← België

Arrest 186618 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.618 Rolnummer: A. 63836/X-10186 Zaak: Arrest 186618 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-14 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:38 Fiche Arrest nr 186.618 van 30 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.618 van 30 september 2008 in de zaak A. 63.836/X-10.186. In zake : 1. Patrick PAIS, 2. Paule VREYS, die woonplaats kiezen bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK-BRUGGE, Bossuytlaan 35. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick PAIS en Paule VREYS op 24 mei 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 maart 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van het beroep van Patrick PAIS tegen het besluit van 7 juli 1988 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een paardenstal met een overdekte trainingshal op een perceel gelegen te Huldenberg (Loonbeek), Nijvelsebaan 109, kadastraal bekend sectie B1, nr. 98/h; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 7 maart 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.186-1/25 Gelet op de beschikking van 20 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DENYS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat M. VANDEPUT, die loco advocaat J. BOSSUYT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 18 februari 1988 verkrijgt de eerste verzoekende partij van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een vergunning voor het bouwen van een paardenstal (17m bij 17,60m) op een perceel gelegen te Huldenberg (Loonbeek), Nijvelsebaan 109, kadastraal bekend “sectie B, nr. 98/h”. Met het oog op de uitbreiding van die paardenstal met een overdekte trainingshal (60,80m bij 20,80m), dienen de verzoekende partijen op 20 mei 1988 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) bij het voormelde gemeentebestuur een bouwaanvraag in. 1.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven, ligt het betrokken perceel in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.3. De gemachtigde ambtenaar verleent op 5 juli 1988 volgend ongunstig advies : X-10.186-2/25 “ONGUNSTIG. Het voorgelegd ontwerp (uitbreiden van een paardenstal met overdekte trainingshal) is volgens het bij K.B. dd. 7/4/77 vastgesteld gewestplan Leuven gepland in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, aldus door zijn bestemming zonder rechtstreeks verband met de agrarische activiteit, in strijd met art. 11 en 15 van het K.B. dd. 28/12/72 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. Derhalve besluit ik tot de weigering van de vergunning”. 1.4. Bij besluit van 7 juli 1988 weigert het college van burgemeester en schepenen de vergunning om de reden opgegeven in het erin overgenomen beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.5. Tegen dat besluit tekent de eerste verzoekende partij op 3 augustus 1988 beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant. 1.6. Wegens het uitblijven van een beslissing van de bestendige deputatie, dient de eerste verzoekende partij op 2 januari 1989 bij de minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ruimtelijke Ordening beroep in. Met een op 18 april 1989 ter post aangetekende brief rappelleert de eerste verzoekende partij de zaak bij de betrokken minister. Daarin staat: “Met dit aangetekend schrijven hou ik eraan, overeenkomstig art. 55, § 2, vierde lid van de stedebouw, te herinneren aan mijn schrijven van 2.I.89 (...). Mag ik dan ook vragen uitspraak te doen (...), binnen de daartoe wettelijke voorziene termijn”. 1.7. Bij besluit van 11 mei 1989 van de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting wordt het beroep verworpen. Dat besluit overweegt wat volgt: “Overwegende dat het ontwerp strekt tot de uitbreiding van een paardestal: een overdekte trainingshal; dat het college van burgemeester en schepenen de vergunning heeft geweigerd om reden dat de overdekte trainingshal volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied en derhalve strijdig is met de bepalingen van de artikels 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen; Overwegende dat appellant verzoekt om de uitbreiding van een paardestal op 18 februari 1988 vergund; dat deze paardestal (17,60 m bij 17

  1. m)dienstig voor het stallen van de eigen paarden van de aanvrager (7 in aantal) werd toegestaan; dat anderzijds op 21 september 1987 in hoger beroep een X-10.186-3/25 aanvraag voor de bouw van een rijstal met boxen met als afmetingen 58,50 m bij 20,30 m werd verworpen; dat onderhavige aanvraag een circa 60 m lang en 20,50 m diep gebouw betreft, zijnde een als trainingshal bedoelde konstruktie als aanbouw bij de paardestal; dat parallel aan de aanvraag voor de binneninrichting van de op 18 februari 1988 toegestane paardestal en de plaatsing van een keermuur werd ingediend ; Overwegende dat de trainingshal volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven (schaal 1/10.000), gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de bepalingen van artikels 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen van toepassing zijn; dat volgens de artikels 11 en 15 enkel in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden die handelingen die onder landbouwactiviteiten ressorteren kunnen worden toegestaan, voor zover deze de schoonheidswaarde van het landschap niet aantasten; dat het Bestuur Landinrichting, Dienst Landbouw op 17 juli 1987 ongunstig advies terzake heeft gegeven; dat de werken de plaatselijke aanleg in het gedrang brengen; dat om de vernoemde redenen het beroep dient te worden afgewezen”. Het besluit wordt op 12 mei 1989 aan de eerste verzoekende partij betekend. 1.8. Tegen dat besluit stellen de verzoekende partijen op 7 juli 1989 bij de Raad van State een annulatieberoep in. Bij arrest nr. 48.187 van 23 juni 1994 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 11 mei 1989. Dit arrest wordt door de griffie van de Raad van State op 5 augustus 1994 aan de raadsman van de verzoekende partijen betekend. 1.9. Met een op 21 september 1994 ter post aangetekend schrijven, gedagtekend op 20 september 1994 richt de raadsman van de verzoekende partijen zich tot de Administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en landschappen (AROHM): “Voor de goede orde laat ik U hierbij een copie geworden van het arrest van de Raad van State dd. 23 juni 1994. Mag ik U vragen te beschikken in dit dossier”. 1.10. Bij het bestreden besluit van 17 maart 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden wordt het beroep verworpen. Dat besluit wordt op 3 april 1995 aan de eerste verzoekende partij betekend. Het besluit is in essentie gesteund op volgende overweging: X-10.186-4/25 “Overwegende dat de trainingshal volgens het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven (schaal 1/10.000), gelegen is in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de bepalingen van de artikels 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen van toepassing zijn; dat volgens de artikels 11 en 15 enkel in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden die handelingen die onder landbouwactiviteiten ressorteren kunnen worden toegestaan, voor zover deze de schoonheidswaarde van het landschap niet aantasten; dat de bouw van de omschreven konstruktie met de eraan verbonden kultuurtechnische verbeteringen de reliëfwijziging, het rooien van bomen, de vegetatiestructuur van de zoom van het Margijsbos aantasten; dat dit een schending betekent van de homogeniteit van het Margijsbos dat in zijn geheel is opgenomen in het natuurgebied; dat het projekt is gepland derhalve dat zowel de commerciële als recreatieve uitbating, zonder rechtstreeks verband met de agrarische activiteit, mogelijk worden, dat het Bestuur Landinrichting, Dienst Landbouw deze zienswijze deelt en op 17 juli 1987 ongunstig advies terzake heeft gegeven; dat dit advies als volgt luidt : ‘Uit het onderzoek ter plaatse blijkt dat het hier geen leefbaar landbouwbedrijf betreft. Bovendien gaat het hier om een gebouw met de afmetingen van een manege waarbij zowel recreatie en commerciële uitbating mogelijk zijn.’; dat anderzijds naast de aantasting van de structuur een dusdanig grootschalige konstruktie in materialen als donkergrijze golfplaten voor de gevelvlakken en golfplaten in antracietkleurig eterniet voor de dakbedekking op het landschappelijke waardevolle element van het agrarisch gebied storend op het landschap inwerken; dat om deze redenen het beroep dient te worden afgewezen”. 2. Ten gronde 2.1.1. Eerste middel - standpunt van de partijen 2.1.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 55, §2, vijfde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (hierna: stedenbouwwet) alsook van het rechtszekerheidsbeginsel. De verzoekende partijen stellen dat ze op grond van artikel 55, §2, vijfde lid van de stedenbouwwet over een stilzwijgende bouwvergunning beschikken, aangezien de verwerende partij niet binnen de termijn van dertig dagen volgend op het aangetekend versturen van hun “rappelbrief” van 20 september 1994 een beslissing heeft genomen. Volgens hen kan, “op straffe van machtsoverschrijding”, met een laattijdige beslissing of betekening, met name een beslissing van 17 maart 1995 en een notificatie op 3 april 1995, door het bestuur geen afbreuk meer worden gedaan aan het recht dat ze rechtstreeks uit voormelde bepaling putten om de geplande bouwwerken uit te voeren. X-10.186-5/25 Met betrekking tot de aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel stellen de verzoekende partijen dat de rechtszekerheid vereist dat de bestreden beslissing, “die laattijdig is genomen en genotificeerd”, uit het rechtsverkeer wordt verwijderd. 2.1.1.2. De verwerende partij repliceert, samengevat, in haar memorie van antwoord dat de brief van 20 september 1994 niet als een rappelbrief in de zin van artikel 55, §2, vierde en vijfde lid van de stedenbouwwet kan worden beschouwd, omdat hij binnen de termijn van zestig dagen na de notificatie op 5 augustus 1994 van het voormelde arrest van 23 juni 1994 werd verstuurd en niet voldoet aan de vereisten gesteld inzake de inhoud van een dergelijke brief. 2.1.1.3. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord dat artikel 55, §2, vierde lid van de stedenbouwwet enkel vereist dat de rappelbrief wordt aangetekend. Ze stellen daarbij dat het correct is dat de rechtspraak die bepaling interpreteert in de zin dat die brief in dusdanige bewoordingen moet zijn opgesteld dat de minister of de administratie duidelijk kan uitmaken dat een bepaald beroep wordt herinnerd en dat de aanvrager vraagt om daarover een beslissing te nemen. Hun brief van 20 september 1994 voldoet volgens hen aan die voorwaarden, aangezien uit het bijgevoegd arrest van 23 juni 1994 blijkt om welk dossier het gaat en in de brief is gevraagd om in dit dossier te beschikken zodat die brief dan ook een rappelbrief is in de zin van artikel 55, §2, vijfde lid van de stedenbouwwet. Met betrekking tot het tijdstip van het versturen van die brief, betwisten de verzoekende partijen dat het vernietigingsarrest van 23 juni 1994 het bestuur zou terugplaatsen in de toestand die bestond ten tijde van het instellen van het beroep en dat ze daarom nogmaals een termijn van zestig dagen hadden moeten laten voorbijgaan alvorens ze een nieuwe rappelbrief konden verzenden. Wanneer het bestuur aan een termijn is gebonden, beschikt het, volgens hen, voor het nemen van een nieuwe beslissing na een vernietigingsarrest, nog slechts over het gedeelte van de termijn dat restte toen de vernietigde beslissing werd getroffen. Ze verwijzen daartoe naar rechtspraak van de Raad van State. Gezien het aantal jaren dat ze sinds het indienen van hun bouwaanvraag al geduld hebben moeten uitoefenen, menen ze dat het onbehoorlijk zou zijn om in casu te aanvaarden dat het bestuur nog langer zou kunnen talmen om een beslissing te nemen. X-10.186-6/25 Zelfs in de hypothese dat er door hen geen rappelbrief kon worden verstuurd vóór 7 oktober 1994, zoals de verwerende partij dat stelt, blijft het de vraag voor de verzoekende partijen waarom het dan nog tot in april 1995 heeft geduurd vooraleer ze een beslissing mochten ontvangen. Aangezien er een rappelbrief voorlag, begon, naar hun mening, immers dan zeker vanaf 7 oktober 1994 een termijn van dertig dagen te lopen. Omdat het bestreden besluit dateert van 17 maart 1995 is het ook in die optiek ruim laattijdig genomen, zodat het geen afbreuk kan doen aan de vaststelling dat ze op dat tijdstip de bouwtoelating al stilzwijgend hadden verworven. Aangezien het bestreden besluit “is genomen in strijd met deze bouwtoelating” moet het, aldus de verzoekende partijen, terwille van de rechtszekerheid worden vernietigd. 2.1.1.4. In hun laatste memorie voeren de verzoekende partijen nog aan wat volgt: “(...) In zijn Arrest nr. 82.093 dd. 16 augustus 1999, oordeelde Uw Raad nochtans dat de schorsing van een besluit waarbij een verkavelingsvergunning wordt geweigerd, gevolgd door de intrekking ervan, niet zonder meer tot gevolg (heeft) dat de behandeling van het door partijen ingesteld administratief beroep van meet af aan moet worden hervat, en dat, indien wordt beweerd dat de procedure wél van in den beginne diende (
  2. te)worden hervat, zulks met concrete gegevens moet worden aannemelijk gemaakt (...). Het arrest deed onder meer uitspraak over het middel waarin de verzoekende partijen het Vlaams Gewest verweten ingevolge de schorsing en intrekking van het bestreden besluit niet opnieuw de hoorzitting te hebben georganiseerd waarom zij in hu(
  3. n)administratief beroep hadden verzocht. Uit dit arrest kan mutatis mutandis dan ook worden afgeleid dat Uw Raad van oordeel is dat, wanneer een bouwweigering wordt nietigverklaard het Vlaams Gewest de keuze heeft de procedure herop te nemen vanaf de indiening van het beroep, dan wel vanaf de dag volgend op de hoorzitting. De beslissingstermijn die de Vlaamse Regering voor de behandeling van een administratief beroep inzake (...) bouwvergunningen wordt opgelegd door artikel 55 van de Stedenbouwwet, is niet lukraak gekozen, doch is doelmatig vastgesteld in functie van de termijn waarover een normaal, voorzichtig bestuur dient te beschikken om over zulk administratief beroep uitspraak te doen. Logisch gevolg is dat het Vlaams Gewest enkel kan beschikken over de termijn van 60 dagen die de wet voor de behandeling van een administratief beroep voorziet wanneer uit haar houding blijkt dat het van oordeel is dat ingevolge de vernietiging van het eerder getroffen besluit, de volledige procedure moet worden herover gedaan. Het Vlaams Gewest heeft, zoals blijkt uit de inventaris van het administratief dossier aldus na de vernietiging (van) de vergunningsweigering dd. 11 mei 1989 bij arrest van Uw Raad dd. 23 juni 1994 geen enkele stap ondernomen waaruit blijkt dat zij ervoor heeft gekozen de procedure die heeft geleid tot het X-10.186-7/25 vernietigde besluit over te doen vanaf de dag volgend op de indiening van het administratief beroep (bv. vraag om mededeling van bijkomende plans, vraag om mededeling van fiscale zegel, het eventueel opvragen van bijkomende adviezen...). Integendeel koos het Vlaams Gewest er blijkbaar voor de procedure herop te nemen na samenstelling van het dossier en voorbereiding van de beslissing. Gevolg van deze keuze kan alleen zijn dat het Vlaams Gewest uiteraard ook niet kan beschikken over de termijn die nodig is om zulks te doen, en rest het Vlaams Gewest na vernietiging van het eerdere besluit enkel de termijn waarvan zij voor het treffen van dit eerdere besluit geen gebruik heeft gemaakt. Rekening houdend hiermee, is de rappelbrief die beroepers verstuurden op 21 september 1994 niet voortijdig, en is het middel bijgevolg gegrond. Het Vlaams Gewest kan ter weerlegging van het eerste middel niet bogen op een beslissingtermijn die is vastgesteld in functie van een procedure die het helemaal niet heeft gevolgd om de beslissing voor te bereiden. (...)”. 2.1.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe aan hetgeen ze reeds eerder heeft uiteengezet. 2.1.2. Onderzoek van het eerste middel 2.1.2.1. Artikel 55, §2 van de stedenbouwwet, van toepassing op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, bepaalde: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Koning in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Minister gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De aanvrager kan bij de Koning in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie of, bij gebreke van die ontvangst, na afloop van de termijn waarbinnen deze plaats moest hebben. Dit beroep wordt bij ter post aangetekende brief gezonden aan de Minister, die een afschrift ervan aan het college stuurt binnen vijf dagen na de ontvangst. De aanvrager of zijn raadsman, alsook het college of zijn gemachtigde, worden op hun verzoek door de Minister of diens gemachtigde gehoord. Wanneer een partij vraagt te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen. Van de beslissing van de Koning wordt aan de partijen kennis gegeven binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending, die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Bij gebreke kan de aanvrager de zaak bij aangetekende brief aan de Minister rappeleren. Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang van de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, dan mag hij zonder verdere formaliteiten overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich X-10.186-8/25 gedraagt naar de aanwijzingen van het dossier dat hij heeft ingediend, naar de wetten en verordeningen, met name naar de voorschriften van de goedgekeurde plannen van aanleg, alsmede naar de bepalingen van de verkavelingsvergunning; is het beroep door het college of de gemachtigde ambtenaar ingesteld, dan mag de aanvrager overgaan tot het uitvoeren van het werk of het verrichten van de handelingen, mits hij zich gedraagt naar de beslissing van de bestendige deputatie”. 2.1.2.2. Het wordt niet betwist dat de brief, gedagtekend op 20 september 1994 voldoet aan de in artikel 55, §2, vierde lid, in fine van de stedenbouwwet gestelde vormvereiste van ter post aangetekende verzending. In die brief vragen de verzoekende partijen te beschikken in het dossier waarop het in bijlage gevoegde arrest van de Raad van State van 23 juni 1994 betrekking heeft. De, weliswaar summiere, bewoordingen erin geven samen met de bijlage voldoende duidelijk aan dat de verzoekende partijen een welbepaald beroep hebben ingesteld in toepassing van artikel 55, §2, tweede lid van de stedenbouwwet en dat de minister aan dat beroep wordt herinnerd. Met de verzoekende partijen moet dus worden vastgesteld dat de op 21 september 1994 ter post aangetekende brief van 20 september 1994 qua vorm en inhoud als een rappelbrief in de zin van artikel 55, § 2, vierde lid van de stedenbouwwet is te beschouwen. De omstandigheid dat de brief is gericht aan de directeur-generaal van AROHM en niet aan de minister, doet geen afbreuk aan die conclusie. 2.1.2.3. De terugwerkende kracht van een vernietigingsarrest heeft onder meer tot gevolg dat, wanneer de vernietigde handeling er een is die door de overheid binnen een bepaalde termijn dient te worden vastgesteld, de overheid over een nieuwe volle termijn beschikt om een beslissing te nemen. Het vernietigingsarrest van 23 juni 1994 is betekend op vrijdag 5 augustus 1994. De verwerende partij stelt terecht er pas ten vroegste op maandag 8 augustus 1995 van te zijn in kennis gesteld. Te rekenen vanaf die datum verstreek de door artikel 55, §2, vierde lid van de stedenbouwwet bepaalde termijn van zestig dagen, waarbinnen van de beslissing kennis moest worden gegeven, op vrijdag 7 oktober 1994. Overeenkomstig artikel 55, §2, vierde lid, in fine van dezelfde wet konden de verzoekende partijen “bij gebreke” van kennisgeving binnen die termijn de zaak bij ter post aangetekende brief aan de Minister rappeleren. X-10.186-9/25 Aangezien bedoelde termijn op 21 september 1994 nog niet was verstreken, is de op deze datum verzonden rappelbrief voorbarig en bijgevolg niet werkzaam. Een voortijdig verstuurde rappelbrief kan niet na verloop van tijd -namelijk bij het verstrijken van de voormelde termijn- werkzaam worden, en dan ook niet het door artikel 55, §2, vijfde lid van de stedenbouwwet eraan verbonden gevolg sorteren. Die bepaling is dan ook niet geschonden. 2.1.2.4. Inzake het feit dat het bestreden besluit ruim vijf maanden na het verstrijken van de termijn van zestig dagen, als vermeld in artikel 55, §2, vierde lid van de stedenbouwwet, is genomen en genotificeerd, moet worden opgemerkt dat dit niet kan leiden tot de nietigverklaring ervan, aangezien die termijn geen vervaltermijn is maar een termijn van orde. 2.1.2.5. Gezien hetgeen voorafgaat, kan er dan ook geen sprake zijn van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel. 2.1.2.6. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.1. Tweede middel - standpunt van de partijen 2.2.1.1. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 48.187 van 23 juni 1994 van de Raad van State alsook de schending van artikel 37 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van de artikelen 10 en 13 van de stedenbouwwet, en van artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet en van het rechtszekerheidsbeginsel, “Doordat de Raad van State in het arrest nr. 48187 van 23 juni 1994 het eerdere ministerieel besluit dd. 11 mei 1989 heeft vernietigd, omdat dit aan beroepers de bouwvergunning heeft geweigerd op basis van de bestemming van de grond in het gewestplan Leuven, gewestplan waarvan de Raad van State heeft vastgesteld dat het op het ogenblik van het treffen van de beslissing niet- tegenstelbaar en bijgevolg niet-verbindend was. En doordat het bestreden besluit de bouwvergunning opnieuw weigert onder verwijzing naar dezelfde bestemming van het gewestplan Leuven, en de criteria toepast van de artikelen 11 en 15 van het KB van 28 december 1972. Terwijl het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van de Raad van State het bestuur verplicht om een nieuwe beslissing te treffen rekening houdend met de vernietigingsmotieven van de uitspraak van de Raad, en het bestuur daarbij wordt teruggeplaatst ten tijde van het nemen van de vernietigde beslissing. X-10.186-10/25 En terwijl de minister meer bepaald aan beroepers de bouwvergunning niet meer kan weigeren met verwijzing naar de normen van de artikelen 11 en 15 van het KB van 28 december 1972, gezien deze regelen enkel betrekking hebben op gewestplanvoorschriften, en het gewestplan zoals gesteld moet geacht worden niet-tegenstelbaar te zijn”. 2.2.1.2. De verwerende partij voert, samengevat, in haar memorie van antwoord aan dat, rekening houdend met de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van het normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994) op 24 maart 1994, het gewestplan Leuven vanaf deze datum wel tegenstelbaar was en de minister op het ogenblik van het nemen van zijn beslissing op 17 maart 1995 wel degelijk rekening kon houden met het gewestplan Leuven, zonder het gezag van gewijsde van het arrest nr. 48.187 te schenden. 2.2.1.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “In het bestreden besluit weigert de minister aan beroepers de bouwvergunning, opnieuw verwijzende naar de bestemming van de grond in het gewestplan, terwijl de Raad van State zulks in het arrest nr. 48.187 van 23 juni 1994 nochtans onwettig had bevonden. Door aldus te beslissen heeft de minister het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State geschonden. De beschouwingen die tegenpartij in de memorie van antwoord wijdt aan de wijziging van de stedebouwwetgeving met betrekking tot de al dan niet tegenstelbaarheid van de gewestplannen zijn hier van geen tel, gezien het arrest van 23 juni 1994 van de Raad van State dateert van na bedoelde wijziging in de reglementering (...). Men kan aannemen dat de Raad, door het vernietigingsarrest mede te steunen op de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan Leuven, heeft willen kenbaar maken dat de inmiddels doorgevoerde wijzigingen in de reglementering geen invloed kunnen hebben op lopende procedures, dit conform het algemene beginsel van de non-retroactiviteit van de wetgeving. In dit kader mag men niet vergeten dat de minister door het vernietigingsarrest van de Raad van State van 23 juni 1994 teruggeplaatst werd in de toestand toen het beroep aanhangig was gemaakt, en bijgevolg ook de toen vigerende reglementering en wetgeving moet toepassen. Zoniet zou het voor de overheid volstaan om een onwettige beslissing te treffen, en na verloop van jaren, na een vernietigingsarrest, dezelfde beslissing te nemen, maar ditmaal op basis van een aangepaste reglementering. Aldus zou ongetwijfeld het rechtszekerheids- en het legaliteitsbeginsel, geschonden worden. De minister heeft bijgevolg ten onrechte de vergunning geweigerd op grond van de bestemming in het gewestplan”. X-10.186-11/25 2.2.1.4. De verzoekende partijen verwijzen in hun laatste memorie naar hetgeen ze in hun beroep tot nietigverklaring en hun memorie van wederantwoord hebben uiteengezet. 2.2.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe aan hetgeen ze reeds eerder heeft aangevoerd. 2.2.2. Onderzoek van het tweede middel 2.2.2.1. Het arrest nr. 48.187 van 23 juni 1994 overweegt aangaande de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan Leuven wat volgt : “Overwegende wat, het eerste middel betreft, dat artikel 10 van de stedebouwwet, zoals het gelding had op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd vastgesteld, de verplichting oplegt om het gewestplan in zijn geheel, dit is met inbegrip van de orthofotoplannen die de bestaande feitelijke toestand weergeven en van de kaarten met de juridische toestand, in het gemeentehuis ter inzage van het publiek te leggen en om die neerlegging ook aan het publiek bekend te maken op de wijze die het bepaalt; dat enkel door het geheel van alle elementen van de opgelegde bekendmaking de precieze rechten en verplichtingen van alle betrokken overheden en particulieren volledig kenbaar zijn gemaakt zoals artikel 190 van de gecoördineerde Grondwet het vereist; dat, zolang de vereiste bekendmaking door de aanplakking van het bericht van neerlegging en door de neerlegging van het gehele gewestplan in het gemeentehuis, niet in alle bij het gewestplan betrokken gemeenten heeft plaats gehad overeenkomstig artikel 10 van de stedebouwwet, het gewestplan niet tegenstelbaar, en derhalve niet verbindend is; dat niet wezenlijk betwist wordt, dat het gewestplan Leuven op de datum van de bestreden beslissing niet tegenstelbaar was omdat op dat ogenblik de voor de bekendmaking van het gewestplan opgelegde formaliteiten niet naar behoren waren vervuld; dat hieruit volgt dat de bestemmingsvoorschriften van het bij het koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven niet tegenstelbaar zijn aan de vergunningsaanvrager en derhalve tegen hem niet als een wettig weigeringsmotief konden worden ingeroepen; dat het middel gegrond is”. 2.2.2.2. Ten tijde van het nemen van het besluit van 11 mei 1989 waarover het voormelde arrest uitspraak heeft gedaan, bepaalde artikel 13 van de stedenbouwwet: “Alle bepalingen van de artikelen 9 en 10, behalve de bepaling betreffende het advies van de Ministerraad, zijn toepasselijk op het gewestplan”. Artikel 10 bepaalde: “Het Koninklijk besluit treedt in werking vijftien dagen na de bekendmaking ervan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, waarin tegelijk het advies van de Commissie van advies wordt overgenomen. Binnen dezelfde termijn zendt de Gouverneur het streekplan naar iedere gemeente die bij het plan betrokken is. X-10.186-12/25 De Gouverneur maakt door aanplakking bekend dat het plan in elk gemeentehuis voor een ieder ter inzage ligt”. Bij artikel 99 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 (hierna: decreet van 22 december 1993) is voormeld artikel 13 van de stedenbouwwet vervangen en door artikel 100 van datzelfde decreet is een artikel 13bis in de stedenbouwwet ingevoegd dat luidt als volgt: “De definitieve vaststelling van het plan door de Vlaamse Regering wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt waarin tevens het advies van de Regionale Commissie van Advies wordt opgenomen. Het plan treedt in werking binnen 15 dagen na zijn bekendmaking. Binnen 15 dagen na zijn bekendmaking ligt het advies met de normatieve delen van het plan na overmaking door de minister ter inzage van de bevolking in elk betrokken gemeentehuis. De niet-normatieve delen zijn ter inzage op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening. De Vlaamse Regering bepaalt welke delen van het plan normatief dan wel niet- normatief zijn”. Luidens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994, zijn de niet-normatieve delen de stukken die betrekking hebben op de gegevens bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1/ van de stedenbouwwet. De andere in artikel 12 bedoeld stukken zijn, volgens artikel 1 van hetzelfde besluit, normatieve delen. Artikel 12 van de stedenbouwwet bepaalde zowel op het ogenblik van het nemen van het besluit van 11 mei 1989 als ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit van 17 maart 1995 wat volgt: “Het gewestplan bevat : 1° de aanduiding van de bestaande toestand; 2° de maatregelen van aanleg, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest; 3° de maatregelen ter verbetering van het net der voornaamste verkeerswegen. Het kan eveneens bevatten : 1° algemene voorschriften van esthetische aard; 2° geheel of ten dele de zaken die in een gemeentelijk algemeen plan zijn opgenomen overeenkomstig de navolgende opsomming. Wanneer er een streekplan bestaat, richt het gewestplan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken”. X-10.186-13/25 Artikel 108 van het decreet van 22 december 1993 heeft de overgangsbepaling vermeld in artikel 75 van de oorspronkelijke tekst van de stedenbouwwet vervangen door de volgende overgangsbepaling: “§1. De definitieve vaststelling van de gewestplannen die vóór 1 januari 1994 voorlopig zijn vastgesteld, gebeurt volgens de procedure die vóór die datum gelding had. Indien de definitieve vaststelling niet is geschied vóór 1 januari 1995 vervalt het ontwerp-gewestplan. Op de gewestplannen die vóór 1 januari 1994 in herziening zijn gesteld, doch op die datum nog niet voorlopig zijn vastgesteld, zijn de bepalingen van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 van toepassing. § 2. De door de gemeenteraad definitief aanvaarde plannen van aanleg die vóór 1 januari 1994 aan de bevoegde minister zijn voorgelegd dienen binnen een termijn van 6 maanden na de voormelde datum definitief goedgekeurd te worden of geweigerd door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van een beslissing van de Vlaamse Regering, wordt het plan, zoals definitief aanvaard door de gemeenteraad geacht van een goedkeuring te zijn onthouden. § 3. Op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 is de bepaling van artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 van toepassing”. 2.2.2.3. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat de voormelde wetswijzigingen tot gevolg hadden dat alleen de normatieve delen van de gewestplannen die waren vastgesteld vóór 1 januari 1994 ter inzage van de bevolking moesten worden gelegd in elk betrokken gemeentehuis en de niet- normatieve delen ter inzage moesten liggen op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening. Sinds 24 maart 1994, datum van inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994, vereisten de betrokken bepalingen met betrekking tot de bekendmaking van gewestplannen dus niet langer dat orthofotoplannen en kaarten die de bestaande toestand weergeven, ter inzage in het gemeentehuis moesten worden neergelegd. 2.2.2.4. In het arrest nr. 86/95 van 21 december 1995 en het arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 overwoog het Grondwettelijk Hof in dat verband dat administratieve rechtshandelingen die na de inwerkingtreding van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993 zijn gesteld, niet meer kunnen worden bekritiseerd op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan wegens het niet ter inzage zijn ten gemeentehuize van de als niet-normatief aangewezen gedeelten ervan. X-10.186-14/25 2.2.2.5. Uit wat voorafgaat volgt dat het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 48.187 van 23 juni 1994, voorzover dit het besluit van 11 mei 1989 van de Gemeenschapsminister van Ruimtelijke Ordening en Huisvesting op grond van de niet-tegenstelbaarheid van het gewestplan Leuven vernietigt, verbonden is aan wettelijke bepalingen betreffende de bekendmaking van de gewestplannen die op het ogenblik van het thans bestreden besluit van 17 maart 1995 niet meer golden. 2.2.2.6. Aangezien enerzijds het gezag van gewijsde van een annulatiearrest van de Raad van State moet worden gezien binnen het raam van de op het ogenblik van het nemen van het vernietigde besluit vigerende wetgeving en reglementering, en anderzijds de vergunningverlenende overheid bij een heroverweging van de vergunningsaanvraag na annulatie gehouden is de reglementering toe te passen die geldt op het ogenblik van de nieuwe uitspraak en het gewestplan volgens de op dat ogenblik geldende reglementering wel tegenstelbaar was, kan er in casu geen sprake zijn van enige schending van het gezag van gewijsde van voormeld vernietigingsarrest. 2.2.2.7. Het tweede middel is niet gegrond. 2.3.1. Derde middel - standpunt van de partijen 2.3.1.1. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 15, laatste lid van de stedenbouwwet, van het koninklijk besluit van 14 september 1955 houdende goedkeuring van het algemeen plan van aanleg (hierna: APA) van de gemeente Loonbeek en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), “Doordat aan beroepers de bouwvergunning wordt geweigerd op grond van de bestemming van de grond in het gewestplan Leuven als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Terwijl de minister daarbij over het hoofd ziet dat voor de deelgemeente Loonbeek bij KB van 14 september 1955 een APA werd goedgekeurd dat de grond indeelt in de zogenaamde ‘landbouwzone B’, gebied waarin volgens de bestemmingsvoorschriften van dit APA een constructie zoals deze die door beroepers werd aangevraagd niet uitgesloten is (...). En terwijl de bestemming als ‘landbouwzone B’ in het APA niet strijdig is met de latere bestemming in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. X-10.186-15/25 En terwijl de minister in de bestreden beslissing minstens een evaluatie diende te maken van de verhouding tussen beide plannen van aanleg, en diende te motiveren waarom de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan voorrang zouden genieten op deze van het APA”. 2.3.1.2. De verwerende partij antwoordt daarop in haar memorie van antwoord hetgeen volgt: “Dat ter voldoening aan de verplichting tot uitdrukkelijke of formele motivering, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het volstaat dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden vermeldt die haar verantwoorden, o.m. opdat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Dat in casu de Heer Minister in zijn besluit op een uitvoerige wijze (...) de redenen voor de verwerping van het beroep en de weigering van de vergunning heeft kenbaar gemaakt. Bovendien geven verzoekers zelf toe dat het A.P.A. van de gemeente loonbeek (K.B. 14.09.1955) ruimere bestemmingsmogelijkheden voorzag dan het latere gewestplan, zoals o.m. woningen en zelfs nijverheidsuitbatingen. Gelet op art. 2 van de Stedebouwwet diende derhalve geen rekening gehouden te worden met het A.P.A. maar wel met het latere gewestplan. Dat ook de redengeving cfr. het K.B. 14.09.1955 bekend was aan de Raad van State n.a.v. het op 23.06.1994 tussengekomen arrest. Dat ter zake de Raad van State duidelijk heeft gesteld dat de kwestieuze grond niet binnen de omschrijving van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of binnen het gebied van een behoorlijk vergunde verkaveling is gesitueerd. Dat het College van Burgemeester en Schepenen duidelijk stelde dat het projekt van de overdekte trainingshal volgens het bij Koninklijk Besluit van 07.04.1977 vastgesteld gewestplan Leuven gesitueerd was in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en dan ook strijdig met ondermeer de bepaling van het artikel 15 van het Koninklijk Besluit van 28.12.1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen. (...)” . 2.3.1.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “De minister heeft de bestemmingsvoorschriften van het Algemeen Plan van Aanleg van Loonbeek, dat reglementaire waarde heeft en werd goedgekeurd bij KB van 14 september 1955, en dat voorrang heeft op het gewestplan, niet toegepast. Het APA is, althans wat de eigendom van beroepers betreft, van blijvende toepassing, gezien niet ernstig kan beweerd worden dat er strijdigheid zou bestaan tussen het voorschrift als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ in het gewestplan en als ‘landbouwzone B’ in het APA. De bestemmingsvoorschriften van het APA vormen geen beletsel voor de oprichting van de aangevraagde trainingshal. Het terrein is volgens dit plan van aanleg immers gesitueerd in de zogenaamde ‘landbouwzone B’, gebied waarin volgens de X-10.186-16/25 bestemmingsvoorschriften van dit APA een constructie zoals deze die door beroepers werd aangevraagd niet uitgesloten is. Minstens dient in het raam van dit middel aangenomen te worden dat de minister de nodige zorgvuldigheid aan de dag diende te leggen om te onderzoeken welke bestemmingsvoorschriften van welk plan van aanleg op de aanvraag van beroepers diende toegepast te worden. (...)”. 2.3.1.4. De verzoekende partijen verwijzen in hun laatste memorie naar hetgeen ze in hun beroep tot nietigverklaring en hun memorie van wederantwoord hebben uiteengezet. 2.3.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe aan hetgeen ze reeds eerder heeft aangevoerd. 2.3.2. Onderzoek van het derde middel 2.3.2.1. In het derde middel beperken de verzoekende partijen er zich toe te beweren dat de betrokken constructie gelegen is binnen de zogenaamde ‘landbouwzone B’ van het genoemd APA, dat dit APA een constructie zoals die door hen werd aangevraagd niet uitsluit en dat de bestemming ‘landbouwzone B’ in het APA niet strijdig is met de latere bestemming in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 2.3.2.2. De verzoekende partijen laten na aan te geven waarom zij de mening zijn toegedaan dat de bestemming ‘landbouwzone B’ de gevraagde constructie niet uitsluit. Ze verwijzen voor deze bewering enkel naar de kopieën die in bijlage bij het verzoekschrift werden gevoegd. Daaruit blijkt dat inzake de bestemming ‘landbouwzone B’ het volgende is bepaald: “Zone voorbehouden aan de landbouwuitbatingen de woonhuizen zullen er slechts kunnen toegelaten worden op eigendommen van minimum 1 ha. Langsheen de uitgeruste en aangelegde wegen zullen alleenstaande woonhuizen kunnen toegelaten worden op percelen van minstens 20 are hebbend langs deze wegenis een breedte van 20 m. Nijverheidsuitbatingen en inrichtingen welke wezenlijk aan de streek eigen is en grondstoffen gebruiken kunnen er eventueel slechts in zekere gevallen toegelaten worden. Gevallen waarover dient geoordeeld ten overstaan van de schade aan gewassen en karakter van het landschap”. X-10.186-17/25 2.3.2.3. Daarnaast laten de verzoekende partijen ook na aan te geven om welke redenen zij menen dat deze bestemming niet strijdig is met de latere bestemming in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Artikel 11.4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit) bepaalt ondermeer wat volgt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven (...).” Artikel 15.4.6.1. van hetzelfde besluit bepaalt verder nog : “De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. 2.3.2.4. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partijen zich, wat de toepassing van het APA betreft, beperken tot loutere beweringen. Een middel dat zich beperkt tot een loutere bewering of mededeling of het uiten van twijfel, is niet ontvankelijk. 2.3.2.5. Daarenboven diende, gelet op de hiërarchie van de plannen van aanleg, de aanvraag alleszins te voldoen aan de gewestplanvoorschriften hetgeen, zoals blijkt uit wat voorafgaat, in casu niet het geval is, zodat de minister kon volstaan met een beoordeling van de aanvraag op grond van de gewestplanvoorschriften. Uit voormelde beweringen van de verzoekende partijen blijkt dan ook niet dat het bestreden besluit op gebrekkige motieven is gesteund. 2.3.2.6. Het middel dient te worden verworpen. X-10.186-18/25 2.4.1. Vierde middel - standpunt van de partijen 2.4.1.1. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het KB van 7 april 1977”, van de artikelen 11.4.1. en 15.4.6.1. van het inrichtingsbesluit, van de artikelen 55, §3 en 45, §2, eerste lid van de stedenbouwwet en van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, “Doordat aan beroepers de bouwvergunning wordt geweigerd omdat de aanvraag in strijd zou zijn met de bestemming van de grond in het gewestplan als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Terwijl, vooropgesteld dat het gewestplan ten eerste tegenstelbaar zou zijn (zie het tweede middel) en ten tweede zou prevaleren op het APA van Loonbeek (zie het derde middel), de aanvraag van beroepers om de bestaande paardenstal uit te breiden met een trainingshal geenszins strijdig is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan. En terwijl vooreerst volgens artikel 11.4.1 van het KB van 28 december 1972 een agrarisch gebied immers uitdrukkelijk bestemd is voor de landbouw ‘in de ruime zin’, waaronder ook de zogenaamde ‘para-agrarische bedrijven’ begrepen zijn. En terwijl in de ministeriële circulaire van 3 augustus 1979 ter toelichting van het KB van 28 december 1972 paardestallen en manèges uitdrukkelijk vernoemd worden als toegelaten in het agrarisch gebied. En terwijl, in tegenstelling tot (hetgeen) de minister in het bestreden besluit ten onrechte stelt, de constructie niet opgevat kan worden als accom(m)odatie voor recreatieve en commerciële doeleinden, nu beroepers uitsluitend op private basis de eigen dieren wensen te verzorgen en te trainen met het oog op de competitiedressuur op professioneel niveau. En terwijl de nadere aanwijzing als landschappelijk waardevol gebied evenmin geldig kan ingeroepen tot weigering van de vergunning, nu de minister in het bestreden besluit met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap, en volledig aan het oog onttrokken is (...). En terwijl de overwegingen in fine van het bestreden besluit met betrekking tot de keuze van de bouwmaterialen redelijkerwijze niet noodzakelijk de radicale weigering van de vergunning noodzaken, nu aan deze bezwaren gemakkelijk kan verholpen worden door het opleggen van esthetische bouwvoorwaarden op dit vlak”. 2.4.1.2. De verwerende partij bespreekt in haar memorie van antwoord het vierde middel samen met het derde middel. Voor de repliek inzake het vierde middel wordt dan ook verwezen naar haar repliek hiervoor uiteengezet onder randnummer 2.3.1.2. 2.4.1.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: X-10.186-19/25 “Volledig ten onrechte stelt de minister in het bestreden besluit dat de inplanting van de rijhal strijdig zou zijn met de agrarische bestemming. Beroepers merken overigens op dat tegenpartij in de memorie van antwoord nergens repliek levert op de argumentatie van dit middel in het beroep tot nietigverklaring. Beroepers zien niet goed in waar dergelijke inrichting dan wel zou thuishoren. De enige logische en mogelijke plaats om deze trainingshal in te richten is ontegensprekelijk bij de bestaande stallingen en longeerruimte, op de eigendom waar beroepers ook wonen. In het bijzonder getuigt het bijna van kwade trouw vanwege tegenpartij om te blijven stellen dat beroepers de inrichting van recreatieve infrastructuur zouden beogen die in een agrarisch gebied niet past. Op onbegrijpelijke wijze blijft tegenpartij aldus volkomen blind voor het feit dat met een infrastructuur voor amper acht paarden nooit een commerciële manège kan geëxploiteerd worden. Niet voor niets hebben beroepers op de ingediende bouwplannen ook telkens uitdrukkelijk en letterlijk vermeld ‘dat de constructie enkel dienstig kan zijn voor eigen paarden, m.a.w. bestemd voor eigen gebruik en niet voor gebruik door derden’. Bovendien wensen beroepers daar aan toe te voegen dat zelfs in de ministeriële circulaire van 3 augustus 1979 ter toelichting van het KB van 28 december 1972 paardestallen en manèges uitdrukkelijk vernoemd worden als toegelaten in het agrarisch gebied. In recente rechtspraak van de Raad van State werd daarbij aanvaard dat para- agrarische inrichtingen als een smederij voor landbouwalaam toelaatbaar zijn in het agrarisch gebied (...). In het licht van deze rechtspraak, waarin uitdrukkelijk gesteld wordt dat aan de para-agrarische notie geen restrictieve interpretatie dient gegeven te worden, zou het onbegrijpelijk zijn de trainingshal zoals door beroepers aangevraagd strijdig te verklaren met de landbouwbestemming van het gebied. Tenslotte kan ook de aanwijzing van het landbouwgebied als ‘landschappelijk waardevol’ de weigeringsbeslissing niet verantwoorden. In het besluit wordt klaarblijkelijk over het hoofd gezien dat bij de opmaak van de bouwplannen de constructie optimaal kon ingebed worden in het reliëf en het landschap, en daardoor omzeggens volledig aan het zicht onttrokken wordt. De overwegingen in fine van het bestreden besluit met betrekking tot de keuze van de bouwmaterialen noodzaken redelijkerwijze niet de totale weigering van de vergunning, gezien aan eventuele bezwaren in dit verband gemakkelijk kan verholpen worden door het opleggen van esthetische bouwvoorwaarden”. 2.4.1.4. De verzoekende partijen verwijzen in hun laatste memorie naar hetgeen ze in hun beroep tot nietigverklaring en hun memorie van wederantwoord hebben uiteengezet. 2.4.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe aan hetgeen ze reeds eerder heeft aangevoerd. X-10.186-20/25 2.4.2. Onderzoek van het vierde middel 2.4.2.1. In het vierde middel betwisten de verzoekende partijen dat de uitbreiding van de bestaande paardenstal met een trainingshal in strijd zou zijn met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven, zijnde deze geldend voor landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. 2.4.2.2. Uit de samenlezing van artikel 11. 4.1. en artikel 15. 4.6.1. van het inrichtingsbesluit -bepalingen die hiervoor reeds onder randnummer 2.3.2.3. zijn geciteerd- moet worden afgeleid dat de toelaatbaarheid van bouwwerken in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst, met name een planologisch criterium, hetwelk veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen werken in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied, én een esthetisch criterium, hetwelk inhoudt dat bedoelde werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen ter vrijwaring van het landschap. 2.4.2.3. Uit de motivering van het bestreden besluit, zoals weergegeven onder randnummer 1.10 hierboven, blijkt dat het besluit hoofdzakelijk is gesteund op het niet voldaan zijn aan het esthetisch criterium. 2.4.2.4. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij heeft wel de opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop haar beoordeling steunt, correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen bouwwerken de schoonheidswaarde van het landschap al dan niet in het gevaar brengen. 2.4.2.5. De vaststellingen in het bestreden besluit aangaande de aantasting van “de vegetatiestructuur van de zoom van het Margijsbos” en de “schending (...) van de homogeniteit van het Margijsbos dat in zijn geheel is opgenomen in het natuurgebied”, welke aangevoerd worden om aan te tonen dat de bedoelde werken niet in overeenstemming zijn met de eisen ter vrijwaring van het landschap, betwisten de verzoekende partijen niet. X-10.186-21/25 Zij beperken er zich toe te stellen dat de nadere aanwijzing als landschappelijk waardevol gebied niet geldig kan worden ingeroepen tot weigering van de vergunning, “nu de minister in het bestreden besluit met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap, en volledig aan het oog onttrokken is”. 2.4.2.6. Dat de minister “met geen woord rept over het feit dat de constructie wegens het uitgesproken reliëf van het terrein volkomen ingebed is in het landschap”, toont niet aan dat de overheid van onjuiste gegevens zou zijn uitgegaan en dat zij niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de bouwwerken de structuur en de homogeniteit van het Margijsbos aantasten. 2.4.2.7. Wat betreft het motief in het bestreden besluit dat “een dusdanig grootschalige konstructie in materialen als donkergrijze golfplaten voor de gevelvlakken en golfplaten in antracietkleurig eterniet voor de dakbedekking op het landschappelijke waardevolle element van het agrarisch gebied storend op het landschap inwerken”, werpen de verzoekende partijen op dat de keuze van de bouwmaterialen redelijkerwijze niet noodzakelijk de radicale weigering van de vergunning noodzaken nu aan deze bezwaren gemakkelijk kan verholpen worden door het opleggen van esthetische bouwvoorwaarden op dit vlak. De vraag of een aanvraag moet worden geweigerd dan wel of een vergunning kan worden verleend mits het opleggen van voorwaarden, betreft de opportuniteit van de beslissing en niet de wettigheid. De Raad van State is niet bevoegd om zich hieromtrent uit te spreken. 2.4.2.8. Het vierde middel is niet gegrond. 2.5.1. Vijfde middel - standpunt van de partijen 2.5.1.1. In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen, enerzijds, de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van artikel 55, §3 van de stedenbouwwet en, anderzijds, een gebrek aan de rechtens vereiste feitelijke grondslag, “Doordat aan beroepers de bouwvergunning wordt geweigerd met nadrukkelijke verwijzing naar een advies dat het Bestuur Landinrichting op 17 juli 1987 heeft uitgebracht. X-10.186-22/25 Terwijl de bouwaanvraag door beroepers pas werd ingediend in de maand mei van 1988. En terwijl het advies waaruit in het bestreden besluit geciteerd wordt klaarblijkelijk betrekking heeft op een eerdere aanvraag, waarvoor de vergunning door de minister werd geweigerd op 21 september 1987. En terwijl deze eerdere aanvraag fundamentele verschillen vertoont met de laatste aanvraag, gezien de inplanting compleet gewijzigd werd, de constructie niet meer in het natuurgebied voorzien is, en het concept nu dusdanig is dat de bouw omzeggens volledig aan het zicht onttrokken is wegens het feit dat het reliëf toelaat dat de hal vier meter lager gebouwd wordt dan het straatniveau. En terwijl bedoeld advies van het Bestuur Landinrichting aldus onmogelijk relevant kan zijn als weigeringsmotief voor de laatste aanvraag”. 2.5.1.2. De verwerende partij antwoordt daarop in haar memorie van antwoord hetgeen volgt: “Bij nauwkeurige nalezing van het Ministerieel Besluit van 17.03.1995 kan onmiddellijk vastgesteld worden dat de Heer Minister op een uiterst grondige wijze de zaak heeft beoordeeld, en geoordeeld de vergunning te moeten weigeren nu de aanvraag volstrekt in strijd was met het alleszins sedert 24.03.1994 - dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit van 23.02.1994 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de normatieve en de niet normatieve delen van het definitief vastgesteld gewestplan - aan verzoekers tegenstelbare gewestplan. Ook is het volkomen ten onrechte dat verzoekers zich pogen te beroepen op een zogenoemde tekortkoming van de Heer Minister aan zijn motiveringsplicht. Het Vlaamse Gewest is de mening toegedaan dat het desbetreffende aangehaalde middel in al zijn onderdelen als ongegrond dient te worden afgewezen nu het volstaat, ter voldoening aan de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29.07.1991, dat de beslissing de feitelijke en juridische gronden doet kennen waarop ze is gesteund en die haar kunnen verantwoorden, hetgeen in casu is geschied. Hier moge uitdrukkelijk verwezen worden naar de motiveringen en gronden aangehaald in het bestreden Ministerieel Besluit. Bovendien blijkt duidelijk uit het administratief dossier dat de beslissing niet lichtvaardig werd genomen en met alle door verzoekster aangevoerde elementen rekening werd gehouden. Brevitatis causa worden voornoemde motiveringen en gronden als uitdrukkelijk herschreven en herhaald beschouwd, en dewelke een duidelijke en juiste motivering daarstellen - zowel rechtens als feitelijk - ter weigering van de vergunning. In dier voege beantwoordt het tussengekomen Ministerieel Besluit dan ook wel degelijk aan de motiveringsplicht opgelegd door de wet van 29.07.1991. Evenzo moge duidelijk gesteld wezen dat de motiveringsplicht de Overheid niet verplicht alle door een bezwaarindiener aangevoerde argumenten één voor één in Zijn besluit te beantwoorden en te weerleggen. Aan het voorschrift van de motiveringsplicht is immers overeenkomstig de gevestigde rechtspraak van de Raad van State voldaan, wanneer de beslissing over de bouwaanvraag de met de stedebouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen opgeeft waarop die beslissing is gesteund, derwijze dat het de aanvrager/de bezwaarindiener mogelijk is met kennis van zaken er tegen op te komen, en dat de Raad van State, in de uitoefening van de wettigheidscontrole, kan nagaan of de Overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, in X-10.186-23/25 hoeverre Zij die correct heeft beoordeeld, en of Zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen. (...)”. 2.5.1.3. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “In het vijfde middel betogen beroepers dat de verwijzing in het ministerieel besluit van 17 maart 1995 naar een advies van het Bestuur Landinrichting dat dateert van 17 juli 1987 manifest onwettig is en niet terzake doet, nu dit advies volledig achterhaald is, gezien het zelfs dateert van vóór het indienen van de bouwaanvraag (mei 1988).... Bedoeld advies heeft klaarblijkelijk betrekking op een eerdere aanvraag, waarvoor de vergunning door de minister werd geweigerd op 21 september 1987. Deze eerdere aanvraag vertoonde fundamentele verschillen met de laatste aanvraag, gezien de inplanting compleet gewijzigd werd, de constructie niet meer in het natuurgebied voorzien is, en het concept nu dusdanig is dat de bouw omzeggens volledig aan het zicht onttrokken is wegens het feit dat het reliëf toelaat dat de hal vier meter lager gebouwd wordt dan het straatniveau. Bedoeld advies van het Bestuur Landinrichting kan aldus onmogelijk relevant zijn als weigeringsmotief voor de laatste aanvraag. Beroepers stellen vast dat tegenpartij op dit middel in de memorie van antwoord nauwelijks repliceert”. 2.5.1.4. De verzoekende partijen verwijzen in hun laatste memorie naar hetgeen ze in hun beroep tot nietigverklaring en hun memorie van wederantwoord hebben uiteengezet. 2.5.1.5. De verwerende partij voegt in haar laatste memorie niets meer toe aan hetgeen ze reeds eerder heeft aangevoerd. 2.5.2. Onderzoek van het vijfde middel 2.5.2.1. Zoals uit het onderzoek van het vierde middel is gebleken, steunt het bestreden besluit in hoofdzaak op de schending van het esthetisch criterium. Het bestreden besluit merkt bovendien nog op dat “het projekt is gepland derhalve dat zowel de commerciële als recreatieve uitbating, zonder rechtstreeks verband met de agrarische activiteit, mogelijk worden”. Het verwijst ter ondersteuning van deze vaststelling naar het feit dat het Bestuur Landinrichting, Dienst Landbouw in het advies van 17 juli 1987 die zienswijze deelt. X-10.186-24/25 2.5.2.2. Dat laatste weigeringsmotief is een overtollig motief, aangezien de schending van het esthetisch criterium volstaat om de weigering van de vergunning te verantwoorden. De kritiek op dat overtollig weigeringsmotief kan dan ook niet dienend worden ingeroepen. 2.5.2.3. Het vijfde middel is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.186-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.