id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.860 Rolnummer: A. 189817/IX-6082 Zaak: Arrest 186860 - Penitentiair recht - 03/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:39 Fiche Arrest nr 186.860 van 3 oktober 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.860 van 3 oktober 2008 in de zaak A. 189.817/IX-
- In zake : Jean BURKE, die woonplaats kiest bij advocaat K. HERMIE, kantoor houdende te BRUGGE, Walakker 28 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jean BURKE op 25 september 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Directeur van de Strafin- richting te Gent van 24 september 2008 waarbij verzoeker de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : ‘de voorwaardelijke straf (14 dagen strikt voorwaardelijk) komt in uitvoer’”; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij aan verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt toegekend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMIE, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6082-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten.
- De verzoeker verblijft in de strafinrichting te Gent. Op 21 september 2008 stelt de penitentiair beambte van vleugel C, A. Br. een rapport aan de directeur op, betreffende de verzoeker. Uit dit rapport blijkt dat zij op 21 september 2008 om 20.05 u., ter hoogte van cel 803, het volgende heeft vastgesteld: “Gedetineerde vroeg me bij de sluiting (van zijn cel) of hij met me mee mocht naar huis vanavond. Ik antwoord(d)e: nee(n), waarom zou jij mee moeten ? Omdat ik me dan met je kindjes zou kunnen bezighouden, en ermee spelen, was zijn antwoord”. Op 21 september 2008 beslist de gevangenisdirecteur om een tuchtprocedure op te starten tegen de verzoeker. Op 24 september 2008 wordt de verzoeker in aanwezigheid van zijn advocaat gehoord. De verklaring van de verzoeker en zijn advocaat wordt genoteerd in het tuchtverslag. Op hetzelfde document, van 24 september 2008, wordt de tuchtsanctie genoteerd die als volgt luidt : “De voorwaardelijke straf (14 dagen strikt voorwaardelijk) komt in uitvoer”. Na de vermelding van de tuchtstraf volgt de motivering van de sanctie. Onderzoek van de vordering.
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging IX-6082-2/6 bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 24 september 2008, dat ze dezelfde dag aan de verzoeker ter kennis is gebracht, en dat de opgelegde sanctie uitwerking heeft vanaf dezelfde datum. De verzoeker heeft met een op 25 september 2008 ter post aangetekend verzoekschrift de voorliggende vordering ingesteld. Uit deze chronologie kan worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. De verwerende partij betwist de uiterst dringende noodzakelijkheid trouwens niet. Bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en
- 4.
- In verband met de tweede cumulatieve voorwaarde, roept de verzoeker een enig middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurs- handelingen. De verzoeker citeert in dit verband de motivering van de bestreden beslissing die als volgt luidt : “Gelet op de artikelen 81, 82 en 83 van het K.B. van 21 mei 1965 houdende Algemeen reglement van de strafinrichtingen. Gelet op : - de verklaring van betrokkene en zijn advocaat.” De verzoeker voert aan dat de motivering niet afdoende is; dat het gaat om een standaardformulering, die niet aangeeft waarom een tuchtsanctie noodzakelijk is en/of waarom de tuchtoverheid van oordeel is dat de verzoeker een IX-6082-3/6 gevaar vormt voor de orde en de veiligheid van de inrichting, omdat de tuchtproce- dure moet beperkt worden tot deze situaties. Het was nochtans duidelijk, aldus de verzoeker -mede gelet op het feit dat hij geïnterneerd is- dat hij slechts wat aan het ‘zeveren’ was en de vraag geenszins serieus was bedoeld. De verzoeker voegt daaraan toe dat zijn gedrag geenszins een gevaar of een bedreiging vormde. 4.
- Het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting maakt integraal deel uit van de bestreden beslissing en de motivering van de opgelegde tuchtsanctie bestaat enerzijds uit de verwijzing naar de artikelen 81, 82 en 83 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen en anderzijds uit de letterlijke weergave van de verklaring van de verzoeker en van zijn advocaat. Door te verwijzen naar de artikelen van voornoemd koninklijk besluit voldoet de bestreden beslissing op het eerste gezicht aan de formele motiveringsplicht. Door de verklaring van de verzoeker en van zijn advocaat integraal weer te geven, onder de vorm van vragen en antwoorden betreffende de feiten vermeld in het rapport aan de directeur van 21 september 2008, voldoet de bestreden beslissing op het eerste gezicht aan de materiële motiveringsplicht. 4.
- Voornoemde verklaringen luiden immers als volgt : “Door de directeur gestelde vragen en antwoorden van de gedetineerde: De directeur vraagt betrokkene hoelang hij al in de gevangenis verblijft en de reden hiervan. Hierop antwoordt hij dat hij hier al 1 jaar, 2 maanden, 3 weken en 2 dagen zit wegens zedenfeiten. De directeur stelt dat zij ernstig tilt aan het tuchtrapport. Betrokkene vraagt aan de directeur of zij zijn brief heeft ontvangen. Daarin staat dat hij niet mee wou gaan met de beambte naar huis, maar dat hij om te lachen gevraagd heeft of zij hem bij zijn zus wou afzetten om met haar kindjes te spelen. Zijn advocaat haalt aan dat zijn cliënt de feiten niet ontkent, maar vraagt om rekening te houden met zijn mentale toestand.” Uit deze verklaringen blijkt waarom de voorwaardelijke tuchtstraf opgelegd aan de verzoeker op 21 september 2008 voor gelijkaardige feiten, met name “onaanvaardbare voorstellen t.o.v. (personeel)”, effectief wordt. IX-6082-4/6 De verklaring van de verzoeker bevat de materiële motieven van de bestreden beslissing die op het eerste gezicht, pertinent, deugdelijk en afdoend zijn. Temeer daar tevens wordt verwezen naar het rapport aan de directeur van 21september 2008, waaruit blijkt dat de uitspraak van de verzoeker een gevaar vormt voor de orde en veiligheid van de strafinrichting, omdat wat de verzoeker heeft gezegd, het moreel gezag van de penitentiair beambte ondermijnt, mede gelet op de aard van de feiten waarvoor de verzoeker op 22 februari 2008 door de Raadkamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge werd geïnterneerd. 4.
- Het enig middel van de verzoeker is niet ernstig.
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. Die vaststelling leidt ertoe dat de vordering verworpen moet worden.. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-6082-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 oktober 2008, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6082-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.860 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.