← België

Arrest 186909 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.909 Rolnummer: A. 186035/XIV-29996 Zaak: Arrest 186909 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.909 van 8 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.909 van 8 oktober 2008 in de zaak A. 186.035/XIV-29.

  1. In zake : XXX, handelend in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen: XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. DENYS, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, handelend in eigen naam en als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen: XXX, allen van Oekraïense nationaliteit, op 27 november 2007 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3146 van 25 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1864 van 11 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; XIV-29.996-1/11 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat X. BAERT die, loco Advocaat L. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX en zijn echtgenote XXX, beiden van Oekraïense nationaliteit, dienen op 1 april 2005 een aanvraag om machtiging tot verblijf in met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  4. Op 25 april 2007 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij deze aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. 1.
  5. Verzoekers dienen op 28 juni 2007 een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing van deze beslissing in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Bij arrest nr. 3146 van 25 oktober 2007 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing verworpen. Dit is het bestreden arrest.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  8. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren: “Eerste middel XIV-29.996-2/11 Afgeleid uit de schending van artikel 39/65, 1ste lid, van de Vreemdelingenwet van 15.12.1980 Op grond van deze bepaling dient de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemotiveerd te zijn. In de aanvraag om machtiging tot verblijf hadden verzoekers als buitengewone omstandigheid o.m. ingeroepen het schoollopen van hun minderjarige kinderen in België sedert vele jaren. Het middel daartoe ingeroepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt door deze Raad verworpen: - enerzijds omdat de Raad vaststelt dat dit gegeven wel degelijk onderzocht werd door de Dienst Vreemdelingenzaken, die van oordeel was dat dit geen buitengewone omstandigheid uitmaakt, en verzoekers er niet in slagen aan te tonen dat de overwegingen van de Dienst Vreemdelingenzaken kennelijk onredelijk zouden zijn. - anderzijds omdat verzoekers voor de Raad deze buitengewone omstandigheid die zij in hun aanvraag ingediend bij de burgemeester hadden ingeroepen, herformuleren en uitbreiden. Welnu, - in verband met het eerste motief dient vastgesteld te worden dat er geen motivering is. De Raad stelt terecht dat bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht hij er enkel toe gehouden is na te gaan of de Dienst Vreemdelingenzaken bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen. Evenwel, door zich te beperken tot de vaststelling dat de betrokken buitengewone omstandigheid wel degelijk onderzocht werd door de Dienst Vreemdelingenzaken, die van oordeel was dat dit geen buitengewone omstandigheid uitmaakt, en verzoekers er niet in slagen aannemelijk te maken dat deze overwegingen kennelijk onredelijk zouden zijn, beperkt de Raad zich tot een stijlformule die gelijkstaat met de afwezigheid van motieven. Uit de door de Raad gebruikte formulering kan immers niet nagegaan worden, zoals zij nochtans zelf zich oplegt te doen, of de Raad nagegaan heeft of de Dienst Vreemdelingenzaken bij de beoordeling van de aanvraag uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen. - in verband met het tweede motief dient te worden opgemerkt dat alle betrokken gegevens hetzij aanwezig waren in het administratief dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken hetzij feiten van algemene bekendheid zijn. Inderdaad, de omstandigheid dat het jongste kind uitsluitend les gevolgd heeft in het Nederlands, blijkt ondubbelzinnig uit het dossier dat ter beoordeling was voorgelegd aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Het kind is geboren op 7.1.1997 en vermits verzoekers het land verlaten hebben toen het kind twee jaar oud was, is zij alleen in Vlaanderen naar school gegaan. Deze feiten moeten de Dienst Vreemdelingenzaken bekend zijn. Anderzijds is de omstandigheid dat in Vlaanderen, waar verzoekers steeds hebben gewoond, school wordt gelopen in het Nederlands een feit van algemene bekendheid. Dat de kinderen niet de Oekraïense taal kennen, is eveneens overduidelijk af te leiden uit het dossier, daar uit de asielaanvraag van verzoekers blijkt dat verzoekers Russisch spreken en dus met hun kinderen in België Russisch hebben gesproken en geen Oekraïens. Daar de beslissingen van de asielinstanties aan de Dienst Vreemdelingenzaken worden meegedeeld, was de Dienst Vreemdelingenzaken van deze gegevens op de hoogte. Dat de kinderen onvolledig Russisch kennen daar, zoals in het verzoekschrift bij de R.V.V. gesteld, zij dit enkel kunnen spreken maar niet lezen of schrijven omdat het Russisch een ander schrift kent, is een gegeven van algemene bekendheid. Men mag immers aannemen dat de Dienst Vreemdelingenzaken weet dat het Russisch een ander schrift kent dan het Nederlands. Dat er een groot probleem bestaat met betrekking tot de Russische scholen in Oekraïne is eveneens een feit van algemene bekendheid. Indien verzoekers eenvoudig op internet hierover gegevens kunnen vinden, zoals zij gedaan hebben bij het indienen van hun beroep bij de R.V.V., moet ervan uitgegaan worden dat de Dienst Vreemdelingenzaken, XIV-29.996-3/11 die toegang heeft tot de CEDOCA-bibliotheek, dit weet. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State -inzake beslissingen van de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen, die mutatis mutandis van toepassing is op arresten van de Raad voor vreemdelingenbetwistingen- kan een beslissing gegevens vermelden van algemene bekendheid zonder dat deze zich in het administratief dossier bevinden. Andersom dient als regel eveneens te gelden dat de tegenpartij bij het nemen van haar beslissing moet rekening houden met gegevens van algemene bekendheid, ook al werden deze niet uitdrukkelijk ingeroepen in de aanvraag om machtiging tot verblijf. Door te motiveren dat er bijkomende elementen zijn die voor het eerst voor de Raad opgeworpen worden, schendt de Raad haar motiveringsplicht. Inzake de omvang van de controle op de wettigheid van een beslissing in het raam van een cassatieberoep, is de Raad van State bevoegd de juistheid van de door de lagere rechter in aanmerking genomen feiten te controleren op grond van documenten waarvan de lagere rechter kennis heeft genomen of kennis had moeten nemen (in casu feiten van algemene bekendheid) (Marnix VAN DAMME, De Raad van State als administratieve cassatierechter, TBP 2000, 78). Het middel strekt er enkel toe zulke controle over de wettigheid van de motivering van de bestreden beslissing uit te oefenen.”; 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.
  10. Betreffende een eerste middel van verzoekers; In een eerste middel beroepen verzoekers zich op de vermeende schending van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet. Dienaangaande uiten verzoekers feitelijke kritiek op de initieel bestreden administratieve beslissing en verwijzen zij opnieuw naar de feitelijke gegevens die aan de grondslag liggen van hun aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet. Verzoekers hun beschouwingen missenjuridische grondslag en zijn ter zake in se niet relevant. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient te oordelen of de overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet onredelijk tot haar besluit is gekomen. De Raad heeft vastgesteld dat verzoekers niet aannemelijk maken dat de gemachtigde op kennelijk onredelijke wijze de aanvraag onontvankelijk heeft verklaard door te besluiten dat de aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheden vormen. Verzoekers hebben tal van elementen voor het eerst aangehaald in hun verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zonder deze elementen te vermelden in hun oorspronkelijke aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet. Zoals de Raad zelf terecht opwerpt , kon hiermee geen rekening worden gehouden door de gemachtigde bij het beoordelen van de ingediende aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet: "Wat betreft het aangevoerde argument inzake de scholing van de kinderen komt de Raad tot de vaststelling dat dit gegeven wel degelijk onderzocht werd door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, doch hierbij van oordeel was dat dit geen uitzonderlijke omstandigheid uitmaakte teneinde de aanvraag om machtiging tot verblijf ontvankelijk te verklaren. De verzoekende partijen slagen er niet in aan te tonen dat de overwegingen van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken kennelijk onredelijk zouden zijn. De Raad stelt bovendien vast dat de verzoekende partijen in dit onderdeel van het middel de uitzonderlijke omstandigheden die zij in hun aanvraag vermeld hebben, herformuleren en uitbreiden (uitsluitend les gevolgd in het Nederlands, de kennis van de Oekraïense taal is onbestaande, de kennis van de Russische scholen in Oekraïne). Deze bijkomende elementen worden voor het eerst voor de Raad opgeworpen terwijl het niet aan de Raad toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid. Bij de XIV-29.996-4/11 uitoefening van zijn wettelijk toezicht is de Raad er enkel toe gehouden na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan wettig tot haar besluit is kunnen komen." Verzoekers leiden buitengewone omstandigheden af uit de "feiten van algemene bekendheid", en achten het klaarblijkelijk niet nodig om de elementen aan te duiden die zij als "uitzonderlijk" zien. De verwerende partij laat dienaangaande gelden dat niet van het bestuur kan worden verwacht om een actieve zoektocht te plegen naar elementen die buitengewone omstandigheden zouden kunnen uitmaken in het land van herkomst. In de initieel bestreden administratieve beslissing werd reeds correct gemotiveerd dat de door verzoekers aangehaalde elementen geen buitengewone omstandigheden vormen overeenkomstig artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet. De verwerende partij wijst er immers op dat uit art. 9 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, duidelijk blijkt dat in lid 2 van dit wetsartikel een algemene regel is gesteld ten aanzien waarvan lid 3 zich verhoudt als een restrictief toe te passen uitzondering. Laatstgenoemd lid heeft slechts tot doel om vreemdelingen die in hun land van herkomst of van oponthoud geen Belgische diplomatieke overheid ter beschikking hebben of om een aan henzelf vreemde reden de aanvraag niet kunnen doen bij die overheid, toch de gelegenheid te geven een machtiging aan te vragen tot langdurig verblijf in België. Verzoekers, in wiens hoofde geen uitzonderlijke omstandigheden kunnen weerhouden worden, kunnen zich niet op een ontvankelijke wijze beroepen op art. 9, lid 3 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Ter gelegenheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf brachten verzoekers aan dat hun dochters met succes onderwijs genoten en dat het onderbreken daarvan een nefaste invloed zou hebben op hun verdere ontwikkeling. De argumenten die zij aanhaalden ter gelegenheid van de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zijn van een andere aard en hebben betrekking op de plaatselijke toestand in het land van herkomst. Die plaatselijke toestand werd niet aangehaald ter gelegenheid van de aanvraag en kan niet worden beoordeeld in het kader van de procedure. In casu besliste de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken naar oordeel van de verwerende partij terecht, gelet op de gegevens die verzoekers concrete situatie kenmerken en geheel binnen de hem ter zake toebedeelde bevoegdheid, betrokkenen hun aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980 onontvankelijk te verklaren. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich bij de motivering van het bestreden arrest geenszins beperkt tot een 'stijlformule' maar heeft daarentegen zeer duidelijk uiteengezet waarom zij meent dat de gemachtigde een redelijke beslissing heeft genomen. De vermeende schending van artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet wordt door verzoekers geenszins aannemelijk gemaakt. Het eerste middel van verzoekers kan derhalve niet worden aangenomen.”; 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekers repliceren dat de stelling van de verwerende partij berust op een verkeerde lezing van het middel, waarin verzoekers in werkelijkheid kritiek uitoefenen op de omvang van de wettigheidscontrole; dat voor het overige verzoekers hetgeen uiteengezet in hun inleidend verzoekschrift herhalen; XIV-29.996-5/11 2.1.
  12. Overwegende dat verzoekers de schending aanvoeren van artikel 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet; dat verzoekers menen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt tot een stijlformule waar hij in het bestreden arrest stelt: “Wat betreft het aangevoerde argument inzake de scholing van de kinderen komt de Raad tot de vaststelling dat dit gegeven wel degelijk onderzocht werd door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken, doch hierbij van oordeel was dat dit geen uitzonderlijk omstandigheid uitmaakte ten einde de aanvraag om machtiging tot verblijf ontvankelijk te verklaren. De verzoekende partijen slagen er niet in aan te tonen dat de overwegingen van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken kennelijk onredelijk zouden zijn.”; dat, na, enerzijds de bevoegdheid van de Raad in het kader van de beoordeling van de materiële motiveringsplicht en, anderzijds, de draagwijdte van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet te hebben geschetst, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot de hierboven weergegeven en thans bekritiseerde overweging kwam; dat, gelet op de door hen in hun annulatieberoep aangevoerde kritiek, namelijk “dat het gegeven dat de kinderen hun onderwijs in België zouden moeten onderbreken of in een school terechtkomen met een onderwijsprogramma waarvan zij de taal niet machtig zijn, wel degelijk een buitengewone omstandigheid uitmaakt” niet kan worden aangenomen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn tekort geschoten aan de wettelijk opgelegde motiveringsplicht; dat verzoekers niet aantonen dat zij in hun annulatieberoep elementen hebben aangevoerd waaruit zou blijken dat de beoordeling door de Minister van Binnenlandse Zaken “kennelijk onredelijk” zou zijn geweest; dat de motivering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “dat verzoekende partijen er niet in (slagen) aan te tonen dat de overwegingen van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken kennelijk onredelijk zouden zijn” dan ook als afdoende kan worden beschouwd; dat verzoekers kritiek aanvoeren ten aanzien van de overweging uit het bestreden arrest waarbij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opmerkt dat zij “de uitzonderlijke omstandigheden die zij in hun aanvraag vermeld hebben, herformuleren en uitbreiden” en dat een aantal elementen “voor het eerst voor de Raad (worden) opgeworpen terwijl het niet aan de Raad toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid”; dat volgens verzoekers de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiermee zijn motiveringsplicht schendt aangezien de elementen waarvan sprake ofwel “aanwezig waren in het administratief dossier” ofwel “feiten van algemene bekendheid” zijn; dat dient opgemerkt dat verzoekers niet betwisten dat zij de in hun annulatieberoep ontwikkelde argumenten niet als dusdanig in de oorspronkelijke aanvraag hadden uiteengezet; dat verzoekers er louter op wijzen dat deze argumenten gedeeltelijk blijken uit de totaliteit van het administratief dossier en gedeeltelijk dienen te worden beschouwd als feiten van algemene bekendheid; dat verzoekers evenmin de XIV-29.996-6/11 overweging uit het bestreden arrest betwisten dat artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet impliceert dat de vreemdeling “klaar en duidelijk” in de aanvraag moet vermelden “welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen”; dat het inderdaad aan de aanvrager toekomt zelf op expliciete wijze zijn beletsels voor het indienen van zijn aanvraag in het buitenland aannemelijk te maken; dat hij er niet mag van uitgaan dat de Minister van Binnenlandse Zaken dit in zijn plaats zal doen; dat er geenszins sprake is van een onjuiste motivering waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest overweegt dat de door verzoekers in het annulatieberoep aangevoerde elementen “voor het eerst voor de Raad (worden) opgeworpen terwijl het niet aan de Raad toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid”; dat de schending van artikel 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet niet aannemelijk wordt gemaakt; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  13. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren: “Tweede middel Afgeleid uit de schending van de artikelen 3 en 8 EVRM en van de artikelen 9, 3de lid en 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet van 15.12.
  14. In haar motivering behandelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen samen het tweede en het derde onderdeel van het enig middel dat verzoekers hadden ingeroepen. De bestreden beslissing stelt dat wat verzoekers in dit verband hebben aangevoerd, namelijk de buitengewone omstandigheden gesteund op de artikelen 3 en 8 van het EVRM, niet behoren tot de motivering van de verwerping van de aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken in verband met de afwezigheid van buitengewone omstandigheden tengevolge waarvan de aanvraag onontvankelijk is. De motivering in de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken ten aanzien van deze artikelen 3 en 8 betreft in werkelijkheid motieven inzake de grond van de aanvraag om machtiging tot verblijf en zijn bijgevolg overtollige motieven omdat de Dienst Vreemdelingenzaken hierover niet diende te motiveren daar zij de aanvraag onontvankelijk verklaard. Dit is onjuist. De beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken stelt immers inzake artikel 8 EVRM dat een terugkeer naar Oekraïne om daar een machtiging aan te vragen artikel 8 niet schendt, en verder in de bestreden beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken staat dat het argument van verzoekers dat zij in Oekraïne geen familie, vrienden of kennissen meer zouden hebben, niet kan weerhouden worden als uitzonderlijke (lees: buitengewone) omstandigheid. Met betrekking tot artikel 3 EVRM : dit artikel dat in casu inhoudt dat een terugkeer van verzoekers een foltering of onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden, behoort zowel tot het onderzoek naar de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden als het onderzoek naar de grond van de zaak- Immers, indien een terugkeer van verzoekers een schending zou betekenen van artikel 3 EVRM, kunnen zij zowel hierdoor een machtiging tot verblijf bekomen (grond van de zaak) als kunnen zij betogen dat zij zelfs niet tijdelijk naar Oekraïne zouden kunnen terugkeren om daar de aanvraag in te dienen (ontvankelijkheid). Dit werd bevestigd door tegenpartij zelf daar de Minister van Binnenlandse Zaken verklaarde dat de Dienst Vreemdelingenzaken, vooraleer een vreemdeling te verwijderen, sowieso systematisch nagaat of artikel 3 EVRM niet dreigt geschonden te worden (evaluatie van de vreemdelingenwet, verslag Commissie, Senaat, 1997-98, 768/1, 260). XIV-29.996-7/11 Door te stellen dat deze gegevens enkel ingeroepen werden door verzoekers voor hun aanvraag ten gronde, schendt de bestreden beslissing de artikelen 3 en 8 EVRM. Eveneens wordt het begrip "buitengewone omstandigheden" van artikel 9, 3de lid van de Vreemdelingenwet geschonden daar de bestreden beslissing dit begrip miskent. Tenslotte wordt de motiveringsplicht geschonden daar de motivering verkeerd is. Dezelfde opmerking als in het eerste middel, in fine, vermeld wordt hier gemaakt inzake de omvang van de controle die door de Raad van State op de wettigheid van de bestreden beslissing kan worden uitgeoefend.”; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.
  16. Betreffende een tweede middel van verzoekers; In een tweede middel beroepen verzoekers zich op de vermeende schending van de artikelen 3 en 8 EVRM, van artikel 9, lid 3 Vreemdelingenwet en artikel 39/65 Vreemdelingenwet. Betreffende de vermeende schending van artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet, verwijst de verwerende partij naar haar repliek op het eerste middel. Betreffende de vermeende schending van artikel 3 en 8 EVRM beweren verzoekers dat de beslissing van Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt dat de vermeende schending van artikel 8 EVRM werd beoordeeld in de ontvankelijkheidsfase, en dat dit niet werd aanzien als buitengewone omstandigheid. Volgens verzoekers besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in haar arrest dd. 25.10.2007 geheel onterecht dat de vermeende schending van artikel 8 EVRM niet behoort tot de motivering van de verwerping van de aanvraag 9, lid 3 in verband met de afwezigheid van buitengewone omstandigheden tengevolge waarvan de aanvraag onontvankelijk is. De gemachtigde zou, aldus verzoekers , geoordeeld hebben dat de vermeende schending van artikel 3 en 8 EVRM geen buitengewone omstandigheden vormen. De verwerende partij laat dienaangaande gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geheel terecht vermeldt in haar arrest dd. 25.10.2007, dat de vermeende schending van artikel 8 EVRM tot het onderzoek ten gronde van de aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet behoorde : "Uit nalezing van de aanvraag tot machtiging tot verblijf die de verzoekende partijen op 1 april 2005 hebben ingediend bij de stad Antwerpen blijkt dat de verzoekende partijen in deze aanvraag een onderscheid hebben gemaakt tussen de elementen die zij in de ontvankelijkheidsfase als buitengewone omstandigheden aanvoerden en de elementen die ter ondersteuning van de gegrondheid van de aanvraag werden aangevoerd. Zo wordt in de aanvraag tot machtiging tot verblijf onder titel "II. MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID: BUITENGEWONE OMSTANDIGHEDEN" door de verzoekende partijen als buitengewone omstandigheden aangehaald: de scholing van de kinderen in België, het langdurig en onafgebroken verblijf in België waardoor ze niets of niemand meer hebben om naar terug te keren, de problematiek die ze gekend hebben in hun land van herkomst maakt het onmogelijk minstens bijzonder moeilijk om terug te keren en al hun belangen zijn gevestigd in België. Slechts onder titel "III. MET BETREKKING TOT DE GEGRONDHEID: HU1MNITAIRE REDENEN VERREGAANDE INTEGRATIE DUURZAME SOCIALE BINDINGEN MET BELGEN" verwijzen de verzoekende partijen naar de artikelen 3 en 8 EVRM. ... In casu blijkt dat de verzoekende partijen in hun aanvraag tot machtiging tot verblijfduidelijk de elementen afgelijnd hebben die zij wensten in te roepen als buitengewone omstandigheden en dat de aangehaalde artikelen 3 en 8 EVRM hier niet onder vallen. Deze artikelen betreffen duidelijk de gegrondheid van de aanvraag van de verzoekende partijen zodat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken XIV-29.996-8/11 er geenszins toe gehouden was hierop te antwoorden. Zijn overwegingen in de bestreden beslissing hieromtrent maken bijgevolg een overtollig motief uit aangezien hij zich in de bestreden beslissing louter uitspreekt over de (on)ontvankelijkheid van de aanvraag. De kritiek van de verzoekende partijen hieromtrent kan dan ook niet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing ( R.v.St., nr. 159.917, 12juni 2006). " Uit de inhoud van de oorspronkelijk bestreden beslissing blijkt uitdrukkelijk dat de beoordeling van de vermeende schending van artikel 8 en 3 EVRM gebeurd is in het kader van de gegrondheid van de aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, Vreemdelingenwet : "Wat het aanhalen van artikel 8 EVRM betreft, dient opgemerkt dat dit artikel in het geval van betrokkenen niet van toepassing is. Zij tonen immers niet aan dat er familieleden van hen legaal in België verblijven of gevestigd zijn. Gewone sociale relaties vallen niet onder de bescherming van dit artikel. Bovendien kan er gesteld worden dat een terugkeer naar het land van herkomst om aldaar een machtiging tot verblijf aan te vragen niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het recht op een persoonlijke levenssfeer. Het betreft immers slechts een eventueel tijdelijke verwijdering van het grondgebied." Wat het inroepen van artikel 3 EVRM betreft, dient opgemerkt te worden dat de Europese Richtlijn 2004/83 van 29.4.2004 inzake de minimumnormen voor de voorwaarden die vervuld moeten worden door onderdanen van derde landen of door staatlozen om aanspraak te maken op de vluchtelingenstatus of door personen die om andere redenen internationale bescherming behoeven en inzake de inhoud van deze statuten, werd in het Belgisch recht opgenomen en is van toepassing sinds 10.10.
  17. Bijgevolg hoort het onderzoek van de in huidig verzoek ingeroepen elementen ( in casu artikel 3 EVRM te gebeuren in een specifiek georganiseerde procedure... ( beslissing dd. 25.4.2007)" Betreffende de vermeende schending van artikel 3 EVRM dient bovendien te worden opgemerkt dat verzoekers in hun aanvraag o.g.v. artikel 9, lid 3, vreemdelingenwet, slechts zeer formeel melding maakten van artikel 3 EVRM : "Aangezien verzoekers gelet op bovenstaande recht hebben op verblijf in België en zich hiervoor steunen op onderstaande wetgeving : artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. " Verzoekers maken geenszins aannemelijk dat de motivering van het bestreden arrest onjuist zou zijn, of dat artikel 9, lid 3 Vreemdelingenwet of 3 en 8 EVRM zouden geschonden worden. Het tweede middel van verzoekers kan niet worden aangenomen.”; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord naar hun inleidend verzoekschrift verwijzen en als volgt repliceren: “B. De memorie van antwoord en repliek daarop Verzoekers verwijten aan de bestreden beslissing te hebben gesteld dat, wat zij als omstandigheden hebben aangevoerd, gesteund op de artikelen 3 en 8 EVRM, niet zou behoren tot de motivering van de verwerping van de aanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken in verband met de afwezigheid van buitengewone omstandigheden, maar wel dat dit een motief in verband met de verwerping van de aanvraag ten gronde zou zijn en bijgevolg overtollig daar de Dienst Vreemdelingenzaken de aanvraag op grond van artikel 9, 3de lid onontvankelijk had verklaard. M.a.w. de bestreden beslissing stelt ten onrechte dat de aangevoerde omstandigheden i.v.m. de artikelen 3 en 8 EVRM te maken hebben met de aanvraag ten gronde, terwijl in werkelijkheid deze motieven als buitengewone omstandigheden werden ingeroepen en dus betrekking hebben op de ontvankelijkheid van de aanvraag. Verweerder schrijft om te beginnen: verzoekers beweren dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldt dat de schending van de artikelen 3 en 8 werd XIV-29.996-9/11 beoordeeld in de ontvankelijkheidsfase, waarbij kennelijk het moet zijn de fase ten gronde. Voor het overige beperkt verweerder er zich toe uittreksels van zowel de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken als de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te halen, zonder concreet op de argumentatie van verzoekers ontwikkeld in hun middel in te gaan Bij wijze van voorbeeld: verzoekers halen aan dat de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken stelt inzake artikel 8 EVRM dat een terugkeer naar Oekraïne om daar een machtiging aan te vragen artikel 8 niet schendt. Welnu, een motief i.v.m. de (on)mogelijkheid om terug te keren naar het land van herkomst om daar de aanvraag in te dienen, heeft te maken met de ontvankelijkheid van de aanvraag. Hoe tegenpartij kan beweren dat dit te maken zou hebben met de gegrondheid van de aanvraag, is verzoekers een raadsel. Verzoekers verwijzen bijgevolg naar hun verzoekschrift.”; 2.2.
  19. Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn stelling niet zozeer afleidt uit de door de Minister van Binnenlandse Zaken geformuleerde overwegingen noch uit algemene opvattingen, doch wel, conform artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, uit de inhoud van de door verzoekers ingediende aanvraag; dat met name de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er in zijn arrest op wijst “dat de verzoekende partijen in hun aanvraag om machtiging tot verblijf duidelijk de elementen afgelijnd hebben die zij wensten in te roepen als buitengewone omstandigheden en dat de aangehaalde artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M. hier niet onder vallen”; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat het de aanvragers zelf toekomt om de elementen die zij als buitengewone omstandigheden wensen aan te voeren, uitdrukkelijk aan te geven; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest terecht stelt dat de door de Minister van Binnenlandse Zaken geformuleerde “overwegingen in de bestreden beslissing hieromtrent een overtollig motief (uitmaken) aangezien hij zich in de bestreden beslissing louter uitspreekt over de (on)ontvankelijkheid van de aanvraag” om te besluiten dat “de kritiek van de verzoekende partijen hieromtrent dan ook niet (kan) leiden tot de nietigverklaring van de betreden beslissing”; dat de schending van de artikelen 9, derde lid en 39/65, eerste lid van de Vreemdelingenwet niet kan worden aangenomen; dat de schending van de artikelen 3 en 8 van het E.V.R.M. niet als dusdanig werd aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (wel in samenhang met de motiveringsplicht) zodat de verzoekende partijen dit thans niet meer voor de eerste keer voor de Raad van State kunnen aanvoeren; dat het tweede middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.996-10/11 Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.996-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.909 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.