id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.704 Rolnummer: A. 185976/XIV-29930 Zaak: Arrest 186704 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-15 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:38 Fiche Arrest nr 186.704 van 30 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.704 van 30 september 2008 in de zaak A. 185.976/XIV-29.
(3), 12). Het is de verwerende partij toegelaten wetsontduiking tegen te gaan, en daartoe de nodige maatregelen te nemen. Bovendien werd reeds geoordeeld dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM de betrokken vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen, en dat een tijdelijke verwijdering om reden dat hij niet in het bezit is van die documenten dan ook geenszins strijdig is met dit verdragsartikel (zie R.v.St. nr 48.653, 20.07.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 42.039, 22.02.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.) De verwerping van verzoekers vestigingsaanvraag heeft inderdaad niet tot gevolg dat verzoeker van zijn gezin wordt gescheiden, doch enkel dat hij tijdelijk het land dient te verlaten met de mogelijkheid er terug te keren nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst in het Rijk. Overigens benadrukt de verwerende partij dat art. 8, 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden uitdrukkelijk vermeldt dat een inmenging van het openbaar gezag met betrekking tot de uitoefening van het in art. 8, 1 vermelde recht is toegestaan wanneer deze nodig is ter vrijwaring van de nationale veiligheid en de openbare orde, voor het economische welzijn van het land, voor de vrijwaring van de orde, de preventie van strafrechterlijke inbreuken. de bescherming van de gezondheid en de moraal, of voor de verdediging van de rechten en vrijheden van derden. In casu is er sprake van een ernstige schending van de openbare orde, zoals ook in de bestreden beslissing terecht wordt opgemerkt. Verzoeker kan dit niet dienstig ontkénnen en doet dit klaarblijkelijk ook niet. XIV-29.930-6/14 De verwerende partij merkt op dat Art. 40 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen tot doel heeft een wettelijk kader te scheppen binnen hetwelk het in art. 8 EVRM vervatte recht kan worden uitgeoefend (zie ook Raad van State nr. 140.105 dd. 02.02.2005 en Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). Art. 8 EVRM staat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (zie ook Raad van State nr. 99.581 dd. 09.10.2001 en Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). Het loutere feit dat verzoekers echtgenote en kinderen wél tot verblijf werden toegelaten en verzoeker niet, wijst er daarenboven op dat het dossier van verzoeker wel degelijk geëvalueerd werd en dat rekening gehouden werd met de relevante elementen van het dossier om tot de initieel bestreden beslissing te komen. Verzoeker toont niet aan dat een scheiding tussen hem en zijn echtgenote en kinderen zich oplegt. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit evenals zijn echtgenote en naar eigen zeggen ook de Angolese nationaliteit. Verzoeker heeft niet aangetoond dat zijn gezinsband door de initieel bestreden beslissing teniet wordt gedaan. De maatregel is voorzien bij Wet, dient een legitiem doel en werd noodzakelijk geacht in een democratische samenleving. De juiste verhouding werd in acht genomen. Terwijl evenmin de verwijzing naar de vereisten van artikel 43 Vreemdelingenwet en artikel 28, l/ en 2/ van de Europese Richtlijn 2004/38 dienstig kan zijn, gelet op hetgeen hoger reeds werd opgemerkt en nu verzoeker daarenboven geenszins aantoont als zouden de concrete omstandigheden en zijn persoonlijk gedrag niet zijn onderzocht om tot de initieel bestreden beslissing te komen. Zo werd in casu wel degelijk rekening gehouden met het persoonlijke aspect van verzoekers veroordelingen, daar zijn echtgenote en kinderen wél tot het verblijf werden toegelaten. De ernst van de correctionele veroordeling blijkt uit de strafmaat, twee jaar en uit de bestrafte feiten, mensenhandel. Het bepaalde dat het bestaan van een strafrechterlijke veroordeling op zich niet volstaat, wordt niet geschonden door de initieel bestreden administratieve beslissing, gezien de ernst van de veroordeling. Het is ook volstrekt overbodig de ernst ervan nader te omschrijven in de bestreden beslissing, gezien de evidentie. Zo stellen Ingrid Opdebeek en Ann Coolsaet in 'formele motivering van bestuurshandeling- en' dat "motieven die evident zijn moeten niet worden vermeld. In een beslissing tot het opleggen van een tuchtstraf moet niet worden uitgelegd waarom een feit een tuchtvergrijp is wanneer dit duidelijk is. De Raad van State aanvaardt dat motieven zo voor de hand liggend kunnen zijn dat ze niet om een uitdrukkelijke verwoording vragen. In dit geval moeten de motieven ook zonder dat ze formeel zijn meegedeeld aan de bestuurden bekend zijn, zodat zij niet geschaad kunnen zijn door het niet meedelen van de motieven." (211 p. 168) De- verwijzing naar de feiten waarvoor verzoeker werd veroordeeld en de strafmaat spreken voor zich om de initieel bestreden administratieve beslissing te onderbouwen. De gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken heeft geheel terecht vastgesteld dat betrokkene door zijn gedrag de ovenbare orde heeft geschaad. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vervolgens na kennisnarne van het strafrechtelijk vonnis waarin verzoeker werd veroordeeld voor mensensmokkel (d.i. art. 77 Vreemdelingenwet) het annulatieberoep van verzoeker terecht verworpen. Gelet op het voorgaande is de verzoekende partij de mening toegedaan dat verzoekers enig middel onontvankelijk is, minstens ongegrond.”; XIV-29.930-7/14
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende stelt: “Middel genomen uit de schending van: - Art. 39/2 § 2 Vw van 15 december 1980, - Art 43 Vw van 15 december 1980, - Art. 8 EVRM, - Art. 28, 1/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004138/EG d.d. 29 april 2004 Doordat De rechter in de beslissing (arrest nummer 2852) van 22 oktober 2007 zich in de plaats stelt van de Dienst Vreemdelingenzaken en stelt dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde, hierbij de strafrechterlijke veroordeling van 13 juli 2001 van verzoeker (die nieuw is in het dossier en toegevoegd werd in de loop van het geding) citerend, en stellend dat verzoeker geen belang heeft bij een vernietiging vermits de Minister opnieuw rekening moet houden met het vonnis van 13 juli 2001, Terwijl 1 . De RVV conform art. 3912 § 2 Vw slechts ertoe gemachtigd is bij wijze van arrest uitspraak te doen - in andere dan asielzaken - als annulatierechter wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht. Ten onrecht stelt tegenpartij op p. 2 van haar memorie van antwoord dat de rechter in vreemdelingenzaken zich niet in de plaats heeft gesteld van de ~'Dienst Vreemdelingenzaken aangezien hij bijna uitsluitend uit het strafrechterlijk vonnis citeerde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich effectief in de plaats van DVZ gesteld door uit het strafvonnis te citeren en daaruit klakkeloos af te leiden dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde, zonder enige afweging, terwijl dit uitsluitend de taak is van de Minister of de Dienst Vreemdelingenzaken, en de RVV, slechts ertoe gemachtigd is uitspraak te doen als annulatierechter (zie supra). De RVV heeft dus wel degelijk in casu art. 3912 Vw. geschonden.
- In tegenstelling tot wat de rechter in de beslissing (arrest nummer 2852) van 22 oktober 2007 impliciet voorhoudt ("gebrek aan belang van een vernietiging"), het rekening houden met het vonnis van 13 juli 2001 niet automatisch betekent dat tegenpartij ook effectief de aanvraag tot vestiging van verzoeker moet weigeren. (Geen verplichting; de tegenpartij behoudt een appreciatiebevoegdheid en dient hierbij rekening te houden met allerlei argumenten - zie infra sub 3.) Art. 43 Vw - dat een omzetting is in Belgisch recht van art 3 van de Richtlijn 641221 /EG voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid -stelt dat de binnenkomst en het verblijf aan EU-vreemdelingen slechts geweigerd mogen worden om redenen van openbare orde (en niet moeten). Art. 8 § 2 EVRM spreekt over het toestaan van een inmenging in het privé- en gezinsleven om redenen van openbare orde (en niet dat deze inmenging verplicht is.) Art. 28, 1/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004/38/EG spreekt over "het in overweging nemen van de duur van het verblijf, de leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie ... alvorens een besluit tot verwijdering te nemen om reden van openbare orde. De omzetting naar Belgisch recht zegt dat de om reden van openbare orde genomen maatregelen in overeenstemming moeten zien met het evenredigheidsbeginsel, strafrechterlijke veroordeling- en als zodanig geen reden vormen voor maatregelen, maar dat het gedrag van de betrokkenen een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen. Ook in deze artikelen is nergens sprake van een verplichting tot het nemen van een weigerings- maatregel van een aanvraagvestiging indien een inbreuk op de openbare orde wordt vastgesteld. XIV-29.930-8/14 In de memorie van antwoord van tegenpartij wordt op deze argumenten niet echt geantwoord: op p.3 van de memorie van antwoord stelt tegenpartij dat de beslissing genomen werd op basis van art. 45 § 7 van het KB van 8 oktober 1981, terwijl verzoeker voorhoudt dat het gewezen arrest nummer 2852 van de RVV een schending uitmaakt van art. 43 Vw., art. 8 E.V.R.M. en de art. 28, 1/ en 2/ Europese Richtlijn 2004138/EG. Dit zijn allen hogere rechtsnormen dan het KB van 8 oktober 1981, waarnaar het KB zich uiteraard moet conformeren. Bovendien vermeldt art. 45 § 7 van het KB van 8 oktober 1981 ook niet dat er een automatisme bestaat tot het weigeren van toelating of verblijf op het grondgebied indien een vreemdeling een strafrechterlijke veroordeling heeft opgelopen. Art. 45 § 7 : Indien de Minister of zijn gemachtigde de vestiging weigert omwille van redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid geeft hij de EG-vreemdeling het bevel om het grondgebied te verlaten. Aan de EG-vreemdeling wordt van deze beslissing kennis gegeven door afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 21 ( ... )" Er kan hier verwezen worden naar het arrest van de 3 de Kamer van het Hof van Justitie van 7 juni 2007, overweging 41 tot 45 waarin wordt gesteld dat het bestaan van strafrechterlijke veroordelingen op zichzelf geen motivering is voor maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid alsook de er aangehaalde rechtspraak. De exceptie van openbare orde is een afwijking van het fundamenteel beginsel van het vrij verkeer van personen dat strikt moet worden opgevat en waarvan de draagwijdte door de lidstaten niet eenzijdig kan worden bepaald) (zie stuk 9)
- De art. 43 Vw, art. 8 EVRM en art. 28, l/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004/38/EG d.d. 29.4.2004 daarentegen opleggen dat een afweging wordt gemaakt tussen de inbreuk op de openbare orde en het concrete gedrag en familieleven van verzoeker; tussen het algemeen belang en de belangen van het individu, hetgeen noch in de beslissing van 13 juli 2007 door tegenpartij is gebeurd, noch in de beslissing (arrest nummer 2852) van 22 oktober 2007 van RVV is gesanctioneerd of toegepast, hoewel deze argumenten uitvoerig werden aangedragen in het verzoekschrift in schorsing en nietigverklaring d.d. 16 augustus
- a. Volgens art. 43 Vw mag een weigering van binnenkomst of verblijf van EU vreemdeling omwille van redenen van openbare orde -slechts gebaseerd worden op het persoonlijk gedrag van de betrokkene, - niet louter, gebaseerd worden op het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. (Zie arrest 3 de Kamer Hof van Justitie 7 juni 2007, o.c. stuk 9) In casu heeft tegenpartij in de beslissing van 13 juli 2007 louter verwezen naar een overigens verkeerd gekwalificeerde veroordeling: tegenpartij sprak over een celstraf van 2 jaar wegens mensenhandel terwijl in feite verzoeker hulp heeft geboden aan illegalen - zie art. 77 Vw geldig op 13 juli
- (Ten onrechte verwijst de RVV trouwens in de beslissing (arrest nummer 2852) van 22 oktober 2007 naar mensensmokkel.) Er werd geen rekening gehouden met de concrete persoonlijke en gezinssituatie van verzoeker met name goede banden en integratie in België (voltijdse tewerkstelling voor verzoeker, onafgebroken sinds april 2007; tewerkstelling voor zijn echtgenote; vier schoolgaande kinderen in België), het tijdsverloop (6 jaren sinds veroordeling), de eenmaligheid van de veroordeling, de concrete feiten die aan de veroordeling ten gronde lagen,... b. Volgens art. 8 § 2 EVRM is er slechts inmenging mogelijk inzake het recht op privé- en familieleven voor zover dit - bij wet is voorzien, - noodzakelijk is in een democratische samenleving - ter bescherming van legitieme belangen onder meer bescherming openbare orde. "Une mesure d'éloignement du territoire constitue une ingérence dans le droit de l'étranger au respect de sa vie privée" et que "une telle ingérence n'est permise que pour autant qu'elle constitue une mesure qui, dans une société démocratique, est nécessaire, notamment à la défense et à la prévention des infractions pénales » (C.E., n/ 78711, 11 février 1999 ; CE, n/ 105.428, 9 avril 2002) Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde in zijn arrest REES van 17/10/1986, dat, om de verplichtingen van een Staat te bepalen, er een evenwicht moet worden bewaard tussen, XIV-29.930-9/14 enerzijds het algemeen belang en anderzijds de belangen van het individu, en dat de criteria van artikel 8 § 2 EVRM in dat opzicht een nuttige richtlijn vormen. Een inbreuk op artikel 8 EVRM is dan ook enkel toegelaten indien ze noodzakelijk is voor het verwezenlijken van één van de doeleinden voorzien door het Verdrag, en indien ze bovendien noodzakelijk is in een democratische samenleving. ("La mise en oeuvre de la Convention européenne des droits de l'Homme », Ed. du jeune Barreau de Bruxelles, 1994, p.92.) « En particulier, la règle de proportionnalité postule l'exclusivité du moyen : non seulement la limitation de la liberté doit apparaître comme le SEUL moyen apte à atteindre le but autorisé, mais encore, parmi plusieurs mesures qui peuvent s'offrir à elle, l'autorité doit opter pour la mesure la moins restrictive. » (VELU, ERGEC, « La Convention Européenne des Droits de l'Homme » Bruylant Bruxelles, 1990, n' 194; SWARTENBROECKS, « Les AR interdisant à des étrangers non-C.E.E. de résider dans certaines communes sont-ils compatibles avec les engagements internationaux de la Belgique ? », R.D.E., 1994, n' 78, p. 301). Deze vereiste van proportionaliteit legt de overheid de verplichting op om een afweging te maken tussen het beoogde doel, noodzakelijk voor het algemeen belang, en de ernst van de inbreuk op de bescherming van het particulier belang. "Ce critère de nécessité implique que l'ingérence soit fondée sur un besoin social impérieux et proportionné au but légitime recherché; qu'il incombe à l'autorité de montrer dans la motivation formelle de la décision d'expulsion qu'elle a eu le souci de ménager un juste équilibre entre le but visé et la gravité de l'atteinte au droit de la requérante au respect de sa vie privée et familiale. » (CE 9104102" n/ 105.428 in dezelfde zin: CEDH, arrest « BERREBAH » van 21 juni 1988, série A no 138, p. 24: CEDH, arrest "BARTHOLD", c.c., §§ p. 5-59; CE, arresten no 66.292 van 16 mei 1997, no 66.643 van 26 september 1997, en n` 78.711 van 1 februari 1999.) Het Europees Hof voor de Mensenrechten diende zich reeds bij herhaling te buigen over de uitwijzing van vreemdelingen die misdrijven op hun actief hebben. Het Hof besliste onder meer als volgt: "The Court votes that there has been a breach of Article 8 EVRM. It must accordingly be determined whether the deportations in question satisfied the conditions in paragraph 2, that is to say was "in according with the law" in the interests of one or more of the legitimate aims listed, and "necessary in a democratic society" for achieving them. ( ... ) His family life was thus seriously disrupted by the measure taken against him, which the Advisory Board on Aliens hadjudged to be "inappropriate" Having regard to these various circumstances, it appears that, as far as respect for the applicant's family life is concerned, a proper balance was not achieved between the interests involved, and that the means employed was therefore disproportionate to the legitimate aim pursued. Accordingly, there was a violation of Article
- "' (Hof Mensenrechten, Abderaham Moustaquim v. Belgium, arrest van 18 februari 1991, Publ. Hof, Serie A, Vol. 193; Hof Mensenrechten, Dweroud v. France, arrest van 23 januari 1991, Publ. Hof, Serie A, Vol. 191 -13) "in determining whether an interference was "necessary in a democratic society", the Court will take into account that a margin of appreciation is left to the Contracting States. It recalls in this respect that the Convention does not in principle prohibit Contracting States from regulating the entry and length of stay of aliens (see the Berrehab judgment cited above, pp. 15-16, § 28). Nevertheless, the Court also reiterates that, whilst Article 8 contains no explicit procedural requirements, the decision-making process leading to measures of interference must be fair and such as to afford due respect to the interests safeguarded by Article 8,. ( ... ) In sum, the Court considers that the decision-making process concerning both the questions of the applicant's expulsion and the question of access did not afford the requisite protection of the applicant's interests as safeguarded by Article
- The interference with the applicant's right under this provision was, therefore, not necessary in a democratic society. Accordingly, there has been a breach of that provision. (Hof Mensrechten, Cilitz v. Netherlands, arrest van 1 juli 2000, nr. 29192/95) XIV-29.930-10/14 Ten onrechte meent tegenpartij in de memorie van antwoord dat een zekere impliciete evaluatie is gebeurd om tot de weigering van vestiging van verzoeker te besluiten, conform art. 8 alinea 2 E.V.R.M. doordat de aanvraag tot vestiging van de echtgenote van verzoeker en zijn kinderen wel, en de aanvraag van verzoeker zelf niet werd aanvaard. Op geen enkele wijze geeft tegenpartij echter blijk enige afweging te hebben gemaakt tussen het recht van verzoeker op eerbiediging van zijn privé- en familieleven enerzijds, en de ernst van de inbreuk op het algemeen belang anderzijds. Zoals in de geciteerde rechtspraak is er in casu bij het nemen van de weigering van vestiging een grote disproportionaliteit vast te stellen tussen de belangen van verzoeker en zijn gezinsleden enerzijds en het belang dat beoogd wordt door de overheid. Zoals hoger werd vermeld sub 3a werd er in casu geen rekening gehouden met de concrete persoonlijke en gezinssituatie van verzoeker met name' goede banden en integratie in België (voltijdse tewerkstelling voor verzoeker, onafgebroken sinds april 2007; tewerkstelling voor zijn echtgenote; vier schoolgaande kinderen in België), het tijdsverloop (6 jaren sinds veroordeling), de eenmaligheid van de veroordeling, de concrete feiten die aan de veroordeling ten gronde lagen,... Tegenpartij werpt verder ook in de memorie van antwoord allerhande argumenten op inzake art. 8 E.V.R.M. die geen betrekking hebben op de situatie van verzoeker: -Hij heeft zich aangeboden met alle nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst. Hij heeft geen wetsontduiking gedaan. -Hij heeft niet "geopteerd voor een levensgezel" die op het grondgebied mag verblijven: hij is reeds sinds 1990 gehuwd met zijn echtgenote en woonde eerst met haar samen in Angola en nadien sinds 1994 in Nederland en nu in België. C. Volgens art. 28, 1/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004138/EG d.d. 29 april 2004, in werking getreden op 1 mei 2006 (en dus bindend t.a.v. het te bereiken resultaat) moet er uitdrukkelijk rekening worden gehouden met allerlei elementen, eigen aan de situatie van de EU burger alvorens een beslissing tot verwijdering van het grondgebied omwille van schending van de openbare orde kan worden genomen; het betreft o.m. - de gezins- en economische situatie, - de sociale en culturele integratie in het gastland, - de leeftijd, - de gezondheidssituatie ... In de omzetting naar Belgisch recht opgenomen in de Wet van 25 april 2007 wordt dit verder vertaald als volgt: - het evenredigheidsbeginsel moet worden gerespecteerd. - strafrechterlijke veroordelingen als zodanig zijn geen reden voor de maatregel. - het gedrag van betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. In de parlementaire handelingen wordt omtrent dit artikel volgende uitleg verstrekt: Art. 43 van de vreemdelingenwet is een omzetting in Belgisch recht van Europese richtlijnen. Zoals blijkt uit de richtlijn 2004/38 wordt.,-met het criterium persoonlijk gedrag bedoeld dat de EU-onderdaan zelf een gevaar moet zijn voor de openbare orde of de openbare veiligheid, in tegenstelling tot motiveringen die los staan van het individuele geval of verband houden met algemene preventieve redenen. Dergelijke motieven mogen niet worden aangevoerd. Daarnaast vermeldt de richtlijn duidelijk dat een strafrechtelijke veroordeling op zichzelf niet volstaat. Wanneer een EU-onderdaan een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen die op zich een inbreuk op de openbare orde of openbare veiligheid kan inhouden, zullen dus steeds bijkomend de concrete omstandigheden van het individueel geval moet worden onderzocht. Hierbij wordt rekening gehouden met het aantal, de aard, de zwaarwichtigheid en de anciënniteit van de feiten." (www.senate.belpublications-publicatielijst Belgische Senaat Handelingen - zitting 18.7.2006) Verzoeker stelt met andere woorden vast dat de art. 43 Vw., art. 8 E.V.R.M. en art. 28 1/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004138/EG d.d. 29 april 2004 in casu volledig zijn miskend daar waar deze artikelen voorschrijven aan de Belgische autoriteiten om een afweging te maken tussen de inbreuk op de openbare orde enerzijds en alle concrete en actuele belangen, XIV-29.930-11/14 gedragingen en elementen van de vreemdeling die toegang of verblijf vraagt op het grondgebied anderzijds. Deze afweging is in casu niet gebeurd. Ten onrechte tracht tegenpartij het aanklagen van de schending van deze wetsartikelen in de memorie van antwoord voor te stellen als een aanval op de feitelijke beoordeling die DVZ heeft gemaakt in deze zaak. Ten onrechte ook stelt tegenpartij in de memorie van antwoord dat de art. 43 Vw. en art.28 l/ en 2/ van de Europese richtlijn 2004138/EG louter betrekking zouden hebben op vreemdelingen die reeds gedurende langere tijd op het grondgebied zouden verblijven. Art. 43 slaat duidelijk op EU-onderdanen die zowel pas binnen komen als die er wensen te verblijven: "De binnenkomst en het verb mogen aan de EG-vreemdeling slechts geweigerd worden om redenen van openbare orde, van openbare veiligheid of van volksgezondheid en zulks binnen de hierna vermelde perken: (...)
- De maatregelen van openbare orde of van openbare veiligheid moeten uitsluitend gegrond zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en het bestaan van strafrechterlijke veroordelingen vormt op zichzelf geen motivering van deze maatregelen;..." Art. 28 van de Europese richtlijn 2004138/EG slaat op de bescherming tegen verwijdering van het grondgebied; nergens wordt aangegeven dat dit artikel slechts zou betrekking hebben op personen met lang verblijf' zoals tegenpartij ten onrechte stelt. Bovendien hoort 28 thuis onder de hoofding: "Hoofdstuk 6 : beperkingen van het inreisrecht en het verblijfsrecht om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid". Het artikel is verder een specificatie van de algemene beginselen die opgenomen zijn in art. 27 van de Europese richtlijn 2004138/EG die als volgt worden geformuleerd: "( ... )
- De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkenen. Strafrechterlijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd.
- Om te beoordelen of de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid kan het gastland, wanneer het zulks onontbeerlijk acht, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving - of bij ontbreken van een inschrijvingssysteem, uiterlijk drie maanden na de datum van binnenkomst van de betrokkene op zijn grondgebied of na de in art.5, lid 5, bedoelde mededeling van aanwezigheid op het grondgebied, dan wel bij de afgifte van de verblijfskaart - de lidstaat van oorsprong en eventueel andere lidstaten verzoeken om mededeling van politionele gegevens betreffende betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematische karakter dragen. De geraadpleegde lidstaat antwoordt binnen 2 maanden. ( ... )" In dit verband kan trouwens verwezen worden naar het antwoord van het Ministerie van Justitie te Nederland op de brief (stuk 7.7) waaruit blijkt dat verzoeker in Nederland waar hij verbleven heeft van 1994 tot 2007, van goed gedrag is. (zie stuk 8).”;
- Overwegende dat artikel 43 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), als volgt luidt: “De binnenkomst en het verblijf mogen aan de burgers van de Unie en hun familieleden slechts geweigerd worden om redenen van openbare orde, van nationale veiligheid of van volksgezondheid en zulks binnen de hierna vermelde perken: (...) 2/ de om redenen van openbare orde of nationale veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het XIV-29.930-12/14 persoonlijk gedrag van de betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag van de betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd; (...)” Overwegende dat de bevoegdheid tot weigering van vestiging om redenen van openbare orde in hoofde van de minister van Binnenlandse Zaken geen gebonden bevoegdheid uitmaakt; dat artikel 43 van de Vreemdelingenwet enkel de mogelijkheid biedt om de vestiging te weigeren om redenen van openbare orde; dat de minister niet verplicht is om op basis van het vonnis van 13 juli 2001 te besluiten dat de verzoekende partij een gevaar voor de openbare orde vormt; dat de verzoekende partij bijgevolg, anders dan in het bestreden arrest is beslist, wel degelijk belang had bij de vernietiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2007 tot weigering van de vestiging, met bevel om het grondgebied te verlaten; dat het enige middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het arrest nr. 2852 van 22 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, tweede kamer, waarbij het beroep van de verzoekende partij wordt verworpen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-29.930-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op der- tig september tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.930-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div