id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.859 Rolnummer: A. 189846/IX-6084 Zaak: Arrest 186859 - Penitentiair recht - 03/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.859 van 3 oktober 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.859 van 3 oktober 2008 in de zaak A. 189.846/IX-
- In zake : Mustapha AAZZANI, die woonplaats kiest bij advocaat R. COLMAN, kantoor houdende te DENDERMONDE, Justitieplein 9 bus 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mustapha AAZZANI op 29 september 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Gent van 24 september 2008 waarbij hem de tuchtstraf van één maand strikt regime wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. COLMAN, die verschijnt voor de verzoeker en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; IX-6084-1/5 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker verblijft in de gevangenis te Gent. Op 22 september 2008 doen zich twee incidenten voor. Rond de middag moet hij vervoerd worden naar het gerechtsgebouw te Dendermonde. Hij reageert dan agressief en dreigend tegen de agenten van de federale politie, wanneer die hem de boeien omdoen en hem wensen te fouilleren. Uiteindelijk wordt de verzoeker teruggeleid door een aantal penitentiaire beambten. In het rapport aan de directeur dat over het incident wordt opgemaakt, noteert het betrokken personeelslid dat de verzoeker tegenover de penitentiaire beambten rustig werd. +s Avonds doet zich een tweede incident voor. De verzoeker roept door het “winket” van zijn celdeur om zo de aandacht te trekken van medegedetineerden en om tot gesprekken te komen. Ook hierover wordt een rapport aan de directeur opgemaakt. Tegen de verzoeker wordt een tuchtprocedure gestart. Een hoorzitting vindt plaats op 24 september
- De verzoeker verklaart er dat hij enkel tegen de politie agressief geweest is, niet tegen de beambten. Volgens hem kan het eerste incident niet tuchtrechtelijk bestraft worden. Dezelfde dag wordt de thans bestreden beslissing genomen. Die beslissing verwijst naar de verklaringen op de hoorzitting, en steunt op “het verstoren van de orde en de rust in de instelling”. Aan de verzoeker wordt de tuchtstraf van “1 maand strikt regime” opgelegd. IX-6084-2/5 Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
- De verzoeker roept een enig middel in, gericht tegen de bestreden beslissing in zoverre deze steunt op de agressie tegenover leden van de federale politie. In het middel wordt de schending aangevoerd van artikel 77 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. Volgens de verzoeker bepaalt artikel 77 van het genoemde koninklijk besluit dat de gedetineerden moeten gehoorzamen aan de personeelsleden en alles moeten volbrengen wat dezen hun opleggen om de orde te handhaven en de reglementen uit te voeren. Nu de verzoeker zich niet agressief gedragen heeft tegenover het personeel van de gevangenis en zich integendeel tegenover dat personeel rustig gedragen heeft, en nu hij enkel agressief was tegenover een lid van de federale politie, kon hem voor dat laatste feit geen tuchtstraf worden opgelegd. De verzoeker is van oordeel dat, als dat laatste feit geen aanleiding kan geven tot een tuchtstraf, de bestreden beslissing niet meer wettig is. Er zou dan immers een kennelijke wanverhouding bestaan tussen het nog overblijvende feit, zijnde het luid roepen, en de opgelegde straf. 3.
- Artikel 77 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965, dat voorkomt in de afdeling die de “tuchtregels” bevat, bepaalt het volgende: “De gedetineerden moeten gehoorzamen aan de personeelsleden en alles volbrengen wat deze(n) hun opleggen om de orde te handhaven en de reglementen uit te voeren.” Uit die bepaling lijkt niet afgeleid te kunnen worden dat een gedetineerde tuchtrechtelijk slechts gestraft kan worden voor feiten gepleegd tegenover een personeelslid. IX-6084-3/5 Artikel 81 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965, dat voorkomt in de afdeling over de tuchtstraffen, bepaalt trouwens dat onder meer “daden van tuchteloosheid of van weerspannigheid” worden gestraft, “naar omstandigheden en volgens de ernst van het geval”. Die bepaling is in algemene bewoordingen gesteld, en het toepassingsgebied ervan lijkt ruimer te zijn dan handelingen gericht tegen personeelsleden van de betrokken instelling. Het middel is niet ernstig.
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6084-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 oktober 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6084-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.859 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.