← België

Arrest 186906 - Diploma’s - 07/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.906 Rolnummer: A. 189797/XII-5565 Zaak: Arrest 186906 - Diploma's - 07/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-10 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.906 van 7 oktober 2008 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.906 van 7 oktober 2008 in de zaak A. 189.797/XII-

  1. In zake : Birgitt HOLVOET, die woonplaats kiest bij advocaat K. Geelen, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de VZW SINT-MICHIELSCOLLEGE BRASSCHAAT, die woonplaats kiest bij advocaat S. Verbist, kantoor houdende te Antwerpen, Graaf Van Hoornestraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Birgitt Holvoet op 23 september 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 15 september 2006 waarbij de delibererende klassenraad van het Sint-Michielscollege te Brasschaat haar een oriënteringsattest C toekent en van de impliciete weigering om “het A- attest en het getuigschrift van de derde graad van het secundair onderwijs” aan haar te verlenen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 september 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaten K. Geelen en E. Can, die verschijnen voor verzoekster, en van advocaat S. Verbist, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; XII-5565-1/25 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoekster is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling van het tweede jaar van de tweede graad van het secundair onderwijs, richting Latijn- moderne talen, aan het Sint-Michielscollege te Brasschaat. Op het semesterrapport van december 2007 heeft zij zeven tekorten. Het rapport waarschuwt : “Met zo’n resultaten loop je recht naar een C op het einde [van het] schooljaar”. De ouders van verzoekster worden op 20 maart 2008 schriftelijk verwittigd dat de kans van verzoekster om dit schooljaar te slagen niet vanzelfsprekend is en hen wordt gewezen op een volledig te veranderen studiehouding, omdat verzoekster “tot heden nog geen vooruitgang heeft geboekt : haar resultaten blijven beneden alle peil!!”. Verzoekster krijgt in de maanden april tot juni privé begeleiding. Tijdens de juni-examens heeft verzoekster nog vier tekorten (Latijn, wiskunde, aardrijkskunde, seminarie Spaans). De andere drie tekorten zijn, ook op jaarbasis, opgehaald. De delibererende klassenraad stelt zijn beslissing uit tot na het afleggen door verzoekster van uitgestelde proeven voor wiskunde, Latijn en seminarie Spaans. Verzoekster behaalt volgende resultaten op de uitgestelde proeven : Latijn 60%, wiskunde 25%, seminarie Spaans 56,5%. De delibererende klassenraad geeft vervolgens op 22 augustus 2008 aan verzoekster een oriënteringsattest C. De motivering luidt : XII-5565-2/25 “Te lage resultaten voor Bijkomende proef. te weinig inzicht in basisvaardigheden wiskunde”. Op het individueel syntheseblad notuleert de klassenraad ook nog als oorzaken/opmerkingen “verwaarlozing studiehouding” en als motief “onvoldoende resultaat, onvoldoende inzet”. 1.
  4. De ouders van verzoekster vragen op 24 augustus 2008 in een gemotiveerd schrijven overleg met de directie. Op 28 augustus 2008 beroepen zij zich op de openbaarheidsregeling om een afschrift te ontvangen van, onder meer, de verbeterde uitgestelde proef wiskunde. Naderhand beslist de directie om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Deze beslist op 4 september 2008 om het C-attest te handhaven. Blijkens de notulen gebeurt dit na een stemming van 7 voor, 4 tegen bij twee onthoudingen en op grond van de volgende motieven : “- gebrek aan basisvaardigheden wiskunde met negatieve evolutie tss. juni en aug. - gebrek aan juiste studie, -en werkhouding van Birgitt tijdens het schooljaar wat resulteerde in een globaal zwakke prestatie (nagenoeg voor de helft van de vakken geen 55%) - het ontbreken van iedere communicatie door de ouders naar de school (klas-, en vakleraar), na duidelijke signalen op het rapport en de waarschuwing door middel van de ‘blauwe’ brief. - er werd een aanbod voor remediëring gedaan door vakleraren na de beslissing van juni. Hierop werd niet ingegaan en examens van juni werden niet opgevraagd en/of ingekeken noch door de leerlingen, noch door de ouders. Ook in juni was er geen contact tussen ouders en school (vak-, klasleraar) - het ex. in augustus peilde naar basisvaardigheden van Birgitt voor wiskunde en was zoniet een kopie, dan wel analoog aan dat van juni”. 1.
  5. Op 10 september 2008 dienen de ouders bij de beroepscommissie een uitvoerig, zestien bladzijden omvattend gemotiveerd bezwaar in tegen deze beslissing. Zij zetten uiteen waarom zij aan de hand van het schoolreglement, van de “algemene pedagogische reglementering nr. 3 van het VVKSO”, van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II en van het besluit van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit) menen dat de beslissing niet gemotiveerd is. Volgens hen mag de school geen rekening houden met de attitudes bij de studiebeoordeling en de deliberatie. XII-5565-3/25 Voorts verwijzen zij naar de rechtspraak van de Raad van State, waarin zij lezen dat een klassenraad niet mag eisen dat een leerling na bijkomende proeven geslaagd is op alle vakken om te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar, zelfs indien het tekort een hoofdvak betreft of indien de attitudes van de leerling te wensen overlaten. Vervolgens overlopen zij de motieven van de beslissing van 4 september 2008, die volgens hen onvoldoende of niet relevant zijn om de beslissing te verantwoorden en die steunen op een aantal onjuiste gegevens. De beroepscommissie vergadert op 13 september
  6. Zij stelt vast dat de beroepen beslissing weliswaar een aantal relevante argumenten bevat, maar dat de gegeven motivering niet voldoende is geëxpliciteerd om antwoord te kunnen geven op al de, zeer specifieke en gedetailleerde, bezwaren van de ouders. De beroepscommissie adviseert daarom aan het schoolbestuur om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Zij wijst er in haar advies ook op dat het bezwaarschrift van de ouders van verzoekster is gestaafd met verwijzingen naar de rechtspraak van de Raad van State en zij is van oordeel dat de ouders “gerechtigd zijn op antwoorden en motiveringen die eveneens juridisch onderbouwd zijn”. Het advies besluit : “Tenslotte adviseert de interne beroepscommissie aan de inrichtende macht om, als hij het advies volgt en de delibererende klassenraad inderdaad opnieuw bijeenroept, deze laatste een kopie te overhandigen van het volledige dossier, inclusief het bezwaarschrift en de volledige briefwisseling met de ouders van Birgitt Holvoet, en de leden van de klassenraad uitdrukkelijk te vragen om zich in geen geval te laten leiden door de uitlatingen van de heer Holvoet en mevrouw Slegers op de laatste pagina van hun bezwaarschrift, waar zij enerzijds de klassenraad verwijten onvoldoende kennis te hebben van de inhoud en de draagwijdte van de wetgeving, reglementering en rechtspraak en anderzijds dreigen met een gerechtelijke procedure voor de raad van state tegen de school maar ook tegen de (leden van de) delibererende klassenraad. De delibererende klassenraad mag en moet zich immers uitsluitend laten leiden door het belang van de leerling en de objectieve elementen van het dossier, zonder te reageren op verwijten van juridische onkunde en zonder zich te laten beïnvloeden door iets wat zou kunnen worden geïnterpreteerd als een vorm van dreigement aan zijn adres”. Een navolgende beslissing van het schoolbestuur ligt niet voor, maar uit wat volgt mag worden aangenomen dat het advies van de beroeps- commissie is gevolgd. XII-5565-4/25 1.
  7. Op 15 september 2008 beslist de delibererende klassenraad om het C-attest te handhaven, met een stemming van 12 voor dit attest en 2 voor een A-attest. Dit wordt aldus genotuleerd : “De delibererende klassenraad werd opnieuw samengeroepen op verzoek van de inrichtende macht, die daarmee ingaat op het advies van de interne beroepscommissie. De delibererende klassenraad neemt kennis van het volledige dossier inzake Birgitt Holvoet, waaronder : - het bezwaarschrift de dato 10 september 2008; - de volledige briefwisseling tussen de directie en de echtgenoten Holvoet- Slegers, waaronder de brief van 28 augustus 2008, inclusief alle bijlagen; - de brief van de voorzitter van de inrichtende macht gericht aan de ouders van Birgitt Holvoet, waarin het advies van de interne beroepsconmissie de dato 13 september 2008 in extenso is hernomen. De voorzitter van de klassenraad, de heer Merlin, stelt de andere leden tevens in kennis van de juridische informatie die hij heeft ontvangen van de interne beroepscommissie, waaronder een kopie van het arrest van de Raad van State nr. 185.143 van 3 juli
  8. Hij deelt hen mee dat het in zijn overtuiging wenselijk is, gelet op de zeer gedetailleerde vragen, bezwaren en opmerkingen van de ouders die worden gestaafd met verwijzingen naar de toepasselijke regiementering en rechtspraak, dat de delibererende klassenraad -indien hij na beraadslaging, rekening houdend met zijn autonome bevoegdheid inzake het uitreiken van studiebewijzen en binnen de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid zijn beslissing handhaaft -uitgebreid en gedetailleerd motiveert en onderbouwt, dat hij antwoordt op alle bezwaren en argumenten van de ouders, en dat de beslissing voorts niet uitsluitend wordt gemotiveerd vanuit pedagogische overwegingen, maar ook vanuit juridisch standpunt De klassenraad bespreekt vervolgens het volledige dossier van Birgitt Holvoet zoals het thans is samengesteld, zonder iets uit te sluiten. De klassenraad stelt vast dat Birgitt Holvoet in juni 2008 werd uitgesteld en dat voor drie van de vier tekorten, te weten Latijn (4 uur, 48,9 %), wiskunde (3 uur, 37,4 %) en seminarie Spaans (1 uur, 43,5 %), bijkomende proeven werden opgeleverd. Voor het vierde tekort, aardrijkskunde (1 uur, 37,4 %), werd geen bijkomende proef opgelegd. Door de bijkomende proeven werden de tekorten voor Latijn (60 %) en seminarie Spaans (56,5 %) weggewerkt, het tekort voor Wiskunde werd groter (25 %). Het vak wiskunde vertoont alleen maar tekorten, zowel voor dagelijks werk (12/30 in het eerste semester, 15,6/50 in het tweede semester) als voor de proeven (26/70 in het eerste semester, 40/100 in het tweede semester), voor het vak aardrijkskunde was er één voldoende (30,8/50 voor dagelijks werk in het tweede semester), naast 9,2/30 voor het dagelijks werk in het eerste semester en 17/70 voor de proef tijdens het eerste semester en 36,5/100 voor de proef tijdens het tweede semester). Er is voor deze vakken met andere woorden niet alleen sprake van slechte proeven, maar van zeer slechte resultaten het ganse jaar door, op alle onderdelen. Op dit ogenblik vertoont het dossier van Birgitt Holvoet dus twee tekorten, namelijk kunde en aardrijkskunde, en niet één, zoals de echtgenoten Holvoet- Slegers suggereren, en een globaal percentage van 56,6 % (op basis van de cijfers eindjuni). Het feit dat in juni geen bijkomende proef werd opgelegd voor aardrijkskunde, impliceert geenszins dat de delibererende klassenraad - in geval niet alle bijkomende proeven succesvol werden afgelegd - in de eindbeoordeling geen rekening zou mogen houden met dit tekort, In dit verband verwijst de klassenraad naar een arrest van de Raad van State de dato 3 juli 2008 (nummer 185.143, Hofmans t/ VZW Sint-Bavohumaniora), waarin het XII-5565-5/25 beroep tegen een beslissing van de delibererende klassenraad om een C-attest uit te reiken aan een leerling met drie tekorten in juni, terwijl maar voor één vak een bijkomende proef werd opgelegd, bijkomende proef waarop de betrokken leerling niet slaagde, werd verworpen. Dit niettegenstaande het feit dat de klassenraad in dat geval ook nog rekening heeft gehouden met de tekorten voor de vakken waarvoor geen bijkomende proef werd opgelegd. Dit is volledig in overeenstemming met de basisfilosofie dat een delibererende klassenraad zijn beslissing steeds moet nemen en verantwoorden in functie van het volledige dossier van de betrokken leerling, en zich niet blind mag staren op een cijfermatig tekort voor één of twee vakken. Voor wat betreft wiskunde houdt de klassenraad rekening met volgende percentages : 38 % tijdens het eerste semester, 37 % tijdens het tweede semester en 25 % voor de bijkomende proeven. Ten onrechte lijken de echtgenoten Holvoet-Slegers er van uit te gaan dat de klassenraad enkel rekening mag houden met het hoogste percentage, te weten 37 % tijdens het tweede semester, en niet met het resultaat van de bijkomende proef (25 %). Dit is volstrekt strijdig met de finaliteit van de bijkomende proeven. Deze worden immers juist opgelegd teneinde de klassenraad bijkomende informatie te verschaffen om een dossier met onvoldoende relevante gegevens aan te vullen en zo met kennis van zaken een eindoordeel te vellen over de betrokken leerling. Stellen dat, als het resultaat van de bijkomende proef slechter is dan het resultaat van het tweede semester, met deze bijkomende proef geen rekening mag worden gehouden, is de negatie zelf van het doel van bijkomende proeven. In zijn beslissing van 4 september 2008 heeft de klassenraad zijn beslissing gemotiveerd op basis van vijf conclusies, die door de ouders van Birgitt worden betwist in het bezwaarschrift van 10 september
  9. Om die reden gaat de delibererende klassenraad omstandiger in op de reeds eerder geformuleerde conclusies. 1 . Gebrek aan basisvaardigheden wiskunde Het wordt door niemand betwist dat Birgitt weinig inzicht heeft in Wiskunde. Dit blijkt ook uit hogervermelde cijfers. Weliswaar is er een lichte verbetering tussen het eerste en het tweede semester (alhoewel dit laatste nog steeds een zwaar tekort vertoont), maar na de bijkomende proef in augustus is er een zware terugval tot 25 %. De evolutie tussen juni en augustus is dus onmiskenbaar negatief, en de resultaten (38 % - 37 % - 25 %) zijn van dien aard dat de delibererende klassenraad niet anders kan dan besluiten dat Birgitt de vereiste basisvaardigheden voor wiskunde zoals vereist door het leerplan niet beheerst. De klassenraad houdt hierbij ook rekening met de (slechte) resultaten voor het dagelijks werk zoals hoger vermeld, en waarin alle onderdelen aan bod zijn gekomen (zie infra). De klassenraad erkent dat wiskunde in de richting Latijn-Moderne Talen iets minder zwaar weegt dan in sterk wiskundig georiënteerde richtingen zoals Latijn-Wiskunde, wat ook tot uiting komt in het aantal uren, maar dit neemt niet weg dat Latijn-Moderne Talen een ASO-richting is waar ook voor wiskunde bepaalde minimum-normen moeten worden gehaald in functie van de eindtermen en de leerplandoelstellingen (zie in dit verband bet arrest van de Raad van State nr. 185.143 de dato 3 juli 2008, Hofmans t/ VZW Sint Bavohumaniora : ‘( .. ) dat, de klemtoon wel op talen liggend, de gevolgde studierichting niettemin een ASO-richting is waaraan de eindtermen ook eisen stellen inzake wiskunde’). Met andere woorden, een minimum aan basisvaardigheden wiskunde is vereist in elke ASO-richting, en de klassenraad stelt vast dat Birgitt deze niet bezit. Deze vaststelling op zich is weliswaar onvoldoende om een C-attest te verantwoorden, maar het is in het oordeel van de delibererende klassenraad één van de elementen die ten grondslag ligt aan het C-attest. XII-5565-6/25 Wat de inhoud van de bijkomende proef wiskunde betreft, is het zo dat deze inderdaad geen vragen bevatte over het onderdeel combinatieleer, dat inderdaad ongeveer 30 % van de leerstof beslaat. De vragen kwamen uit de overige 70 % van de leerstof. Stellen dat de bijkomende proef alleen de moeilijkste onderdelen behandelde, is dan ook een onjuist uitgangspunt. Het is de facto onvermijdelijk dat een proef nooit vragen zal bevatten uit elk onderdeel van de leerstof, alhoewel steeds wordt getracht om zoveel mogelijk onderdelen aan bod te laten komen. Op dit punt bestaat er evenwel geen kwantitatieve norm die voorschrijft dat een bepaald minimum percentage van de leerstof in de proef aan bod moet komen. In casu stelt de klassenraad vast dat de in de bijkomende proef effectief behandelde onderwerpen redelijkerwijze niet kunnen worden geacht in een wanverhouding te staan ten opzichte van de totale leerstof Voorts merkt de klassenraad op dat do ratio tussen de leerstof die in een proef effectief aan bod komt en de totale door de student te kennen leerstof over het algemeen scherp daalt in het hoger onderwijs. Met andere woorden, één van de essentiële vaardigheden die een leerling zich in het secundair onderwijs eigen moet maken voor een succesvolle carrière in het hoger onderwijs, is het vermogen om grotere gehelen aan leerstof in te studeren in de wetenschap dat wellicht slechts een beperkt deel daarvan aan bod zal komen op het examen. Dit is een kwestie van de juiste ingesteldheid en studiehouding. De delibererende klassenraad heeft als taak niet enkel naar het verleden maar ook naar de toekomst van een leerling te kijken. In casu is de klassenraad van oordeel dat uit de resultaten van Birgitt kan worden afgeleid dat zij op dit punt nog niet over de vereiste maturiteit beschikt.
  10. Studie- en werkhouding De klassenraad stelt vast dat Birgitt niet over de juiste studiehouding beschikt en zich onvoldoende inzet. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen studiehouding enerzijds en attitudes anderzijds. Het spreekt voor zich dat bij een deliberatie geen rekening mag worden gehouden met de attitude van de betrokken leerling, zoals zijn gedrag in de klas, zijn houding ten aanzien van leraars en andere leerlingen, het al dan niet naleven van de op school geldende regels en voorschriften. De overtreding daarvan kan worden gesanctioneerd door disciplinaire straffen, maar mag nooit een negatieve impact heeft op het resultaat van de deliberatie. Deze regel werd en wordt door de delibererende klassenraad steeds nauwgezet gerespecteerd : het eventuele wangedrag van een leerling is tijdens de deliberatie geen element in de beoordeling. Onder studiehouding moet worden begrepen de houding van een leerling ten aanzien van zijn studies, de ernst waarmee hij de leerstof benadert, zijn inzet om zich deze leerstof eigen te maken. De studiehouding, aldus gedefinieerd, is in de mening van de klassenraad wel degelijk een belangrijk element in de eindbeoordeling van de leerling, vooral dan toekomstgericht. Een juiste studiehouding is immers onontbeerlijk voor het succesvol aanvatten van hoger studies, ongeacht of het nu rechten, economie, wetenschappen of enige andere richting is. Een juiste studiehouding veronderstelt immers dat de leerling over voldoende maturiteit beschikt, en dat is een element waar de klassenraad wel degelijk rekening mee mag houden. De delibererende klassenraad stelt vast dat de studiehouding (zoals hoger gedefinieerd) van Birgitt nooit voorbeeldig is geweest. In haar leerlingendossier betreffende het ganse secundair wordt haar leergedrag (als onderscheiden van haar attitudes) omschreven als volgt: ‘Te vlug tevreden’, ‘Ernstiger studeren’, ‘Concentratie tijdens de les’, ‘Laat het hangen’, ‘Gaat achteruit’, ‘Presteert onder haar niveau”, ‘Te weinig gewerkt’, ‘Wisselvallig’, ‘Kan veel beter, werkt niet echt hard’, ‘Plantrekker’, ‘Zeer lui’. Ondanks deze gebrekkige studiehouding heeft Birgitt in het derde, vierde en vijfde middelbaar steeds de mediaan gescoord. Een verslechterende studiehouding enerzijds en de steeds XII-5565-7/25 toenemende moeilijkheidsgraad van de leerstof heeft in het zesde en laatste jaar evenwel geleid tot het gekende resultaat. Dat Birgitt in haar laatste jaar globaal genomen zwak heeft gepresteerd, blijkt in het oordeel van de klassenraad voldoende uit de cijfers : zeven tekorten op veertien vakken tijdens het eerste semester met een globaal gemiddelde van 53,4 % (mediaan 62,1 %), vier tekorten op veertien vakken tijdens het tweede semester niet een globaal gemiddelde van 58,5 % (mediaan 65,3 %), vier tekorten (48,9 %, 43,5 %, 37,4 % en 37,4 %) op veertien vakken voor het volledige jaar met een globaal gemiddeld van 56,6 % (mediaan 64,5 %), een tekort van 25 % op één van de drie bijkomende proeven. Deze resultaten verantwoorden volgens de delibererende klassenraad meer dan voldoende de kwalificatie “globaal zwakke prestatie”, wat op zich dan weer een negatief element is in de eindbeoordeling van Birgitt. 3.Gebrek aan communicatie De klassenraad erkent dat het ontbreken van iedere communicatie door de ouders naar de school toe als dusdanig geen element kan zijn in de beoordeling van de prestaties van Birgitt, net zomin als het ontbreken van afdoende communicatie van de school naar de leerling toe -quod non in casu (zie infra) - een reden is om een leerling die duidelijk niet voldoet te delibereren (zie in dit verband het arrest van de Raad van State nr. 185.143 de dato 3 juli 2008, Hofmans t/ VZW Sint- Bavohumaniora : ‘Daar kan nog aan worden toegevoegd dat zelfs indien aangenomen wordt dat de begeleidende klassenraad tijdens het schooljaar nooit enige opmerking zou hebben gemaakt - of enkel positieve opmerkingen - die vaststelling geen afbreuk kan doen aan de behaalde resultaten, die verzoekster niet in vraag stelt’.) Deze opmerking in de notulen van de klassenraad van 4 september 2008 moet dan ook worden gekaderd in de vaststelling dat, door de afwezigheid van elke communicatie van de ouders naar de school toe, deze laatste, bij gebrek aan kennis daarvan, ook niet tijdig heeft kunnen reageren op de problemen op school indien en voor zoveel zij inderdaad werden veroorzaakt door de problemen thuis waarvan sprake in de brief van de echtgenoten Holvoet-Slegers de dato 28 augustus
  11. Indien de ouders bijvoorbeeld naar het oudercontact in december zouden zijn gekomen en zouden uitgelegd hebben dat de tekorten voor de helft van de vakken, wat inderdaad niet normaal was voor Birgitt in het licht van de vorige jaren, mede te wijten waren aan een problematische situatie thuis, dan had de school maatregelen kunnen voorstellen in een poging om de impact van de situatie thuis op de schoolresultaten te milderen, uiteraard voor zoveel dit mogelijk was. Aangezien de school echter van niets wist, kon zij ter zake ook geen initiatieven nemen. In dit verband moet trouwens ook duidelijk worden gesteld dat, alhoewel een uitzonderlijke thuissituatie in voorkomend geval kan leiden tot bepaalde begeleidingsmaatregelen, deze problematische thuissituatie en de daaruit voortvloeiende slechte resultaten als dusdanig geen reden kan zijn om de betrokken leerling, indien het eindresultaat duidelijk niet voldoet, alsnog te delibereren. Eventueel kan het een reden zijn om bijkomende proeven op te leggen, indien de thuissituatie inmiddels is verbeterd en de leerling op die manier de kans wordt gegeven om de onduidelijkheden in zijn deliberatiedossier weg te werken. De taak van de school situeert zich in dit verband op het niveau van de begeleiding van de leerling tijdens het jaar, en niet bij de eindbeoordeling in juni of augustus. De klassenraad is van oordeel dat er wel voldoende voorstellen zijn gedaan naar Birgitt toe om de situatie recht te trekken. De remediëringsmaatregelen inzake Latijn worden door niemand in twijfel getrokken. Inzake wiskunde heeft de vakleraar vijf remediëringslessen gegeven met ingang van 1 mei 2008, die voor alle leerlingen vrij toegankelijk waren. in tegenstelling tot veel andere leerlingen, heeft Birgitt aan geen enkele les deelgenomen, ook niet aan één les XII-5565-8/25 zoals de echtgenoten Holvoet-Slegers beweren. Voorts is er een aanbod geweest aan de volledige klas voor remediëringsoefeningen, maar de klassenraad moet spijtig genoeg vaststellen dat Birgitt nooit één remediëringsoefening heeft ingediend. De klassenraad is dan ook van oordeel dat aan de vakleraar geen gebrek aan remediëringsvoorstellen en -inspanningen kan worden verweten. Het enige wat haar kan worden verweten, is dat zij in dit verband geen schriftelijke communicatie heeft gedaan naar de ouders toe, en teveel heeft vertrouwd op de maturiteit van de 17-jarige leerlingen om in hun eigen belang in te gaan op deze voorstellen. Het feit dat Birgitt, in tegenstelling tot vele andere leerlingen (met succes overigens), nooit enige inspanning heeft gedaan, is trouwens een bevestiging van de hoger ontwikkelde stelling van de klassenraad dat zij geen juiste studiehouding heeft en over onvoldoende maturiteit beschikt om hogere studies aan te vangen. Het staat de ouders uiteraard vrij om zelf voor privé-remediëring te zorgen en niet in te gaan op de voorstellen van de school, althans voor zoveel Studiecoach inderdaad kan worden beschouwd als remediëring zoals deze door de school zelf wordt aangeboden. Maar dan kunnen zij de school nadien vanzelfsprekend niets verwijten als de resultaten uitblijven, Tenslotte verwijst de klassenraad nog naar de ‘blauwe brief’ de dato 20 maart 2008, waarin de tekorten van Birgitt nog eens worden opgesomd en wordt besloten als volgt : ‘We betreuren dat Birgitt tot heden nog geen vooruitgang heeft geboekt : haar resultaten blijven beneden alle peil !! Indien haar studiehouding niet volledig verandert loopt ze regelrecht naar een C-attest in juni !’ Kortom, de ouders werden voldoende in kennis gesteld van de problemen, maar namen desalniettemin nooit contact op. Dat is uiteraard hun beslissing, maar dan kan men de school ook niet veel verwijten.
  12. Remediëring juni - inzage examens juni De delibererende klassenraad stelt vast dat er geen individueel schriftelijk aanbod tot remediëring aan Birgitt werd gedaan na de proeven in juni. De afwezigheid van een dergelijk aanbod impliceert evenwel niet dat er ook hier geen sprake zou zijn van een duidelijk gebrek aan maturiteit in hoofde van Birgitt. In normale omstandigheden nemen de leerlingen die zijn uitgesteld na de proclamatie contact op met de vakleraren van de betrokken vakken teneinde hun examens in te zien en kort de uitgestelde proef te bespreken. Op dat ogenblik wordt ook met de leerling besproken of er eventueel behoefte is aan remediëring, en in welke vorm en op welk tijdstip deze zal gebeuren. Er is evenwel na de proclamatie in juni geen enkel contact geweest tussen Birgitt en haar ouders enerzijds en de school, klastitularis en vakleraren anderzijds aangaande de schoolprestaties van Birgitt. De klassenraad is van oordeel dat het niet aan de betrokken vakleraren is om in zo een situatie zelf telefonisch of schriftelijk contact op te nemen met de ouders van de uitgestelde leerling. Indien de betrokken leerling dit wenst, is het vanzelfsprekend hun taak om het examen samen te overlopen, te verduidelijken welke leerstof de leerling moet kennen voor de bijkomende proef en in voorkomend geval remediëringsoefeningen aan te bieden aan de betrokken leerling. Maar een 17- of 18-jarige leerling en zijn ouders worden geacht in dit verband zelf contact op te nemen, en niet af te wachten tot zij worden gecontacteerd met de vraag of hij of zijn ouders het niet wenselijk achten om hogervermelde zaken te bespreken. Het inzien van de examens is in het oordeel van de klassenraad geen loutere formaliteit : het stelt de betrokken leerling in staat om te zien wat hij fout heeft gedaan, om zo te leren uit zijn fouten en deze in de toekomst te vermijden. Het is met andere woorden iets dat vanzelfsprekend is voor een 17- of 18-jarige die de juiste studiehouding heeft en over voldoende maturiteit beschikt, Het niet inzien van de examens en de afwezigheid van elk contact met de betrokken XII-5565-9/25 vakleraren is in het oordeel van de klassenraad dan ook, opnieuw, een uiting van het gebrek aan maturiteit in hoofde van Birgitt.
  13. Bijkomende proef wiskunde In dit verband wordt verwezen naar de uiteenzetting onder punt
  14. Eindbeoordeling Op basis van alle hierboven vermelde redenen, heeft de delibererende klassenraad, rekening houdend met de globale zwakke prestatie van Birgitt, waarbij zij beduidend onder de mediaan scoort, met het feit dat zij voor twee vakken (wiskunde en aardrijkskunde) duidelijk niet voldoet aan de minimumnorm zoals voorgeschreven door de leerplannen (en eindtermen), en met het feit dat zij op herhaalde en voortdurende wijze blijkt geeft van een slechte studiebouding en een gebrek aan maturiteit, beslist dat er op dit moment onvoldoende aanwijzingen zijn dat Birgitt in staat is om hoger onderwijs aan te vatten. Het eerder toegekende C-attest wordt dan ook bevestigd. Voor zoveel als nodig en in de mate dat deze hoger nog niet aan bod zijn gekomen, beantwoordt de klassenraad ook de argumenten van de echtgenoten Holvoet-Slegers ontwikkeld in hun brief van 28 augustus
  15. De toekenning van bijkomende proeven die erop wijzen dat een definitieve beslissing in juni twijfelachtig of onmogelijk was en de beslissing mede afhankelijk werd gemaakt van de resultaten van de bijkomende proeven. Het spreekt voor zich dat de resultaten voor de bijkomende proeven een rol hebben gespeeld bij de toekenning van het C-attest, maar zoals reeds uiteengezet impliceert het opleggen van bijkomende proeven niet dat het volledige dossier van de betrokken leerling tot en met juni niet meer van tel zou zijn. De beoordeling gebeurt steeds in functie van het volledige dossier, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de resultaten van de bijkomende proeven.
  16. Zoals reeds uiteengezet vertoont het dossier van Birgitt na de bijkomende proeven nog steeds twee tekorten en niet één tekort, en wordt rekening gehouden met alle informatie van het dossier en niet enkel met het hoogste resultaat (in casu dat van juni - in de redenering van de ouders van Birgit zou het resultaat van de bijkomende proef blijkbaar volledig moeten worden genegeerd).
  17. Wat de inhoud van de bijkomende proef voor wiskunde betreft, dit werd hoger reeds behandeld. Dat Birgitt na ‘diverse bijlessen en grondig studeren’ 15 % minder scoort dan op de proef in juni, impliceert als dusdanig geenszins dat de bijkomende proef in augustus niet conform de regels zou zijn geweest. Hetzelfde geldt voor het feit dat een andere leerling een gelijkaardige score behaalde.
  18. Het ‘beperkt belang’ van wiskunde in de richting Latijn Moderne Talen werd hoger reeds genuanceerd. Ook Latijn Moderne Talen is een ASO- richting met bepaalde minimum-normen voor wiskunde in functie van de leerplandoelstellingen en de eindtermen.
  19. Het feit dat wel een diploma van secundair onderwijs werd uitgereikt aan andere leerlingen met meer dan één tekort. Tijdens de deliberaties wordt elke leerling individueel en op grond van heel zijn dossier (resultaten van alle proeven en van het dagelijks werk, zijn studiehouding etc.) beoordeeld. Precies omdat het een individuele behoordeling betreft, is het de facto onmogelijk om de deliberaties van verschillende leerlingen met elkaar te vergelijken. Daar kunnen dan ook geen argumenten aan worden ontleend. Dit werd herhaaldelijk bevestigd door de Raad van State, wanneer hij stelde dat het gelijkheidsbeginsel bij examens in het onderwijs veel minder belangrijk is dan bij aanwervingsexamens waar een strikte vergelijking wordt gemaakt tussen de verdiensten van de kandidaten. De delibererende klassenraad toonde supra trouwens aan dat zijn beslissing op meer elementen is gebaseerd dan louter cijfermatige gegevens. XII-5565-10/25
  20. De progressie van Birgitt tijdens het jaar en de persoonlijke initiatieven die zij daartoe heeft genomen. De klassenraad erkent dat er cijfermatig inderdaad progressie is geweest tijdens het jaar, maar oordeelt op basis van het gehele dossier dat deze onvoldoende is om een diploma van secundair onderwijs te verantwoorden. Birgitt heeft nooit gebruik gemaakt van de door de school geboden remediëringsmogelijkheden inzake wiskunde. Ook na het uitstel in juni heeft zij nooit contact genomen met de vakleraar wiskunde, De delibererende klassenraad betwist het volgen van bijlessen tijdens de zomervakantie niet, hij merkt wel op dat geen bewijzen worden voorgelegd en dat het resultaat voor de bijkomende proef ruim onvoldoende (25%) blijft.
  21. De problematische situatie thuis. Dit werd hoger reeds behandeld. De school was hiervan volstrekt niet op de hoogte, en kon er dan ook niet op inspelen, indien en voor zoveel deze problematische thuissituatie inderdaad een negatieve impact had op haar schoolresultaten. Bovendien is het geen element in de eindbeoordeling, zoals hoger uiteengezet.
  22. Het behoorlijk parcours van Birgitt wordt niet in twijfel getrokken - tijdens de drie daaraan voorafgaande jaren scoorde zij de mediaan, en waren de problemen hoofdzakelijk beperkt tot wiskunde. Maar de studies ASO- Latijn-Moderne Talen omvatten (na een oriënterende eerste graad) vier jaren, en de voorgaande jaren kunnen de bijzonder zwakke prestatie van Birgitt tijdens het laatste jaar niet compenseren.
  23. Dat wiskunde slechts een beperkt belang heeft voor de studies rechten wordt door de klassenraad evenmin betwijfeld, maar Latijn-Moderne Talen is een ASO studierichting met bepaalde minimum-normen inzake wiskunde. De studiekeuze van de leerling is zonder twijfel een element in zijn eindbeoordeling, zeker in het laatste jaar secundair onderwijs, maar als dusdanig volstaat dit geenszins om het belang van een vak dat in gekozen studierichting slechts beperkt of zelfs helemaal niet aan bod komt, tot nul te reduceren.
  24. De klassenraad erkent en apprecieert de vele neven- en buitenschoolse activiteiten van Birgitt, maar dit impliceert geenszins dat voor haar soepeler criteria zouden worden gehanteerd dan voor de andere leerlingen”. Deze thans bestreden beslissing wordt nog diezelfde avond aan de ouders van verzoekster overhandigd. De ontvankelijkheid van de vordering
  25. Het verzoekschrift is bij de Raad van State ingesteld voor verzoekster, door haar raadsman. Terecht, want verzoekster, die geboren is op 23 juli 1990, is op het ogenblik van het inleiden van voorliggende vordering meerderjarig. Zij was echter ook reeds meerderjarig toen de delibererende klassenraad na het afleggen van de uitgestelde proeven op 22 augustus 2008 besloot om haar een C-attest te geven. Mét het schoolreglement (blz. 3) merkt de Raad van State op dat “de juridische relatie met je ouders grondig [wijzigt]” vanaf de XII-5565-11/25 meerderjarigheid en dat de leerling vanaf dan “volledig autonoom [kan] optreden”. Vraag is of, wat de meerderjarige leerling kán doen, ook moét gedaan worden. Zoals de stukken van het administratief dossier en de bijlagen bij het verzoekschrift thans voorliggen, en zoals overigens in het inleidend verzoekschrift ook wordt gesteld, lijken het steeds en uitsluitend de ouders van verzoekster te zijn geweest die het overleg hebben gevraagd en die het bezwaarschrift bij de beroepscommissie hebben ingediend. Zij deden dit op een ogenblik waarop zij niet meer de wettelijke vertegenwoordigers waren van hun, immers meerderjarig geworden, dochter. De vraag rijst derhalve, ambtshalve, of verzoekster wel op ontvankelijke wijze de administratieve beroepsprocedure heeft ingesteld en uitgeput, wat een voorwaarde is opdat zij vervolgens op ontvankelijke wijze de Raad van State met een annulatieberoep kan adiëren. Nu hierna zal blijken dat de vordering hoe dan ook moet worden afgewezen, gaat de Raad van State vooralsnog niet verder in op deze kwestie. De schorsingsvoorwaarden
  26. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 4.
  27. Verzoekster situeert het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het dreigend verlies van een schooljaar, minstens het oplopen van leerachterstand, en de uiterst dringende noodzakelijkheid in het gegeven dat de afloop van een gewone schorsingsprocedure te laat zal zijn om haar nog nuttig voor dat nadeel te kunnen behoeden. Zij wijst op het belang van het volgen van de lessen, ook in het hoger onderwijs. Verwerende partij voert geen verweer omtrent deze voorwaarden. XII-5565-12/25 4.
  28. De Raad van State is van oordeel dat de uiteenzetting van verzoekster genoegzaam aantoont dat te dezen de bedoelde voorwaarden vervuld zijn. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  29. Verzoekster voert in het inleidend verzoekschrift twee middelen aan. Uiteenzetting van het eerste middel
  30. Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 5, §§ 1-5-8, artikel 37, artikel 38 en artikel 57 van het organisatiebesluit, van de algemene pedagogische reglementering nr. 3 van het VVKSO, van het patere legem beginsel, van het materieel motiveringsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel : “Doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing meent als beoordeling formuleert dat de verzoekende partij niet in staat is om hoger onderwijs aan te vatten omdat zij beduidend onder de mediaan scoort, voor 2 vakken niet voldoet aan de minimumnorm van de leerplannen en omdat zij een blijk geeft van slechte studiehouding; Terwijl, de artikelen 37 en 38 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 inhouden dat een delibererende klassenraad enkel mag beoordelen of een leerling het schooljaar al dan niet met vrucht heeft beëindigd, hetgeen voor een studente van het laatste jaar van de 3e graad ASO inhoudt dat zij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht haar studies voort te zetten in het hoger onderwijs; En terwijl artikel 57 van het Besluit van de Vlaamse Regering bepaalt dat de beslissing om iemand geslaagd te verklaren niet noodzakelijk gebonden is aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming. En terwijl artikel 5 § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs preciseert dat de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissingen zal laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dat dit dossier is samengesteld uit, in voorkomend geval : de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; de resultaten van de geïntegreerde proef; de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Dat er aldus rekening dient gehouden te worden met het hele dossier van de student en de evolutie van de studieresultaten tijdens het hele schooljaar. Doordat, tweede onderdeel, de bestreden beslissing meent als beoordeling formuleert dat de verzoekende partij niet in staat is om hoger onderwijs aan te vatten omdat zij beduidend onder de mediaan scoort, voor 2 vakken niet voldoet aan de minimumnorm van de leerplannen en omdat zij een blijk geeft XII-5565-13/25 van slechte studiehouding; zodat de bestreden beslissing geen rekening houdt met een globale positieve evolutie noch met de gebrekkige remediëring van de onderwijsinstelling en bovendien rekening houdt met motieven waarmee ze geen rekening mag houden; En terwijl, tweede onderdeel, artikel 5 § 8 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs eist dat beslissingen van de delibererende klassenraad steeds gemotiveerd zijn; En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheids- beslissing gemotiveerd dient te worden met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. En terwijl het redelijkheidsbeginsel inhoudt dat een administratieve overheid die een discretionaire oordeel moet vellen, geen oordeel mag vellen dat geen enkele redelijke administratieve overheid zou vellen; En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel de overheid verplicht om bij elk van haar handelingen en beslissingen zorgvuldig te handelen; En terwijl het patere legem beginsel een administratieve overheid verplicht haar eigen reglementen na te leven; En terwijl artikel 5 § 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs preciseert dat de delibererende klassenraad zich bij zijn beslissingen zal laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dat dit dossier is samengesteld uit, in voorkomend geval : de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; de resultaten van de gëintegreerde proef; de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Dat er aldus rekening dient gehouden te worden met het hele dossier van de student en de evolutie van de studieresultaten tijdens het hele schooljaar”. Wat het eerste middelonderdeel betreft, licht verzoekster toe dat de klassenraad als deliberatiecriterium “de al dan niet voldoende mate waarin de leerling de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt” moet nemen, dat dit criterium volledig afwezig is in de bestreden beslissing, dat nergens blijkt dat alle relevante elementen werden beoordeeld om te beslissen of zij in voldoende mate voldoet aan de globale doelstellingen die in de leerplannen zijn opgenomen, dat de beslissing enkel focust op enkele negatieve prestaties -niet voldoen aan minimumnormen voor twee vakken en een slechte studiehouding- en geen rekening houdt met de resultaten van de andere vakken en hun onderlinge relatieve gewicht, vorige studiejaren of een pedagogisch dossier, dat de punten van de andere leerlingen aantonen dat vrij streng werd geëvalueerd voor de vakken wiskunde en aardrijkskunde en dat bijzonder weinig aandacht is besteed aan de positieve evolutie die onmiskenbaar aanwezig is. Met betrekking tot het tweede middelonderdeel overloopt verzoekster uitvoerig de gegeven motieven : XII-5565-14/25 “(A) de beoordeling van het essentieel motief studiehouding van de verzoekende partij Uit de hierboven geschetste inhoud van de bestreden beslissing blijkt voldoende dat de beweerd negatieve studiehouding van de verzoekende partij een essentieel onderdeel is van de motivering in de bestreden beslissing. De verzoekende partij heeft t.o.v. deze motivering 2 kritieken : =>de verwerende partij mag de studiehouding niet hanteren als deliberatiecriterium. In de eigen documenten van de verwerende partij wordt noch de studiehouding, noch de leerattitude van de leerling als deliberatiecriterium opgenomen : Thet document ‘uitgangspunten voor de delibererende klassenraden in het SMCB’ vermeldt : ‘De deliberatievraag : wordt de leerling op basis van de totaliteit van zijn prestaties bekwaam geacht haar/zijn studies verder te zetten in een hoger leerjaar? - JA : A-attest of beperkt B-attest indien er enig voorbehoud wordt gemaakt - NEEN : uitgebreid B-attest of C-attest wanneer risicofactoren in combinatie voorkomen. De risicofactoren zijn : - voor (graad) 1-4 - voor (graad) 5-6 - 4 of meer dan 4 tekorten - vakken met tekorten vertegenwoordigen minstens 11 lesuren - negatieve ontwikkeling in verschillende resultaten - meerdere onvoldoendes in richtingspecifieke vakken - herhaaldelijk onvoldoendes voor dezelfde vakken - begeleidende of oriënterende adviezen niet opgevolgd - heeft tijdens vorig schooljaar waarschuwingen of vakantietaken met onvoldoende resultaat gehad - vakken met een jaarresultaat ‘Hij (de klassenraad) steunt zich daarbij op : - het resultaat van je globale evaluatie (die betrekking heeft op de volledige wekelijkse lessenlabel) - beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad doorheen het schooljaar - je mogelijkheden in verband met je verdere studies’ In geen van beide documenten wordt de leerhouding, de leerattitude of de attitude in het algemeen als deliberatiecriterium vermeld. Terwijl het Reglement van het VVKSO (de koepel waarvan de verwerende partij deel uitmaakt) uitdrukkelijk stelt dat enkel als het studiereglement uitdrukkelijk bepaalt dat de evaluatie van attitudes een element is in de studiebeoordeling, de delibererende klassenraad bij de eindbeoordeling rekening mag houden met de attitude. Derhalve mag in de eindbeslissing als (essentiële) motivering niet verwezen worden naar de beweerd slechte attitude van de verzoekende partij. => De beweringen stemmen nier overeen met de werkelijkheid, De verzoekende partij wil absoluut betwisten dat zij een gebrek aan maturiteit zou hebben of een slechte studiehouding had. Aangaande haar beweerd gebrek aan maturiteit wijst de verzoekende partij op de diverse verantwoordelijkheden die zij in haar vrije tijd en belangeloos opneemt : - de laatste twee schooljaren was zij lid van het feestcomité (het laatste jaar zelfs voorzitter) en in die hoedanigheid verantwoordelijk voor o.m. de organisatie van de Chrysostomosviering en het schoolbal. Het schoolbal is een activiteit waarop meer dan 1.000 personen aanwezig waren en waarvan de opbrengst ten goede van school komt. De organisatie vergt (zonder steun van XII-5565-15/25 de school) dat leerlingen onderhandelen over alle contracten, sponsors zoeken, drukwerk, muziek en veiligheid verzorgen etc. - zij was de laatste twee jaren lid was van de leerlingenraad - zij was lid van de mode-ontwerpersclub van de school waarvan de leden eigen ontwerpen creëren en voorstellen op een zelf ingerichte show. Aangaande haar studiehouding wil de verzoekende partij er op wijzen dat zij zeer duidelijk de signalen van een slecht eerste semester heeft opgepakt; dat zij via bijscholing de stof terug opgenomen heeft en in een onmiskenbare positieve tendens heeft omgezet. De verzoekende partij wijst er ook op dat zij in de vorige 5 studiejaren voor het laatste jaar, telkens is overgegaan. De verzoekende partij wil er uitdrukkelijk op wijzen dat zij deze prestatie zelf geleverd heeft zonder enige remediëring vanwege de verwerende partij. De essentiële beoordeling omtrent de maturiteit en de studiehouding van de verzoekende partij schendt dan ook de in het onderdeel aangehaalde bepalingen. (B) De beoordeling van het essentieel motief de onvoldoendes voor wiskunde en aardrijkskunde De verwerende partij hanteerde als essentieel motief, het feit dat de verzoekende partij voor 2 vakken (wiskunde en aardrijkskunde) duidelijk niet voldoet aan de minimumnorm zoals voorgeschreven door de leerplannen (en eindtermen). Daarbij wordt in de verdieping van de eerdere motivatie in feite enkel aandacht besteed aan de onvoldoende voor wiskunde. De verzoekende partij heeft t.o.v. dit essentieel motief volgende kritieken => Allereerst herhaalt de verzoekende partij dat niet enkel de minimumnormen van 2 vakken maar de minimumnormen voor alle vakken in globo als deliberatiecriterium moeten genomen worden (zie eerste onderdeel). => de verwerende partij komt niet verder dan de bewering ‘dat de verzoekende partij voor 2 vakken niet voldoet aan de minimumnormen’. Er wordt helemaal niet aangegeven in welk opzicht de verzoekende partij niet voldoet aan de minimumnormen; er wordt zelfs niet verwezen aan welke minimumnorm uit het leerplan niet zou voldoen. Zeker voor wiskunde is dit kritisch aangezien de verzoekende partij een beduidend betere score had in de examenreeks van juni en de verwerende partij moet toegeven dat de bijkomende proef in augustus slechts een onderdeel van de wiskunde van het 6e jaar betrof. De verzoekende partij kan uit de motivering onmogelijk afleiden aan welke minimumnorm zij tekort schiet. De verzoekende partij herinnert er aan dat de delibererende klassenraad er toe gehouden is bij een C-attest bijzonder te motiveren; het minimale wat moet aangegeven worden is te weten ten opzichte waarvan men te kort schiet, al was het maar om de verzoekende partij toe te laten daaraan te werken. => Het relatieve belang van de vakken in het curriculum Zoals uit het eigen document ‘uitgangspunten voor de delibererende klassenraden in het SMCB blijkt’ moet de delibererende klassenraad rekening houden met het relatieve gewicht van de vakken (dit bereikt men door enerzijds onvoldoendes voor minstens 11 lesuren en anderzijds onvoldoendes voor richtingsspecifieke vakken als risicofactoren te benoemen). Welnu de vakken wiskunde en aardrijkskunde zijn voor de afdeling Latijn - Moderne talen geen richtingsspecifieke vakken en vertegenwoordigen in het curriculum 4 lesuren (3 uren wiskunde en 1 uur aardrijkskunde) op een totaal van 32 lesuren => Geen bijkomende proef voor aardrijkskunde. De verzoekende partij kent terzake de rechtspraak van de Raad van State doch voelt zich op het verkeerde been gezet dat wanneer haar deliberatiebeslissing wordt uitgesteld met bijkomende proeven en zij niet de kans krijgt om een verbetering inzake aardrijkskunde aan te tonen in een bijkomende proef, en zij nadien toch wordt afgerekend op het negatief resultaat voor het vak aardrijkskunde (de XII-5565-16/25 verzoekende partij wijst er trouwens op dat de mediaan voor het vak aardrijkskunde 55 % bedroeg wat een lage mediaan is, waaruit kan worden afgeleid dat de examinering behoorlijk streng gebeurde). =>Omtrent de bijkomende proef wiskunde erkent de verwerende partij dat er slechts een deel van de leerstof werd ondervraagd. Naar het oordeel van de verzoekende partij het meest moeilijke onderdeel van de leerstof, zodat de verzoekende partij van oordeel is dat zij terzake geen faire kans heeft gehad om haar verbetering aan te tonen. De verzoekende partij brengt de 2 examenproeven juni (stuk 51) en augustus (stuk 52) bij. Dit terwijl het VVKO Reglement toch bepaalt dat de inhoud van deze proef moet afgestemd zijn op de individuele noden van de leerling. Dit houdt in dat de betrokken leerling op de bijkomende proef een faire kans moet hebben om zijn kansen te verdedigen over de op hem/haar afgestemde inhoud. Hiertegen wordt gezondigd als enkel maar een onderdeel van deze op de noden van de leerling afgestemde inhoud van de bijkomende proef geëxamineerd wordt. Rekening houdende met het feit dat slechts een deel van leerstof werd geëxamineerd en de hogere moeilijkheidsgraad van dit deel mocht de negatieve evolutie in de bijkomende proef bij de herdeliberatie niet meer in aanmerking genomen worden. => Positieve evolutie. De verzoekende partij herhaalt volledigheidshalve haar bespreking uit het eerste onderdeel betreffende de gunstige evolutie in haar resultaten gedurende het jaar. => De relatieve strengheid waarmee de vakken wiskunde en aardrijkskunde geëvalueerd zijn. De verzoekende partij herhaalt volledigheidshalve haar bespreking uit het eerste onderdeel betreffende de strengheid waarmee de vakken wiskunde en aardrijkskunde geëvalueerd werden. De essentiële beoordeling omtrent de onvoldoendes van de verzoekende partij voor de vakken wiskunde en aardrijkskunde schenden dan ook de in het onderdeel aangehaalde bepalingen. (C) de motieven inzake de communicatie en de remediëring Ondanks het aanvoelen van de verzoekende partij dat de motieven inzake de beweerde gebrekkige communicatie en remediëring voor de verwerende partij geen essentiële motieven zijn (zij zijn immers niet weerhouden in de eindbeoordeling) en ondanks dat deze motieven ook geen motieven mogen zijn in een deliberatiebeslissing (zoniet is dit een voldoende grond voor de schorsing van de bestreden beslissing) wenst de verzoekende partij toch de feitelijke onjuiste motivering inzake de gebrekkige communicatie en remediëring te verbeteren. Omtrent de beweerde gebrekkige communicatie van de ouders naar de school toe wil de verzoekende partij er op wijzen dat het een taak van de onderwijsinstelling is om op een duidelijke wijze naar de leerling en de ouders te communiceren. Het gaat niet op om louter van de ouders uit een communicatie te verwachten. Bovendien bestaat de communicatie van de school enkel uit de periode- en semesterrapporten en de zgn. blauwe brief uitdrukkelijke waarschuwing dat de studieresultaten dringend moeten bijgewerkt worden. En tenslotte wijst de verzoekende partij er op dat deze laatste waarschuwing ter harte genomen werd. De verzoekende partij werd door haar ouders opgevolgd en onder studiebegeleiding geplaatst onder begeleiding van een professioneel bureau met 147 uren studiebegeleiding. Daarentegen heeft de verzoekende partij of haar ouders geen kennis genomen van enig constructief remediëringsvoorstel vanwege de school. Nochtans schrijft het schoolreglement voor dat de ouders van elke voorgestelde remediëring via de schoolagenda of per brief op de hoogte worden gebracht. In de verslagen van de begeleidende klassenraad dient het advies aan de ouders te worden opgenomen. (2.2.7.
  31. van het schoolreglement). Anders dan de XII-5565-17/25 verwerende partij het meent zijn algemene opmerkingen in de stijl van kan veel beter en resultaten zijn te laag enkel gemeenplaatsen die onmogelijk kunnen beschouwd worden als een voorstel tot remediëring. Enkel de leerkracht Latijn heeft voor de verzoekende partij een concreet voorstel uitgewerkt (bijkomende oefeningen) die de verzoekende partij ook opgelost heeft. De lerares wiskunde heeft Birgitt op geen enkel ogenblik een persoonlijk voorstel van remediëring gedaan. Birgitt heeft samen met een aantal andere leerlingen een herhalingsles bijgewoond na de Paasvakantie, maar deze was algemeen en niet specifiek. De verzoekende partij trekt dienaangaande de aandacht van de Raad op de verslagen van de begeleidende klassenraad (stuk 24). Deze zijn 3 (drie) in getal, zijn uiterst summier en vermelden voor januari 2008 voor de verzoekende partij niets betreffende wiskunde. De Raad zal zelf vaststellen dat de communicatie en remediéring rond de resultaten in juni en de voorziene bijkomende proeven absoluut ondermaats is. Er is enkel de loutere mededeling dat er drie bijkomende proeven zijn en welke leerstof daarvoor moest gekend zijn”. Verzoekster besluit dat geen enkele redelijk oordelende delibererende klassenraad in het gegeven kader tot een C-attest kon besluiten. Beoordeling
  32. Luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit eindigt de leerling het tweede jaar van de derde graad algemeen secundair onderwijs “met vrucht”, indien hij “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”. Het is de delibererende klassenraad die daarover autonoom beslist. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit eist inderdaad dat de delibererende klassenraad “zich bij zijn beslissingen [zal] laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling”, waaronder “resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen” en “de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad”. In de door de delibererende klassenraad veruitwendigde motieven is terug te vinden dat na de uitgestelde beslissing en na de bijkomende proeven, uiteindelijk met twee jaartekorten voor aardrijkskunde en wiskunde rekening is gehouden en voorts ook met de resultaten van de overige proeven. Te lezen is dat twee bijkomende proeven de tekorten voor die vakken hebben weggewerkt en dat voor wiskunde het tekort groter is geworden. De klassenraad heeft oog voor de punten die behaald werden bij dagelijks werk en voor de proeven. Uitvoerig zet de klassenraad uiteen waarom verzoekster volgens hem de basisvaardigheden mist voor XII-5565-18/25 wiskunde en waarom zij tekort schiet in haar studiehouding, wat gerelateerd wordt aan tal van opmerkingen in haar leerlingendossier en aan meerdere tekorten doorheen het jaar. De klassenraad erkent dat verzoekster de voorgaande jaren een “behoorlijk parcours” reed en dat haar punten in de loop van dit schooljaar pro- gressie vertonen, maar legt uit waarom die elementen hem niet tot een gunstiger oor- deel brengt. De klassenraad staat omstandig stil bij de diverse bezwaren van de ouders van verzoekster, om deze stuk voor stuk te beantwoorden, in het bijzonder welk belang hij hecht aan het tekort voor wiskunde. In de huidige stand van de procedure overtuigt verzoekster niet dat de delibererende klassenraad zich niet zorgvuldig van zijn taak heeft gekweten overeenkomstig de eisen die het organisatiebesluit hem stelt. Wat voor de delibererende klassenraad doorslaggevend is om verzoekster niet geslaagd te verklaren (de essentiële motieven, zoals zij het in het tweede middelonderdeel terecht schrijft) zijn de aard en impact van de twee tekorten en de gebrekkige studiehouding in samenhang met de globaal zwakke prestatie van verzoekster. Die motivering wordt niet onregelmatig louter door het feit dat de klassenraad de punten van de andere vakken waarvoor verzoekster wel geslaagd is niet formeel reproduceert in zijn beslissing. Zij wordt het des te minder nu de klassenraad zich ook lijkt te hebben ingespannen om alle in de beroepsprocedure geformuleerde bezwaren van de ouders van verzoekster te onderzoeken en formeel te beantwoorden. Aangenomen dat de aangehaalde tekorten en het gebrek aan studiehouding de attestering kunnen ondersteunen -hetgeen hierna onderzocht wordt in het tweede middelonderdeel- valt het verzoekster toe om tegenover de uitvoerige uiteenzetting van de klassenraad aan te geven welke andere concrete gegevens van haar dossier zij in de beroepsprocedure heeft doen gelden en nog kan doen gelden die niet of onvoldoende in ogenschouw zijn genomen en die een zodanig tegen- gewicht vormen voor de vastgestelde tekorten, dat zij een anders luidende beslissing mogelijk maken. Voor zover verzoekster daar in de toelichting bij dit middelonderdeel al zou aan toegekomen zijn, wordt zij vooralsnog niet bijgevallen. Het eerste middelonderdeel is niet ernstig. 8.
  33. In het tweede middelonderdeel betoogt verzoekster over het eerste motief in hoofdorde dat haar studiehouding niet bij de beoordeling over haar slagen betrokken mag worden, omdat het schoolreglement dit niet uitdrukkelijk bepaalt. XII-5565-19/25 Ondergeschikt spreekt zij tegen dat haar een gebrek aan maturiteit kan worden verweten. De Raad van State stelt vast dat het schoolreglement, overeenkomstig artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, een verwijzing bevat naar de beslissingen, vaststellingen en adviezen van de begeleidende klassenraad als element waarop de delibererende klassenraad moet steunen. Het schoolreglement vermeldt ook de leerhouding en de studievordering als aspecten die meespelen voor de evaluatie van het dagelijks werk. Het middelonderdeel, in hoofdorde, mist op het eerste gezicht feitelijke grondslag, zodat op de juridische draagwijdte van het VVKSO-reglement niet nader hoeft te worden ingegaan. Overigens lijkt de studiehouding van een leerling precies een van de elementen van de globale pedagogische evaluatie te zijn, waarvan verzoekster net in het eerste middelonderdeel staande houdt dat de delibererende klassenraad er rekening moét mee houden. Uit meerdere stukken van het administratief dossier kan voorts worden afgeleid dat verzoekster tijdens het schooljaar bij herhaling gewaarschuwd is om niet lui te zijn, zich meer op haar studies toe te leggen en harder te werken. Een zwakke studiehouding wordt ook vertaald in lage punten voor dagelijks werk. Prima facie ziet de Raad geen regel die de delibererende klassenraad zou verbieden om zich op die elementen te steunen en daar wat verzoeksters studiehouding betreft zekere gevolgtrekkingen uit te maken. Ook lijkt vooralsnog de studiehouding van een leerling geen ontoelaatbaar element bij het inschatten van de bekwaamheid van de leerling om hogere studies aan te vatten. De Raad ziet niet hoe het gegeven dat verzoekster zeer actief is geweest bij extra-curriculaire activiteiten kan dienen om haar studie-ijver aan te tonen. Dat zij bijscholing heeft gekregen doet prima facie geen afbreuk aan de door de delibererende klassenraad gemaakte vaststellingen, die steun vinden in het administratief dossier. 8.
  34. Verzoekster meent dat de bijkomende proef voor wiskunde niet representatief was, dat de vakken aardrijkskunde en wiskunde een relatief belang vertonen en dat niet wordt aangegeven waarom zij niet voldoet aan de minimumnormen voor de leerplannen. In de bestreden beslissing heeft de delibererende klassenraad op de eerste en de tweede grief een antwoord gegeven dat prima facie afdoende lijkt. XII-5565-20/25 Nu het er op lijkt dat de examens representatief zijn voor de leerstof en de behaalde resultaten niet betwist kunnen worden, volstaat voorts de vaststelling van de onvoldoendes om te doen begrijpen dat de minimumnormen niet zijn gehaald voor de desbetreffende leerplannen. Een “relatieve strengheid” bij het verbeteren van examens maakt deze verbetering niet onwettig. 8.
  35. Zoals verzoekster het zelf aangeeft, lijken de opmerkingen inzake communicatie en remediëring overtollige motieven te zijn, zodat enige kritiek hier op niet tot de gevraagde schorsing kan leiden. 8.
  36. De Raad van State mag zich niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examen- resultaten en van de geschiktheid van de leerling om hogere studies aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt. De Raad van State kan verzoekster derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster, in de huidige stand van de procedure, er niet in is geslaagd de Raad daarvan te overtuigen. De door de delibererende klassenraad op het eerste gezicht zorgvuldig gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoekster vermag in rechte en in feite, zo lijkt, een beslissing om haar het bestreden C-attest te geven verantwoorden. XII-5565-21/25 8.
  37. Het tweede middelonderdeel is niet ernstig. Uiteenzetting van het tweede middel
  38. In het tweede middel betoogt verzoekster dat de bestreden beslissing een duidelijk dictaat is aan de delibererende klassenraad en niet getuigt van de eigen opvatting van de klassenraad”, terwijl deze laatste luidens artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959 als enige bevoegd is op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn. De klassenraad heeft zijn beslissing niet in volle onafhankelijkheid genomen. De leden van de klassenraad zijn geen juristen en kunnen niet op minder dan 3u30 delibereren én dergelijke tekst van acht pagina’s op papier stellen. De beslissing is overduidelijk niet het eigen standpunt van de delibererende klassenraad. Een deliberatiebeslissing moet een pedagogische, geen juridische motivering bevatten. Beoordeling
  39. De ouders van verzoekster hebben zelf niet nagelaten hun grieven tijdens de beroepsprocedure juridisch in te kleden met ampele verwijzing aan ’s Raads jurisprudentie. Zelfs op een ogenblik waarop de georganiseerde beroepsprocedure nog hangende was, alluderen zij op hun voornemen hoe dan ook naar de Raad van State te zullen stappen indien het C-attest gehandhaafd blijft en dus vooraleer zij nog maar de uiteindelijke motieven van de klassenraad kennen. De leden van die klassenraad wordt ook herinnerd aan hun eventuele persoonlijke aansprakelijkheid. In dergelijke omstandigheden lijkt het veeleer van de grootste zorgvuldigheid te getuigen indien de delibererende klassenraad zich laat informeren, adviseren en bijstaan door in het onderwijsrecht en in onderwijsgeschillen beslagen personen. Daarmee is nog niet aangetoond dat de uiteindelijke beslissing niet aan de delibererende klassenraad is toe te rekenen. Verzoekster heeft overigens ook niet die beslissing formeel van valsheid beticht. Uit de bespreking van het eerste middel is voorlopig gebleken dat de delibererende klassenraad een afdoende pedagogische motivering heeft gegeven aan zijn beslissing. Dat die pedagogische verantwoording ook met zorg voor de juridische consequenties is neergeschreven, maakt haar niet minder deugdelijk. Het middel is niet ernstig. XII-5565-22/25 De geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep 11.
  40. In haar nota met opmerkingen neemt verwerende partij ernstig aanstoot aan het tweede middel, dat zij als beledigend ervaart. Zij vraagt dat de Raad van State verzoekster zou veroordelen tot een “passende boete” conform artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 11.
  41. Mocht het al aan de partijen zijn om toepassing te vragen van dergelijke geldboete, dan legt de Raad van State in elk geval te dezen geen geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep op. Immers blijkt niet om welke reden het voormelde artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ook toepasselijk zou zijn op een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Uit het eerste lid van die bepaling lijkt voort te vloeien dat daartoe in elk geval een auditoraatsverslag is vereist, hetgeen met zich zou meebrengen dat de bedoelde boete niet in een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden opgelegd omdat dergelijke procedure een dergelijk verslag niet kent; deze beperkende interpretatie vindt tevens steun in de parlementaire voorbereiding (verklaring van de Minister van Binnenlandse Zaken - Parl. St. Kamer 1999-2000, Doc. 50 - 0101/011, blz. 12). Besluit
  42. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  43. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  44. XII-5565-23/25 De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-5565-24/25 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven oktober 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5565-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.906 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.