← België

Arrest 186854 - Diploma’s - 02/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.854 Rolnummer: A. 189799/XII-5566 Zaak: Arrest 186854 - Diploma's - 02/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.854 van 2 oktober 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.854 van 2 oktober 2008 in de zaak A. 189.799/XII-5566. In zake : Caroline SCHERENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. Lahousse, kantoor houdende te Mechelen, Leopoldstraat 64 tegen : de VZW SINT-ANGELA MONTFORTCOLLEGE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat 24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Caroline Scherens, minderjarige leerling vertegenwoordigd door haar ouders Dirk Scherens en Chris Van Rompaey, op 24 september 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “de kennisgeving van de beslissing bij schrijven dd. 16.09.2008 waarbij wordt gesteld [dat] de Raad van Bestuur van de vzw Sint-Angela-Montfortcollege [zijn] beslissing dd. 26 augustus 2006 [intrekt en] beslist [...] om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Lahousse, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat L. Peeters, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de verwerende partij; XII-5566-1/15 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De relevante feitelijke gegevens van de zaak 1.1. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling in het eerste jaar van de derde graad, richting Moderne Talen-Wetenschappen, in het Montfortcollege te Rotselaar. Op het einde van het schooljaar besluit de delibererende klassenraad om haar een oriënteringsattest C toe te kennen. Op het “attesteringsformulier” is als motivering genotuleerd : “De klassenraad heeft een C-attest toegekend op basis van het totaalpercentage, het lage percentage voor de fundamentele vakken en 5 vaktekorten voor fundamentele vakken, waarvan 4 nieuwe tekorten ten opzichte van de predeliberatie”. Het formulier vermeldt ook het totaalpercentage voor Kerstmis, Juni en Totaal (58.0, 59.0 resp. 58.6%) en op dezelfde wijze de tekorten voor chemie (37, 52 resp. 46.0%), aardrijkskunde (62, 42 resp. 49,9%), biologie (55, 43 resp. 47.3%), fysica (55, 38 resp. 44.7%) en Frans (51, 50 resp. 49.9%). Tussen partijen wordt niet betwist dat voor de berekening van het jaartotaal gerekend wordt met een weging waarbij het resultaat voor Kerstmis meetelt voor 40% en het juniresultaat voor 60%. Zoals hierna zal blijken verschillen partijen wel van mening over de concrete toepassing van deze “40/60 regel”. De ouders van verzoekster vragen aansluitend een onderhoud met de voorzitter van de delibererende klassenraad. Na dit overleg op 1 juli 2008 wordt daags nadien door de directeur aan hen meegedeeld dat “er niet voldoende gronden zijn om de klassenraad opnieuw samen te roepen”. 1.2. Vervolgens tekenen de ouders van verzoekster op 7 juli 2008 bezwaar aan bij de beroepscommissie. Zij zetten uiteen waarom zij het attest betwisten aan de hand van volgende argumenten en vragen, samengevat : - verzoekster had behoorlijke resultaten op het kerstrapport en is niet tijdig gewaarschuwd om nog eventueel van richting te veranderen, XII-5566-2/15 - geen rekening werd gehouden met de positieve evolutie voor chemie en ook voor andere vakken was er een positieve evolutie of minstens mooie resultaten, - is met het dagelijks werk rekening gehouden?, - toepassing van de 40/60 regel impliceert voor aardrijkskunde en voor Frans resp. 50% en 50,4% en dus géén tekort, - blijven een klein tekort voor biologie en een zwaarder tekort voor fysica; dit laatste is uitsluitend te wijten aan het eindexamen, is dat niet te streng verbeterd of te moeilijk nu het klasgemiddelde 47% bedraagt? - verzoekster heeft de examens afgelegd niettegenstaande zij ziek was, - het jaartotaal is 58,6% en het totaal voor de fundamentele vakken is 55%, dus beide voldoende, zeker in het licht van de lage klasgemiddelden, - de persoonlijkheidsaspecten van verzoekster zijn niet in aanmerking genomen, net zo min als haar inzet en toewijding voor medeleerlingen of extracurriculaire activiteiten die de school ten goede kwamen, - verzoekster heeft de nodige motivatie om een kans te maken in een hoger jaar, haar niet slagen heeft veeleer te maken met een gebrek aan remediëring en passend advies van de school; vakantiewerk ware een betere optie geweest. De ouders van verzoekster worden door de beroepscommissie gehoord op 7 augustus 2008. Op diezelfde dag adviseert de beroepscommissie dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient te worden samengeroepen, “- gelet op het feit dat er geen procedurefouten werden vastgesteld - en dat de beslissing van de delibererende klassenraad voldoende werd gemotiveerd * de vakken van de fundamentele optie wetenschappen scoren onvoldoende * bovendien een zwakke score voor Frans en Engels (tweede fundamentele optie Moderne talen)”. Op 12 augustus 2007 richten de ouders van verzoekster nog een “aanvullende argumentatie” aan verwerende partij. 1.3. Met een aangetekend schrijven van 27 augustus 2008 deelt een bestuurder van verwerende partij aan de ouders van verzoekster mee dat de raad van bestuur op 26 augustus 2008 “gelet op deze conclusies [van de beroepscommissie]” -die in afschrift worden bijgevoegd- beslist heeft om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen om de eerder genomen beslissing opnieuw te XII-5566-3/15 overwegen. Verzoekster vecht deze weigeringsbeslissing aan bij de Raad van State met de zaak gekend onder rolnummer 189.668/XII-5546. Op 16 september 2008 neemt de raad van bestuur er kennis van dat verzoekster voornoemd beroep heeft ingeleid. De raad van bestuur beslist vervolgens de weigeringsbeslissing van 26 augustus 2008 in te trekken. Bij arrest nr. 186.376 van 18 september 2008 stelt de Raad van State vast dat het beroep tegen die weigeringsbeslissing zonder voorwerp is geworden. 1.4. Nog steeds op 16 september 2008 heroverweegt de raad van bestuur de argumenten van verzoekster, vervat in brieven van 7 juli 2008 en van 12 augustus 2008 en in het eerste verzoekschrift voor de Raad van State. Dit leidt er toe dat de raad van bestuur op diezelfde dag andermaal beslist om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. De raad van bestuur notuleert zijn motivering om tot deze nieuwe weigeringsbeslissing te komen als volgt : “Samengevat stellen de heer en mevrouw Scherens-Van Rompay, ouders van Caroline Scherens dat : - er met kerstmis geen advies geformuleerd werd om van studierichting te veranderen; - er sprake is van een positieve evolutie van de resultaten voor chemie en een aantal andere vakken; - de tekorten voor Frans en Aardrijkskunde onbestaande zijn, en er twijfels zijn bij het examen Fysica; - Caroline ziek was tijdens de examenperiode; - er geen sprake is van catastrofale of structurele tekorten; - de persoonlijkheidsaspecten van Caroline te weinig in rekening werden gebracht; - het grote engagement van Caroline voor de school te weinig in rekening werd gebracht; - de inzet en de motivatie van Caroline zorgen voor reële slaagkansen in het 2de leerjaar van de 3de graad moderne-talen wetenschappen ASO Rekening houdend met alle bovenstaande gegevens, stelt de raad van bestuur vast dat : - de delibererende klassenraad van het 2de leerjaar van de 2de graad wetenschappen ASO m.b.t. Caroline Scherens het advies uitbracht humane wetenschappen ASO of Sociaal-technische wetenschappen TSO te overwegen - de resultaten met kerstmis zwak waren maar met slechts één totaal onvoldoende, voor chemie, waarvoor remediëring werd opgestart - het verslag van de predeliberatie wel degelijk melding maakt van een mogelijk C-attest in juni - de fundamentele vakken geen positieve evolutie vertonen maar integendeel negatief evolueren, behalve chemie waarvoor echter ondanks de goed verlopen begeleiding een jaaronvoldoende blijft staan; er komen bovendien jaaronvoldoendes bij in juni; XII-5566-4/15 - de tekorten voor Frans en aardrijkskunde weliswaar heel miniem zijn maar er wel degelijk zijn zoals kan worden vastgesteld op het eindoverzicht - de berekeningen op het rapport correct zijn - het examen fysica volgens de pedagogische begeleider fysica de klassenraad in staat stelde om ‘eenduidig en objectief te oordelen over kennis, inzicht, vaardigheden en competenties van de leerling’ - het ziektebriefje van Caroline pas op 2 juli 2008 werd opgemaakt betreffende de periode 3 tot 20 juni 2008 - de tekorten wel degelijk belangrijk zijn aangezien ze fundamentele vakken betreffen - de voorzitter van de delibererende klassenraad, de heer Pieter Jansen, verklaart dat wel degelijk werd rekening gehouden met persoonlijkheidsaspecten van Caroline en haar groot engagement in de school - de delibererende klassenraad van het 1ste leerjaar van de 3de graad moderne talen-wetenschappen ASO m.b.t. Caroline, ondanks haar inzet en motivatie, geen slaagkansen ziet in het 2de leerjaar van de 3de graad moderne talen-wetenschappen ASO maar adviseert een andere studierichting te kiezen (Humane wetenschappen of een sociaal- technische richting)”. De ontvankelijkheid van de vordering 3.1. De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat de vordering manifest onontvankelijk is omdat ze is gericht tegen een “kennisgevingsbeslissing”. 3.2. Een loutere kennisgeving van een beslissing is inderdaad geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. Ambtshalve rijst ook de vraag naar het belang van verzoekster bij het betwisten van de (kennisgeving van

  1. de)intrekking van de eerdere weigeringsbeslissing. Blijkens de bewoordingen evenwel van het volledige verzoekschrift, meer bepaald ook de uiteenzetting van de feiten en de middelen, en zoals verzoekster ter terechtzitting ook preciseert, is het de weigeringsbeslissing van 16 september 2008, en enkel deze, die zij tot voorwerp van de voorliggende vordering maakt. De exceptie wordt dan ook verworpen. De schorsingsvoorwaarden 4. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen XII-5566-5/15 verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 5. Verzoekster betoogt dat het schooljaar inmiddels is aangevangen en dat, wil zij voorkomen een studiejaar te moeten overdoen, er uiterst dringend een uitspraak moet komen. Wanneer de gewone schorsingsprocedure zou worden gevolgd, zou het schooljaar immers te ver gevorderd zijn. Het dreigend verlies van een schooljaar vormt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verwerende partij meent dat de uiterst dringende noodzakelijkheid inmiddels is verdwenen nu het voor verzoekster “niet meer haalbaar lijkt” om alsnog het zesde jaar aan te vatten waarvan zij al een maand de lessen heeft gemist. Wat het nadeel betreft, verklaart zij zich naar de wijsheid van de Raad van State te gedragen. 6. Dat verzoekster reeds na het missen van de lessen gedurende één maand geen kans meer zou maken om nog met goed gevolg aansluiting te vinden in het tweede jaar van de derde graad is een niet bewezen en ook niet evidente hypothese. Overigens heeft verwerende partij tot die feitelijke situatie ten zeerste bijgedragen, zo ze er al niet uitsluitend de verantwoordelijkheid voor draagt, door de beroepsprocedure in eerste instantie pas op 26 augustus 2008 af te handelen met dan nog een beslissing waarvan zij zelf heeft erkend, door de intrekking ervan op 16 september 2008, dat de grief van verzoekster omtrent de gebrekkige motivering ervan niet zonder grond was. Aan de besproken voorwaarden is te dezen voldaan. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Uiteenzetting van het eerste middel 7. Als eerste middel voert verzoekster de schending aan van “de beginselen van behoorlijk bestuur”, met in het bijzonder de motiveringsplicht, van de “uitdrukkelijke motiveringswet dd. 29 juli 1991” en van artikel 5, § 8, van het besluit van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit). XII-5566-6/15 Volgens verzoekster is de formele-motiveringsplicht geschonden omdat de bestreden beslissing “op geen enkele wijze gemotiveerd is” en “op geen enkele wijze een duidelijke, concrete, nauwkeurige en draagkrachtige motivering” bevat. De beslissing van de klassenraad dan weer is gebrekkig gemotiveerd, in zoverre haar enkel het C-attest is afgeleverd en de motieven van de klassenraad haar nooit zijn meegedeeld. Op geen enkele wijze, aldus verzoekster, blijkt uit de bestreden beslissing dat de delibererende klassenraad rekening heeft gehouden met de concrete elementen uit haar dossier, waarvan sprake in artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit. De beroepscommissie mag geen eigen argumenten in de plaats stellen van de autonoom delibererende klassenraad; de Raad van State mag enkel rekening houden met de door de delibererende klassenraad tot uiting gebrachte motieven. Verzoekster verwijst naar het arrest nr. 167.732 van 13 februari 2007. Er mag niet uit het oog verloren worden dat er op 14 april 2008 een voordeliberatie is geweest waarbij een A-attest werd toegekend mits vakantiewerk. De grieven die verzoekster in de loop van de bezwaarprocedure heeft aangevoerd, worden onbeantwoord gelaten door de delibererende klassenraad. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State moet uit de beslissing toch blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard. Beoordeling 8. Verzoekster heeft gebruik gemaakt van haar recht om de beslissing van de delibererende klassenraad te betwisten. Die in het organisatiebesluit georganiseerde beroepsprocedure heeft te dezen geleid tot de in artikel 73 van het organisatiebesluit bedoelde beslissing van het schoolbestuur, dat de klassenraad niet opnieuw moet samengeroepen worden. XII-5566-7/15 Wil die beroepsprocedure zin hebben, dan moeten de argumenten van verzoekster effectief in de beoordeling van het beroep worden betrokken en moet verzoekster ergens in de loop van de procedure een antwoord hebben kunnen vinden op haar grieven, minstens op die grieven waarvan de gegrondheid haar uitzicht kunnen bieden op een gunstiger resultaat. Van belang is daarbij ook dat enkel de delibererende klassenraad, als enig bevoegd orgaan, autonoom beslist over het al dan niet slagen van de leerling. Het schoolbestuur mag die beslissing niet overdoen of zich anderszins mengen met de inhoud van de beslissing, maar het mag enkel nagaan of uit de beslissing van de klassenraad blijkt of de -relevant lijkende- grieven en vragen van een leerling al dan niet reeds onderzocht werden en op grond daarvan al dan niet een nieuwe deliberatie uitlokken. Zoals artikel 70 van het organisatiebesluit bevestigt, mag het schoolbestuur ook steeds uit eigen beweging de klassenraad vragen om de beslissing opnieuw te overwegen; het schoolbestuur is dus niet gebonden aan het bestaan of de inhoud van een concrete klacht. 9. Verzoekster voegt bij het inleidend verzoekschrift als stuk 8, het zogenaamde “attesteringsformulier” waarvan sprake sub 1.1. : de bewering dat de formele motivering van de beslissing van de delibererende klassenraad haar nooit is meegedeeld, lijkt derhalve feitelijke grondslag te missen. Meer nog, in het bezwaarschrift dat verzoekster heeft ingediend bij de beroepscommissie maakt zij zich er helemaal niet druk over geen formele motivering te hebben ontvangen, maar gaat zij integendeel uitvoerig in op de wel degelijk gegeven motivering. Voor zover de klassenraad gemeend zou hebben te mogen volstaan met een verwijzing naar meerdere tekorten en zwakke resultaten, heeft verzoekster in haar bezwaarschrift ook de kans kunnen zien -en gezien- om te wijzen op de andere “concrete gegevens” uit haar dossier waarmee volgens haar niet of te weinig rekening zou zijn gehouden. Vooralsnog begrijpt de Raad van State niet hoe verzoekster dan kan staande houden dat het haar “onmogelijk” is om na te gaan op welke gronden de delibererende klassenraad haar een C-attest heeft gegeven. Dit middelonderdeel is niet ernstig. 10. Verzoekster stelt dat de beroepscommissie geen eigen argumenten in de plaats mag stellen van de delibererende klassenraad. XII-5566-8/15 Het wil de Raad van State voorkomen dat de beroepscommissie te dezen enkel een summier advies heeft gegeven aan de raad van bestuur, die op een gegeven ogenblik vastgesteld lijkt te hebben dat de motivering van dit advies niet afdoende was. De raad van bestuur heeft dan niet meer ermee volstaan om zich enkel de motieven van de beroepscommissie eigen te maken, maar hij heeft aanvullend zelf een repliek gegeven op de grieven van verzoekster. Het is die repliek, zo lijkt, die aan de motiveringsvereisten moet voldoen. Verzoekster lijkt zich dan ook niet dienstig te kunnen beroepen op een eventueel falen in het advies van de beroepscommissie, noch op het arrest nr. 167.732 van 13 februari 2007 waar de feitelijke context net het omgekeerde was als de huidige situatie. Het middelonderdeel is niet ernstig. 11. Een “voordeliberatie” is wat het woord zegt: een voorlopige evaluatie van de leerling op grond van nog onvolledige gegevens aangezien de resultaten van de eindexamens nog niet bekend zijn. Nu lijken vooral die eindexamens niet zonder belang te zijn geweest bij de uitreiking van het C-attest. Daarenboven stelt de Raad van State vast aan de hand van het administratief dossier, stuk 1c, dat de voordeliberatie ook de waarschuwing omvatte “C mogelijk bij verdere daling en meerdere tekorten”. Terecht lijkt de raad van bestuur dan ook te antwoorden op deze grief dat “het verslag van de predeliberatie wel degelijk melding maakt van een mogelijk C-attest in juni”. De Raad van State ziet vooralsnog niet, met die gegevens voor ogen, waarom de voordeliberatie “niet uit het oog verloren mag worden”, zoals verzoekster het zegt. Voor zover er al een middelonderdeel in gelezen kan worden in het kader van de aangevoerde schending van de formele en de materiële motiveringsplicht, is het niet ernstig. 12. Ook de bewering dat de thans bestreden beslissing, dat is de weigering van de raad van bestuur om de delibererende klassenraad terug samen te roepen, “op geen enkele wijze” gemotiveerd zou zijn, mist feitelijke grondslag. Het volstaat daarvoor te verwijzen naar de sub 1.4. overgeschreven notulering van de bestreden beslissing, waarvan verzoekster onbetwistbaar kennis heeft gekregen. De Raad van State valt op het eerste gezicht verzoekster ook niet bij in haar stelling dat uit die beslissing “op geen enkele wijze” zou blijken of haar argumenten in de beoordeling zijn betrokken. Integendeel, alle wezenlijke grieven uit het XII-5566-9/15 bezwaarschrift lijken door de raad van bestuur te zijn samengevat in zijn notulering, wat er op wijst dat er wel degelijk kennis is van genomen. Vervolgens volgt in diezelfde notulering puntsgewijs een antwoord van de raad van bestuur. Ook dit middelonderdeel is niet ernstig. 13. Dan rest wel de vraag of de effectief gegeven antwoorden adequaat zijn om de beslissing om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen in feite en in rechte te schragen. Dat is wat verzoekster mag verwachten van een zorgvuldig handelend schoolbestuur dat in het kader van een beroepsprocedure een gemotiveerde beslissing moet nemen. Opvallend is nu echter, dat verzoekster daarover uiterst kort blijft in het verzoekschrift. Zij betoogt enkel dat de grieven onbeantwoord zijn gelaten door de delibererende klassenraad én dat “uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard”. Verzoekster lijkt alzo voorbij te gaan aan het gegeven dat de bezwaarprocedure hier een einde heeft gekregen met een beslissing van de raad van bestuur, die op gemotiveerde wijze oordeelde dat de klassenraad niet meer hoefde samen te komen. Over de argumenten van die raad van bestuur, die toch op het eerste gezicht summier maar punctueel is ingegaan op elk van de door verzoekster aangevoerde grieven, rept verzoekster in het eerste middel met geen woord. Ter terechtzitting stelt verzoekster ook nog dat de raad van bestuur geen “eigen argumenten” in de plaats van de delibererende klassenraad zou mogen stellen. Nog daargelaten of zij hiermee geen nieuwe en dus onontvankelijke invulling geeft aan haar middel, laat zij na om deze grief concreet te onderbouwen, en om meer bepaald die argumenten aan te wijzen die niet van de raad van bestuur hadden mogen uitgaan en om te adstrueren waarom bepaalde antwoorden, nu ze uitgaan van de raad van bestuur, de autonomie van de klassenraad zouden miskennen. Verzoekster mag dan niet van de Raad van State verlangen dat hij het werk in haar plaats doet en zou nagaan of elk van die gegeven antwoorden in XII-5566-10/15 feite en in rechte aanvaardbaar zijn. Daarvoor had verzoekster in het inleidend verzoekschrift zélf, met een minimum aan precisie, een standpunt moeten innemen. Bijgevolg is ook dit middelonderdeel, en dus het eerste middel in zijn geheel, niet ernstig. Uiteenzetting van het tweede middel 14. Het tweede middel is geput uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het belangenafwegingsbeginsel en het beginsel van de feitenvinding. Toepassing van de zogenaamde “40/60 regel” op de percentagecijfers, vermeld op het C-attest, leiden voor de vakken aardrijkskunde en Frans tot voldoende cijfers, zodat de jaartekorten op het C-attest volgens verzoekster onbestaande zijn. Ook voor de vakken biologie en fysica moeten de cijfers nipt hoger zijn, gelet op diezelfde regel. De beslissing getuigt dan ook van onzorgvuldigheid; ze is niet tot stand gekomen op basis van correcte feitenvinding. Uit de bestreden beslissing blijkt ook niet dat met de persoonlijkheidsaspecten van verzoekster rekening is gehouden. Het klein mathematisch tekort werd op geen enkel ogenblik gecompenseerd door haar persoonlijkheid. Beoordeling 15. Verwerende partij verduidelijkt in de nota met opmerkingen dat op het C-attest enkel afgeronde percentages voorkomen voor de kerst- en juniperiode, maar dat voor de eindcijfers de optelling is gemaakt van de werkelijk behaalde punten. Volgens haar maakt verzoekster dus een verkeerde toepassing van de 40/60-regel. XII-5566-11/15 De Raad van State kan verwerende partij een eindweegs volgen, gelet op het bepaalde op bladzijde 12 van het schoolreglement. De totalen worden volgens hetgeen daar is uiteengezet berekend op basis van het aantal uren per week per vak en uitgedrukt in de optelling van de punten voor dagelijks werk en examens, met voor elk lesuur per week een verhouding DW10ptEX30pt/DW20ptEX40pt. Dit lijkt er op te wijzen dat, inderdaad, niet met percentages maar met de reële punten gerekend moet worden om de gewogen jaartotalen te berekenen. Dit betekent dan evenwel dat verzoekster in verwarring is gebracht, door de vermelding van afgeronde en dus volgens verwerende partij niet relevante percentages op het attesteringsformulier. Volgens verwerende partij staan de correcte cijfers op het “eindoverzicht”, dat tegelijk met het attesteringsformulier aan verzoekster zou zijn meegedeeld én ook in het administratief dossier aan de Raad van State was overgelegd bij de eerste schorsingsprocedure. De Raad stelt echter vast dat verwerende partij vooralsnog niet met zekerheid aantoont dat dit eindoverzicht inderdaad aan verzoekster is overhandigd. Het afschrift dat thans in het administratief dossier berust draagt de handtekening van de klassenleraar, maar is blanco gebleven waar de handtekening van het gezinshoofd moet komen. De wijze waarop verzoekster zich tot de beroepscommissie en later tot de Raad van State heeft gericht toont evenmin aan dat zij kennis had van dit stuk. Dat het in de eerdere schorsingsprocedure is neergelegd kan in de concrete omstandigheden niet aan verzoekster worden tegengeworpen. In die vorige procedure is immers het bedoelde administratief dossier pas neergelegd op de openbare terechtzitting waar reeds de intrekking van de bestreden beslissing werd vastgesteld. Er was dan ook geen reden voor verzoekster om nog op de banken inzage te nemen van het administratief dossier. Prima facie verschaft daarenboven dit “eindoverzicht” ook geen zekerheid over de door verzoekster opgeworpen vraag of wel met correcte feiten en cijfers is geoordeeld. Zo merkt de Raad, bij wijze van voorbeeld, dat verzoekster zich in haar verzoekschrift beroept op DW4 : 4,6/10 en DW 5 : 6,7/10 voor het twee-uursvak fysica. Verwerende partij lijkt die cijfers in haar nota niet te betwisten en ze stemmen overeen, zo lijkt, met de cijfers op de desbetreffende deelrapporten. Als, zoals verwerende partij op goede grond lijkt te beweren, niet de percentages maar de punten opgeteld en gewogen moeten worden, dan is de som van die beide XII-5566-12/15 cijfers dagelijks werk 11,3/20, wat omgezet naar 30 punten 16,95/30 of, afgerond, 17/30 is. Het eindoverzicht geeft echter aan verzoekster 16,8/30. Omgekeerd steunt verzoekster in haar verzoekschrift voor het één-uursvak biologie op DW4 : 2,9/10 en voor DW5 : 5/10, wat samen 7,9/20 is en herleid 5,925/15 of, afgerond, 5,9/15. Op het eindoverzicht staat 6,2/15 te lezen. Er blijft dus een vooralsnog niet opgehelderd verschil bestaan tussen de aan verzoekster meegedeelde rapportpunten en de in het eindoverzicht genoteerde punten. Het valt echter ook niet aan de Raad van State toe om, ditmaal in de plaats van verwerende partij, de correcte berekeningen te maken. Wel moet hij vaststellen dat, eensdeels, aan verzoekster een “attesteringsformulier” is gegeven waarvan verwerende partij zelf erkent dat het niet de correcte gegevens bevat om op een juiste wijze de eindtotalen te verifiëren en dat, anderdeels, het document “eindoverzicht” waarop verwerende partij zich beroept niet zonder vragen is wanneer het wordt gesteld tegenover de cijfers van het verzoekschrift, die op eerste gezicht en op basis van de gegevens waarover de Raad thans beschikt, zelf steun vinden in de overgelegde rapporten. De raad van bestuur heeft in de bestreden beslissing wel beaamd dat “de berekeningen op het rapport correct zijn”, maar dit is een nietszeggend antwoord dat de opgeroepen twijfels niet kan wegnemen. Die vaststelling volstaat om het middel ernstig te bevinden. Verzoekster moet er immers op kunnen vertrouwen dat de deliberatie uitgaat van de juiste punten, des te meer nu twee van de vijf haar aangerekende tekorten met 49,9% wel bijzonder nipt zijn. Die geruststelling is haar door de bestreden beslissing niet gegeven. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 september 2008 waarbij de raad van bestuur van de vzw Sint- Angela-Montfortcollege te Rotselaar weigert om de over Caroline Scherens delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. XII-5566-13/15 Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XII-5566-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee oktober 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5566-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.854 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.