id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.810 Rolnummer: A. 154021/XII-5444 Zaak: Arrest 186810 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 02/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.810 van 2 oktober 2008 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.810 van 2 oktober 2008 in de zaak A. 154.021/XII-
- In zake : Luc VAN PARYS, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc Van Parys op 22 juli 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 22 april 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent houdende de individuele bepaling van zijn functie in functieklasse B; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; XII-5444-1/13 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is als eerstaanwezend industrieel ingenieur werkzaam aan de Universiteit Gent. 1.
- Op 30 januari 2003 neemt het bestuurscollege van de Universiteit Gent het besluit houdende de procedures van toewijzing van betrekkingen, loopbaanstructuur en bezoldigingsregeling en functionering, evaluatie en vorming bij het ATP (administratief en technisch personeel van de Universiteit Gent). Het besluit regelt de functieclassificatie, zijnde een evaluatie van elke functie van het ATP aan de hand van functie(sub)criteria ten einde de functie onder te brengen in een functieklasse. De uiteindelijke beslissing wordt genomen door het bestuurscollege, waarbij in het besluit in een bezwaarprocedure is voorzien bij een functie-evaluatiecommissie en een beroepscommissie. 1.
- Ter uitvoering van het besluit van 30 januari 2003, meldt de rector van de Universiteit Gent op 28 februari 2003 aan verzoeker dat de functie- evaluatiecommissies “voorstellen [hebben] opgemaakt voor het onderbrengen van de functies in verschillende functieklassen” en dat “met betrekking tot [verzoekers] functie wordt voorgesteld deze in functieklasse B onder te brengen”. Op 20 juni 2003 vindt een hoorzitting voor de functie- evaluatiecommissie plaats. Bij brief van 18 augustus 2003 deelt de rector van de Universiteit Gent aan verzoeker mee dat de functie-evaluatiecommissie beslist heeft “om niet in te gaan op [zijn] verzoek en de voorgestelde functieklasse B te behouden”, nu deze commissie meent dat “er in het betoog van de heer Van Parijs geen concreet XII-5444-2/13 aanwijsbare elementen geleverd zijn die een meerwaarde kunnen betekenen voor een inschaling in een hogere functieklasse. De functie-evaluatiecommissie beslist dan ook dat de functie van de heer Van Parijs thuishoort in functieklasse B”. 1.
- Verzoeker gaat niet akkoord en hij tekent bij schrijven van 26 augustus 2003 bezwaar aan. Hij wordt, naar aanleiding van dat bezwaar, gehoord door de beroepscommissie op 2 december
- Op 17 december 2003 brengt de rector verzoeker op de hoogte dat “de beroepscommissie geen beslissing [heeft] genomen”. Hij voegt daaraan toe : “Bepaalde leden van de beroepscommissie erkennen dat uw takenpakket zich situeert op een studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli, terwijl andere leden menen dat een studievereiste van hogeschoolonderwijs van 1 cyclus eerder op zijn plaats is. Na stemming (2 stemmen tegen 2) door de beroepscommissie blijkt dat er geen beslissing kan genomen worden aangaande de inschaling van uw functie in functieklasse B of A. Bijgevolg zal uw dossier voorgelegd worden aan het bestuurscollege dat de finale beslissing zal nemen over het bepalen van de functieklasse”. Bij brief van 13 februari 2004 laat de Universiteit Gent aan verzoeker weten dat “het bestuurscollege van 22 januari 2004 heeft [...] besloten dat voor de beroepen die onbeslist zijn geëindigd de oorspronkelijke beroepscommissies een duidelijk voorstel dienen te formuleren” en “dat deze beroepscommissie samenkomt op 30 maart a.s. om [zijn] dossier opnieuw te evalueren”. Op 7 april 2004 deelt de vice-rector van de Universiteit Gent aan verzoeker mee dat de beroepscommissie “beslist” heeft om de voorgestelde functieklasse B te behouden. Hij voegt daaraan toe : “De beroepscommissie stelt vast dat het functie-informatieformulier van de heer Lucas Van Parijs onvolledig is ingevuld. Op basis van de motivering die gegeven werd door de heer Lucas Van Parijs tijdens de beroepscommissie van 2 december 2003 menen de leden van de beroepscommissie na beraadslaging en met 4 stemmen tegen 2 dat de functie geen studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist en bijgevolg thuishoort in functieklasse B met een score van 145 punten (3B4 IIIa IA 1A)”. 1.
- Bij brief van 3 juni 2004 bezorgt de Universiteit Gent verzoeker een uittreksel uit het verslag van de zitting van 22 april 2004 van het bestuurscollege. Dit uittreksel luidt : XII-5444-3/13 “Individuele bepaling van de functieklassen (opvolging van het besluit van het bestuurscollege d.d. 30 januari 2003) Het bestuurscollege neemt het gemotiveerd besluit waarbij de oorspronkelijke functieklasse wordt behouden voor de functie waarover de beroepscommissie het beroep van de functiehouder negatief adviseerde [...]”. De gegrondheid van het beroep Stelling van de partijen 2.
- Verzoeker doet als tweede middel in het inleidend verzoekschrift gelden wat volgt : “Tweede middel Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; schending van artikelen 68 en 69 van het besluit van het bestuurscollege van de universiteit Gent dd. 30 januari 2003 houdende de procedures van toewijzing van betrekkingen, loopbaanstructuur en bezoldigingsregeling en functionering, evaluatie en vorming bij het ATP, schending van artikel van het besluit van het bestuurscollege van de Universiteit Gent dd. 23 februari 2001 houdende de Procedure van functieclassificatie van het administratief en technisch personeel Eerste onderdeel Verzoeker neemt aan dat verwerende partij heeft voldaan aan de formele motiveringsplicht door in haar besluit te verwijzen naar de motivering, die werd uitgebracht door de beroepscommissie. De vraag is zodoende of deze beroepscommissie de formele en de materiële motiveringsplicht naar behoren heeft nageleefd. Verzoeker meent hierop voor de materiële motiveringsplicht negatief te kunnen antwoorden. De beroepscommissie beperkt zich ertoe te stellen dat de functie geen studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist en ‘bijgevolg’ thuishoort in functieklasse B met een score van 145 punten. Deze redenering loopt in diverse opzichten mank, waardoor de motivering al haar nochtans vereiste draagkracht mist. - Dat de functie wel degelijk een studieniveau van hogeschoolonderwijs van twee cycli vereist werd door verzoeker zowel in zijn schriftelijk bezwaarschrift als in zijn mondelinge toelichtingen uiteengezet. De uiteenzetting van verzoeker werd kennelijk voldoende ernstig bevonden, vermits het precies dit criterium was dat de eerste beroepscommissie ertoe deed besluiten geen beslissing te nemen (‘Bepaalde leden van de beroepscommissie erkennen dat uw takenpakket zich situeert op een studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli, terwijl andere leden menen dat een studievereiste van hogeschoolonderwijs van 1 cyclus eerder op zijn plaats is’). Het staat de tweede beroepscommissie vrij een standpunt in te nemen ; dat is trouwens haar taak die ze kennelijk de eerste maal niet nakwam. De beroepscommissie heeft echter op grond van de bepalingen van de motiveringswet van 1991 de verplichting een draagkrachtige en op juiste feiten gesteunde motivering op te geven van het waarom van deze beslissing. Dit waarom is niet terug te vinden; minstens voldoet het uitgedrukte waarom niet aan de daartoe gestelde eisen van de artikelen 2 en 3 van voormelde wet : eenvoudigweg stellen dat de functie geen studieniveau van XII-5444-4/13 hogeschoolonderwijs van twee cycli vereist is een motivering die niet afdoende is, vermits verzoeker daaruit helemaal niet kan opmaken wat de beroepscommissie ertoe heeft gebracht deze affirmatie te doen. De vraag van verzoeker blijft nog presenter, nu verzoeker vaststelt dat tijdens de eerste zitting van de beroepscommissie de leden over dit zelfde punt een ander oordeel hadden. Wat heeft de commissie er m.a.w. toe gebracht ineens toch een uitgesproken standpunt daaromtrent in te nemen ? Ook het ‘bijgevolg’ in de motivering van het voorstel van 30 maart 2004 beantwoordt niet aan de eisen van de voormelde artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- In de bovenvermelde besluiten van 23 februari 2001 en 30 januari 2003 staan de criteria opgegeven en beschreven waarmee moet worden gewerkt om aan de toe te kennen functieclassificatie invulling te geven. Welnu, het studieniveau is daarbij slechts één van de sub-criteria, deel uitmakend van eerste criterium ‘intellectuele en technische competenties’. De overige criteria zijn
(2)Verantwoordelijkheid,
(3)Leidinggeven en
(4)Werkomstandigheden. In het licht van wat voorafgaat is de vaststelling (wat er inhoudelijk ook van zij) dat de functie geen studieniveau van hogeschoolonderwijs van twee cycli vereist zeker geen afdoende criterium om meteen (of, zoals in het voorstel staat te lezen ‘bijgevolg’) te besluiten tot het onderbrengen van verzoekers functie in klasse B. Tweede onderdeel De besluiten van het bestuurscollege, houdende de te voeren procedure voor de functieclassificatie, stellen dat functieklasse B wordt toegekend bij het bereiken van 105 tot 200 punten, terwijl klasse A wordt toegekend voor 205 tot 300 punten, met als omschrijving : ‘academische deskundigheid op denk- en werkniveau, niveau academisch onderwijs of hogescholenonderwijs van academisch niveau’ (artikel 68 van het besluit van 30.01.2003). De puntentoekenning geschiedt op basis van de criteria, beschreven in artikel 1 van het besluit van 23.02.2001 en onder hantering van de richtlijnen, vervat in de bijlagen bij voormeld besluit. Verzoeker heeft zelf toepassing gemaakt van deze voorschriften, om aldus te komen tot een puntentotaal van meer dan 300, wat zeer ver staat van de 145 punten die finaal in het voorstel van 30 maart 2004 staan te lezen. Hoe dit verschil wordt verantwoord en gemotiveerd, blijft voor verzoeker een onopgelost raadsel in ieder geval vindt hij hierover niets terug in de aangevochten beslissing of in de beslissing waarvan de motivering door de aangevochten beslissing wordt hernomen. Verzoeker licht zijn puntentotaal nogmaals toe, zoals hij dat ook heeft gedaan in zijn bezwaarschrift en ter gelegenheid van de mondelinge toelichting hierbij ter zitting van de eerste beroepscommissie
- Studieniveau : hogeschoolonderwijs van twee cycli code 5 Ervaringstijd : meer dan drie jaar code C Complexiteit: nieuwe situaties - creativiteit code 5 totaal aantal punten voor de drie subcriteria 235 punten
- Zelfstandigheid : volledig autonoom code V Impact : vakgroepoverschrijdend code B totaal aantal punten voor de twee subcriteria 100 punten
- Leidinggeven : noch direct, noch indirect 0 punten
- Storende factoren : regelmatig of veel Risico's : geen XII-5444-5/13 totaal aantal punten voor deze twee subcriteria 10 punten Algemeen totaal 345 punten Zelfs indien niet alle criteria op dezelfde wijze worden geïnterpreteerd als hierboven, en zelfs indien men voor het gecontesteerde onderdeel, met name het studieniveau, code 4 toepast i.p.v. code 5, dan nog komt men tot een puntenaantal van 310, m.a.w. ruim boven de 205-300, vereist voor klasse A. Nergens in de aangevochten beslissing vindt men een motivering terug waarin de door verzoeker aangevoerde berekeningswijze wordt tegengesproken, laat staan weerlegd”. 2.
- Verwerende partij antwoordt dat verzoeker aannemelijk moet maken dat hij meer dan 205 punten zou behalen aan de hand van de vier functiecriteria, dat geen betwisting bestaat met betrekking tot de evaluatie van de factoren “leidinggeven”, “werkomstandigheden”, “zelfstandigheid” en “impact”. Zij zet vervolgens in detail uiteen dat de kritiek van verzoeker voor enkele andere subcriteria hem ten hoogste 155 punten kan opleveren en dat in geen enkele eventualiteit -ook als wordt aangenomen dat de functie een hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist- het best mogelijke totaal van verzoeker hoger kan zijn dan 195 punten. Het voor de functieklasse A vereiste niveau van 205 punten kan door verzoeker niet worden bereikt, zodat het eerste middelonderdeel niet tot nietigverklaring kan leiden. Het tweede middelonderdeel vindt volgens verwerende partij geen enkele steun in het functie-informatieformulier en is niets anders dan een loutere bewering. In de laatste memorie blijft zij er bij dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat zijn functie een score van 205 punten kan bereiken. Het is volgens haar niet omdat verzoeker geprotesteerd heeft in zijn bezwaarschriften dat inhoudelijk gezien haar redenering, die immers gebaseerd is op de gegevens van het functie-informatieformulier uitgaande van verzoeker zelf, “caduuc” zou zijn. Verwerende partij onderstreept ook dat verzoeker niet de materiële motiveringsplicht geschonden noemt, maar enkel de formele motiveringsplicht. Welnu, uit de mededeling dat de functie geenszins een studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist weet verzoeker waarom de door hem uitgeoefende functie niet in de functieklasse A werd ondergebracht, dit is vanwege het studieniveau dat ervoor vereist is. Dat twee leden van de commissie er minstens op 30 maart 2004 anders over dachten toont aan dat dit element wel degelijk is besproken. XII-5444-6/13 Tenslotte betoogt verwerende partij dat zelfs indien verzoeker het nodige aantal punten had bereikt, het bestuurscollege het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 2000 tot vaststelling van de niveaus, de graden en de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap te respecteren had. Volgens de voorschriften van dit besluit wordt voor een functie van niveau A ten minste hogescholenonderwijs van academisch niveau vereist. Relevante regelgeving 3.
- Voor een goed begrip van de zaak worden enkele bepalingen van het besluit van 30 januari 2003 aangehaald. - Artikel 59 : “De functies worden op basis van functie-informatieformulieren geëvalueerd. De functie-evaluatie gebeurt met een puntenmethode waarbij een aantal gewogen functiecriteria worden gebruikt. De functiecriteria worden opgesplitst in meerdere gewogen functiesubcriteria. Aan elk subcriterium wordt een schaal gehecht. De functiecriteria, de functiesubcriteria en de schalen zijn als bijlage 1 bij dit besluit opgenomen”, - artikel 60 : “Combinaties van schalen van functiesubcriteria leveren een bepaald aantal punten op. De puntenverdeling is als bijlage 2 bij dit besluit opgenomen. Elke functie wordt gescoord op de verschillende combinaties van schalen van de verschillende functiesubcriteria en verkrijgt aldus punten. De som van alle punten levert een totaalscore op per functie”, - artikel 61 : “De functie-evaluatie vormt de basis van de functieclassificatie, die de functies onderbrengt in functieklassen. Elke functie wordt op basis van de bekomen totaalscore ondergebracht in functieklassen. Op grond van de argumenten van de functie-evaluatiecommissies, beschreven in artikel 63 van dit besluit, wordt over de functieklasse beslist door het bestuurscollege”, XII-5444-7/13 - artikel 83 : “Aan elke titularis van een functie wordt meegedeeld in welke functieklasse zijn functie wordt ondergebracht. Elke titularis die meent dat zijn functie in een te lage functieklasse wordt ondergebracht kan hierover gehoord worden. Daartoe richt men een schriftelijk verzoek aan de afdeling Personeelsbeleid van de directie Personeel en Organisatie binnen de eenentwintig kalenderdagen nadat de functieclassificatie aan betrokkene is meegedeeld. Na ontvangst van het verzoekschrift roept de functie-evaluatiecommissie die het voorstel van functieclassificatie heeft opgemaakt, de titularis op om gehoord te worden. De functie-evaluatie- commissie kan daarbij voorstellen de oorspronkelijke functieclassificatie te behouden of te wijzigen en deelt dit mee aan betrokkene, waarna het bestuurscollege de functieklasse bepaalt. Elke titularis die na gehoord te zijn meent dat zijn functie nog steeds in een te lage functieklasse wordt ondergebracht kan hiertegen een bezwaarschrift indienen. Daartoe richt men een schriftelijk verzoek aan de afdeling Personeelsbeleid van de directie Personeel en Organisatie binnen de veertien kalanderdagen nadat het resultaat van de hoorzitting aan betrokkene is meegedeeld. Na ontvangst van het bezwaarschrift brengt een beroepscommissie, beschreven in artikel 70 van dit besluit, een gemotiveerd advies uit over dit bezwaarschrift. De beroepscommissie kan daarbij voorstellen de oorspronkelijke functieclassificatie te behouden of te wijzigen en deelt dit mee aan betrokkene, waarna het bestuurscollege de functieklasse bepaalt. Voor elke ingediend bezwaarschrift wordt een beroepscommissie opgericht beschreven in artikel 70 van dit besluit”. Bijlage 1 bij het besluit vermeldt als functiecriteria : S intellectuele en technische bekwaamheden, met als subcriteria:
(1)studieniveau;
(2)ervaringstijd;
(3)complexiteit; S verantwoordelijkheid, met als subcriteria:
(1)zelfstandigheid;
(2)impact; S leidinggeven, met als subcriteria:
(1)direct leidinggeven;
(2)indirect leidinggeven; S werkomstandigheden, met als subcriteria:
(1)storende factoren;
(2)risico’s. Bijlage 2 geeft de puntenverdeling weer. 3.
- Artikel 1 van het besluit van 20 oktober 2000 van de Vlaamse regering tot vaststelling van de niveaus, de graden en de daaraan verbonden salarisschalen van het administratief en technisch personeel van de universiteiten van de Vlaamse Gemeenschap luidt, voor zoveel als hier pertinent : XII-5444-8/13 “§
- Het administratief en technisch personeel van de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap wordt ingedeeld in één van de hierna vermelde niveaus, overeenstemmend met de ernaast vermelde competenties en opleidingsniveau : Niveau A : academische deskundigheid op denk- en werkniveau, diploma academisch onderwijs of hogescholen-onderwijs van academisch niveau; Niveau B : hogere administratieve en technische deskundigheid, diploma hogescholenonderwijs van één cyclus; [...] §
- Het personeelslid kan een aan een niveau verbonden deskundigheid ook verwerven via werkervaring of bijkomende vorming. Bij een inschaling in een hoger niveau dan op basis van het diploma toegelaten is, geeft het universiteitsbestuur een omstandige uiteenzetting van de gronden die de inschaling verantwoorden [...]”. Beoordeling
- In de laatste memorie poogt verwerende partij, voor het eerst, alle relevantie aan het geschil te ontzeggen door te betogen dat het besluit van 20 oktober 2000 haar hoe dan ook tot de bestreden eindbeslissing moet brengen, omdat voor een functie van niveau A ten minste hogescholenonderwijs van academisch niveau vereist is. Nog daargelaten dat een van de grieven van verzoeker net is dat hij zijn diploma te laag ingeschaald acht, berust deze exceptie op een verkeerde lezing van het bedoelde besluit. Het diploma betreft immers geen noodzakelijke voorwaarde: niveau A staat voor “academische deskundigheid op denk- en werkniveau”, waarbij in paragraaf 2 wordt gepreciseerd dat die deskundigheid ook verworven kan worden “via werkervaring of bijkomende vorming” waardoor “inschaling in een hoger niveau dan op basis van het diploma toegelaten is”. Aan het niveau van het door verzoeker behaalde diploma kan dus hoe dan ook niet artikel 1 van het besluit van 20 oktober 2000 worden tegengeworpen om hem een functieklasse A te ontzeggen.
- De Raad merkt overigens op dat luidens de bijlage bij het classificatiereglement van 23 februari 2001 voor de evaluatie van het subcriterium “studieniveau” niet het werkelijk behaalde diploma, maar wel de voor het uitoefenen van de functie vereiste schoolopleiding wordt beoordeeld.
- De beslissing van het bestuurscollege moet, met toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen (hierna: formele-motiveringswet), uitdrukkelijk worden gemotiveerd, XII-5444-9/13 wat betekent dat in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen moeten worden vermeld en dat deze motivering afdoende moet zijn (artikelen 2 en 3 van de formele-motiveringswet). Met verzoeker wordt aangenomen dat van het principe dat de akte zelf de motieven moet bevatten mag worden afgeweken wanneer de beslissing verwijst naar een ander stuk zoals te dezen het advies van de beroepscommissie, op voorwaarde onder meer dat bedoeld advies op zijn beurt afdoende gemotiveerd is. Aldus zal moeten worden nagegaan of het voorstel van de beroepscommissie zelf voldoet aan de vereisten gesteld door de formele-motiveringswet.
- Verwerende partij ontzegt verzoeker evenwel belang bij dit middel omdat hij hoe dan ook niet de vereiste 205 punten zou kunnen behalen. Vooreerst merkt de Raad van State op dat dit motief en de onderliggende argumentatie als zodanig alleszins niet aan verzoeker is tegengeworpen in de interne beroepsprocedure. Het enige veruitwendigd motief is dat zijn functie “geen studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist”. In de procedurestukken voor de Raad van State betoogt verwerende partij nu wel dat zélfs indien verzoeker zou worden gevolgd om aan dit motief voorbij te gaan en hem dus punten toegekend zouden worden alsof de functie wél het studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist, hij nog geen 205 punten behaalt vereist voor niveau A. De verwerende partij gaat daarbij evenwel uit van allerhande veronderstellingen over de andere criteria en de subcriteria, waarvan de Raad van State moet vaststellen, eensdeels, dat verzoeker die precies in zijn bezwaarprocedure steeds in twijfel heeft getrokken en, anderdeels, dat de interne adviesorganen en het bestuurscollege op verzoekers argumenten te zijner tijd nooit uitdrukkelijk hebben gereageerd. In die omstandigheden komt het betoog van verwerende partij er in feite op neer dat zij aan de Raad van State vraagt om, oordelend in de plaats van het bestuur, zelf de functie-evaluatie over te doen, wat vanzelfsprekend niet zijn bevoegdheid is. Dit is het des te minder nu de invulling van de functie aan de hand van de opgesomde criteria geen louter mathematische activiteit is, maar een zekere discretionaire invulling vergt, welke taak precies toevalt aan het bestuurscollege. Er is geen reden om verzoeker belang bij het middel te ontzeggen. XII-5444-10/13
- Als verwerende partij meent dat het motief “dat de functie geen studieniveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli vereist en bijgevolg thuishoort in functieklasse B met een score van 145 punten (3B4 IIIa Ia Ia)” vanuit formeel oogpunt afdoende duidelijk maakt aan verzoeker waarom zijn functie in de functieklasse B wordt ingedeeld, gaat zij voorbij aan het gegeven dat te dezen uitspraak wordt gedaan door het bestuurscollege in het kader van een uitgewerkte bezwaarprocedure. In zo een geval worden striktere eisen gesteld aan de formele- motiveringsplicht. Het bestuur hoeft weliswaar niet stuk voor stuk op alle argumenten van het bezwaarschrift te antwoorden. De logica van het organiseren van een beroep impliceert evenwel dat de grieven van verzoeker effectief in de nieuwe beoordeling worden betrokken, wat dan in de beslissing veruitwendigd moet worden, en er moet alleszins een antwoord volgen op die grieven die, mochten ze terecht blijken te zijn, tot een andersluidend eindoordeel zouden kunnen leiden. Toegepast op de voorliggende zaak betekent zulks dat de beroepscommissie er toe gehouden was om de elementen weer te geven die aantonen wat haar ertoe heeft gebracht om tot haar advies te komen spijts de kritiek die verzoeker heeft geformuleerd -zowel voor de evaluatiecommissie als voor de beroepscommissie- tegen de toegekende puntenscore. Zij moest die kritiek meer in detail weerleggen en de toegekende punten nader verantwoorden, ofwel uiteenzetten waarom zelfs de inwilliging van alle bezwaren aan verzoeker nog geen 205 punten kon opleveren.
- In de aan verzoeker ter kennis gebrachte inhoud van het advies van de beroepscommissie valt niet te achterhalen of en hoe de argumenten van verzoeker in de beoordeling zijn betrokken en op grond van welke motieven de beroeps-commissie tot haar oordeel is gekomen dat die argumenten niet konden overtuigen. Dit terwijl de beroepscommissie met haar advies van 30 maart 2004 op uitdrukkelijk verzoek van het bestuurscollege een tweede keer heeft moeten oordelen. De eerste keer werd geen advies uitgebracht, nu het studieniveau van verzoeker tot een onoverbrugbaar meningsverschil had geleid binnen die commissie. Wanneer het bestuurscollege alsdan vraagt toch een uitdrukkelijk standpunt in te nemen, had de beroepscommissie - gelet op de eerdere tweespalt - duidelijk aan te XII-5444-11/13 geven waarom in deze of gene zin werd geadviseerd. Dit klemt des te meer, nu in het verslag van 30 maart 2004 van de beroepscommissie argumenten worden aangeleverd die ingaan tegen de conclusie van het advies en de inschaling van verzoekers functie in een hogere functieklasse lijken te verantwoorden. Daarin staat immers te lezen dat “leden van de beroepscommissie [menen] dat de functie zich situeert op het niveau van hogeschoolonderwijs van 2 cycli, dat het takenpakket een specifieke deskundigheid behelst en de uitoefening ervan gebeurt op zelfstandige wijze”. De motivering van de beroepscommissie is niet afdoende en voldoet niet aan de vereisten gesteld door de formele-motiveringswet.
- Het bestuurscollege van verwerende partij kon er zich derhalve niet toe beperken zich aan te sluiten bij dergelijk gebrekkig advies, waardoor ook zijn beslissing onwettig is. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 22 april 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent houdende de individuele bepaling van de functie van Luc Van Parys in functieklasse B. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-5444-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2008, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5444-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.810 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div