id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.908 Rolnummer: A. 186817/XIV-30050 Zaak: Arrest 186908 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.908 van 8 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.908 van 8 oktober 2008 in de zaak A. 186.817/XIV-30.
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 3.1. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus beroept verzoekende partij zich op een schending van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet en een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. Verzoeker voert aan dat hij aan al de voorwaarden neergelegd in artikel 48/4, §2 van de Vreemdelingenwet voldoet en hij onderbouwt dit met een rapport van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, een rapport van Human Rights Watch en een CEDOCA-rapport. Bovendien stelt verzoeker dat verweerder een extra voorwaarde toevoegt aan de wet doordat de subsidiaire bescherming wordt geweigerd omdat het aantal burgerslachtoffers beperkt blijft. Voorts stelt verzoeker dat de motiveringsver- plichting geschonden is door het niet toekennen van de subsidiaire bescher- mingsstatus. Verzoeker verwijst naar een uitspraak van de Raad van State en meent dat in casu op basis van de informatie van CEDOCA, logischerwijs subsidiaire bescherming diende te worden toegekend. 3.2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschikt inzake beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen over volheid van rechtsmacht. Dit wil zeggen dat het geschil met alle feitelijke en juridische vragen in zijn geheel aanhangig wordt gemaakt bij de Raad die een onderzoek voert op basis van het rechtsplegingdossier. Als administratieve rechter doet zij in laatste aanleg uitspraak over de grond van het geschil (Wetsontwerp tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, Parl. St. Kamer 2005-2006, nr. 2479/001, 95, 96 en 133). Door de devolutieve kracht van het beroep is de Raad niet noodzakelijk gebonden door de motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund en de kritiek van de verzoekende partij daarop. 3.3. Wat de opgeworpen schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft, kan worden gesteld dat in het kader van huidig beroep de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet de bevoegdheid heeft om artikel 3 E.V.R.M. rechtstreeks te toetsen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt enkel het reële risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van verzoeker in zijn land van herkomst in casu in het kader van de subsidiaire bescherming van artikel 48/4, §2,
- b)van de Vreemdelingenwet. Het louter declaratief karakter van de bevoegdheid van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen, dit wil zeggen het al dan niet erkennen van de hoedanigheid van vluchteling zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, laat niet toe ter zake tot een beoordeling over te gaan. 3.4. De Raad stelt vast dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Het UNHCR heeft lijsten opgesteld met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district. UNHCR heeft deze lijst met “onveilige” districten opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria waaronder: hevige voortdurende of onderbroken gevechten tussen opstandelin- gen enerzijds en coalitie- en regeringstroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid (vrije vertaling). UNHCR stelt verder dat als één of meerdere van deze criteria gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd er dan bijkomende XIV-30.050-4/11 bescherming zou moeten verleend worden aan personen die van daar afkomstig zijn. Deze lijsten kunnen dan ook beschouwd worden als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker is afkomstig uit de stad Kabul, wat niet voorkomt op de lijst van locaties waar de veiligheids- situatie zorgwekkend is.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat in het eerste onderdeel van het eerste middel verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest genomen is met schending van artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 772 en 773 Gerechtelijk Wetboek en van artikel 149 van de Grondwet, doordat niet geantwoord wordt op zijn verzoekschrift tot heropening van de debatten dat werd ingediend na ontdekking door hem op 5 december 2007 om 11u30 van een nieuw stuk, met name een e-mail met het proces-verbaal van een vergadering waaraan een vertegenwoordiger van het Commissariaat-generaal had deelgenomen, dat dit stuk bewijst wat hij ter zitting heeft gepleit maar toen door de vertegenwoordiger van het Commissariaat-generaal werd ontkend, namelijk dat de situatie van Kaboel en het noorden van Afghanistan zou herbekeken worden en dat deze herevaluatie zou gelden voor alle hangende dossiers; dat in het tweede onderdeel van het eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 39/65 en 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, verzoeker laat gelden dat het argument om de subsidiaire bescherming af te wijzen niet toereikend is, dat de Raad zich ertoe beperkt te stellen dat zijn district niet hernomen wordt op de lijst van het UNHCR, maar het bestreden arrest niet stelt dat er geen gewapend conflict zou zijn, noch dat er geen willekeurig geweld zou zijn en evenmin dat er geen reëel risico op ernstige schade is, dat het bestreden arrest evenmin zegt dat zijn regio niet gevaarlijk is en evenmin dat er geen ernstige bedreiging is van het leven of de persoon van een burger, dat de lijst van het UNHCR, waarop de bestreden beslissing zich baseert, aanbevelingen doet aan de verschillende landen met betrekking tot de noodzaak van het verlenen van internationale bescherming aan personen, dat deze lijst echter niet is opgesteld volgens de voorwaarden van de Belgische wetgeving en geen voldoende argument is om het statuut van subsidiaire bescherming te weigeren, dat hem de subsidiaire bescherming had moeten worden toegekend doordat uit de informatie van CEDOCA en uit de door hem aangebrachte informatie blijkt dat de voorwaarden van artikel 48, § 2,
- c)voldaan zijn; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: op het eerste onderdeel: dat de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op eigen regelen XIV-30.050-5/11 gesteund is zodat het Gerechtelijk Wetboek niet het gemeen recht is dat behoudens andersluidende teksten toepasselijk is, dat niets in de weg staat dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen een analogische toepassing maakt van artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek wat nieuwe stukken betreft die worden neergelegd tijdens het beraad, dat de wetgever voor nieuwe gegevens een bijzondere regeling uitgewerkt heeft in artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet, dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij het nieuw gegeven niet eerder in de procedure had kunnen meedelen, gelet op de vaststelling dat de betreffende contactvergadering voor de zitting had plaatsgevonden (op 13 november 2007) en een verslag werd opgesteld op 14 november 2006 waarvan de inhoud dezelfde week werd verspreid via diverse websites, dat verzoeker bovendien niet aantoont dat het stuk of feit, dat hij inriep van wezenlijk, fundamentele, beslissende aard was voor de oplossing van het geschil, dat er geen gronden zijn om in te gaan op een verzoek tot heropening van de debatten omwille van het aanvoeren van een nieuw stuk wanneer dit nieuw stuk zonder belang is voor de oplossing van het geschil of wanneer de inhoud ervan geen enkele invloed kan hebben op de te nemen beslissing, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook niet verplicht was het per aangetekend schrijven van 7 december 2007 overgemaakt nieuw stuk in overweging te nemen; dat de verwerende partij antwoordt: op het tweede onderdeel: dat in zoverre de juiste beoordeling van de veiligheidssituatie in Afghanistan wordt betwist, de feitelijke beoordeling van de zaak wordt aangevochten terwijl de Raad van State niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden, dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen op wettige wijze tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus heeft kunnen besluiten, dat terecht wordt vastgesteld dat het district waarvan verzoeker beweerde afkomstig te zijn niet voorkomt op de UNHCR-lijst betreffende de veiligheidssitu- atie per provincie en district, dat wel degelijk rekening werd gehouden met alle (landen) informatie die door de verzoekende partij werd aangebracht, dat de feitenrechter soeverein over de onafhankelijkheid, de juistheid en de betrouwbaarheid van de informatiebronnen oordeelde, dat door te verwijzen naar de UNHCR-lijst (naar waar ook de beslissing van de Commissaris-generaal en de verweernota van het Commissariaat-generaal verwijzen) de Raad aangeeft dat de hierin vervatte informatie zijn voorkeur geniet en impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, wordt verworpen, dat niet kan worden gesteld dat het om informatie buiten het rechtsplegingsdossier gaat, zoals verzoeker suggereert; XIV-30.050-6/11 2.1.3. Overwegende dat in zijn memorie van wederantwoord verzoeker het eerste middel herneemt en er nog aan toevoegt, wat het eerste onderdeel betreft: dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen minstens diende te motiveren waarom zij meende dat de debatten niet diende heropend te worden, dat ze de heropening van de debatten niet had kunnen weigeren daar voldaan was aan de voorwaarden van artikel 772 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, dat het nieuwe stuk wel degelijk van overwegend belang was in de discussie of hij recht had op de subsidiaire bescherming of niet, wat het tweede onderdeel betreft: dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toegeeft dat er toenemend geweld is, zelfmoordaanslagen en ongedifferentieerde acties, maar de aanvraag afwijst omdat zijn district niet terug te vinden is op de lijst van het UNHCR, dat deze redenering strijdig is met de voorwaarden van artikel 48/4, § 2,
- c)aangezien de Raad eigenlijk toegeeft dat aan al deze voorwaarden voldaan is, dat het bijgevolg een tegenstrijdige motivering is, dat de Raad door zich te steunen op diverse rapporten, welke geen algemeen bekende feiten zijn, een bijkomend onderzoek heeft gevoerd en artikel 39/2 van de wet van 15 december 1980 heeft geschonden; 2.1.4.1. Overwegende dat de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen op eigen regelen gegrond is zodat het Gerechtelijk Wetboek niet het gemeen recht is dat, behoudens andersluidende teksten, toepasselijk is; dat, wanneer bepaalde regelen die in dit Wetboek zijn neergelegd toegepast worden, het niet is omdat de voorschriften ervan van rechtswege op het geschil toepasselijk zijn, maar omdat de beginselen die aan alle rechtsbedelingen gemeen zijn en die aan de grond liggen van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek ook van toepassing zijn op de administratieve rechtscolleges; dat de bepalingen van de artikelen 772 en 773 van het Gerechtelijk Wetboek als dusdanig niet van toepassing zijn op de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat één van de hoofdbekommernissen van de wetgever bij de recente hervorming van het vreemdelingencontentieux onmiskenbaar de snelle behandeling van de asielaanvragen geweest is; dat het nieuw opgerichte rechtscollege -de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen- de hem voorgelegde beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vlot en snel moet afhandelen; dat luidens artikel 39/76, § 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ingevoegd bij voornoemde wet van 15 september 2006, de geadiëerde kamervoorzitter of rechter in vreemdelingenzaken een beslissing neemt binnen de drie maanden na de ontvangst van het beroep; dat deze termijn zelfs verkort wordt tot twee maanden voor de zaken die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen krachtens de wet bij voorrang heeft moeten behandelen; dat deze termijn weliswaar een termijn van orde is, doch de XIV-30.050-7/11 overschrijding ervan niet zonder belangrijke gevolgen blijft; dat zo uitdrukkelijk is voorzien dat de eerste voorzitter dan aan één of meer kamers opdracht geeft om bijkomende zittingen te houden (artikel 39/6, § 1, vijfde lid van de Vreemdelingenwet); dat indien wegens de voorlegging van nieuwe gegevens de heropening der debatten zou worden bevolen, een nieuwe rechtsdag moet worden vastgesteld en de tegenpartij in de gelegenheid moet worden gesteld de voorgebrachte nieuwe gegevens te onderzoeken en eromtrent standpunt in te nemen; dat dergelijke vertraging van de rechtsgang niet te verenigen valt met de door de wetgever gewilde snelle afhandeling van de asieldossiers; dat artikel 39/76 strenge voorwaarden stelt opdat nieuwe gegevens door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in aanmerking zouden kunnen worden genomen; dat in beginsel deze nieuwe gegevens opgenomen moeten zijn in het oorspronkelijk verzoekschrift; dat slechts uitzonderlijk en onder welbepaalde voorwaarden de Raad rekening kan houden met niet in het inleidend verzoekschrift, maar nadien en ten laatste op de terechtzitting aangebrachte nieuwe gegevens; dat de wetgever niet alleen de behandelingstermijn heel kort heeft gehouden (in de regel drie maanden vanaf de ontvangst van het beroep); dat hij ook heeft gewild dat nieuwe gegevens ten laatste op de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vastgestelde rechtsdag worden aangebracht; dat één en ander leidt tot het besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de wil van de wetgever zou miskennen wanneer hij de debatten zou heropenen om reden dat de asielzoeker tijdens het beraad nieuwe gegevens heeft ontdekt; dat dergelijke nieuwe gegevens eventueel in het kader van een nieuwe asielaanvraag kunnen worden aangebracht, maar geen aanleiding kunnen geven tot een heropening der debatten; dat van een analogische toepassing van de artikelen 772 en 773 van het Gerechtelijk Wetboek geen sprake kan zijn; dat die bepalingen immers niet verenigbaar zijn met de rechtspleging in asielzaken voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; dat, aangezien de debatten door hem toch niet konden worden heropend omwille van de voorlegging van nieuwe gegevens, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gehouden was nader in te gaan op het daartoe in de brief van 7 december 2007 geformuleerd verzoek; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 2.1.4.2. Overwegende dat, in zoverre verzoeker poogt aan te tonen dat uit de aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorgelegde informatie voldoende bleek dat aan de voorwaarden van artikel 48, § 2, c van de Vreemdelingenwet was voldaan, het onderdeel niet in aanmerking kan worden genomen; dat, als administratieve cassatierechter het de Raad van State niet toekomt het onderzoek van de feitenrechter over te doen; dat in zoverre in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd dat artikel 39/2 van de Vreemdelingenwet is miskend doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een bijkomend onderzoek heeft uitgevoerd het om een nieuw middel gaat, dat in het inleidend verzoekschrift had XIV-30.050-8/11 kunnen worden ingeroepen, en derhalve niet ontvankelijk is; dat de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen in casu oordeelt dat niettegenstaande “diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitiegroepen, zelfmoordaansla- gen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten” uit de lijst met “onveilige” districten van het UNHCR, die integraal deel uitmaakte van het door de Commissaris-generaal samengesteld dossier en waarvan verzoeker derhalve kennis had of minstens kon hebben, blijkt dat Kaboel, waarvan verzoeker afkomstig is, niet op de lijst van locaties voorkomt waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is; dat, zodoende , in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, niet overwogen wordt dat aan alle voorwaarden van artikel 48/4, § 2,
- c)is voldaan; dat van een tegenstrijdigheid in de redengeving geen sprake is; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel stelt dat Kaboel ontbreekt op de UNHCR-lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is, doch ook aangeeft waarom deze lijst als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus kan worden beschouwd; dat op de lijst de districten voorkomen waar één of meerdere van volgende specifieke criteria gedurende de laatste maanden werden gerapporteerd : hevige voortdurende of onderbroken gevechten tussen opstandelingen, enerzijds, en coalitie- en regeringstroepen, anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende fracties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid; dat, omwille van het ontbreken van één van deze criteria gedurende de laatste maanden in de stad waarvan verzoeker afkomstig is, hem dus de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; dat aldus het bestreden arrest op dit punt genoegzaam met redenen is omkleed; dat zo de UNHCR-lijst niet specifiek in functie van de Belgische wetgeving werd opgesteld dit geen bezwaar is; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliciet, doch zeker heeft geoordeeld dat in regio’s welke niet voorkomen op de UNHCR- lijst de veiligheidssituatie alleszins niet dermate is dat er aldaar voor burgers een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet; dat door te verwijzen naar de lijst van de UNHCR de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangeeft dat de hierin vervatte informatie zijn voorkeur geniet en impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere hem voorgelegde rapporten wordt verworpen; dat het tweede onderdeel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van “de principes van het EU procesrecht” en van “de rechten van de verdediging, zoals voorzien in de Europese constitutionele tradities”, verzoeker aanvoert dat zijn recht op een beroep met volle XIV-30.050-9/11 rechtsmacht wordt beperkt “gezien hij na het indienen van zijn beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen”, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor de zaak, meer bepaald zich ervan dient te vergewissen dat hij geen risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2,
- c)van de Vreemdelingenwet loopt, dat de Raad nalaat expliciet de voorwaarden van dit artikel te toetsen en enkel verwijst naar het feit dat het district waarvan hij afkomstig is niet op de lijst van de UNHCR te vinden is, dat hij tenslotte verzoekt volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie : “Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met volle rechtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: dat het middel louter een wetskritiek inhoudt, dat verzoeker zich schromelijk vergist daar waar hij beweert dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft, dat verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben nagelaten de voorwaarden van artikel 48/4, § 2,
- c)van de Vreemdelingenwet te toetsen, elke grondslag mist, dat de voorgestelde prejudiciële vraag niet dienend is voor de oplossing van het geschil daar de Vreemdelingenwet precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet, dat het Handvest van de grondrechten tot op heden niet juridisch afdwingbaar is, gezien het ratificatieproces nog steeds niet is afgerond, dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is daar de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging, dat het recht op een beroep met volheid van rechtsmacht aan verzoeker geenszins wordt ontzegd, dat de bevoegdheid van de Raad niet beperkt is tot het onderzoek van de wettigheid van de beslissing van de Commissaris-generaal, maar in wezen inhoudt dat de zaak is overgegaan met al de feitelijke en juridische vragen die ermee samenhangen, dat verzoeker zich ook schromelijk vergist wanneer hij stelt dat hij geen nieuwe stukken meer kan aanbrengen, dat de Vreemdelingenwet nergens voorziet in een absoluut verbod om nieuwe gegevens te doen gelden, doch enkel een beperking van die mogelijkheid, dat verzoeker overigens niet verduidelijkt welke nieuwe stukken hij nog wenste neer te leggen; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het tweede middel herneemt; XIV-30.050-10/11 2.2.4. Overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie tot op heden geen bindende kracht heeft; dat, met uitzondering van “de rechten van de verdediging zoals voorzien in de Europese constitutionele tradities” niet wordt verduidelijkt welke principes van het EU-procesrecht zijn geschonden; dat het Europees procesrecht en derhalve de principes ervan niet van toepassing zijn op een aan de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen voorgelegd geschil; dat in zoverre verzoeker zich zou beroepen op een schending van het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel van intern recht, het middel neerkomt op een kritiek op de wet, welke kritiek door de Raad van State niet in aanmerking kan worden genomen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.050-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div