← België

Arrest 186868 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 07/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.868 Rolnummer: A. 177283/XIV-26802 Zaak: Arrest 186868 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 07/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.868 van 7 oktober 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.868 van 7 oktober 2008 in de zaak A. 177.283/XIV-26.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. MICHOLT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Maria van Bourgondielaan 7B tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 29 september 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 10 augustus 2006 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 13 oktober 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 september 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-26.802-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat KALIN MERAL die, loco Advocaat S. MICHOLT verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.
  3. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “! Schending van art. 149 GW; ! Schending van artikel 52122 Wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december 1980; ! Schending van het motiveringsbeginsel ; ! Schending van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel en Schending van de rechten van verdediging. 3.
  4. De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond. De Vaste Beroepscommissie wijst erop dat verzoeker geen bewijs van identiteit kan voorleggen (verzoeker heeft wel zijn Nepalees rijbewijs voorgelegd) en bijgevolg zijn identiteit niet zou kunnen aantonen en dus zijn geloofwaardigheid hypothekeert. Dat verzoeker zijn reisweg niet kan aantonen. Dat hij niet voldoende documenten zou voorleggen m.b.t. zijn handelsactiviteit; dat verzoeker zijn verklaringen niet objecti- veert; dat verzoeker zich elders kan vestigen in Nepal. De Vaste Beroepscommissie stelt verder ook dat de verklaringen van appellant op alle punten leugenachtig voorkomt, zodat er geen reden is om het relaas te toetsen aan het Verdrag van Genève van 28 juli
  5. De Vaste Beroepscommissie besluit dan ook dat verzoeker de feiten die hij aanhaalt niet bewijst, de motieven van de bestreden beslissing niet weerlegt. Ten onrechte. De asielzoeker krijgt het voordeel van de twijfel (VAN HEULE, D., Vluchtelingen, Mys & Breesch, Gent, nr. 551; VBV, 2de kamer, nr. E, 3 september 1992, onuitg.). Het is dan ook aan het Commissariaat-generaal of de Vaste Beroepscommissie om dit voordeel van de twijfel te weerleggen. Er zal aldus moeten aangetoond worden waarom de verklaring NIET als geloofwaardig wordt beschouwd. 3.
  6. Wat de identiteit van verzoeker betreft, heeft hij zijn Nepalees rijbewijs voorgelegd. Hieruit blijken de volgende identiteitsgegevens van verzoeker: zijn naam: XXX zijn geboortedatum: 12/04/2036 (27 juli 1979) de naam van zijn vader: XXX Dit rijbewijs wordt door geen enkele asielinstantie in vraag gesteld noch betwist. 3.
  7. Wat de reisweg van verzoeker betreft en de gebruikte documenten beschikt zowel de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen als het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen over voldoende middelen om na te gaan bij de Europese ambassades en consulaire posten in Kathmandu (Nepal) of men een visa heeft uitgevaardigd aan verzoeker. Dit blijkt uit vele Nepalese vluchtelingen dossiers. XIV-26.802-2/5 Verzoeker volhardt dat hij met behulp van een mensensmokkelaar naar België is gekomen die zijn volledige reis heeft georganiseerd en voor de nodige documenten heeft gezorgd. 3.
  8. Wat de recente politieke veranderingen betreft in Nepal. In tegenstelling tot wat de Vaste Beroepscommissie beweert in de bestreden beslissing blijkt uit vele rapporten over de huidige situatie in Nepal dat deze zeer precair is en aan een zijden draadje hangt. De huidige politieke situatie in Nepal is nieuw, fragiele and uiterst kwetsbaar. "Zelfs bij een fundamentele politieke verandering moet de bevoegde overheid nog altijd de individuele risico's onderzoeken voor de asielzoeker n.a.v. deze nieuwe situatie" (R.v.St. nr. 87.650, 26 mei 2000, APM 2000, 110; R.v.St. nr. 87.569, 25 mei 2000, APM2000, 109; R.v.St. nr. 78.907, 23 februari 1999, APM 1999, 33). Dit wordt ook bevestigd in de laatste rapporten van de Nationale Mensenrechten Commissie, Nepal (stuk 4). In dit rapport dat betrekking heeft op de situatie van de mensenrechten sinds het staakt-het-vuren tussen de regering en de Maoïsten: "
  9. Besluit Vanuit de observaties en het onderzoek van de NHRC gedurende deze periode, heeft men ontdekt dat mensen/publiek werden gedood door beide partijen. 6 mensen werden gedood tijdens het blindelings schieten in Belbari, Morang, een persoon is gestorven gedurende mishandeling tijdens gevangenschap in het Nationale Park van Chitwan. Gelijkaardig stelt men vast dat beide partijen zich nog steeds schuldig maken aan mishandelingen in verschillende gevallen, het is vastgesteld dat CPN (Maoïsten) voort doen met het vermoorden van ontvoerden, het mishandelen en gedwongen aanwezig- heid in de volksrechtbank, verplichtingen om steun te betalen, gedwongen in beslag nemen van eigendommen, ze hebben nog geen illegale in beslag genomen of veroverd eigendom teruggegeven, heffen van taksen, ... . Slaan van publiek in Saptari en Sindhupalchowk door het leger, het is vastgesteld dat de regering niet in staat is om de vrede en veiligheid voldoende te op tijd te garanderen in geval van dood/moord van een persoon zogenaamd nalaten van gezondheidsinstituties en braak/vernieling van deze dingen. Gelijkaardig, is er vastgesteld dat de activiteiten van de Zeven Partijen Alliantie heeft een zwarte lijst gepubliceerd tegen de mensenrechten en de 'Rule of Law' en wrijven van zwarte poeder miskenning van menselijke waardigheid van burgers, het is vastgesteld dat vele mensen gestorven zijn en gekwetst door een ontploffing van zorgeloos achtergelaten bommen en artillerie van strijdende partijen/groepen, het toont aan dat dergelijke activiteiten van de Staat en de Maoïsten de Universele Princiepen van mensenrechten, de huidige wet van Nepal en de 25 punten van de Gedragscode en de 8 punten van de overeenkomst waaraan beide partijen zich dienen te houden, overtreden”. (stuk 4, vrije vertaling). De Nepalese autoriteiten, noch de internationale instellingen kunnen de veiligheid van verzoeker garanderen bij zijn terugkeer. 3.
  10. Verzoeker volhardt dan ook in zijn bewering een gegronde vrees te hebben voor vervolging in de zin van artikel 1, A, 2/ lid Vluchtelingenverdrag. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing ten onrechte weigert verzoekster te erkennen als vluchteling.”; 1.
  11. Overwegende dat, zoals de bestreden beslissing terecht stelt, het voordeel van de twijfel slechts kan worden verleend indien de feitenrechter overtuigd is van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling afgelegde verklaringen; dat de bestreden beslissing in casu duidelijk doet blijken dat aan verzoeker het voordeel van de twijfel niet kan worden verleend omdat zijn verklaringen op alle punten leugenachtig voorkomen; dat dit besluit inzonderheid steunt op de uitvoerig gemotiveerde vaststelling “dat hij nalaat essentiële objectieve elementen over zijn identiteit, woonplaats en de feiten neer te leggen”; dat het motief, ontleend aan het ontbreken van een identiteitsdocument, in tegenstelling tot XIV-26.802-3/5 hetgeen verzoeker aanvoert, niet voor het eerst door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt opgeworpen; dat in zijn weigeringsbeslissing van 4 juli 2005 de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen al liet gelden dat verzoeker niet in het bezit is van een officieel identiteitsdocument; dat zelfs indien dit motief voor het eerst in de bestreden beslissing zou zijn aangewend, zulks geen onwettigheid zou uitmaken vermits de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de zaak volledig opnieuw vermag te onderzoeken; dat de bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag in beginsel op de kandidaat-vluchteling zelf rust; dat, zoals iedere burger die om een erkenning vraagt, ook de kandidaat-vluchteling moet aantonen dat zijn aanvraag gerechtvaardigd is; dat hij dan ook, in de mate van het mogelijke, geschreven bewijzen moet aanbrengen van de feiten die hij aanhaalt; dat geen enkele bepaling de met het onderzoek van de aanvragen om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling belaste instanties verplicht de vreemdeling bij te staan in zijn inspanningen om het statuut van vluchteling te bekomen en bijvoorbeeld “na te gaan bij de Europese ambassades en consulaire posten in Kathmandu (Nepal) of men een visa heeft uitgevaardigd aan verzoeker”; dat, wat de argumentatie omtrent de situatie in het land van herkomst betreft, het middel om een dubbele reden niet in aanmerking kan worden genomen; dat het ten eerste uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de situatie in het land van herkomst dusdanig gewijzigd is dat verzoeker er zonder vrees voor vervolging naar kan terugkeren; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan vermits het hem niet toekomt feitelijke gegevens te vergelijken en, onder meer, na te gaan of de in de bestreden beslissing vastgestelde “huidige aanhoudende gunstige situatie in Nepal” niet in tegenspraak is met de door de vreemdeling in het middel aangehaalde rapporten; dat ten tweede verzoeker op de zitting van 10 augustus 2006 werd gewezen op deze gunstige situatie, doch hij “op dit punt geen elementen naar voor (bracht) die zijn situatie mogelijk negatief kunnen beïnvloeden”; dat in de mate het middel er thans toe strekt aan de hand van “de laatste rapporten van de Nationale Mensenrechten Commissie, Nepal” aan te tonen dat de huidige situatie “nieuw, fragiele and uiterst kwetsbaar” is en “(d)e Nepalese autoriteiten, noch de internationale instellingen (...) de veiligheid van verzoeker (kunnen) garanderen bij zijn terugkeer”, het op feitelijke gegevens steunt die voor het eerst voor de Raad van State worden aangevoerd en niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  12. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-26.802-4/5 BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-26.802-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.868 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.