← België

Arrest 186799 - Milieuvergunningen - 02/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.799 Rolnummer: A. 156907/VII-33030 Zaak: Arrest 186799 - Milieuvergunningen - 02/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-16 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.799 van 2 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.799 van 2 oktober 2008 in de zaak A. 156.907/VII-33.030. In zake : de BVBA MOORS VARKENSHOUDERIJ, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de deputatie van de provincie Limburg. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA MOORS VARKENS- HOUDERIJ op 26 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 26 augustus 2004 waarbij de milieuvergunning van de verzoekende partij voor de verdere exploitatie van een varkenshouderij, gelegen Driekooien 82 te Lommel, en verleend door het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel op 15 maart 2004, omvattende onder meer varkensstallen voor het houden van 772 varkens waarvan 700 zeugen, wordt opgeheven en vervangen door een beslissing houdende het verlenen van een milieuvergunning aan de verzoekende partij voor het verder exploiteren van een varkenshouderij omvattende onder meer varkensstallen voor het houden van 772 varkens waarvan 72 zeugen voor een termijn eindigend op 26 augustus 2024; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 21 mei 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-33.030-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BEELEN die, loco advocaten W. MERTENS en J. SURMONT verschijnt voor de verzoekende partij, en van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten Op 22 januari 1973 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel aan Frans REYNIERS-BOLLEN een vergunning voor het uitbaten van een varkensstal met maximum 700 varkens en 72 zeugen, gelegen aan de Driekoyenstraat 82 te Lommel, sectie E, nr. (

  1. s)290 f2/388 d, voor een termijn van dertig jaar. Volgens het bij het koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt-Bree, is de inrichting gelegen in een agrarisch gebied. De inrichting is gelegen op een afstand van circa 100 meter van een woongebied met landelijk karakter, op 150 meter van een woonuitbreidingsgebied en op 180 meter van een woongebied. Op 17 mei 1993 verleent de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening aan de verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning voor de verhoging van de bestaande stallen, het bouwen van een stroberging en een zeugenstal en het regulariseren van een aalput op de inrichting. In de overwegingen VII-33.030-2/8 van laatsgenoemd besluit wordt gewag gemaakt van de intentie van de verzoekende partij om op het bedrijf "400 produktieve zeugen" te houden. Op 4 juni 1993 meldt de verzoekende partij dat zij voormelde inrichting overneemt van Frans REYNIERS. In deze melding omschrijft de verzoekende partij de inrichting als een "varkensbedrijf 772 dieren ouder dan 10 weken - opslag stookolie minder dan 20.000 l". Op 19 augustus 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel akte aan de verzoekende partij voor de overname van de inrichting voor varkenshouderij. Op 11 augustus 1994 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg akte aan de verzoekende partij voor mestopslagplaatsen voor 2.010 m³ "behorende bij het bestaand vergund varkensbedrijf voor 772 dieren". Op 14 januari 2003 vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel om hernieuwing van de milieuvergunning voor de inrichting vergund voor het houden van in totaal 772 varkens waarvan 700 zeugen. Op 25 februari 2003 verleent de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) een ongunstig advies over de aanvraag voor de hernieuwing van de milieuvergunning, onder meer op grond van de overweging dat de interpretatie van de vergunning foutief is, daar de dierenindeling niet overeenkomt met de oor- spronkelijke vergunningsbeslissing. Op 26 mei 2003 verleent het college van burgmeester en schepenen van de stad Lommel vergunning voor de op 17 januari 2003 aangevraag- de hernieuwing van de milieuvergunning, voor een termijn die eindigt op 31 december 2003. Dit besluit verwijst naar het gunstig advies van de stedelijke milieudienst dat steunt op het feit dat het in de aanvraag om hernieuwing om hetzelfde aantal dieren gaat, dat er reeds sinds 1983 werd "omgeschakeld op zeugen" en er in de mestaangifte aan de VLM sprake was van zeugen, maar er nooit een reactie kwam van de VLM en dat er aanleiding bestaat om te geloven dat de heer MOORS steeds te goeder trouw heeft gehandeld. Op 23 juni 2003 tekent de VLM administratief beroep aan tegen deze vergunningsbeslissing. Op 18 juli 2003 brengt de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumen- ten & Landschappen-Limburg een gunstig advies uit over de aanvraag aangezien "vanuit stedenbouwkundig oogpunt het standpunt van het schepencollege van Lommel bijgetreden (kan) worden". VII-33.030-3/8 Op 30 juli 2003 herhaalt de VLM haar ongunstig advies over de aanvraag van 25 februari 2003. Op 7 augustus 2003 adviseert de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL het beroep van de VLM in te willigen. Dit advies stelt, onder meer, dat de mestproductie van 700 zeugen en 72 varkens hoger is dan het vergund aantal dieren en dat de exploitatie van 700 zeugen eveneens valt onder de verbodsregels van artikel 5.9.4.4.2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), waarin wordt aangegeven dat een varkenshouderij waarin uitsluitend varkens worden gehouden voor de opfok en de verkoop van biggen enkel is toegelaten mits het aantal zeugen niet groter is dan 250 en mits voldaan wordt aan de afstandsregels vermeld in 1/,c. Op 15 september 2003 adviseert de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie om het beroep van de VLM in te willigen, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel op te heffen en plaatsvervangend een vergunning te verlenen voor 700 varkens en 72 zeugen, 2.010 m³ mestopslag en de opslag van 18.000 liter stookolie (12.000 + 6.000 liter boven-gronds) en dit voor een termijn eindigend op 31 december 2003. Op 16 oktober 2003 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van de VLM in, heft zij het besluit van het college van burgmeester en schepenen van de stad Lommel van 26 mei 2003 op en verleent zij de milieuvergunning zoals vermeld in het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie. Deze beslissing wordt bij de Raad van State aangevochten met een annulatieberoep, gekend onder zaak A. 145.291/VII-31.253. Op 2 december 2003 vraagt de verzoekende partij aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel om hernieuwing van de milieuvergunning voor de varkenshouderij. In de aanvraag vermeldt de verzoekende partij 772 varkens, zonder specificatie. Op 15 maart 2004 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel de op 2 december 2003 aangevraagde hernieuwing van de milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar, voor 700 zeugen en 72 andere varkens. Op 14 april 2004 tekent de VLM administratief beroep aan bij de verwerende partij tegen deze vergunningsbeslissing van 15 maart 2004. Op 26 augustus 2004 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van de VLM in, heft zij het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel van 15 maart 2004 op en verleent zij vergunning voor 700 varkens en 72 zeugen, de opslag van 18.000 liter VII-33.030-4/8 stookolie (12.000 + 6.000 liter bovengronds), 2.010 m³ mestopslag en de exploitatie van een grondwaterwinning met een debiet van 9 m³/dag - 3.000m³/jaar en dit voor een termijn eindigend op 26 augustus 2024. Dit is de thans bestreden beslissing. 2. Ten gronde 2.1.1. Als eerste middel voert de verzoekende partij in haar verzoek- schrift de schending aan van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel in samenhang met de schending van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, het beginsel van de gewekte verwachtingen en de schending van de materiële motiveringsplicht. In essentie is de verzoekende partij van oordeel dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel in zijn beslissing van 15 maart 2004 een correcte analyse heeft gemaakt van huidige problematiek en dat uit een aantal gegevens kan worden afgeleid dat de overheid wel degelijk op de hoogte was van de zeugenhouderij, zodat zij in de veronderstelling mocht zijn een vergunning te hebben voor 772 dieren in totaal "en dus" voor 700 zeugen en 72 varkens. 2.1.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij onder meer dat zij een onwettigheid zou hebben begaan indien zij de exploitatie toch zou hebben vergund. 2.1.3. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat uit de memorie van de verwerende partij blijkt dat haar oordeel onjuist is geweest. In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij immers geoordeeld dat de verzoekende partij een aanvraag heeft ingediend die een verandering van de vergunde inrichting met verhoging van de vergunde mestproductie behelst en dat die aanvraag om die reden strijdig is met de artikelen 5.9.3.1. en 5.9.4.4. van Vlarem II en artikel 33ter, §1, c), 3), van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). Zij vervolgt dat blijkens de memorie van antwoord de verwerende partij bij de bepaling van de vergunde mestproductie is uitgegaan van de uitscheidingsnormen vermeld in artikel 33bis, §§ 1 en 2, van het meststoffendecreet. Conform artikel 33bis, §2, van het meststoffendecreet wordt met die normen echter VII-33.030-5/8 enkel gerekend voor de bepaling van MPBp97, MPBp96, MPB95, MPBn97, MPBn96 en MPBn95. De verzoekende partij merkt op dat het terzake niet gaat om criteria voor het bepalen van de vergunde mestproductie, maar om criteria voor het bepalen van de P2O5-nutriëntenhalte en de NHn-nutriëntenhalte. Zij betoogt ook dat de uitscheidingshoeveelheden voor zeugen, voor beren en voor andere varkens met een gewicht van 110 kg of meer, exact dezelfde zijn. Zij merkt op dat aan haar rechtsvoorganger bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel van 23 januari 1973 een vergunning werd verleend voor 700 varkens - zonder verdere specificatie - en 72 zeugen, en dat het te dezen gaat om een vergunning voor een inrichting zoals opgenomen in rubriek 9.4.1, c), 1/, van de lijst der hinderlijke inrichtingen, bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) : "Varkens . . .
  2. c)in een agrarisch gebied: 1 / met plaatsen voor meer dan 20 tot en met 1.000 varkens ouder dan 10 weken". Ook blijkens deze bepaling is het type varken (zeug, beer, . . .) en het gewicht van de varkens waarmee de vergunning wordt ingevuld volgens de verzoekende partij niet onmiddellijk relevant, gelet op het feit dat de inrichting in agrarisch gebied is gelegen. Zij stelt dat zij op basis van de vergunning van 23 januari 1973 dan ook 772 zeugen kon houden, minstens 700 beren of 700 andere varkens met een gewicht van 110 kg of meer, en 72 zeugen. De aanvraag voor 700 zeugen impliceerde volgens de verzoekende partij dan ook geen stijging van de vergunde mestproductie in de zin van artikel 33ter van het meststoffendecreet. 2.1.4. In haar laatste memorie gaat de verzoekende partij nader in op haar stelling dat de "opdeling" die in de vergunning van 22 januari 1973 werd gemaakt in 700 varkens en 72 zeugen zonder enige relevantie was naar het soort varkens dat mocht worden gehouden Zij verwijst daarbij naar het arrest van de Raad van State nr. 153.936 van 19 januari 2006 volgens hetwelk, aldus de verzoekende partij, op basis van een vergunning die betrekking had op onder meer 448 runderen zonder nadere precisering qua leeftijd, ook andere runderen mochten worden gehouden en de vergunningverlenende overheid bij de berekening van de vergunde mestproductie diende uit te gaan van de uitscheidingsnormen met betrekking tot andere runderen. Volgens het arrest in die zaak vermocht de overheid, steeds VII-33.030-6/8 volgens de verzoekende partij, geen opsplitsing te maken in de runderen op basis van leeftijd, waarvoor een andere uitscheidingsnorm geldt. 2.1.5. De overheid die bevoegd is inzake milieuvergunningen heeft op geen enkel ogenblik vergunning gegeven om op de inrichting meer dan 72 zeugen te houden. Noch het feit dat in de mestbankaangiftes van de inrichting steeds verwezen werd naar zeugen, noch het feit dat in de overwegingen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een zeugenstal gewag wordt gemaakt van de intentie van de verzoekende partij om op het bedrijf "400 produktieve zeugen" te houden, doet hieraan afbreuk. Het door de verzoekende partij aangevoerde arrest van de Raak van State nr. 153.936 heeft betrekking op andere feitelijke gegevens. In dat geval werd in de eerder afgeleverde vergunning geen onderscheid gemaakt tussen de dieren (het ging over runderen), terwijl dit te dezen wel is geschied (zeugen en varkens). De verzoekende partij diende zich aan dit onderscheid te houden. In het bestreden besluit is, met verwijzing naar het advies van de VLM, terecht overwogen dat een aanvraag voor het houden van 700 zeugen in plaats van 72 zeugen een niet-toegelaten stijging van de oorspronkelijk vergunde mestproductie met zich meebrengt. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.1. In haar memorie van wederantwoord ontwikkelt de verzoekende partij een tweede, nieuw middel waarbij de afwezigheid van bevoegdheid en machtsoverschrijding wordt ingeroepen, de schending van de materiële motiverings- plicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de schending van de artikelen 23 en 24 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 49 en 50 van Vlarem I, artikel 2 van het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de VLM, en van de artikelen 16, 17 en 22 van de statuten van deze maatschappij. In essentie komt het middel er op neer dat het beroep dat door de VLM werd aangetekend ongeldig is, aangezien de delegatie die werd gegeven aan de hoofden van de provinciale afdelingen om beroep aan te tekenen niet werd VII-33.030-7/8 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en volgens de verzoekende partij haar niet tegenwerpelijk is. 2.2.2. De tegenwerpelijkheid van niet of onbehoorlijk bekendgemaakte vennootschapsakten raakt niet de openbare orde. Op grond van artikel 76, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen kunnen derden zich desgevallend beroepen op akten die nog niet zijn bekendgemaakt. Aangezien het middel dus niet de openbare orde raakt, kan het niet op ontvankelijke wijze worden ingeroepen in de memorie van wederantwoord, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-33.030-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.799 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.