id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.805 Rolnummer: A. 108534/VII-24273 Zaak: Arrest 186805 - Milieuvergunningen - 02/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.805 van 2 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.805 van 2 oktober 2008 in de zaak A. 108.534/VII-24.273. In zake : de BVBA DHOLKA, die woonplaats kiest bij advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA DHOLKA op 6 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 31 mei 2001 waarbij het beroep van Eric VAN GESTEL ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 april 1994, houdende weigering van de vergunning om een bestaand mestkippenbedrijf, gelegen te Brecht, Groot Veerle 35 A, uit te breiden tot een gemengd bedrijf met 584 mestkalveren en bijkomende kalvermestopslag, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-24.273-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 maart 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 19 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij is de rechtsopvolgster van Eric VAN GESTEL. De overname van het bedrijf van Eric VAN GESTEL door de BVBA DHOLKA wordt op 13 februari 2001 aan de overheid gemeld. 1.2. Op 15 maart 1990 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan Eric VAN GESTEL een vergunning voor de exploitatie te Brecht van een mestkippenstal met 20.000 mestkippen. De vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 15 maart 2010. De aanvraag wordt evenwel geweigerd voor wat betreft een mestkalverenstal met 440 mestkalveren. VII-24.273-2/7 1.3. Op 21 april 1994 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan Eric VAN GESTEL de vergunning om het bestaand mestkippenbedrijf uit te breiden tot een gemengd bedrijf met 584 mestkalveren en bijkomende kalvermestopslag. 1.4. Eric VAN GESTEL tekent beroep aan tegen die weigeringsbeslis- sing. 1.5. Met een ministerieel besluit van 18 oktober 1994 wordt dit beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, en wordt Eric VAN GESTEL een vergunning verleend voor het uitbreiden van de inrichting met stallen voor 301 mestkalveren. De vergunning wordt evenwel geweigerd voor de uitbreiding met stallen voor 283 mestkalveren. De reden voor deze gedeeltelijke weigering is dat de ecologisch verantwoorde mestafzet slechts voor 301 kalveren zou zijn gegarandeerd. 1.6. Met het arrest nr. 91.062 van 23 november 2000 van de Raad van State wordt het voornoemde ministerieel besluit van 18 oktober 1994 vernietigd. 1.7. Na dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen en worden in dat kader de vereiste adviezen uitgebracht : (
- a)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
- b)de Vlaamse Landmaatschappij adviseert ongunstig omdat er een stijging is van de vergunde mestproductie, hetgeen onverenigbaar is met artikel 33ter, §1, 3/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet); (c ) de afdeling Milieuvergunningen van AMINAL adviseert ongunstig om dezelfde reden; (
- d)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie brengt ten slotte ook een negatief advies uit, eveneens om dezelfde reden. 1.8. Op 31 mei 2001 wordt de thans bestreden beslissing genomen; 2. Ten gronde 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende VII-24.273-3/7 de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 33ter van het meststoffendecreet; dat zij uiteenzet dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat de verleende vergunning van 18 oktober 1994 voor het behoud van 301 mestkalveren teniet is gedaan door het arrest van de Raad van State van 23 november 2000; dat volgens haar de verleende vergunning voor de 301 kalveren juridisch niet meer in vraag kan worden gesteld en dat haar beroep bij de Raad van State enkel was gericht tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning voor 283 kalveren en niet tegen de vergunning voor de vergunde 301 kalveren; dat zij betoogt dat door de vergunning van 301 mestkalveren als onbestaande te beschou- wen en de aanvraag te kwalificeren als een hernieuwing, de verwerende partij de motiveringsplicht en de bepalingen van artikel 33ter van het meststoffendecreet schendt; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat het bestuur rekening moet houden met de reglementering die geldt op het ogenblik dat een beslissing genomen wordt, dat dit artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffen- decreet is, dat indien men ervan uitgaat dat er geen kalveren vergund waren, wat volgens de verwerende partij het geval is gelet op het vernietigingsarrest van de Raad van State, er geen vergunde mestproductie voor de kalveren is en elke uitbreiding met kalveren bijgevolg een uitbreiding van de mestproductie is, dat zulks niet mogelijk is, dat in het licht van deze gegevens de formele motiveringsplicht niet geschonden is, dat de bestreden beslissing er immers van uitgaat dat er geen vergunde mestproductie was, dat de verzoekende partij weliswaar op 18 oktober 1994 een gedeeltelijke vergunning verkreeg voor het houden van kalveren, doch dat het besluit waarmee dit werd toegestaan werd vernietigd door de Raad van State, dat vernietigingsarresten "ex tunc" hun uitwerking hebben zodat het besluit van 18 oktober 1994 geacht moet worden nooit te hebben bestaan en volledig vernietigd te zijn; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat de vergunning van 18 oktober 1994, in zoverre zij toelaat 301 kalveren te exploiteren, juridisch niet meer in vraag kan worden gesteld, dat het annulatieberoep indertijd immers gericht was tegen de gedeeltelijke weigering van de vergunning voor de 283 kalveren, en niet tegen de verleende vergunning voor 301 kalveren en dat zij geen belang had om de verleende vergunning voor 301 kalveren aan te vechten; VII-24.273-4/7 2.1.4. Overwegende dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt overwogen wat volgt : "Overwegende dat de inrichting op het moment van de milieuvergunningsaanvraag een vergunning had voor het houden van 20.000 slachtkippen; dat wat betreft de mestkalveren dient gesteld te worden dat de vermelde vergunning nr. BMV/00001872/600 verleend bij ministerieel besluit van 18 oktober 1994 voor het houden van stallen voor 301 mestkalveren vernietigd werd bij het arrest nr. 91.062 van de Raad van State van 23 november 2000; dat er derhalve geen mestkalveren vergund zijn op de inrichting; dat de aanvraag dus een milieuvergunningsaanvraag betreft voor het uitbreiden van de inrichting met 548 mestkalveren; Overwegende dat in artikel 33ter, §1, 1/, c), van het vermeld decreet is bepaald dat de vergunde mestproductie dient berekend te worden op basis van de forfaitaire uitscheidingsnormen (zowel voor N en P205); dat de inrichting vergund is voor het houden van 20.000 slachtkippen; dat dit overeenkomt met een vergunde mestproductie van 12.400 kg N en 5.800 kg P205; dat de exploitant vergunning vraagt voor verandering van de bestaande inrichting door uitbreiding om te komen tot een inrichting vergund voor 584 mestkalveren en 20.000 slachtkippen; dat dit op basis van de forfaitaire normen vermeld in artikel 33bis van het hoger vermeld decreet overeenkomt met een te vergunnen mestproductie van 18.532 kg N en 7.902 kg P205; dat derhalve de aanvraag betrekking heeft op een aanvraag voor de hernieuwing van een vergunning met stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg; dat de aanvraag aldus niet verenigbaar is met de bepalingen van het vernoemd meststoffendecreet"; dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, zoals het gold op het ogenblik van de bestreden beslissing, luidde als volgt : "§1. Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtingen gelden de volgende regels : 1/ tot en met 31 december 2004 : (...)
- c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mestproductie te berekenen volgens artikel 33bis, § 2 van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkavelingen, landinrichting, natuurinrichting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting"; dat hieruit voortvloeit dat met betrekking tot landbouw- en veeteeltinrichtingen geen vergunningen kunnen worden afgeleverd wanneer er een verhoging van de vergunde mestproductie is; dat de verzoekende partij op 31 mei 2001 slechts over een vergunning voor de exploitatie van 20.000 kippen beschikte; dat, inderdaad, hetgeen voordien was vergund, met name het houden van 301 mestkalveren, niet meer bestond omdat de vergunning van 18 oktober 1994, op grond waarvan de verzoekende partij 301 mestkalveren mocht houden, zonder enige beperking en VII-24.273-5/7 zonder enig voorbehoud vernietigd werd door het arrest nr. 91.062 van 23 november 2000 van de Raad van State; dat het beschikkend gedeelte van dit arrest immers als volgt luidt : "Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van leefmilieu en huisvesting van 18 oktober 1994 waarbij het beroep van Erik VAN GESTEL tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 21 april 1994, houdende weigering van de vergunning om een inrichting, gelegen te 2960 Brecht, Groot Veerle 35A, uit te breiden, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, het beroepen besluit (wordt) opgeheven en de gevraagde vergunning wordt beperkt tot de uitbreiding met 301 mestkalveren"; dat dergelijk vernietigingsarrest als gevolg heeft dat de vergunning van 18 oktober 1994 in zijn geheel geacht wordt nooit te hebben bestaan; dat de bestreden beslissing bijgevolg vermocht vast te stellen dat de gevraagde vergunning een verhoging van de vergunde mestproductie met zich zou meebrengen en bijgevolg een terechte toepassing heeft gemaakt van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en het beginsel van de rechtszekerheid als beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij uiteenzet dat de door de verwerende partij gegeven interpretatie erop neerkomt dat de vergunning voor 301 kalveren teniet is gegaan omdat de verzoekende partij een gunstige beslissing had ontvangen van de Raad van State, terwijl, indien haar beroep door de Raad van State verworpen zou zijn, zij houder bleef van de vergunning voor wat de 301 kalveren betreft; dat zulks volgens haar "vierkant" onredelijk is, dat "de handelswijze van de verwerende partij" bovendien een klimaat van rechtsonzekerheid schept; dat de verzoekende partij voorts aanvoert dat, indien de interpretatie van de verwerende partij gevolgd wordt, dit betekent dat "het bestuur er baat bij heeft om in gelijkaardige dossiers als het ware zich te laten veroordelen om nadien de gewijzigde wetgeving toe te passen", dat het ook betekent dat "de rechtszoekenden in gelijkaardige gevallen bang moeten zijn omdat de kans bestaat dat zij gelijk zullen krijgen van de Raad van State"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat de minister verplicht was de vergunning integraal te weigeren op grond van artikel 33ter van het meststoffendecreet, dat het bestuur op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur de wet niet naast zich kan neerleggen, dat er geen schending van het redelijkheidsbeginsel is aangezien de beslissing werd genomen op basis van een VII-24.273-6/7 gebonden bevoegdheid, dat er evenmin een schending is van het rechtszekerheidsbeginsel aangezien omwille van de rechtszekerheid het bestuur steeds gebonden is aan de wetgeving die geldt op het ogenblik van de beslissing, dat wie de vernietiging van een beslissing nastreeft weet of dient te weten dat na een gebeurlijk vernietigingsarrest de overheid de op dat ogenblik geldende normen dient toe te passen, en dat deze in het nadeel van de betrokkene kunnen zijn geëvolueerd; 2.2.3. Overwegende dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet een dwingende bepaling is die het bestuur dient toe te passen en waarvan zij niet kan afwijken; dat het bestuur in dezen slechts beschikt over een gebonden bevoegdheid, zodat een schending van het redelijkheidsbeginsel ter zake niet dienend kan worden aangevoerd; dat, voorts, een overheid die de vigerende reglementering toepast niet handelt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel; dat het tweede middel bijgevolg niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-24.273-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.805 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div