id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.907 Rolnummer: Zaak: Arrest 186907 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.907 van 8 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.907 van 8 oktober 2008 in de zaken A. 185.697/XIV-29.879 185.727/XIV-29.
- In zake : XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 53 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische nationaliteit, op 2 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 1 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IIde Kamer, waarbij haar de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1548 van 22 november 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische nationaliteit, op 2 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 1 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IIde Kamer, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1545 van 22 november 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; XIV-29.879-1/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikkingen van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. 1.
- Overwegende dat de echtgenoten XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de cassatie vragen van het te hunnen aanzien door de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen genomen arrest; dat het arrest in verband met de vrouw rust op het arrest in verband met haar echtgenoot; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het dan ook wenselijk is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten; 1.
- Overwegende dat volgens de eerste verzoekende partij de memorie van antwoord, opgesteld in naam van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit de debatten moet worden geweerd daar deze inzake noch de verwerende noch de tussenkomende partij is en evenmin gemachtigd is om de Minister van Binnenlandse Zaken te vertegenwoordigen; dat wie tegenpartij was voor het rechtscollege ook in het administratief cassatieberoep voor de Raad van State als tegenpartij moet worden opgeroepen; dat, aangezien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verwerende partij was in het geding voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, hij ook in het administratief cassatieberoep voor de Raad van State terecht als verwerende partij werd aangeduid; dat de exceptie van onontvankelijkheid van de memorie van antwoord bijgevolg niet gegrond is; XIV-29.879-2/19
- Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- De echtgenoten XXX, beide van Servische nationaliteit en afkomstig uit Kosovo, vragen voor het eerst in België asiel aan op 3 februari
- 2.
- Op 19 augustus 2005 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van weigering van verblijf van 23 februari
- 2.
- Verzoekers dienen op 9 oktober 2006 een tweede asielaanvraag in. 2.
- Op 28 juni 2007 beslist de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kunnen worden erkend en ook niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. 2.
- Verzoekers tekenen op 25 juli 2007 tegen deze weigeringsbeslissingen hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 2.
- Deze beroepen worden opgeroepen op de zitting van 17 september
- 2.
- Op deze zitting worden verzoekers, bijgestaan door hun raadsman, gehoord. 2.
- Op 1 oktober 2007 neemt de Wnd. Voorzitter van de IIde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de thans bestreden arresten waarbij verzoekers de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. XIV-29.879-3/19 Het arrest waarbij het beroep van de man wordt verworpen rust op volgende redengeving : “
- Verzoeker komt op 3 februari 2005 het Rijk binnen, en dient op 4 oktober 2006 een tweede asielaanvraag in. De gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken neemt op 7 februari 2007 de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker dient op 19 februari 2007 dringend beroep in. Op 12 juni 2007 wordt verzoeker gehoord voor de Commissaris-generaal. Op 28 juni 2007 wordt een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “A. Feitenrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Slavische moslim afkomstig uit Prizren, Kosovo. U vroeg samen met uw echtgenote XXX op 3 februari 2005 voor het eerst asiel in België. Op 23 februari 2005 nam de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf die op 19 augustus 2005 door het Commissariaat-generaal werd bevestigd. Uw beroep tot schorsing voor de Raad van State is nog hangende. Op 4 oktober 2006 diende u een tweede asielaanvraag in. U verklaarde sinds uw eerste asielaanvraag steeds in België gebleven te zijn. In het kader van uw tweede asielaanvraag legde u volgende documenten neer: een brief van het regionale kantoor van het UNHCR te Brussel dd. 14 september 2006 waarin bevestigd wordt dat uw identiteitsdocumenten (UNMIK-geboorteaktes en UNMIK- huwelijksakte) – welke u heeft voorgelegd in het kader van uw eerste asielaanvraag – authentiek zijn en dat zij geregistreerd werden in het gemeentelijk bevolkingsregister; een brief van het Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen (BCHV) dd. 15 september 2006 waarin de conclusie van het UNHCR wordt herhaald; drie attesten van de “Demokratska Stranka Bosnjaka”. Volgens het eerste, dd. 26 oktober 2005 werd u lid van de partij op 19 augustus
- Er wordt gewezen op de ongunstige veiligheidssituatie in Kosovo en het feit dat u geen eigendommen of familie meer heeft in Kosovo. Het tweede attest dd. 2 april 2007 beschrijft de gebeurtenissen met uw schoonbroer XXX die op 15 februari 2007 op straat door enkele onbekenden werd aangevallen. De politie kwam meteen en bracht hem naar het ziekenhuis voor verzorging. De daders werden gevat maar later terug vrijgelaten. Er zou een rechtzaak tegen hen aangespannen zijn . Het derde attest dd. 21 mei 2007 werd op uw uitdrukkelijke vraag opgesteld door de partij en stelt dat u lid werd op 16 februari
- Het verwijst naar de toegangsproblemen tot uw vaders huis, die u reeds aanhaalde bij uw eerste asielaanvraag ; een gelegliseerde verklaring van uw vader, dd. 6 september 2005 betreffende de toegangsproblemen tot zijn huis in Prizren; enkele artikels betreffende de aanval op uw schoonbroer XXX ; de UNMIK-identiteitskaart van uw schoonzus XXX; de huwelijksakte van XXX; de geboorteaktes van XXX en vier artikels betreffende de algemene situatie in Kosovo. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u onvoldoende concrete gegevens of elementen hebt aangehaald op basis waarvan ten aanzien van u kan besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie of van een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat bij uw eerste asielaanvraag door het Commissariaat-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd omdat de situatie voor Slavische moslims of Bosniaks in Kosovo anno 2005 als stabiel werd omschreven. Door objectieve bronnen werden geen gevallen van etnisch geïnspireerd geweld tegen deze gemeenschap gemeld. U hebt geen elementen of documenten aangebracht die deze eerdere weigeringsbeslissing kunnen doen wijzigen. De situatie voor Slavische moslims in Kosovo is anno 2007 niet veranderd en wordt nog steeds als stabiel omschreven. De veiligheidssituatie in Prizren is aanzienlijk verbeterd mede dankzij het feit dat er een groot aantal Bosniaks werkzaam zijn bij de politie. Bosniaks vormen de tweede grootste XIV-29.879-4/19 etnische groep in Prizren. De vice-burgemeester is een Bosniak. De directeur bevoegd voor minderheden ook en verder zijn er twee gemeenteraadsleden van Bosniak-origine. Uit het feit dat uw schoonbroer éénmalig op straat werd aangevallen door enkele onbekenden – volgens u Albanezen – kan bovendien geenszins afgeleid worden dat u persoonlijk het slachtoffer dreigt te worden van een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming of dat u in geval van problemen de bescherming van de autoriteiten van uw land niet zou kunnen inroepen. De door u neergelegde stukken betreffende XXX zijn trouwens niet eensluidend over wat er met zijn belagers verder is gebeurd. Zo stelt het attest van de “Demokratska Stranka Bosnjaka”, dd. 2 april 2007, dat de daders door de politie werden meegenomen naar het politiekantoor vanwaar ze later werden vrijgelaten. Een rechtzaak werd ingespannen. Uit het artikel van Bosnjaci.net verwijst echter naar het politierapport en stelt dat de daders gevlucht zijn na de aanval. Niemand werd gearresteerd en het onderzoek loopt verder. Ook uit de beschrijving van de algemene situatie in Kosovo kan geenszins dergelijk persoonlijk risico afgeleid worden. Aangaande de toegangsproblemen tot uw vaders woning dient erop gewezen te worden dat deze problemen op zich niet zwaarwichtig genoeg zijn om gelijkgesteld te worden met een vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of om te spreken van een risico op het lijden van ernstige schade. U verklaarde immers via de tuin van uw buurman een toegang tot uw woning te hebben (CGVS dd. 13 juni 2005 p. 3). Daarnaast zijn uw verklaringen over de gevolgen van de stappen die u ondernam niet eensluidend. U beweerde bij uw eerste asielaanvraag dat UNMIK na uw klacht tegen het afsluiten van uw woning ter plaatse zou komen kijken, maar dat er niemand is gekomen (CGVS dd. 26 april 2005 p. 7). Bij uw tweede asielaanvraag beweerde u dat na uw klacht op de gemeente personen van de gemeente en UNMIK ter plaatse kwamen kijken (CGVS, dd. 2 april 2007, p. 19). De informatie waarop ik deze beslissing baseer werd in bijlage in het administratief dossier gevoegd. Wat betreft de neergelegde attesten van de “Demokratska Stranka Bosnjaka” is het merkwaardig dat u bij uw eerste asielaanvraag geen enkel gewag maakte van het feit dat u lid bent van deze politieke partij onder leiding van Dzezair Murati. Integendeel, gevraagd naar politieke partijen noemde u enkel “Demokratska Partija Bosnjaka” van Dzezair Murati zonder een woord te reppen over uw lidmaatschap tot deze of enig andere partij (CGVS dd. 26 april 2005, p. 5). U verklaarde toen ook geen interesse te hebben in de politiek en geen tijd gehad te hebben u daarin te verdiepen (CGVS, dd. 26 april 2005, p. 6 en dd. 13 juni 2005,p. 6). Gezien deze opmerkelijke omissie kan er slechts weinig geloof gehecht worden aan uw beweerd lidmaatschap van deze partij. De attesten geven trouwens verschillende data op volgens welke u lid bent geworden: volgens het attest van 26 oktober 2005 werd u lid op 18 juni 1998, volgens het attest van 21 mei 2007 werd u echter lid op 16 februari
- Zelf beweerde u trouwens reeds enkele jaren vóór uw vertrek naar Duitsland in oktober 1998 lid geworden te zijn (CGVS dd.12 juni 2007, p. 10). Het is bovendien zeer merkwaardig dat – met uitzondering van de toegangsproblemen tot uw vaders huis – uw partij geen gewag maakt van het feit dat u meermaals zou zijn aangevallen door Albanezen. De brieven van het UNHCR en het BCHV en de identiteitsdocumenten van XXX zijn niet van aard bovenstaande vaststellingen te wijzigen aangezien zij uw en uw schoonfamilies identiteit betreffen, welke niet ter discussie staat. Ook de gelegaliseerde verklaring van uw vader mbt de toegangsproblemen tot zijn woning doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Enkel de identiteit en de handtekening van uw vader werden gelegaliseerd, zonder uitspraak te doen over de waarachtigheid van zijn verklaringen. In het kader van de asielaanvraag van uw vrouw XXX werd eveneens een weigeringsbeslissing genomen. XIV-29.879-5/19 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend. Verder komt u niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.”
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 48/3, 48/4, 48/5, 51/4, 52 §2 en 57/6 tweede lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), artikel 1 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, de algemene motiveringsplicht, het gelijkheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Hij betoogt dat hij talloze officiële documenten, artikels en rapporten heeft voorgelegd die zijn asielrelaas ondersteunen. Hij heeft dan ook op afdoende wijze aangetoond dat zijn vrees op vervolging in de zin van de Vluchtelingen- conventie wel degelijk gegrond is, en dat hij toch minstens een reëel risico op ernstige schade, waarop de subsidiaire bescherming van toepassing is, zou lopen bij een terugkeer naar zijn land van herkomst. Artikel 1 van de Vluchtelingenconventie heeft geen directe werking in de Belgische rechtsorde (R.v.St., 14 februari 2005, nr. 140.572). Derhalve kan deze bepaling niet dienstig worden ingeroepen. Verzoeker beperkt zich tot het aanvoeren van de schending van het gelijkheidsbeginsel zonder in zijn verzoekschrift uiteen te zetten op welke wijze dit beginsel kan geschonden zijn. Derhalve is er voor wat dit onderdeel betreft geen sprake van een middel. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen heeft tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te geven, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft (R.v.St., nr. 167.416, 2 februari 2007; R.v.St., nr. 167.411, 2 februari 2007). Hetzelfde geldt voor de schending van artikel 57/6 tweede lid van de Vreemdelingenwet. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt (zie o.a. R.v.St., nr. 167.407, 2 februari 2007; R.v.St., nr. 167.411, 2 februari 2007). De verzoeker voert bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aan, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. 2.
- Verzoeker betoogt dat zijn relaas geloofwaardig is en dat hij een gegronde vrees voor vervolging koestert omwille van zijn nationaliteit of het behoren tot een sociale groep. De bewijslast inzake de gegrondheid van een asielaanvraag rust in beginsel op de kandidaat-vluchteling zelf. De kandidaat-vluchteling moet aantonen dat zijn aanvraag tot erkenning is gerechtvaardigd. De kandidaat-vluchteling moet een poging ondernemen het relaas te staven. Hij moet de waarheid vertellen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 205). Zijn verklaringen kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De afgelegde verklaringen mogen niet in strijd zijn met algemeen bekende feiten. In het relaas mogen geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaring- en (UNHCR, o.c., Genève, 1992, nr. 204). 2.1.
- Verzoeker betoogt dat zijn beroep tegen de beslissing van de eerste asielaanvraag, nog hangende bij de Raad van State, terecht oordeelt dat de stabiele situatie in 2005 voor Bosniaks in Kosovo wordt ondergraven door twee rapporten, namelijk UNHCR XIV-29.879-6/19 Position on the Continued International Protection Needs of Individuals from Kosovo (maart 2005) en een brief van de Secretaris-Generaal van de VN aan de Veiligheidsraad van april
- De eerste asielaanvraag van verzoeker werd op 3 februari 2005 afgesloten met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf op 19 augustus
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring van deze beslissingen zijn nog hangende. De motieven van de eerste bevestigende beslissing van weigering van verblijf kunnen in huidig verzoekschrift niet betwist worden. Het verzoekschrift is gericht tegen de beslissing van de Commissaris-generaal in het kader van de tweede asielaanvraag van verzoeker. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat uit de weergave van de informatie betreffende de situatie anno 2007 in de bestreden beslissing, een erg selectieve lezing van deze informatie blijkt. Verzoeker tracht precies de informatie waarop het Commissariaat-generaal zich baseert, te ontkrachten door het louter citeren van twee zinsneden uit één document van de gehanteerde informatie. In casu wordt er in de bestreden beslissing op gewezen dat door objectieve bronnen, vervat in het administratieve dossier, geen gevallen van etnisch geïnspireerd geweld tegen Bosniaks werden gemeld en dat verzoeker geen elementen of documenten heeft aangebracht die dit weerlegt. Zoals duidelijk blijkt uit de bestreden beslissing, is de situatie voor Slavische moslims in Kosovo anno 2007 niet veranderd ten op zichte van 2005 en wordt de situatie nog steeds als stabiel omschreven. De veelheid van bronnen waarop de Commissaris-generaal zich baseert voor het nemen van de bestreden beslissing, bevestigt deze situatie van Slavische moslims in Kosovo. Verzoeker laat eveneens na zijn uitspraak te staven met relevante en concrete gegevens, waarmee hij zou kunnen aantonen dat dit niet op hem persoonlijk van toepassing is. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat de vertegenwoordiging van Bosniaks in een aantal overheidsorganen geen objectief tegenbewijs vormt voor zijn verklaringen en dat dit niet kan uitsluiten dat leden van deze minderheid geen slachtoffer van vervolgingsda- den of discriminatie zouden worden en bij hun autoriteiten voldoende bescherming zouden kunnen verwachten. Verzoeker beperkt zich louter tot het tegenspreken van de gevolgtrekking door de Commissaris-generaal. Hij haalt geen concrete argumenten aan die aantonen dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid te buiten ging bij het nemen van de bestreden beslissing. Als dusdanig wordt er echter géén afbreuk gedaan aan de concrete vaststellingen die steun vinden in het administratieve dossier en die op omstandige wijze worden uitgewerkt in de bestreden beslissing. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat verweerder persoonlijke vervolging enkel en alleen uitsluit op basis van algemene – verkeerd aangewende – informatie, terwijl hem dan weer net wordt tegengeworpen dat algemene informatie geen voldoende bewijs is van persoonlijke vervolging. Verzoeker heeft recht op een individuele behandeling van zijn asielaanvraag. Het is inherent aan de aard van de bescherming en de definitie van het vluchtelingensta- tuut zoals dit blijkt uit de Conventie van Genève dat de kandidaatvluchteling subjectieve elementen dient in te roepen die op hem persoonlijk van toepassing zijn. Het is bovendien logisch en wenselijk dat de beoordelende overheid objectieve elementen, zoals gegevens omtrent de werkelijkheid in het land van herkomst, bij zijn overweging van de asielaanvraag betrekt. Uit de diverse motieven van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat het dossier van verzoeker individueel werd onderzocht. 2.1.
- Verzoeker verwijt de Commissaris-generaal dat deze een tegenstrijdigheid opmaakt uit de verschillende stukken die hij voorlegt ter ondersteuning van zijn verklaringen over de aanvallen op schoonbroer XXX. Volgens verzoeker blijkt uit de vertaling van de stukken dat ze allen hetzelfde stellen, namelijk dat de daders na de feiten eerst op de vlucht sloegen, maar later werden ingerekend door de politie, die hen echter onmiddellijk na hun voorleiding in het politiekantoor vrijliet. Verzoeker voegt in dit kader in zijn verzoekschrift het attest van de “Demokatska Stranka Bosnjaka” met XIV-29.879-7/19 eensluidende vertaling bij en brengt bij brief van 22 augustus 2007 een eensluidende vertaling bij van het betrokken uittreksel van de internetsite www.bosnjaci.net. Uit de eensluidende vertalingen van het attest en het uittreksel kan worden afgeleid dat het motief van de bestreden beslissing correct werd weergegeven. De problemen die de schoonbroer van verzoeker, XXX, kende hebben bovendien niets te maken met een persoonlijke en gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconven- tie in hoofde van verzoeker. Verzoeker dient zijn persoonlijke vrees aannemelijk te maken. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat de voorgelegde stukken van Dzezair Murat, een persoon met een functie en aanzien, beschouwd kunnen worden als een indicatie voor de waarschijnlijkheid van de feiten die hij aanhaalt. Verzoeker betoogt dat de verschillende data van politiek lidmaatschap te wijten zijn aan de naamsverandering die de politieke partij heeft ondergaan. Ook zou er volgens verzoeker een onderscheid moeten gemaakt worden tussen een steunend lid en een actief lid. Verzoeker betoogt dat wat de verklaringen over de lidmaatschapsdatum betreft, er een verschil is in het verslag van het verhoor en de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing werd terecht geoordeeld dat er weinig geloof kan gehecht worden aan het beweerd politiek lidmaatschap van verzoeker omdat hij tijdens zijn eerste asielaanvraag geen gewag maakte van het feit dat hij lid is van de “Demonkratska Stranka Bosnjaka” van Dzezair Murati. Verzoeker kon enkel de “Democratskija Partija Bosnjaka” noemen toen hem werd gevraagd of hij de naam kende van enkele politieke partijen voor Bosniakken. Hij verklaarde toen geen interesse te hebben in de politiek en geen tijd te hebben gehad zich daarin te verdiepen (verhoorverslag, 26 april 2005, p. 6, verhoorverslag, 13 juni 2005, p. 6). Het niet vermelden van bepaalde gebeurtenis- sen tijdens het voorgaand interview kan als motief worden gebruikt in een beslissing, op voorwaarde dat de feiten dewelke tijdens een voorgaand interview niet werden gemeld, essentieel zijn (R.v.St., nr. 115.921 van 13 februari 2003). Van iemand die beweert geen interesse te hebben in de politiek en geen tijd te hebben gehad zich daarin te verdiepen kan niet worden aangenomen politiek lidmaatschap te hebben van een bepaalde partij. Bovendien werd in de bestreden beslissing gewezen op een verschillen- de datum van lidmaatschap in de twee neergelegde documenten van Dzezair Murati. Deze twee documenten gaan beide uit van de “Demonkratska Stranka Bosnjaka”, zodat de verklaring van verzoeker niet kan worden aanvaard. Deze twee data verschillen nog eens van de door verzoeker aangehaalde datum van lidmaatschap tijdens het verhoor (verhoorverslag, 12 juni 2007, p. 10), zoals correct weergegeven in de bestreden beslissing (zie verhoorverslag, 26 april 2005, p. 4). De geloofwaardigheid van verzoeker wordt terecht in twijfel getrokken. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat hij geen kopie heeft ontvangen van het verhoorverslag van de eerste asielaanvraag. Ze ontkennen de daarbij afgelegde tegenstrijdigheden, maar zijn in de onmogelijkheid om de juistheid van de interpretatie door tegenpartij correct te duiden. Verzoeker kon wel degelijk kennis nemen van deze informatie. Immers, het administra- tief dossier van verzoeker bevat een kopie van deze informatie. Het inzagerecht laat verzoeker toe om zijn dossier op het Commissariaat-generaal in te komen kijken en kennis te nemen van de inhoud ervan. Niets belet dat verzoeker of zijn raadsman zich, na voorafgaandelijke verwittiging, naar de dienst Advocaten van het Commissariaat- generaal begeeft om aldaar het administratief dossier in te kijken en van de nuttige stukken kopies te laten nemen. 2.1.
- Verzoeker betoogt dat de Commissaris-generaal expliciet vroeg naar identiteits- documenten van hun schoonbroer en – zus en dat de Commissaris-generaal desondanks oordeelde dat deze documenten niets aan de inzichten kan veranderen. Verzoeker oordeelt dat deze documenten de band aantonen van verzoeker met een familielid die een bewezen vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie onderging. Dit draagt bij tot zijn geloofwaardigheid. XIV-29.879-8/19 Verzoeker dient zijn persoonlijke vrees voor vervolging in concreto aan te tonen, waar hij faalt. Een loutere vermelding van een welbepaalde gebeurtenis van een familielid in het land van herkomst volstaat niet om iemand als vluchteling te erkennen. 2.1.
- Alle door verzoeker neergelegde documenten werden in de bestreden beslissing opgenomen. Er werd terecht geoordeeld werd dat deze documenten niet van die aard zijn de vaststellingen in de beslissing te weerleggen. De neergelegde algemene rapporten volstaan niet om aan te tonen dat verzoeker in zijn land van herkomst werkelijk persoonlijk wordt bedreigd en vervolgd. Deze vrees voor vervolging dient in concreto te worden aangetoond en verzoeker blijft hier in gebreke. 2.
- Uit artikel 51/4 van de vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid dat de tolk die de verklaringen van de kandidaat-vluchteling vertaalt dit rechtstreeks moet doen in de taal van de procedure, noch dat de taal van het onderzoek uitsluitend het Nederlands moet zijn (R.v.St., nr. 114.257 van 6 januari 2003 en R.v.St., nr. 128.986 van 9 maart 2004). 2.
- De keuze die een bestuur in de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid maakt, schendt het redelijkheidsbeginsel wanneer men op zicht van de opgegeven motieven zich tevergeefs afvraagt hoe het bestuur tot het maken van die keuze is kunnen komen. Om het redelijkheidsbeginsel geschonden te kunnen noemen, moet men voor een beslissing staan waarvan men ook na lectuur ervan ternauwernood kan geloven dat ze werkelijk genomen is. Wat het redelijkheidsbeginsel de rechter toestaat, is niet het oordeel van het bestuur over te doen, maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat doordat de door het bestuur geponeerde verhouding tussen de motieven en het dispositief volkomen ontbreekt, in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is (R.v.St., nr. 82.301, 20 september 1999). Er is geen kennelijke wanverhouding tussen de motieven en het dispositief van de bestreden beslissing. Het redelijkheidsbeginsel is niet geschonden. 2.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel legt de Commissaris-generaal op zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en deze te stoelen op een correcte feitenvinding. De Commissaris-generaal heeft zich voor het nemen van de bestreden beslissing gesteund op alle gegevens van het administratieve dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoeker en op alle dienstige stukken. Dat de bestreden beslissingen zouden voortvloeien uit incorrecte feitenvinding of onzorgvuldig zou zijn voorbereid is niet correct. Uit het administratieve dossier blijkt verder dat verzoeker op het Commissariaat-generaal werd gehoord. Tijdens het interview kreeg hij de mogelijkheid zijn asielmotieven uiteen te zetten, zijn argumenten kracht bij te zetten, kon hij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en kon hij zich laten bijstaan door een advocaat of door een andere persoon van zijn keuze, dit alles in aanwezigheid van een tolk die de Servo-Kroatische taal machtig is. Dat niet zorgvuldig is tewerk gegaan kan niet worden weerhouden. 2.
- Verzoeker voert een schending aan van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Hoger (2.1.2.) werd reeds gesteld dat de situatie voor Slavische moslims in Kosovo anno 2007 niet veranderd is ten op zichte van 2005 en de situatie nog steeds als stabiel wordt omschreven. Verzoeker beperkt zich in zijn verzoekschrift tot het stellen dat hij meent recht te hebben op de subsidiaire beschermingsstatus. Hij laat na uit te werken waarom hij recht zou hebben op de subsidiaire beschermingsstatus, zodat er wat dit onderdeel betreft geen sprake is van een middel. Het enig middel is ongegrond.”; XIV-29.879-9/19 Het arrest waarbij het beroep van de vrouw wordt verworpen is als volgt gemotiveerd: “
- Verzoekster komt op 3 februari 2005 het Rijk binnen, en dient op 4 oktober 2006 een tweede asielaanvraag in. De gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken neemt op 7 februari 2007 de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoekster dient op 19 februari 2007 dringend beroep in. Op 12 juni 2007 wordt verzoekster gehoord voor de Commissaris-generaal. Op 28 juni 2007 wordt een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en tot weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “A. Feitenrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Slavische moslim afkomstig uit Prizren, Kosovo. U vroeg samen met uw echtgenoot XXX op 3 februari 2005 voor het eerst asiel in België. Op 23 februari 2005 nam de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing van weigering van verblijf die op 19 augustus 2005 door het Commissariaat-generaal werd bevestigd. Uw beroep tot schorsing voor de Raad van State is nog hangende. Op 4 oktober 2006 diende u een tweede asielaanvraag in. U verklaarde sinds uw eerste asielaanvraag België niet meer verlaten te hebben. B. Motivering Aangezien uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt dat u uw asielaanvraag steunt op dezelfde motieven die door uw echtgenoot, XXX, werden uiteengezet en in het kader van zijn asielaanvraag een weigeringsbeslissing werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of een risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u niet als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend. Verder komt u niet in aanmerking voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet.”
- Uit het administratieve dossier blijkt dat de verzoekende partij haar aanvraag om als vluchteling te worden erkend uitdrukkelijk verbindt aan de asielaanvraag van haar echtgenoot. Bij arrest nr. 2220 van 1 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd aan haar echtgenoot de erkenning van de status van vluchteling geweigerd omdat hij onvoldoende concrete gegevens of elementen heeft aangehaald op basis waarvan ten aanzien van hem kan worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie. De verzoekende partij beroept zich op de vervolgingen die haar echtgenoot heeft ondergaan en die ook gevolgen hebben voor haar. Aangezien haar betoog in essentie een herhaling is van het asielrelaas van haar echtgenoot kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1 A
(2)van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen (R.v.St., nr. 167.846, 24 januari 2007). Evenmin toont zij aan dat zij aanspraak kan maken op de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op basis van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 gelet op het feit dat haar echtgenoot onvoldoende concrete gegevens of elementen heeft aangehaald op basis waarvan ten aanzien van hem kan worden besloten tot het bestaan van een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming.”; XIV-29.879-10/19
- Over de gegrondheid van de beroepen. 3.1.1.
- Overwegende dat in het eerste middel verzoeker laat gelden dat het te zijnen opzichte uitgesproken arrest genomen is met schending van de appreciatiebevoegd- heid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van de artikelen 39/2 en 39/76 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt tot een wettigheidstoetsing van de voor hem bestreden beslissing van het Commissariaat-generaal, terwijl de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen een bevoegdheid in volle rechtsmacht heeft bij het behandelen van beroepen tegen beslissingen van het Commissariaat-generaal in asielprocedures; dat hij toelicht dat duidelijk uit de opbouw en argumentatiestijl van het bestreden arrest blijkt dat men zich beperkt tot het beoordelen louter op hun annulatiewaarde van de in het inleidend verzoek- schrift ontwikkelde middelen; 3.1.1.
- Overwegende dat verzoekster integraal dit middel overneemt; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt in de zaak van verzoekster: dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake beslissingen van de Commissaris-generaal inderdaad over volheid van rechtsmacht beschikt, dat het beroep devolutief is en in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad, dat ze echter met klem betwist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt heeft tot een loutere wettigheidstoetsing, dat, in tegenstelling tot wat in het verzoekschrift wordt beweerd, de Raad zich wel degelijk over de grond van de zaak heeft gebogen en uitspraak heeft gedaan over het gehele asielrelaas, dat de Raad, onder meer, alle neergelegde stukken één voor één heeft onderzocht en besproken, heeft geoordeeld over verzoekers beweerd politiek lidmaatschap en over de vastgestelde ongeloofwaardigheden in zijn verklaringen en de huidige verblijfssituatie voor Slavische moslims in het zuiden van Kosovo opnieuw heeft geëvalueerd in het licht van de meest recente informatie terzake; 3.1.
- Overwegende dat in hun toelichtende memorie, respectievelijk memorie van wederantwoord, verzoekers het middel hernemen en hieraan nog toevoegen : dat het geding niet beperkt is tot de in het verzoekschrift aangehaalde middelen, dat niet afdoende blijkt dat de Raad hun zaken ook daadwerkelijk aan een nieuwe evaluatie heeft onderworpen; 3.1.
- Overwegende dat uit de redengeving van het bestreden arrest genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat de weigering van de XIV-29.879-11/19 vluchtelingenstatus betreft niet enkel de wettigheid van de motieven van de Commissaris- generaal heeft onderzocht, doch zich daarnaast ook ondubbelzinnig heeft aangesloten bij nagenoeg al deze motieven; dat dit met name het geval is voor
(1)het hoofdmotief in verband met de actuele situatie van de Slavische moslims in Kosovo;
(2)het motief waarbij de argumentatie ontleend aan de problemen van verzoekers schoonbroer wordt verworpen;
(3)het motief in verband met de ongeloofwaardigheid van verzoekers beweerd politiek lidmaatschap;
(4)het motief in verband met de door verzoeker neergelegde documenten en algemene rapporten; dat de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd gelet op de actuele situatie van de Slavische moslims in Kosovo en omdat in het verzoekschrift wordt nagelaten uit te werken waarom men recht zou hebben op deze status; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekers beweren de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet heeft beperkt tot een wettigheidstoezicht op de voor hem aangevochten beslissing, doch deze beslissing bevestigd na de belangrijkste motieven ervan te hebben overgenomen of zich erbij te hebben aangesloten; dat de omstandigheid dat de Raad zich aansluit bij motieven van de Commissaris-generaal niet betekent dat hij het volledig dossier niet zelf op zijn beurt daadwerkelijk zou hebben onderzocht en beoordeeld; dat niets de Raad belet wanneer hij na onderzoek van de asielaanvraag tot dezelfde bevindingen komt, de motieven van de Commissaris-generaal over te nemen of er zich bij aan te sluiten; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1.
- Overwegende dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van de algemene motiveringsplicht, van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet en van het redelijkheidsbeginsel, verzoeker laat gelden dat uit het geheel van de elementen in het administratieve dossier -verklaringen, stukken en algemeen gekende feiten- blijkt dat hij wel degelijk aantoonde dat de vervolging die hij vreest in zijn land van herkomst redelijkerwijs mogelijk is ondanks de bedenkingen die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt met betrekking tot enkele geïsoleerde elementen, dat net de som van de indicatieve waarde van de vele elementen op zich de mogelijkheid van de vervolging die hij verklaart te vrezen redelijkerwijs aannemelijk maakt, dat de bestreden beslissing zich evenwel beperkt tot het motiveren van elk middel op een geïsoleerde manier -dit is zonder het te beoordelen in het licht van het geheel der verklaringen, bij het administratieve dossier gevoegde stukken en algemeen bekende feiten-, dat twee documenten uit 2005, het rapport van de UNHCR Position on the Continued International Protection Needs of Individuals from Kosovo en een brief van de Secretaris-generaal van de VN aan de Veiligheidsraad, zonder meer aan de kant worden geschoven om reden dat ze nog ter beoordeling voorliggen voor de Raad van State, terwijl het nochtans algemeen gekende feiten over de situatie in het land van herkomst betreffen, dat de citaten uit de door het Commissariaat-generaal zelf voorgelegde objectieve XIV-29.879-12/19 informatie die de conclusie als zou de veiligheidssituatie van de Bosniaks in Kosovo stabiel zijn, tegenspreken, gerelativeerd worden en zonder meer ter zijde worden geschoven, dat zijn argument dat de loutere vertegenwoordiging van Bosniaks in de overheid geen voldoende tegenbewijs kan zijn van de mogelijkheid van vervolging, wordt afgedaan als een louter tegenspreken van de gevolgtrekking van het Commissariaat-generaal terwijl er geen enkel logisch verband blijkt te kunnen worden gemaakt tussen vertegenwoordiging en afwezigheid van vervolging, dat waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient te erkennen dat het argument betreffende de tegenstrijdigheid tussen de in verband met zijn schoonbroer neergelegde stukken niet meer in aanmerking kan worden genomen, hij had dienen te motiveren waarom deze nieuwe elementen niet worden beschouwd als een nieuwe indicatie van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen en van de redelijke mogelijkheid van de vervolging die hij vreest, dat niet wordt gemotiveerd waarom aan de neergelegde attesten van Dzezair Murati geen bewijskracht kan worden toegeschreven; 3.2.1.
- Overwegende dat verzoekster integraal dit middel overneemt; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de zaak van verzoekster antwoordt: dat de loutere vermelding van een vermeend motiveringsgebrek het middel niet op een ontvankelijke wijze kan onderbouwen, dat de geschonden geachte rechtsregel met afdoende precisie dient te worden omschreven, quod non in geval van een eenvoudige verwijzing naar een “gebrekkige motivering”, dat het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen, dat de verzoekende partij in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak vraagt waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, dat de Raad wel degelijk rekening heeft gehouden met alle feiten en elementen uit het dossier, dat de Raad de actuele veiligheidssituatie van de Slavische moslims op basis van de stukken van het dossier en de algemeen gekende situatie grondig heeft geëvalueerd en geoordeeld heeft dat uit objectieve informatiebronnen blijkt dat de situatie voor de Bosniaks in Kosovo anno 2007 niet veranderd is ten opzichte van 2005 en nog steeds als stabiel omschreven wordt, dat de Raad wat de vertegenwoordiging van de Bosniaks in een aantal overheidsorganen betreft, terecht vaststelt dat de verzoekende partij zich beperkt tot het louter tegenspreken van de gevolgtrekking door het Commissariaat-generaal maar eens te meer geen concrete argumenten aanhaalt die aantonen dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid te buiten is gegaan, dat de Raad wel degelijk gemotiveerd heeft waarom aan de attesten van Dzezair Murati geen bewijskracht kan worden toegekend, dat van iemand die beweert geen interesse te hebben in politiek, niet kan worden aangenomen dat hij lid is van een bepaalde politieke partij; XIV-29.879-13/19 3.2.
- Overwegende dat in hun toelichtende memorie, respectievelijk memorie van wederantwoord, verzoekers het middel hernemen en hieraan nog toevoegen: dat een middel de positiefrechtelijke rechtsgrond ervan dient te vermelden, wat niet beperkt is tot wetsbepalingen maar net zo goed rechtsbeginselen inhouden -zoals in casu de algemene motiveringsplicht- en niet de vagere “gebrekkige motivering” zoals de memorie stelt, dat door niet te antwoorden op het rapport UNHCR en de brief van de Secretaris-generaal van de VN het arrest de algemene en de wettelijke motiveringsplicht schendt, dat de tegenpartij zijn argument ontwijkt dat er uit de al dan niet vertegenwoordiging van minderheden geen logisch gevolg te trekken valt over het risico vervolgd te worden of ernstige schade op te lopen, dat in het bestreden arrest niet wordt gemotiveerd waarom de attesten van Dzezair Murati zondermeer worden genegeerd, noch de valsheid ervan wordt vastgesteld of het feit ontkracht dat de opsteller ervan een betrouwbaar persoon is die geen reden heeft om hierover valse verklaringen af te leggen; 3.2.
- Overwegende dat uit het opschrift van het middel reeds afdoende blijkt dat verzoeker zich niet beperkt tot het aanvoeren van “een motiveringsgebrek” noch tot een loutere verwijzing naar een “gebrekkige motivering”, doch de schending aanvoert van “de algemene motiveringsplicht, van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 en van het redelijkheidsbeginsel”; dat de exceptie, ontleend aan de onvoldoende nauwkeurigheid van de geschonden geachte rechtsregel, niet opgaat; dat, als algemeen beginsel van behoorlijk “bestuur” het redelijkheidsbeginsel niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen, zoals de bestreden arresten; dat in de mate waarin het middel ertoe strekt aan te tonen dat uit het gehele dossier afdoende blijkt dat verzoekers wel degelijk voor vervolging in hun land van herkomst vrezen, het niet in aanmerking kan worden genomen; dat het immers uitsluitend de feitenrechter toekomt te oordelen of op grond van het gehele dossier de vluchtelingenstatus kan worden toegekend; dat, als administratieve cassatierechter, de Raad van State niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden; dat uit het ten aanzien van verzoeker genomen arrest duidelijk blijkt dat betrokkene om een dubbele reden niet als vluchteling wordt erkend : omwille van de actuele situatie van de Slavische moslims in Kosovo en omwille van de ongeloofwaardigheid van zijn beweerd politiek lidmaatschap; dat zo de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om zijn arrest naar behoren te motiveren verzoekers grieven tegen de beslissing van de Commissaris-generaal één voor één heeft weerlegd, hieruit geenszins volgt dat hij het hem voorgelegd dossier niet in zijn geheel zou hebben beoordeeld en slechts oog zou hebben gehad voor geïsoleerde elementen ervan; dat, in zoverre documenten van maart-april 2005 werden voorgebracht om de onwettigheid van de beslissing van 19 augustus 2005 van de Commissaris-generaal aan te tonen, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er heel terecht heeft op gewezen dat de XIV-29.879-14/19 motieven van de eerste bevestigende beslissing van weigering van verblijf niet voor hem konden betwist worden in het kader van het verzoekschrift van 25 juli 2007, daar dit gericht was tegen de beslissing van de Commissaris-generaal in het kader van de tweede asielaanvraag van verzoeker; dat, in zoverre deze stukken voorgebracht werden om het veiligheidsrisico van de Bosniaks in Kosovo aan te tonen ze genoegzaam worden verworpen gelet op “de veelheid van bronnen” (i.v.m. de situatie van de Slavische moslims in Kosovo anno 2007) waarop de Commissaris-generaal zich baseert”; dat het inzonderheid gaat om rapporten van OSCE van juni 2006 en van het Home Office van 12 februari 2007, het algemeen ambtsbericht Kosovo van december 2006 en een antwoorddocument van 14 juni 2007 van Cedoca; dat dit laatste document melding maakt van het feit dat ook het UNHCR de Bosniaks in Kosovo niet langer als een risicogroep beschouwt en hiervoor steunt op de actualisatie in juni 2006 van het door verzoeker ingeroepen document “UNHCR’s Position on the Continued International Protection Needs of Individuals from Kosovo”; dat het bestreden arrest duidelijk doet blijken waarom de argumentatie van verzoeker in verband met de erg selectieve lezing van de beschikbare informatie wordt afgewezen, met name omdat hij “door het louter citeren van twee zinsneden uit één document van de gehanteerde informatie” geen afbreuk doet aan de “veelheid van bronnen waarop de Commissaris- generaal zich baseert” en welke de stabiele situatie van de Slavische moslims in Kosovo bevestigen; dat verzoeker het ten onrechte voorstelde alsof de Commissaris-generaal tot de afwezigheid van vervolging van de Bosniaks zou hebben besloten omdat deze in overheids- organen vertegenwoordigd zijn; dat de Commissaris-generaal zich, wat de afwezigheid van vervolging betreft, integendeel steunde op het ontbreken van etnisch geïnspireerd geweld tegen de Bosniaks, inzonderheid in Prizren, waar de veiligheidssituatie aanzienlijk is verbeterd “mede dankzij het feit dat er een groot aantal Bosniaks werkzaam zijn bij de politie” en waar de vice-burgemeester, de directeur bevoegd voor minderheden en twee gemeenteraadsleden van Bosniak-origine zijn; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de argumentatie van verzoeker in verband met de vertegenwoordiging van de Bosniaks in een aantal overheidsorganen dan ook als niet dienstig heeft kunnen verwerpen gezien erdoor “geen afbreuk (wordt) gedaan aan de concrete vaststellingen die steun vinden in het administratieve dossier”; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, in het bestreden arrest geenszins wordt gesteld dat de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid in de stukken wordt tegengesproken door de voorgebrachte vertalingen; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen integendeel overweegt dat “uit de eensluidende verklaringen van het attest en het uittreksel kan worden afgeleid dat het motief van de bestreden beslissing correct werd weergegeven”; dat van een weerlegging van het motief van de Commissaris-generaal dus geen sprake is; dat bovendien het betreffend motief ten overvloede wordt aangevoerd; dat de argumentatie ontleend aan de problemen van verzoekers schoonbroer immers genoegzaam wordt verworpen waar wordt overwogen “dat verzoeker zijn persoonlijke vrees dient aannemelijk te maken” en “een loutere vermelding van een welbepaalde gebeurtenis van een familielid in het land van herkomst niet volstaat XIV-29.879-15/19 om iemand als vluchteling te erkennen”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aangeeft waarom geen enkele bewijskracht kan worden toegekend aan de stukken van Dzezair Murati; dat vooreerst niet kan aanvaard worden dat verzoeker bij zijn eerste asielaanvraag zijn lidmaatschap van de “Demokratska Stranka Bosnjaka” van Dzezair Murati niet zou hebben vermeld indien hij werkelijk lid ware geweest van die partij, temeer daar hij toen verklaarde geen interesse te hebben in de politiek en geen tijd te hebben zich daarin te verdiepen; dat bovendien de attesten verschillende data van de aanvang van verzoekers lidmaatschap opgeven en deze data nog eens verschillen van de door verzoeker zelf aangehaalde datum; dat het tweede middel in de mate het ontvan-kelijk is, niet gegrond is; 3.3.1.
- Overwegende dat in een derde middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 48/2, 48/4 en 48/5 van de Vreemdelingenwet, juncto de algemene motiveringsplicht en de artikelen 39/2 en 39/65 van de Vreemdelingenwet, verzoeker laat gelden dat uit het te zijnen opzichte genomen arrest nergens valt op te maken dat de toepasselijkheid van de definitie van de subsidiaire bescherming werd onderzocht en omwille van welke motieven het beschermingsstatuut hem geweigerd wordt, dat aangezien de vluchtelingendefinitie en de definitie van de subsidiaire bescherming verschillende toepassingsvoorwaarden en een verschillende juridische finaliteit qua beschermings- en verblijfstatuut tot gevolg hebben een eenvoudige verwijzing naar de motieven van de weigering van het vluchtelin-genstatuut niet kan volstaan om hem de subsidiaire bescherming te weigeren; 3.3.1.
- Overwegende dat verzoekster integraal dit middel overneemt; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt in de zaak van verzoekster: dat de Raad stelt dat de situatie van Slavische moslims in Kosovo nog steeds stabiel is en dat verzoeker zich in het verzoekschrift enkel beperkt tot het stellen dat hij meent recht te hebben op het subsidiaire beschermingsstatuut maar nalaat dit concreet uit te werken, dat hieruit dan ook blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de asielaanvraag van verzoeker wel degelijk vanuit het oogpunt van de subsidiaire bescherming heeft onderzocht en zijn beslissing op dit punt wordt gemotiveerd; 3.3.
- Overwegende dat in hun toelichtende memorie, respectievelijk memorie van wederantwoord, verzoekers het middel hernemen en hieraan nog toevoegen: dat nergens uit het bestreden arrest blijkt dat ook het risico op “foltering of onmenselijke of vernederen XIV-29.879-16/19 de behandeling of bestraffing” ook effectief is onderzocht, dat de bewering dat verzoeker onvoldoende concrete elementen heeft aangehaald flagrant in tegenspraak is met het rechtsplegingsdossier en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de plicht had dit risico op ernstige schade ambtshalve te onderzoeken; 3.3.4.
- Overwegende dat dit middel gericht is tegen de gedeelten van de aangevochten arresten waarbij verzoekers de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; dat de gedeelten waarbij hen de vluchtelingenstatus worden geweigerd erin niet worden bekritiseerd; dat het derde middel dan ook slechts kan leiden tot een gedeeltelijke vernietiging van de arresten van 1 oktober 2007, met name voor zover uitspraak wordt gedaan over de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus; 3.3.4.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aangeeft waarom verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd, met name omdat
(1)“de situatie van de Slavische moslims in Kosovo anno 2007 niet veranderd is ten opzichte van 2005 en de situatie nog steeds als stabiel wordt omschreven” en omdat
(2)verzoeker nalaat “uit te werken waarom hij recht zou hebben op de subsidiaire beschermings- status”; dat, in tegenstelling tot hetgeen in het middel wordt beweerd, de Raad zich niet beperkt tot een loutere verwijzing naar de motieven in verband met de weigering van het vluchtelingenstatuut; dat met het eerste motief de Raad zich aansluit bij de beoordeling van de situatie van de Slavische moslims in Kosovo zoals deze door de Commissaris-generaal werd gedaan naar aanleiding van de eerste asielaanvraag van verzoekers en door hem nog eens werd herhaald naar aanleiding van hun tweede asielaanvraag; dat in het tweede motief wordt gewezen op de nalatigheid van verzoeker om aan de hand van concrete elementen aan te tonen dat hij beantwoordt aan de criteria van de subsidiaire beschermingsstatus; dat ook wat de subsidiaire bescherming betreft de bewijslast op de asielzoeker rust; dat hij moet aantonen dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2, van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers laten gelden dat het tweede motief flagrant in strijd is met het rechtsplegingsdossier, doch dit in het geheel niet aantonen; dat ze melding maken van het risico op onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, doch niet toelichten waaruit ze dergelijk risico afleiden, laat staan dat ze aantonen daaromtrent concrete elementen tijdens de asielprocedure te hebben aangebracht; dat het derde middel niet gegrond is; XIV-29.879-17/19 3.4.1.
- Overwegende dat in het vierde middel verzoeker de schending aanvoert van het redelijkheids- en vertrouwensbeginsel en van de rechten van verdediging, doordat wordt gesteld dat het niet tijdig ontvangen van een tijdig bestelde kopie van het administra- tieve dossier bij het Commissariaat-generaal zijn inzagerecht niet schendt omdat hij er wel degelijk kennis van kon nemen op het Commissariaat-generaal zelf, terwijl het feit dat het Commissariaat-generaal gewoonlijk op aanvraag van de asielzoeker of zijn raadsman binnen korte termijn een kopie van het dossier doorstuurt, bij de rechtsonderhorige de rechtmatige verwachting wekt dat dit in de toekomst ook het geval zal zijn, en bovendien redelijkerwijs niet gesteld kan worden dat, rekening houdend met de uiterst korte beroepstermijn in asielzaken, de asielzoeker nog op nuttige wijze zijn inzagerecht kan uitoefenen en van zijn beroepsmogelijkheid gebruik kan maken als pas op de laatste nuttige dag blijkt dat de overheid het in het verleden gewekte vertrouwen niet nakomt; 3.4.1.
- Overwegende dat verzoekster integraal dit middel overneemt; 3.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt in de zaak van verzoekster : dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals voorliggende uitspraak, dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij haar inzagerecht bij het Commissariaat-generaal niet heeft kunnen uitoefenen en haar rechten van de verdediging derhalve zijn geschonden, dat zij toegeeft dat ze de bestelde kopie van het administratieve dossier wel degelijk heeft ontvangen, zij het pas op de laatste nuttige dag, dat zij bovendien geenszins aantoont dat de Commissaris-generaal in het kader van haar inzagerecht onzorgvuldig gehandeld heeft of nalatig is geweest; 3.4.
- Overwegende dat het redelijkheids- en vertrouwensbeginsel algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn; dat zij als dusdanig niet gelden voor een administra- tief rechtscollege, zoals de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker betoogde dat hij geen kopie had ontvangen van het verhoorverslag van zijn eerste asielprocedure zodat hij “in de onmogelijkheid (was) om de onjuistheid van de interpretatie door tegenpartij ervan concreet te duiden”; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit bezwaar zonder schending van het recht van verdediging heeft kunnen verwerpen door te wijzen op de mogelijkheid waarover verzoeker beschikte om zijn dossier op het Commissariaat-generaal in te kijken en aldaar van de nuttige stukken kopies te laten nemen; dat verzoeker voor de feitenrechter niet liet gelden dat de Commissaris-generaal het rechtmatig gewekt vertrouwen had geschonden door hem niet tijdig in het bezit te stellen van het betreffend verhoorverslag; dat een op dit beweerd rechtmatig gewekt vertrouwen gesteund middel niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan worden aangevoerd; dat het vierde middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is, XIV-29.879-18/19 BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 185.697/XIV-29.879 en 185.727/XIV-29.880 worden gevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.879-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div