider bij de technische dienst weg- en waterbeheer van de stad Leuven. Het eindresultaat van zijn periodieke evaluatie voor het jaar 2007 luidt “onvoldoende”.
  4. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging besluiten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  5. Wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, voert verzoeker een drievoudig nadeel aan. In de eerste plaats betoogt verzoeker dat hij reeds op 15 november 2007 vroeg om naar een andere dienst gemuteerd te worden en dat door de bestreden beslissing zijn mutatiekansen onbestaande worden. Hij verwijst in dit verband naar de statutaire voorschriften die zowel voor de overgang in de functionele loopbaan als om te kunnen bevorderen, het resultaat “goed” bij de laatste periodieke evaluatie vereisen. In de tweede plaats doet hij gelden dat de ontslagprocedure in werking zou worden gesteld “[i]ndien verzoeker ook voor het jaar 2008 een evaluatie ‘onvoldoende’ zou krijgen en indien de thans bestreden beslissing niet zou opgeschort worden”. Ten derde voert hij morele schade aan, doordat de negatieve evaluatie bij de collega’s bekend raakt en hem in zijn werkomgeving en ten aanzien van zijn partner in diskrediet brengt. XII-5478-2/4 4.
  6. Volgens de verwerende partij, in de nota, wordt de mogelijkheid om op een andere dienst te werken in geen enkel opzicht beïnvloed door de uitkomst van een evaluatieprocedure. Het blijkt vooralsnog niet dat dit onjuist is. In tegenstelling tot een overgang in de functionele loopbaan of tot een bevordering, lijkt een mutatie niet afhankelijk van een laatste periodieke evaluatie “goed”. Voorts verduidelijkt verzoeker met geen woord hoe groot precies het nadelige gevolg voor zijn functionele loopbaan is, waarom dit nadeel niet door een latere vernietiging hersteld zou worden, en welke bevordering in de nabije toekomst hij dan wel dreigt te mislopen. 4.
  7. Wat het tweede aangevoerde nadeel betreft, werpt verwerende partij tegen dat het bestreden evaluatieresultaat “geen enkel direct gevolg [heeft] voor de huidige tewerkstelling van betrokkene”. Dit houdt steek. In zoverre voor een ontslagprocedure eerst nog vereist is dat verzoeker ook voor 2008 “onvoldoende” geëvalueerd wordt, komt het betrokken nadeel als te hypothetisch voor. 4.
  8. Evenmin, ten slotte, vermag de beweerde “morele schade” een schorsing te verantwoorden. Dat een negatieve evaluatie in beginsel moreel grievend lijkt, is één zaak. Of die kwetsing ook ernstig en moeilijk herstelbaar is in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is echter een andere. Het is iets wat aan de hand van concrete en precieze bijzonderheden aannemelijk moet worden gemaakt. Weliswaar stelt verzoeker genoodzaakt te zijn geweest om “zich psychiatrisch te laten begeleiden”, maar hij brengt ter zake geen enkele verduidelijking of bewijsstuk bij, zelfs niet ter terechtzitting -voor zoveel het dan nog niet te laat zou zijn geweest-, nadat hij in de nota kon lezen dat het “weinig ernstig” is “om voor te houden dat hij zich ingevolge het behaalde evaluatieresultaat door een psychiater moest laten begeleiden”.
  9. De conclusie is dat tenminste de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing niet vervuld is. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. XII-5478-3/4 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 september 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5478-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.615 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.