← België

Arrest 186902 - Plannen van aanleg - 07/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.902 Rolnummer: A. 187447/X-13688 Zaak: Arrest 186902 - Plannen van aanleg - 07/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-15 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.902 van 7 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.902 van 7 oktober 2008 in de zaak A. 187.447/X-13.

  1. In zake :
  2. Joris HEYNDRICKX,
  3. Beatrix SMET, die woonplaats kiezen bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Antwerpsesteenweg 16-18 tegen :
  4. de gemeente BEVEREN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en J. UYTDENHOUWEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering,
  6. de Gouverneur van de provincie OOST-VLAANDEREN. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Joris HEYNDRICKX en Beatrix SMET op 11 maart 2008 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van:
  7. het besluit van 26 oktober 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek” van de gemeente Beveren, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan, met uitzondering van de met blauw omrande delen van het bestemmingsplan en het onteigeningsplan, waarbij wordt verklaard dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan en waarbij aan de gemeente Beveren machtiging tot onteigenen wordt verleend,
  8. het besluit van 27 september 2005 van de gemeenteraad van Beveren houdende voorlopige vaststelling van het bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek”, en
  9. het besluit van 27 januari 2006 van de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen houdende verwerping van de door hen in het kader van het administratief toezicht opgeworpen bezwaren; X-13.688-1/10 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. RYCKALTS, die loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. DE SMEDT, die loco advocaten B. ROELANDTS en J. UYTDENHOUWEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST, die verschijnt voor de derde verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  10. De feiten 1.
  11. De verzoekende partijen zijn eigenaar respectievelijk vruchtgebruiker van een woning met garages en aanpalende tuin gelegen aan de Dambrugstraat 1 te Melsele. Het eigendom van verzoekende partijen paalt aan twee panden toebehorend aan de v.z.w. PAROCHIALE WERKEN. Het achterste gedeelte van het pand Dambrugstraat 3 wordt momenteel in het kader van een pachtovereenkomst bezet door de v.z.w. TWEEDE CIRKEL die het gebruikt voor de exploitatie van een strijkatelier, het voorste gedeelte is in gebruik genomen door het parochiaal secretariaat. Het pand Dambrugstraat 5 wordt verhuurd aan de v.z.w. Jeugdhuis DJEM. X-13.688-2/10 Bedoelde goederen zijn blijkens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren alle gelegen in woongebied. De verzoekende partijen verklaren reeds sinds 1997 hinder te ondervinden van de activiteiten ontwikkeld door de v.z.w. Jeugdhuis DJEM. 1.
  12. In de zitting van 30 november 2004 van de gemeenteraad van de gemeente Beveren wordt het ontwerp bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek” voorlopig aangenomen. De bestemming van de eigendommen Dambrugstraat 3 en 5 en de achterliggende zone, met inbegrip van de tuin, eigendom van de verzoekende partijen wordt gewijzigd van woongebied naar gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen. Bijkomend wordt in deze plannen bijna de volledige tuin van het pand Dambrugstraat 1 van de verzoekende partijen opgenomen in onteigeningsgebied. Naar aanleiding van de beslissing tot voorlopige vaststelling tekenen onder meer de verzoekende partijen bezwaar aan bij de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen op grond van belangenvermenging en schending van artikel 92 van de Nieuwe Gemeentewet. Hierop heeft deze gemeenteraad bij beslissing van 24 mei 2005 het besluit tot voorlopige aanneming van het bijzonder plan van aanleg ingetrokken. 1.
  13. Bij besluit van 16 augustus 2005 verleent de gemeente Beveren aan de v.z.w. Jeugdhuis DJEM een milieuvergunning klasse 2 voor de exploitatie van een feestzaal/dansgelegenheid voor een duur van 20 jaar. Op 19 augustus 2005 stellen onder meer de verzoekende partijen administratief beroep in tegen deze milieuvergunning bij de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Na het instellen van dit beroep trekt de v.z.w. Jeugdhuis DJEM haar oorspronkelijke aanvraag in. 1.
  14. In de gemeenteraadszitting van 27 september 2005 wordt het ontwerp bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek” opnieuw voorlopig aangenomen, ditmaal nadat de burgemeester de vergadering heeft verlaten in toepassing van artikel 92 van de Nieuwe Gemeentewet, thans artikel 27 van het Gemeentedecreet. X-13.688-3/10 Dit is het tweede bestreden besluit. Met een op 26 oktober 2005 ter post aangetekend schrijven dienen de verzoekende partijen bezwaar in bij de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. Bij besluit van 27 januari 2006 verwerpt de Gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen de door verzoekende partijen in het kader van het administratief toezicht ingediende bezwaren. Dit is het derde bestreden besluit. 1.
  15. Op 15 februari 2006 adviseert de GECORO het ontwerpplan gunstig. Op 28 februari 2006 wordt het bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek”, bestaande uit een toelichtingsnota met een plan van de bestaande toestand, een onteigeningsplan en een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften, door de gemeenteraad van Beveren definitief aangenomen. De bestemming van de eigendommen Dambrugstraat 3 en 5 en de achterliggende zone, met inbegrip van een groot deel van de tuin, eigendom van de verzoekende partijen, wordt gewijzigd van woongebied naar gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen. Deze herbestemmingen worden gekoppeld volgens het onteigeningsplan aan de innames 1, 2 en
  16. 1.
  17. Het gemeentebestuur van Beveren heeft op 1 juni 2006 overeenkomstig artikel 112 van de Nieuwe Gemeentewet bekendgemaakt dat “het volledig plan (...) permanent voor iedereen ter inzage op het gemeentehuis te Beveren (ligt) vanaf vandaag 1 juni 2006”. 1.
  18. Bij besluit van 26 oktober 2007 keurt de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het bijzonder plan van aanleg “Burggravenhoek” van de gemeente Beveren, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan goed, met uitzondering van de met blauw omrande delen van het bestemmingsplan en het onteigeningsplan, wordt verklaard dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op het onteigeningsplan, en wordt aan de gemeente Beveren machtiging tot onteigenen verleend. X-13.688-4/10 De innames 1 en 2 voorzien op het oorspronkelijk onteigeningsplan worden uitgesloten van goedkeuring. Ook de herbestemming van deze percelen naar gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen wordt uitgesloten van goedkeuring. Dit is het eerste bestreden besluit. 1.
  19. Het ministerieel goedkeuringsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november
  20. 1.
  21. Met een schrijven van 11 januari 2008 stelt het gemeentebestuur van Beveren de eerste verzoeker in kennis van het volgende: “Bij ministerieel besluit van 26 oktober 2007 werd het bijzonder plan van aanleg Burggravenhoek goedgekeurd. Dit B.P.A. bestaat uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan. De uitgesloten (niet goedgekeurde) delen werden in blauwe kleur omrand. Dit ministerieel besluit verscheen in het Belgisch Staatsblad op 16 november
  22. In hetzelfde besluit is opgenomen: • dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen, aangegeven op het onteigeningsplan • dat aan de gemeente Beveren machtiging tot onteigening is verleend. Het perceel kadastraal bekend: 9e afdeling, sectie C nummer 398g, waarvan u (mede-eigenaar) is, is begrepen in het onteigeningsplan. Wij zenden U daarom persoonlijk, ter kennisgeving, kopie van voornoemd ministerieel besluit. Het volledige dossier wordt vanaf vandaag bekendgemaakt en is voor iedereen ter inzage te Beveren op het gemeentehuis, Stationsstraat 2, op de 4e verdieping, dienst ruimtelijke ordening, vanaf 21 januari tot en met 5 februari
  23. (...)”.
  24. Ontvankelijkheid De verwerende partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zou zich slechts opdringen indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. X-13.688-5/10
  25. Over de grondvoorwaarden tot schorsing 3.
  26. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.
  27. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.
  28. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat het enig verzoekschrift dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 3.2.
  29. Wat de tweede door artikel 17, §2 gestelde voorwaarde betreft, laten de verzoekende partijen het volgende gelden: X-13.688-6/10 “De verzoekende partijen beschikken over een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in de zin van artikel 17 van de Gecoördineerde wetten op de Raad van State. Immers de voorlopige en later definitieve goedkeuring van het Bijzonder Plan van Aanleg Burggravenhoek zal tot gevolg zal hebben dat de voorgenomen exploitatie van een hinderlijke inrichting, te weten een feestzaal door de vzw Jeugdhuis Djem de facto verenigbaar zal zijn met de alsdan geldende stedenbouwkundige bestemming. Daardoor wijzigt de rechtstoestand van het betrokken gebied onmiddellijk, zelfs al dient principieel nog een aanvraag te worden ingediend tot het bekomen van een milieuvergunning. De wijziging van het Bijzonder Plan van Aanleg zet de deur open voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting in de dorpskern van de deelgemeente Melsele, terwijl uit het verleden reeds is gebleken dat de overlast voor de buurt niet tot een aanvaarbaar niveau kan worden beperkt, zelfs met het inzetten van stewards. Deze overlast bestaat immers naast de geluidshinder ook uit hinder ingevolge vandalisme en kleine criminaliteit door de feestgangers. Bovendien zal de aan de realisatie van het Bijzonder Plan van Aanleg Burggravenhoek gekoppelde onteigening tot gevolg hebben dat de tuin, die deel uitmaakt van het uniek karakter van de woning van verzoekende partijen en reeds tweehonderd jaar behoort tot het familiaal patrimonium, zal verdwijnen om plaats te maken voor gebouwen bestemd voor de vzw Parochiale Werken en de vzw Jeugdhuis Djem. Het nadeel van de verzoekende partijen is dan ook zeer ernstig en kan niet hersteld worden door de latere vernietiging van het bestreden besluit. Daarnaast worden kennelijk nu reeds op basis van het bijzonder plan van aanleg dat bij de bestreden beslissing werd goedgekeurd, bouwvergunningen verleend waardoor zowel het bestuur als de verzoekende partijen dreigen terecht te komen in een onomkeerbare situatie. Derhalve is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17 § 2 Gecoördineerde wetten van de Raad van State”. 3.2.
  30. Onderzoek van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 3.2.3.
  31. Samengevat voeren de verzoekende partijen aan dat het bijzonder plan van aanleg ertoe zal leiden dat de voorgenomen exploitatie van een feestzaal door de v.z.w. Jeugdhuis DJEM planologisch verenigbaar zal zijn, dat daardoor de rechtstoestand van het betrokken gebied onmiddellijk wijzigt, zelfs al dient nog een aanvraag om milieuvergunning te worden ingediend, dat uit het verleden reeds is gebleken dat de overlast door geluidshinder, vandalisme en kleine criminaliteit voor de buurt niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, en dat de aan de realisatie van het bijzonder plan van aanleg gekoppelde onteigening bovendien tot gevolg heeft dat de tuin van de verzoekende partijen zal verdwijnen om plaats te maken voor gebouwen bestemd voor de v.z.w. Parochiale Werken en de v.z.w. Jeugdhuis DJEM. 3.2.3.
  32. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de bestemming van de eigendommen Dambrugstraat 3 en 5 en de achterliggende zone, met inbegrip van X-13.688-7/10 een deel van de tuin, eigendom van de verzoekende partijen, wordt gewijzigd van woongebied naar gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen. 3.2.3.
  33. Overeenkomstig artikel 5, 1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en gewestplannen zijn de woongebieden bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal- culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven. Deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen mogen echter maar worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Uit het voorschrift van artikel 5, 1.0 volgt dat de bestemming woongebied sociaal-culturele inrichtingen in beginsel toelaat. De mogelijkheid tot afgifte van een milieuvergunning voor een feestzaal ligt derhalve reeds besloten in de gewestplanbestemming woongebied. 3.2.3.
  34. De verzoekende partijen stellen wel dat de herbestemming naar gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen “de deur open(zet) voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting in de dorpskern van de deelgemeente Melsele”, maar verduidelijken niet op welke gronden de voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting vereiste milieuvergunning méér hinder zou kunnen toelaten wanneer de betrokken feestzaal is gelegen in een gebied voor openbaar nut en gemeenschapsvoorzieningen dan wanneer deze is gelegen in een woongebied, én dat de mogelijke toename van de toegelaten hinder dermate ernstig zal zijn dat deze als een ernstig nadeel moet worden beschouwd. 3.2.3.
  35. Wat de dreiging van het verlies van de eigendom van een deel van hun tuin betreft dient de worden vastgesteld dat de verzoekende partijen pas uit hun eigendom zullen worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening slechts uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het bestreden machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft getoetst. Het Grondwettelijk Hof heeft onder meer in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van X-13.688-8/10 de burgerlijke rechter evenwaardig bevonden met de controle die de Raad van State kan doen. De verzoekende partijen zullen aldus de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoeren, nog kunnen doen gelden voor de vrederechter. Deze zal er uitspraak over moeten doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van hun eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Zelfs aangenomen dat de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor de verzoekende partijen, heeft deze derhalve alleszins geen moeilijk te herstellen karakter in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 3.2.3.
  36. De uiteenzetting van de verzoekende partijen bevat aldus geen concrete afdoende gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten besluiten een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 3.
  37. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan een van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  38. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  39. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-13.688-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven oktober 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.688-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.902 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.210.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.