← België

Arrest 186673 - Plannen van aanleg - 30/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.673 Rolnummer: A. 164820/X-12422 Zaak: Arrest 186673 - Plannen van aanleg - 30/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-15 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:38 Fiche Arrest nr 186.673 van 30 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.673 van 30 september 2008 in de zaak A. 164.820/X-12.

  1. In zake :
  2. Rik BALCAEN,
  3. Edmond COPPENS,
  4. Christiana TUYPENS, die woonplaats kiezen bij advocaten D. VAN HEUVEN en S. RONSE, kantoorhoudende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24 tegen :
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128,
  6. de stad OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rik BALCAEN, Edmond COPPENS en Christiana TUYPENS op 2 augustus 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  8. het besluit van 4 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Hippodroom” van de stad Oostende, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een toelichtingsnota;
  9. de beslissing van 23 december 2004 van de gemeenteraad van de stad Oostende houdende definitieve aanneming van het bijzonder plan van aanleg van aanleg “Hippodroom”, omvattende een plan van de bestaande toestand juridisch, een plan van de bestaande toestand fysisch en een bestemmingsplan met afzonderlijke stedenbouwkundige voorschriften; X-12.422-1/18 Gelet op het arrest nr. 155.348 van 21 februari 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 28 maart 2006 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. CALLEBAUT, die loco advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-12.422-2/18 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  10. De feiten 1.
  11. Het bijzonder plan van aanleg “Hippodroom” van de stad Oostende heeft betrekking heeft op de Hippodroom Wellington, beschermd deels als monument en deels als stadsgezicht, en op de omgeving ervan. Het bedoelde plangebied is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Oostende- Middenkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 26 januari 1977, bestemd, deels tot gebied voor dagrecreatie, deels tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, en deels tot woongebied. Het genoemde bijzonder plan van aanleg komt tevens voor een relatief klein gebied in de plaats van het bijzonder plan van aanleg “Troonstraat”, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 2 februari
  12. Het bijzonder plan van aanleg “Hippodroom” voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een zone voor socio-culturele functies, met name bestemd voor de inplanting van een cinemacomplex, een zone voor recreatie, bestemd voor de aanleg van een piste voor paardenrennen en de oprichting van een golfschool, en verscheidene bijkomende woonzones. 1.
  13. De gemeenteraad van de tweede verweerster heeft op 24 september 2004 het bijzonder plan van aanleg “Hippodroom” voorlopig aangenomen. Tijdens het openbaar onderzoek worden drie bezwaren ingediend. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening (GECORO) heeft op 2 december 2004 geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren. 1.
  14. Bij het als tweede bestreden besluit van 23 december 2004 heeft de gemeenteraad van de tweede verweerster het bijzonder plan van aanleg definitief aangenomen. Op 17 februari 2005 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een gunstig advies verleend. Bij het als eerste bestreden besluit van 4 mei 2005 heeft de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het bijzonder plan van aanleg goedgekeurd. 1.
  15. Bij besluit van 24 juli 2006 heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende aan de n.v. KINEPOLIS GROUP de stedenbouwkundige vergunning verleend voor de bouw van een cinemacomplex en de (her)aanleg van het voorplein aan de Koningin Astridlaan z/n te Oostende, op de percelen kadastraal bekend onder sectie A, nrs. 89/e36, 89/k38, 89/l38, 89/n35, X-12.422-3/18 89/t33, en sectie D, nr. 2/n, gelegen binnen het beheersingsgebied van het bestreden bijzonder plan van aanleg. Tegen dit besluit werd door onder meer de tweede en de derde verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing ingesteld (zaak A/A. 176.983/X-13.028). Bij arrest nr. 170.657 van 27 april 2007 werd de vordering tot schorsing in de voormelde zaak verworpen bij gebrek aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
  16. Ontvankelijkheid - Belang 2.
  17. Standpunt van de partijen 2.1.
  18. De verzoekende partijen stellen in het verzoekschrift met betrekking tot hun belang bij het beroep: “
  19. Verzoekers beschikken eveneens over het rechtens vereiste actueel belang om een beroep bij uw Raad in te dienen nu zij de rechtstreekse buren zijn van de site waarop de bestreden beslissingen betrekking hebben en zij bovendien direct zicht vanuit hun appartementen hebben op deze site (en specifiek op de zone voor socio-culturele functies alwaar een omvangrijk cinemacomplex gepland wordt). In dit verband kan verder verwezen worden naar hetgeen uiteengezet wordt onder het derde middel”. 2.1.
  20. De tweede verwerende partij werpt ten aan zien van de eerste verzoekende partij een exceptie van niet ontvankelijkheid op, die zij uiteenzet als volgt: “In het inleidend verzoekschrift wordt vermeld dat de drie verzoekende partijen appartementen bewonen op de zeedijk, die een rechtstreeks zicht hebben op de kwestieuze site. Het belang van elke verzoekende partij dient - overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State - persoonlijk en actueel te zijn. Voor wat de eerste verzoekende partij betreft, is dit evenwel niet het geval. Na enig onderzoek terzake, blijkt immers dat de heer Rik BALCAEN niet gedomicileerd is op het door hem opgegeven adres aan de Zeedijk 99 te 8400 Oostende. In elk geval staat derhalve vast dat de vordering, inzoverre zij is ingesteld door de heer BALCAEN, niet ontvankelijk (is), dit bij gebrek aan persoonlijk belang. Het komt de verzoekende partijen toe de Raad van State en de tussenkomende partij hieromtrent de juiste informatie te verstrekken”. 2.1.
  21. In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen wat volgt: X-12.422-4/18 “
  22. Tweede verwerende partij stelt dat de eerste verzoeker, de heer Rik Balcaen , niet gedomicilieerd is op het hem opgegeven adres aan de Zeedijk 99 te 8400 OOSTENDE. Eerste verzoeker zou daarom niet van het vereiste belang getuigen bij diens vordering tot nietigverklaring.
  23. Nazicht leert inderdaad dat het appartement in kwestie niet de eigendom is van eerste verzoeker persoonlijk, maar van een vennootschap dat door hem bestuurd wordt. Feitelijk is het natuurlijk evenwel verzoeker persoonlijk die op de Zeedijk 99, bus 117 te Oostende woont, is het hij die dreigt te zullen moeten uitkijken op het cinemacomplex dat door het bestreden plan mogelijk gemaakt wordt, en is het ook hij die dreigt hinder te zullen ondervinden waarvan reeds melding gemaakt in het inleidend verzoekschrift (cf. meer bepaald het derde middel). Ook eerste verzoeker heeft zodoende weldegelijk het rechtens vereiste belang bij zijn vordering tot nietigverklaring.
  24. Geheel ondergeschikt is minstens duidelijk dat de gebeurlijke onontvankelijkheid - quod certa non - van de vordering van eerste verzoeker, het belang van de overige verzoekende partijen in deze onverlet laat. Teneinde elke twijfel uit te sluiten, voegen verzoekers kopij van de getuigschriften van woonst bij het dossier (...)”. 2.
  25. Onderzoek van de exceptie 2.2.
  26. De eerste verzoekende partij erkent dat het appartement gelegen aan de Zeedijk 99 te Oostende niet haar eigendom is. Als bestuurder van de vennootschap die er eigenaar van is doet de eerste verzoekende partij niet blijken van het vereiste rechtstreeks belang. Voorts brengt de eerste verzoekende partij geen enkel bewijs bij waaruit blijkt dat zij het betrokken appartement bewoont, hoewel dit door de tweede verwerende partij uitdrukkelijk wordt betwist. 2.2.
  27. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij.
  28. Ten gronde - eerste middel 3.
  29. Standpunt van de partijen 3.1.
  30. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “het gewestplan Oostende-Middenkust, zoals goedgekeurd bij K.B. van 26 januari 1977; schending van artikel 17 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen; schending van artikel 14, voorlaatste lid van het decreet betreffende X-12.422-5/18 de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; schending van het zorgvuldigheidsbeginsel; schending van de materiële motiveringsplicht”. Zij zetten het middel uiteen als volgt: “
  31. Verzoekende partijen stellen vast dat verwerende partijen in de bestreden beslissingen volledig ten onrechte van mening zijn dat de zone SC van het bestreden BPA, dit is de zone voor socio-culturele functies, in overeenstemming met de decretale bepalingen kan afwijken van het gewestplan Oostende-Middenkust. In casu is in de eerste bestreden beslissing enkel sprake van het omzetten van de gewestplanbestemming van dagrecreatie naar een zone voor socio-culturele functies.
  32. Niets is echter minder waar. Verzoekende partijen wijzen erop dat de bewuste zone voor socio- culturele functies, bestaande uit de deelzones la tot en met 1 c, volgens het geldende gewestplan niet alleen gelegen is in een zone voor dagrecreatie, maar ook in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. Meer zelfs, uit een analyse van het gewestplan (...) en het bij het bestreden BPA horende bestemmingsplan (...) blijkt dat de deelzones 1a, 1b en 1c voor het grootste gedeelte gelegen zijn in de zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut (en waarschijnlijk - op het zicht - slechts zeer gedeeltelijk in de zone voor dagrecreatie).
  33. Nochtans blijkt noch uit de eerste bestreden beslissing, noch uit het administratieve dossier dat eraan ten gronde ligt, hoe effectief werd nagegaan in welke mate de afwijking in het bestreden BPA van de gewestplanbestemming van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut kan verantwoord worden vanuit het perspectief van artikel 14, voorlaatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening. Inderdaad, in deze beslissing is énkel sprake van een verantwoording voor de afwijking van de gewestplanbestemming zone voor dagrecreatie.
  34. Ook in de tweede bestreden beslissing van de stad Oostende wordt enkel een verantwoording gegeven voor deze laatste afwijking. Van een motivering voor de afwijking door het bestreden BPA, middels het invoeren van een zone voor socio-culturele functies, van de gewestplanbestemming van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut is nergens sprake. Hierin kan enkel gelezen worden: ‘Overwegende dat dit ontwerp van Bijzonder Plan van Aanleg op de volgende punten afwijkt van de voorschriften van het voormelde Gewestplan ‘Oostende-Middenkust’ (..): % het terrein van de voormalige Vercaemerschool, met een oppervlakte volgens grafische meting van 5.025 m², wordt omgezet naar woongebied (zone W5); % een gedeelte van het domein van de Wellingtonrenbaan gelegen langs de Nieuwpoortsesteenweg, met een oppervlakte volgens grafische meting van 9.780 m², wordt omgezet naar woongebied (W4); % een gedeelte van het domein van de Wellingtonrenbaan en het huidige parkeerterrein ter hoogte van de Koningin Astridlaan, met een oppervlakte van 37.774 m², wordt omgezet naar zone voor socio-culturele functies (SC) Overwegende dat het bestaande terrein van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn, met een oppervlakte volgens grafische meting van 20.288 m², gelegen binnen de woonzone volgens het Gewestplan wordt X-12.422-6/18 bevestigd in zijn bestaan als een zone voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; Overwegende dat de afwijkingen tot het Gewestplan als volgt te motiveren zijn: % het creëren van de voormelde woonzones is in overeenstemming met de doelstellingen die in het voorontwerp van het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan zijn vastgelegd en met de taakstelling die Oostende wordt toebedeeld via de afbakening van het stedelijk gebied die op zijn beurt een uitwerking is van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, zoals bovenvermeld is uiteengezet. Bovendien zijn deze gedeelten van de zone ‘dagrecreatie’ vrijwel als dusdanig niet meer in gebruik: % het omzetten van een gedeelte van het domein van de Wellingtonrenbaan en het huidige parkeerterrein in een zone voor socio-culturele functies is een verfijning van de voorgeschreven bestemming ‘dagrecreatie’ zoals bovenvermeld wordt uiteengezet bij de bespreking van de opties.’ Tweede verwerende partij is er zodoende, net als eerste verwerende partij trouwens, totaal verkeerdelijk vanuit gegaan dat het huidige parkeerterrein in de Koningin Astridlaan ook de gewestplanbestemming van dagrecreatie heeft. Niets is echter minder waar. Het huidige parkeerterrein ligt volgens het gewestplan in een zone bestemd voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. De enige verwijzing die terzake wordt gemaakt naar de gewestplanbestemming van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut heeft betrekking op de deelzones 01, 02 en
  35. Hier is inderdaad sprake van een bevestiging en verfijning van de vigerende gewestplanbestemming.
  36. Aldus staat vast dat verwerende partijen op flagrante wijze de gewestplanbestemming van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut, die het huidige parkeerterrein in de Koningin Astridlaan omvat, hebben geschonden met het bestreden BPA. Er valt inderdaad niet in te zien hoe een zone die uitdrukkelijk bestemd wordt voor een cinemacomplex verenigbaar is met een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. Deze zones mogen principieel immers niet bestemd worden voor doeleinden zoals recreatie en toerisme. Hoewel het louter winstgevende karakter van een inrichting en het private karakter van de initiatiefnemer op zich geen determinerend criterium meer lijken te zijn om de conformiteit te beoordelen met een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut, menen verzoekende partijen toch dat een cinemacomplex - aansluitend dan nog op een paardenrenbaan in een grote kuststad - onmogelijk als een gemeenschapsvoorziening kan worden gezien. Het gaat in deze context inderdaad om een puur recreatieve en toeristische functie die niet thuishoort binnen zulk gebied.
  37. Ondergeschikt, in het onmogelijke geval dat Uw Raad zou oordelen dat een cinemacomplex verenigbaar is met de gewestplanbestemming van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut, ten zeerste quod non, dan staat vast dat een cinemacomplex niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming van dagrecreaties. In die zin kan dan ook onmogelijk gesproken worden van het feit dat de zone voor socio-culturele functies niet meer is dan een ‘verfijning’ van de voorgeschreven gewestplanbestemming, zoals verwoord wordt in de tweede bestreden beslissing.
  38. Minstens wordt in de bestreden beslissingen niet aangegeven in welke mate het bepaalde in artikel 14, voorlaatste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening werd nageleefd. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke X-12.422-7/18 planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november
  39. Bijzondere plannen van aanleg die afwijken van het gewestplan en die voorlopig worden aangenomen na 1 november 2006, kunnen tot 1 mei 2008 slechts definitief aangenomen worden door de gemeenteraad indien de bepalingen ervan in overeenstemming zijn met een minstens voorlopig vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Na 1 mei 2008 kunnen geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad aangenomen worden’”. 3.1.
  40. De eerste verwerende partij beantwoordt het middel als volgt: “11 .De verzoekende partijen zijn van mening dat de verwerende partijen in de bestreden beslissingen volledig ten onrechte stellen dat de zone voor socio- culturele functies (SC) van het bestreden BPA in overeenstemming met de decretale bepalingen kan afwijken van het gewestplan Oostende-Middenkust. In de eerste beslissing zou immers enkel sprake zijn van het omzetten van de gewestplanbestemming van dagrecreatie naar een zone voor socio-culturele functies, terwijl volgens de verzoekende partijen ook sprake zou zijn van een omzetting van de zones voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut naar zone voor socio-culturele functies. Het huidige parkeerterrein in de Koningin Astridlaan zou volgens het gewestplan immers niet de bestemming van dagrecreatie hebben, maar wel deze van gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. Er zou volgens verzoekers derhalve geen verantwoording zijn gegeven voor deze laatste afwijking.
  41. Het gewestplan bestemt de zone die door de bestreden beslissingen als zone voor socio-culturele functies wordt voorzien, als zone voor dagrecreatie en zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. Voor deze laatste zone bestond er reeds het BPA 114 ‘Troonstraat’ (M.B. 2 februari 1989) en omvat de parkeerplaats en het leegstaande benzinepompstation. De stelling van de verzoekers kan niet overtuigen, nu de bestemming ‘socio- culturele functies’ in se niet onverenigbaar is met de gewestplanbestemming ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’. Inrichtingen die het algemeen belang dienen of een dienst verlenen aan de gemeenschap zijn principieel verenigbaar met de bestemming gemeenschapsvoorziening en openbaar nut, ongeacht het feit of die inrichtingen door de overheid dan wel een private persoon worden uitgebaat én ongeacht of deze inrichting al dan niet met een winstoogmerk wordt uitgebaat. De Raad van State oordeelde reeds ten aanzien van verschillende gelijkaardige inrichtingen. Zo bijvoorbeeld werd de inplanting van een manège in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen aanvaard, op voorwaarde dat deze voor iedereen open stond (...). Ook een sportinfrastructuur werd reeds beschouwd als een gemeenschapsvoorziening in de zin van artikel 17.6.2 van het K.B. van 28 december 1972, zelfs indien deze door een particulier werd uitgebaat (...). Bovendien bepaalt het bij decreet van 7 mei 2004 ingevoegde nieuwe artikel 145quinquies DRO nu uitdrukkelijk dat, bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van inrichtingen in de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, het winstoogmerk niet is uitgesloten en dat het publiek- dan wel privaatrechtelijk statuut van de initiatiefnemer niet terzake doet (...). X-12.422-8/18 In casu beoogt het bestreden BPA ‘Hippodroom’ de creatie van een zone voor socio-culturele functies, die uiteraard voor iedereen toegankelijk zullen zijn, zodat dit verenigbaar is met de gewestplanbestemming. Ondergeschikt
  42. 0ndergeschikt zijn de verzoekers van mening dat een cinemacomplex niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming van dagrecreatie, omdat een cinema geen ‘dag’recreatie is, maar ook ’s avonds en in het weekend plaatsvindt. De verzoekers geven hier toch wel een zeer vreemde lezing aan het begrip dagrecreatie. In het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen worden de recreatiegebieden als volgt omschreven : Art 16
  43. De recreatiegebieden: 5.
  44. De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accomodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccomodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren. 5.
  45. De gebieden voor dagrecreatie bevatten enkel de recreatieve en toeristische accomodatie, bij uitsluiting van alle verblijfsaccomodatie. 5.
  46. De gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie zijn bestemd voor de recreatieve en toeristische accomodatie alsmede de verblijfsaccomodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendsverblijfparken. (...) Een cinemacomplex valt zonder twijfel onder recreatieve en toeristische accommodatie. Het feit of tijdens de dag of de nacht zou plaatsvinden is van geen belang.
  47. Verzoekers beroepen zich vervolgens op art. 14, lid 3 en 4 DRO dat op het ogenblik van de tweede bestreden beslissing luidde als volgt : ‘Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § I, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005.’ Deze bepaling werd bij decreet van 22 april 2005, inwerking tredend op 29 april 2005, als volgt aangepast : ‘Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § I, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32 § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd voor 1 november
  48. Bijzondere plannen van aanleg die afwijken van het gewestplan en die voorlopig worden aangenomen na X-12.422-9/18 1 november 2006, kunnen tot 1 mei 2008 slechts definitief aangenomen worden door de gemeenteraad indien de bepalingen ervan in overeenstemming zijn met een minstens voorlopig vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Na 1 mei 2008 kunnen geen afwijkende bijzondere plannen van aanleg meer definitief door de gemeenteraad aangenomen worden.’ Aangezien er betreffende de zone voor socio-culturele functies geen sprake is van een afwijking van het gewestplan (zie ook tweede middel), is vermeld artikel uiteraard niet van toepassing. Of er een afweging op basis van het RSV zou zijn gebeurd of niet, is dan ook in deze context niet relevant.
  49. Om dezelfde redenen zijn evenmin de motiveringsverplichting of het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden”. 3.1.
  50. De tweede verwerende partij beantwoordt het middel als volgt: “Meer in het bijzonder poneren de verzoekende partijen dat de voorziene zone voor socio-culturele functies strijdt met de gewestplanbestemming ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’, waarin de huidige parking is gelegen. Deze afwijking zou niet voldoende zijn gemotiveerd in het licht van de voorschriften van artikel 14, voorlaatste lid van het coördinatiedecreet. Deze stelling kan niet overtuigen, nu de bestemming `socio-culturele functies’ in se niet onverenigbaar is met de gewestplanbestemming ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’. In essentie kunnen in zones voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut enkel inrichtingen worden ondergebracht die de ‘dienstverlening aan de gemeenschap’ tot doel hebben. De stelling van de verzoekende partijen dat deze zones prinicipieel niet mogen worden bestemd voor doeleinden zoals recreatie en toerisme, dient sterk te worden genuanceerd. Uw Raad heeft in elk geval ten aanzien van verschillende gelijkaardige inrichtingen anders geoordeeld. Zo bijvoorbeeld werd de inplanting van een manège in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen aanvaard, op voorwaarde dat deze voor iedereen open stond (...). Ook een sportinfrastructuur werd reeds beschouwd als een gemeenschapsvoorziening in de zin van artikel 17.6.2 van het K.B. van 28 december 1972, zelfs indien deze door een particulier werd uitgebaat (...). Bovendien bepaalt het bij decreet van 7 mei 2004 ingevoegde nieuwe artikel 145quinquies DRO nu uitdrukkelijk dat, bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van inrichtingen in de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, het winstoogmerk niet is uitgesloten en dat het publiek- dan wel privaatrechtelijk statuut van de initiatiefnemer niet terzake doet (...). Gevolg van dit alles is dat inrichtingen die het algemeen belang dienen of een dienst verlenen aan de gemeenschap principieel verenigbaar zijn met de bestemming gemeenschapsvoorziening en openbaar nut, ongeacht het feit of die inrichtingen door de overheid dan wel een private persoon worden uitgebaat én ongeacht of deze inrichting al dan niet met een winstoogmerk wordt uitgebaat. Welnu, in casu beoogt het kwestieuze BPA ‘Hippodroom’ de creatie van een zone voor socioculturele functies, die uiteraard voor iedereen toegankelijk zullen zijn. Rekening houdend met de eerdere rechtspraak van Uw Raad, die een manège en een sportinfrastructuur als een gemeenschapsinfrastructuur heeft aangemerkt en met de recente invoeging van artikel 145quinquies in het DRO, dient dan ook te worden aangenomen dat het voorzien van een zone voor socio-culturele functies (bvb. een cinemacomplex), wel degelijk verenigbaar is met de gewestplanbestemming gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. X-12.422-10/18 In ondergeschikte orde, zijn de verzoekende partijen van oordeel dat de inplanting van een cinemacomplex niet verenigbaar zou zijn met de gewestplanbestemming dagrecreatie. De verzoekende partijen wijzen hierbij op het feit dat in de cinema tevens voorstellingen zullen doorgaan ‘s avonds en in het weekend. Het moge duidelijk zijn dat deze stelling van de verzoekende partijen berust op een verkeerde lezing van het begrip ‘dagrecreatie’. Artikel 16.5.1 van het K.B. van 28 december 1972 bepaalt immers duidelijk dat de gebieden voor dagrecreatie enkel de recreatieve en toeristische accommodatie bevatten, met uitsluiting van de verblijfsaccommodatie. De term `dag-‘recreatie slaat dus enkel op het feit dat in deze gebieden geen verblijfsaccommodatie (overnachtingsplaatsen) mag worden ingericht. Het is evenwel duidelijk dat de inrichting van een cinemacomplex kan worden beschouwd als recreatieve (en deels tevens als toeristische) infrastructuur, zodat de inrichting van een cinemacomplex onmiskenbaar bestaanbaar is met de gewestplanbestemming dagrecreatie. Aangezien de beoogde bestemming ‘zone voor socio-culturele functies’ derhalve niet afwijkt ten opzichte van de gewestplanbestemming, diende er evidenter geen ruimtelijke afweging cfr. artikel 14, vierde lid van het Coördinatiedecreet te gebeuren en werd noch dit artikel, noch het zorgvuldigheidsen het motiveringsbeginsel geschonden. Het eerste middel is niet gegrond”. 3.1.
  51. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “
  52. verzoekers kunnen als volgt repliceren: 2.1 Het verdient vermelding dat voormelde argumentatie van verwerende partijen pas eerst aan bod komt tijdens onderhavige procedure voor Uw Raad. In de bestreden beslissingen wordt helemaal niet ingegaan op de relatie tussen de gewestplanbestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ en de voorziene BPA- bestemming ‘zone voor socio - culturele functies’. Integendeel, uit de bestreden beslissingen en uit de onderliggende Memorie kan enkel afgeleid worden dat verwerende partijen dit volledig uit het oog verloren hebben. Zulks getuigt niet van zorgvuldige planning. Enkel daarom al is onderhavig middel gegrond. Waar de ‘zone voor socio - culturele functies’ zijn enige bestaansreden vindt in het ter plaatse kunnen voorzien in een cinemacomplex, is het bovenstaande des te frappanter, nu Uw Raad reeds geoordeeld heeft dat de aanwezigheid van een cinemacomplex in een ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ helemaal niet ‘voor de hand ligt’ (...). 2.
  53. De loutere a posteriori argumentatie van verwerende partijen, al zou het voorzien in een ‘zone voor socio - culturele functies’ in se niet afwijken van de gewestplanbestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’, kan evenmin gevolgd worden. 2.2.
  54. De begrippen ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ worden niet gedefinieerd in het Besluit van 28 december 1972 houdende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen en de ontwerp - gewestplannen. In de Omzendbrief bij voormeld uitvoeringsbesluit wordt wel vermeld:
  55. Begripsomschrijving en algemeenheden. X-12.422-11/18 Onder ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ dient te worden begrepen voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld. De idee van dienstverlening (verzorgende sector) aan de gemeenschap is derhalve rechtstreeks aanwezig. Daarbij is het irrelevant of deze voorzieningen worden opgericht en uitgebaat door een overheid dan wel door een privé-instelling of -persoon, inzoverre althans de exploitant van de inrichting geen winstbejag nastreeft en de voorzieningen werkelijk ten dienste staan van de gemeenschap. Zo oordeelde de Raad van State reeds meermaals dat sportinfrastructuur een gemeenschapsvoorziening kan zijn als bedoeld in artikel 17.6.
  56. zelfs indien zij door een particulier wordt uitgebaat. In dat geval mag de exploitant wel geen winstbejag nastreven. Ook constructies bestemd voor een manège en ruitersclub kunnen worden beschouwd als gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen, onder dezelfde voorwaarde dat de exploitant ervan geen winstbejag nastreeft. Als gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen kunnen eveneens worden beschouwd een school, een voor het publiek toegankelijke toegangsweg tot een vergund gebouwencomplex in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen en neveninrichtingen naast een autosnelweg. Alhoewel in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen in principe geen gebouwen met een woonfunctie zijn toegelaten, heeft de Raad van State bovendien niettemin geoordeeld dat service - flats voor bejaarden kunnen worden vergund in dergelijk gebied. Ook een nomadenkamp werd door de Raad van State beschouwd als een ‘gemeenschapsvoorziening en openbare nutsvoorziening’. Zoals ook weerhouden in de Omzendbrief werd in de rijke rechtspraak van Uw Raad terzake bepaalde eerder ‘recreatief aandoende functies’ beschouwd als zijnde verenigbaar met de bestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’, zulks evenwel onder de strikte conditie dat geen winstbejag wordt nagestreefd door de (de al dan niet publieke) uitbater in kwestie. Welnu. Het bij deze bestreden BPA voorziet ter plaatse, naast een specifieke ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ (!) , zonder meer in een zone voor ‘socio - culturele functies’ (zonder verdere duiding). O.m. (andere) horeca en recreatie — functies (opnieuw zonder specifiëring) worden als nevenbestemming verenigbaar geacht met voormelde hoofdbestemming. Bij gebreke aan verdere verduidelijking bevat het bestreden BPA dan ook geen enkele garantie dat zekere ‘socio-culturele functies’ , welke niet als een gemeenschapsvoorziening of openbare nutsvoorziening kunnen beschouwd worden (en niet alle ‘socio — culturele functies’ zijn per definitie gemeenschapsvoorzieningen), zich ter plaatse niet kunnen vestigen (dankzij het BPA). Integendeel zijn functies zoals horeca (zonder meer) per definitie en minstens potentieel commerciële, winstgenerende activiteiten, die geen enkel uitstaans hebben met gemeenschapsvoorzieningen. Het BPA, dat minstens de mogelijkheid voor niet-gemeenschapsvoorzieningen of niet- openbare nutsvoorzieningen ruim open laat, wijkt daarmee af van de gewestplanbestemming. Onderhavig middel in dan ook gegrond. 2.2.
  57. Het bovenstaande wordt dan nog eens treffend aangetoond door de interpretatie die verwerende partijen zelf geven aan ‘socio - culturele functies’. Zoals o.m. uit de bestreden beslissingen en uit de Toelichting blijkt, zal in de zone voor ‘socioculturele-functies’ voorzien worden in een groot cinemacomplex, met aansluitend horeca (café’s) en andere recreatieve functies. X-12.422-12/18 Er valt helemaal niet in te zien hoe een dergelijke louter commercieel complex als een ‘gemeenschapsvoorziening of openbare nutsvoorziening’ kan gekwalificeerd worden. Noch uit de reglementering (waarin bepaald wordt dat dienstverlening moet centraal), noch uit de Omzendbrief (...) , en noch uit de rechtspraak van Uw Raad (cf. supra) kan zulks afgeleid worden. Integendeel, in het arrest (...) van 6 juni 1996 verduidelijkte Uw Raad dat de verenigbaarheid van een bioscoopcomplex met de gewestplanbestemming ‘gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ helemaal ‘niet voor de hand ligt’ Het omgekeerde aannemen zou trouwens maken dat de gewestplanbestemming gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ volledig uitgehold wordt, minstens elke betekenis verliest. Noch van enige vorm van publieke dienstverlening, noch van enige vorm van ‘algemeen belang’ is in deze sprake. Het idee van publieke dienstverlening eigen aan gemeenschapsvoorzieningen gaat niet zover dat een commercieel cinemacomplex daar onder valt. 2.2.
  58. De verwijzing die verwerende partijen maken naar artikel 145 quinquies D.R.O. kan hen evenmin baten, net integendeel. Artikel 145quinquies D.R.O. stelt: In de gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, kunnen altijd de werken. handelingen en wijzigingen die met toepassing van artikel 103 als werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang moeten worden beschouwd, worden toegelaten, ongeacht het publiek- qf privaatrechtelijk statuut van de initiatiefdenier of het al dan niet aanwezig zijn van winstoogmerk. Hetzelfde geldt voor de activiteiten of inrichtingen verbonden met deze werken, handelingen of wijzigingen. Het gegeven dat in het vergunningenbeleid voorzien is dat, los van het statuut van de initiatiefnemer en diens gebeurlijk winstoogmerk, in een volgens het gewestplan bestemde zone voor ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’ werken van algemeen belang in de zin van artikel 103 D.R.O toegelaten zijn, maakt niet dat middels een BPA - zonder naleving van de voorschriften weerhouden in hoofding van onderhavig middel - kan afgeweken worden van een gewestplanbestemming. Nog minder maakt dit van een bioscoopcomplex — nogmaals, een louter commercieel complex — een werk van ‘algemeen belang’ of een ‘gemeenschapsvoorziening’. Uit de parlementaire voorbereiding bij het zgn. BIAC - decreet (tot invoering van artikel 145 quinquies D.R.O.), blijkt net dat louter commerciële inrichtingen of inrichtingen die geen betrekking hebben op het algemeen belang uitgesloten zijn van de toepassing van artikel 145 quinquies D.R.O. en zich niet kunnen vestigen in een ‘gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’. Inderdaad heeft de decreetgever, door in een koppeling met artikel 103 D.R.O. te voorzien, enkel die werken van algemeen belang geviseerd. Uit artikel 145 quinquies D.R.O. blijkt net a contrario dat het louter commerciële cinemacomplex niet verenigbaar is met de bestemming ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’. 2.
  59. Er weze in (dit) opzicht ook aan herinnerd dat alvorens onderhavig bestreden BPA, ter plaatse, middels BPA nr. 114, in een wel gewestplanbestemmingsconforme zonering was voorzien (publieke parking)”. X-12.422-13/18 3.1.
  60. In een laatste memorie laat de eerste verwerende partij nog gelden wat volgt: “(...) Meer in het bijzonder poneren de verzoekende partijen dat de voorziene zone voor socio-culturele functies strijdt met de gewestplanbestemming ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’, waarin de huidige parking is gelegen. Deze afwijking zou niet voldoende zijn gemotiveerd in het licht van de voorschriften van artikel 14, voorlaatste lid van het co5rdinatiedecreet. In zijn verslag volgt de heer auditeur die visie. Meer in het bijzonder meent de heer auditeur dat de bestemming socio-culturele functies niet verenigbaar is met de gewestplanbestemming ‘zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut’. Nochtans moet de verwerende partij vaststellen dat — zoals reeds uiteengezet in haar memorie van antwoord — uw Raad reeds eerder oordeelde dat verschillende gelijkaardige inrichtingen wel verenigbaar waren met de bestemming gemeenschapsvoorzieningen. Zo bijvoorbeeld werd de inplanting van een manège in een zone voor gemeenschapsvoorzieningen aanvaard, op voorwaarde dat deze voor iedereen open stond (...). Ook een sportinfrastructuur werd reeds beschouwd als een gemeenschapsvoorziening in de zin van artikel 17.6.2 van het K.B. van 28 december 1972, zelfs indien deze door een particulier werd uitgebaat (...). Bovendien bepaalt het bij decreet van 7 mei 2004 ingevoegde nieuwe artikel 145quinquies DRO nu uitdrukkelijk dat, bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van inrichtingen in de gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, het winstoogmerk niet is uitgesloten en dat het publiek- dan wel privaatrechtelijk statuut van de initiatiefnemer niet terzake doet (...). Gevolg van dit alles is dat inrichtingen die het algemeen belang dienen of een dienst verlenen aan de gemeenschap principieel verenigbaar zijn met de bestemming gemeenschapsvoorziening en openbaar nut, ongeacht het feit of die inrichtingen door de overheid dan wel een private persoon worden uitgebaat én ongeacht of deze inrichting al dan niet met een winstoogmerk wordt uitgebaat. Het voorzien van een zone voor socio-culturele functies (bvb. een cinemacomplex) is derhalve wel degelijk verenigbaar met de gewestplanbestemming gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut. De tweede verwerende partij volhardt in haar visie en verwijst voor het overige naar haar uiteenzetting in de memorie van antwoord”. 3.
  61. Onderzoek van het middel 3.2.
  62. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat een aanzienlijk gebied van de deelzones 1a, 1b en 1c van de zone SC “zone voor socio-culturele functies” van het bestreden bijzonder plan van aanleg door het bij koninklijk besluit van 26 januari 1977 vastgestelde gewestplan Oostende-Middenkust tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is bestemd. X-12.422-14/18 3.2.
  63. Luidens de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden bijzonder plan van aanleg heeft de zone SC als hoofdfunctie socio-culturele functies (Sc) en als nevenfuncties recreatiefuncties (R), horeca (Ho) en woongelegenheid voor concierge en beheer (C). 3.2.
  64. Luidens het besluit van de gemeenteraad van de stad Oostende van 24 september 2004 houdende de voorlopige aanneming van het bestreden bijzonder plan van aanleg en de memorie van toelichting bij het voorontwerp van dit bijzonder plan van aanleg, evenals het bestreden besluit van de gemeenteraad van de stad Oostende van 23 december 2004 houdende de definitieve aanneming van het bijzonder plan van aanleg, hebben de voormelde bestemmingsvoorschriften betrekking op de volgende opties : “Het creëren van een zone voor socio-culturele functies (SC), ter hoogte van de bestaande ondergrondse parkeerplaats en de hoofdtribune langs de Koningin Astridlaan, met een oppervlakte van 37.774 m², met als hoofdbestemming ‘socio-culturele functies’, onder meer in de deelzones 1a, 1b, 1c bestemd voor de inplanting van een cinemacomplex. De nevenbestemmingen ‘recreatiefuncties’, horeca en woongelegenheid voor conciërge en beheerder’ zijn verenigbaar met het socio-cultureel karakter van de zone (...)”. In het eerste bestreden besluit wordt met betrekking tot de zone voor socio-culturele functies meer bepaald het volgende gesteld : “Overwegende dat het plan hoofdzakelijk voorziet in de realisatie van een zone voor socio-culturele functies waarbinnen onder andere een cinemacomplex wordt ingeplant (...)”. 3.2.
  65. Het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bevat geen definitie van de begrippen “gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen” als bedoeld in artikel 17.6.2 van dit besluit. Zij moeten dan ook in hun spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen, met name voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld, waarbij, met uitzondering van het bepaalde in artikel 145quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de exploitant van de inrichting geen winstbejag vermag na te streven en de voorzieningen werkelijk ten dienste dienen te staan van de gemeenschap. X-12.422-15/18 3.2.
  66. Een commercieel cinemacomplex, zoals dit in de “zone voor socio-culturele functies” wordt begrepen, valt niet onder de toepassing van artikel 145quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), op grond waarvan voor bepaalde werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang een winstoogmerk niet is uitgesloten. Deze bepaling luidt immers als volgt : “In de gebieden die op de gewestplannen zijn aangewezen als gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, kunnen altijd de werken, handelingen en wijzigingen die met toepassing van artikel 103 als werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang moeten worden beschouwd, worden toegelaten, ongeacht het publiek- of privaatrechtelijk statuut van de initiatiefnemer of het al dan niet aanwezig zijn van winstoogmerk. Hetzelfde geldt voor de activiteiten of inrichtingen verbonden met deze werken, handelingen of wijzigingen”. Een bioscoopcomplex komt niet voor, noch op de limitatieve lijst van werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, eerste lid van het decreet, vastgesteld in artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse bouwmeester, noch op de limitatieve lijst van kleine werken, handelingen en wijzigingen van algemeen belang, zoals bedoeld in artikel 103, § 1, vierde lid van het decreet, vastgesteld in artikel 3 van hetzelfde besluit. Een bioscoopcomplex valt derhalve niet onder de toepassing van de uitzonderingsbepaling van voormeld artikel 145quinquies om als bedrijf met een winstoogmerk te kunnen worden toegelaten in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Alleen al om die reden is de zone voor socio-culturele functies van het bestreden BPA, waarin een dergelijk complex wordt toegelaten, niet verenigbaar met de bestemming gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen van het gewestplan. 3.2.
  67. Anderzijds blijkt uit de gegevens van de zaak niet -en wordt door de verwerende partijen overigens niet beweerd- dat het bijzonder plan van aanleg werd vastgesteld met toepassing van in artikel 14, vierde lid, in fine van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het Coördinatiedecreet), dat bepaalt dat het bijzonder plan van aanleg “desnoods” van de aanwijzingen en bepalingen van een bestaand streek-, gewest- of algemeen plan van aanleg kan afwijken, en dat het bijzonder plan van aanleg voldoet aan de daartoe geldende vereisten. X-12.422-16/18 3.2.
  68. Er blijkt evenmin - en de verwerende partijen beweren ook niet - dat het bijzonder plan van aanleg werd vastgesteld met toepassing van artikel 14, vijfde lid van het Coördinatiedecreet dat, op het ogenblik van het eerste bestreden besluit, luidde als volgt : “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, kan het bijzonder plan van aanleg afwijken van de voorschriften van het gewestplan wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van (...) houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, en op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005”. 3.2.
  69. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  70. Het beroep wordt verworpen in hoofde van de eerste verzoekende partij. Artikel
  71. Vernietigd worden:
  72. het besluit van 4 mei 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende de goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Hippodroom” van de stad Oostende, bestaande uit een plan bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een toelichtingsnota,
  73. de beslissing van 23 december 2004 van de gemeenteraad van de stad Oostende houdende definitieve aanneming van het bijzonder plan van aanleg van aanleg “Hippodroom”, omvattende een plan van de bestaande toestand juridisch, een plan van de bestaande toestand fysisch en een bestemmingsplan met afzonderlijke stedenbouwkundige voorschriften. X-12.422-17/18 Artikel
  74. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. Artikel
  75. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1050 euro, komen ten belope van 350 euro ten laste van de eerste verzoeker, en ten belope van 700 euro ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-12.422-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.673 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.