id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.913 Rolnummer: A. 185925/XIV-29911 Zaak: Arrest 186913 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.913 van 8 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.913 van 8 oktober 2008 in de zaak A. 185.925/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. MOSKOFIDIS, kantoor houdende te 3600 GENK, Rootenstraat 21/18 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 19 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 18 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1653 van 6 december 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.911-1/20 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. MOSKOFIDIS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Iraakse nationaliteit, komt op 10 april 2006 België binnen en vraagt op 11 april 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 26 juli 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 7 augustus 2007 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
- Op de zitting van 11 oktober 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door advocaat A. MOSKOFIDIS, gehoord. 1.
- Op 18 oktober 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Dit arrest is als volgt gemotiveerd : “1.
- Het feitenrelaas van de bestreden beslissing luidt als volgt: "U, die verklaart de Irakese nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn van Bagdad. U zou een sjiiet zijn, van Arabische origine en zou gehuwd zijn. Uw echtgenote en drie kinderen zouden nog in Irak zijn. U zou zich in 1982 of 1983 hebben aangesloten bij de Baath-partij. Na beëindiging van uw legerdienst in 1993 zou u actief zijn geworden voor uw wijklokaal van de Baath-partij. U zou de graad van "nasir mutaqaddim" (gevorderd aanhanger) hebben gehad. U zou hebben ingestaan voor het opsporen en arresteren van deserteurs en zou de XIV-29.911-2/20 mensen hebben moeten waarschuwen dat ze zich moesten aansluiten bij "al-jaysh as-shabi" (Volksleger) en jaysh al-quds (Leger van Jeruzalem). In 1993 zou u op het bureau van de "qiyada qutriya" (regionale leiding) van Karkh zijn beginnen te werken op de administratie. Intussen zou u ook binnen de afdeling van uw wijk actief zijn gebleven. Sinds 1994 zou u ook zelf trainingen hebben gegeven voor al-jaysh as-shabi. U zou ook hebben meegewerkt aan de voorbereidingen van trainingskampen van het jaysh as-shabi. In 2001 zou u udw amil (volwaardig lid) zijn geworden. U zou binnen de wijk dezelfde activiteiten zijn blijven verrichten. Daarbij zou u de verantwoordelijke van een cel van ca. 30 ansar (aanhangers) zijn geworden. U zou verdachte activiteiten in de gaten hebben moeten houden en informatie hebben moeten doorspelen aan de mukhabarat (inlichtingendienst) over verdachte personen. U zou binnen uw wijk hebben deel uitgemaakt van de veiligheidscel van de Baathpartij. Deze cel moest veiligheids- of inlichtingendiensten vergezellen die arrestaties wilden verrichten in uw wijk. U zou ook eenmalig de verantwoordelijke zijn geweest over een trainingskamp van jaysh al-quds. Binnen het jaysh al-quds had u de graad "muqaddam" (luitenant kolonel). In de laatste jaren hield u zich vooral bezig met het voorbereiden van de oorlog. Na de val van het Baath-regime zou u in de zaak van uw broer, die auto-onderdelen verhandelde, hebben gewerkt. In oktober 2004 zou uw dochter (S) zijn ontvoerd. Uw echtgenote zou hierbij verwond zijn geraakt waardoor ze een miskraam zou hebben gekregen. Uw dochter zou zijn ontvoerd door een man die wraak wou nemen omdat u zijn vader had gerekruteerd voor aljaysh as-shabi. Zijn vader zou in dienst zijn overleden. Na het betalen van losgeld zou uw dochter zijn vrijgelaten. In december 2005 zou uw broer (M.) in zijn winkel zijn beschoten. In maart 2006 zou er tegen de winkel van uw broer een bomaanslag zijn gepleegd toen u net buiten was. Hierop zou u hebben besloten Irak te verlaten. Op 4 april 2006 zou u uw land hebben verlaten. Op 10 april 2006 zou u in België zijn aangekomen en de daaropvolgende dag heeft u hier asiel aangevraagd. Na uw vertrek zou er bij uw familie een dreigbrief voor u zijn bezorgd, vanwege de groep van Zarqawi. " 2.
- De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: "Vooreerst moet worden opgemerkt dat er ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw verklaringen met betrekking tot uw functie en activiteiten bij de Baath-partij. Er moet immers worden vastgesteld dat u hierover in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd die de oprechtheid van uw asielaanvraag ernstig ondermijnen. Zo verklaart u tegenover het Commissariaat-generaal verschillende taken en verantwoordelijk- heden te hebben gehad binnen de partij. Als udw amil zou u verantwoordelijk zijn geweest over een dertigtal ansar (aanhangers), u zou huiszoekingen hebben uitgevoerd, deserteurs hebben opgespoord en aangehouden, controleposten hebben bemand, verdachte personen of activiteiten in de gaten hebben houden, rapporten hebben uitgebracht over personen aan de inlichtingendiensten, veiligheids- en inlichtingendiensten hebben vergezeld bij arrestaties in uw wijk en u zou de verantwoordelijke geweest zijn over de ondervragingen van mensen die door de partij werden aangehouden. U zou mensen hebben gerekruteerd voor jaysh as-shabi en jaysh al-quds. Binnen jaysh as-shabi en jaysh al-quds zou u zelf militaire trainingen hebben gegeven en binnen jaysh as-shabi zou u bevelhebber van een groep (amr fasil) zijn geweest. Bijjaysh al-quds kreeg u de eregraad van muqaddam. In 2001 zou u de verantwoordelijke van een opleidingskamp van jaysh al-quds zdn geweest. Als bediende binnen de qiyada qutriya zou u reeds enkele jaren voor de val bezig zijn geweest met het voorbereiden van de invasie door de Amerikanen (CG 23/3/07, p. 6-13). Tegenover de Dienst Vreemdeling- enzaken schetste u echter een heel ander beeld van uw eigen activiteiten. U geeft uw job als administratief bediende voor de qiyada qutriya, maar daarnaast haalt u slechts één activiteit aan, namelijk het rekruteren van jongeren voor jaysh as- shabi en jaysh al-quds. U verklaart expliciet dat u behalve deze activiteiten niets XIV-29.911-3/20 meer deed (DVZ p, 13). De beschrijving van uw taken en verantwoordelijkheden zijn doorheen de twee gehoren dermate verschillend dat er ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van uw beweerde profiel. Het is bijgevolg niet mogelijk een correcte inschatting te maken van uw daadwerkelijke betrokken- heid bij de Baath-partij. Het gaat hier bovendien om essentiële elementen van uw actuele vrees aangezien u als huidige vrees wraakacties inroept omwille van uw activiteiten voor de Baath-partij. Bijgevolg kan er worden verwacht dat u reeds tijdens uw gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken een zo volledig mogelijk beeld van uw activisme zou hebben geschetst. Op het Commissariaat-generaal verklaart u immers expliciet dat het feit dat het de veiligheidscel van de partij was die werd gezien als de verantwoordelijke voor de arrestaties in de wijk. Het feit dat u dergelijke elementen niet bij uw eerste gehoor heeft aangehaald, doe ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Verder moet worden opgemerkt dat u ook tussen uw twee gehoren tegenover het Commissariaat-generaal uiteenlopende verklaringen heeft afgelegd over uw verantwoordelijkheden als udw amil. Zo verklaart u tijdens uw laatste gehoor dat u toen uw udw amil was de verantwoordelijkheid kreeg over een dertigtal ansar (aanhangers) (CG 23/3/07, p. 6). Tijdens uw eerste gehoor op het Commissariaat- generaal repte u echter met geen woord over uw verantwoordelijkheid over ansar (aanhangers). U verklaarde toen louter dat u als udw verantwoordelijk was van een cel van muayyidin (sympathisanten) (CG 28/6/06, p. 15). Er mag worden verwacht dat u ook tijdens het eerste interview precies zou aangeven wat uw taken zijn, en dus ook dat u de verantwoordelijke was van een dertigtal ansar. Daarnaast moet worden opgemerkt dat uw verklaringen tegenstrijdig zijn met een van de documenten die u heeft voorgelegd ter ondersteuning van uw asielaan- vraag. Zo verklaart u dat u pas in 2001 udw amil bent geworden (CG 28/6/06, p. 4). U legt echter een brief voor van de Minister van Landsverdediging van 1995 waarin u omwille van uw inzet wordt beloond met de graad van udw. U verklaart deze tegenstrijdige elementen door te stellen dat udw amil en udw twee aparte graden zijn. In 1995 zou u udw zijn geworden en in 2001 udw amil (CG 23/3/07, p.14). Uit onze informatie blijkt dat er geen aparte graden udw of udw amil bestonden binnen de Baath-partij. Het feit dat u een dergelijke uitleg probeert te verschaffen, doet ernstige twijfels rijzen over de oprechtheid van uw verklaring- en en doet verder afbreuk aan uw algemene geloofwaardigheid. Hierbij moet worden opgemerkt dat het bevreemdend is dat u zo lang nasir mutaqaddim zou zijn gebleven vooraleer udw (amil) te worden. U zou circa 1986 nasir mutaqad- dim zijn geworden (CG 23/3/07, p.4), maar slechts in 2001 naar de volgende graad zijn overgegaan, namelijk die van udw amil. Met uw profiel, het activisme en de inzet die u zou hebben ontplooid voor de partij, is het zeer bevreemdend dat u pas na vijftien jaar volwaardig lid zou zijn geworden van de partij. Vervolgens moet worden opgemerkt dat u geen duidelijk antwoord weet te geven op de vraag of er naast gevangenisstraf ook andere vormen van straffen werden gegeven aan deserteurs. Het enige wat u zegt is dat na drie overtredingen voor desertie de doodstraf werd toegepast en dat de persoon werd veroordeeld volgens de wetten. Wanneer u wordt gevraagd wat de wetten waren met betrekking tot desertie, antwoordt u alleen dat er verzachtende omstandigheden bestonden. Op de vraag of er fysieke straffen werden uitgevoerd, stelt u dat als iemand zich niet goed gedraagt bij zijn arrestatie, er geweld wordt gebruikt. Uit onze informatie blijkt echter dat er midden de jaren negentig per decreet was vastgelegd dat deserteurs lichamelijk verminkt moesten worden. Deze straffen moesten dienen als ontradingsmiddel voor de rest van de bevolking. Het is zeer onwaarschijnlijk dat u niet van deze praktijk op de hoogte zou zijn, te meer u al sinds de jaren tachtig instond voor het opsporen en arresteren van deserteurs. Het feit dat u zo vaag blijft in uw verklaringen hieromtrent, doet vermoedens rijzen dat u bepaalde aspecten van uw activiteiten tracht te verdoezelen. Daarnaast moet worden vastgesteld dat u opmerkelijk vaag blijft wanneer u wordt gevraagd naar het tot XIV-29.911-4/20 van de mensen over wie u rapporteerde aan de veiligheids- of inlichtingendien- sten of bij wiens arrestatie u assisteerde. Over de informatie die u doorgaf zegt u niet te weten wat er met die personen gebeurde en dat dit een zaak was van de bevoegde instantie. Van de personen bij wiens arrestatie u aanwezig was, kan u alleen zeggen dat sommigen naar de gevangenis gingen. Wat er met de anderen gebeurden, zegt u niet te weten (CG 23/3/07, p. 11- 12). Deze vage verklaringen zijn des te meer bevreemdend daar u zelf verklaart dat de partij op de hoogte werd gehouden van veroordelingen of executies. De partij hield deze informatie bij in de dossiers van de families (CG 23/3/07, p. 12). Ook hier doen uw vage verklaringen twijfels rijzen over uw bereidheid om duidelijke en volledige informatie te verschaffen over uw activisme binnen de partij. Bijgevolg dient op basis van bovenstaande vaststellingen te worden gesteld dat u het statuut van vluchteling niet kan worden toegekend. U verklaart dat uw vluchtmotieven hun oorsprong vinden in uw activiteiten voor het voormalige Irakese regime. Er zijn echter zeer ernstige aanwijzingen dat u niet de volledige waarheid spreekt betreffende uw profiel en daden, waardoor, u het de asielinstan- ties onmogelijk maakt tot een correcte inschatting te komen van uw vrees voor vervolging. Nochtans kan, conform het UNHCR-handboek, van een asielzoeker worden verwacht dat hij alle pertinente informatie overmaakt teneinde de behandelende instanties in de mogelijkheid te stellen de ware toedracht van het asielrelaas te onderzoeken. Uit een analyse van de situatie in Irak blijkt dat er op dit ogenblik in Centraal- Irak een reëel risico van ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdelingenwet bestaat. Deze vaststelling volstaat niet om u de status van subsidiaire bescherming toe te kennen. Zoals boven vastgesteld dienen immers ernstige vragen te worden gesteld bij uw voorgehouden profiel. Deze ongeloof- waardigheid is van die aard dat het onmogelijk is om een correct beeld te vormen van uw activiteiten in het verleden, van uw positie of situatie in Irak, van het eventueel van toepassing zijn van de uitsluitingsclausule, van de mogelijkheid voor u tot het bekomen van bescherming in uw land van herkomst of om te besluiten dat u als burger kan worden beschouwd. Voor de beoordeling van het reële karakter van het risico en van de boven vermelde elementen mag men verwachten dat u volledig meewerkt en alle elementen op een zo correct mogelijke wijze zou aanbrengen. Tot slot moet worden opgemerkt dat de documenten die u heeft voorgelegd ter ondersteuning van uw asielaanvraag, niet van die aard zijn dat ze bovenstaande appreciatie van uw dossier wijzigen. Het zijn uw rijbewijs, identiteitskaart, foto's van de winkel van uw broer na de explosie, een lidkaart van Baath, attest van Baath, een brief waarin u de graad van udw wordt toegekend, ondertekend door de Minister van Defensie. Met betrekking tot de documenten van de Baath-partij moet worden opgemerkt dat ze de onduidelijkheden omtrent uw precieze functie en activiteiten niet kunnen wijzigen. Daarnaast legde u nog kopies voor van uw nationaliteitsbewijs en een medisch attest van uw echtgenote na de ontvoering van uw dochter. U legt eveneens een dreigbrief voor die uw familie zou hebben ontvangen na uw vertrek uit Irak. U weet niet of het de originele brief of een kopie is. Met betrekking tot deze brief moet worden opgemerkt dat de authentici- teit van dit document niet kan worden gecontroleerd. " 2.
- Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing een schending uitmaakt van (i) de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (ii) artikel 62 van de Vreemdelingenwet (iii) de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, o.a. het materiële motiveringsbe- ginsel en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Er werd bovendien een manifeste appreciatiefout gemaakt volgens verzoeker. De verklaringen van verzoeker bevatten volgens hem voldoende aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; hij loopt wel degelijk gevaar in Irak en vreest slachtoffer te zullen XIV-29.911-5/20 worden van wraakacties omwille van zijn activiteiten voor de Baath-partij. Verzoeker betoogt dat hij, gezien het huidige onveilige klimaat in Irak, niet zal kunnen rekenen op afdoende bescherming vanwege de autoriteiten omdat zij weinig of geen vat hebben op mensen of groeperingen die de vaste wil hebben om een aanslag te plegen of wraakmaatregelen te nemen. Met betrekking tot de vermeende tegenstrijdigheden in zijn verklaringen, wenst verzoeker te onderstrepen dat hij n. a. v. zijn gehoor op de Dienst Vreemdelin- genzaken (verder: DVZ) in april 2006 een bondig relaas van zijn asielmotieven heeft gegeven en niet in detail was gegaan, hetgeen men hem gevraagd had, zodat hij enkel de belangrijkste feiten had weergegeven. Tijdens zijn gehoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen (verder: CGVS) werd van hem verlangd dat hij zijn asielmotieven zou verduidelijken, deze keer met meer details. De verschillen tussen deze twee interviews kunnen onmogelijk de kern van zijn asielaanvraag aantasten gezien hij telkens gewoon meer toelichting heeft gegeven en dus niet een totaal ander beeld geschetst heeft. Het CGVS heeft volgens verzoeker een duidelijke beoordelingsfout gemaakt. Verzoeker argumenteert dat hij voldoende, concrete en verifieerbare informatie heeft gegeven waaruit duidelijk blijkt dat hij riskeert ernstige moeilijkheden te zullen hebben bij een eventuele terugkeer naar Irak. Verzoeker stelt dat de bewijslast die in principe op de kandidaat-vluchteling rust, genuanceerd moet worden en dat hem het voordeel van de twijfel toekomt, waarbij hij verwijst naar uittreksels uit het “Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status" van het UNHCR. Volgens verzoeker heeft het CGVS een verkeerde interpretatie gegeven aan zijn verklaringen. Verzoeker is tevens van oordeel dat het redelijkheidsbeginsel geschonden werd en dat de in het dossier voorhanden zijnde feitelijke gegevens onverenigbaar zijn met de door het CGVS genomen beslissing. 2.3 De in de wet van 29 juli 1991 voorgeschreven uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de burger in kennis te stellen van de redenen waarom de admini- stratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de rechtzoekende kan oordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Verzoeker brengt kritiek uit op de inhoud van de motivering, zodat de schending van de materiële motiveringplicht wordt aangevoerd en het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. De verklaringen van de kandidaat-vluchteling kunnen een voldoende bewijs zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze plausibel, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84). De verklaringen mogen niet in strijd met algemeen bekende feiten. De bewijslast berust in beginsel bij de kandidaat-vluchteling die in de mate van het mogelijke elementen dient aan te brengen ter staving van zijn relaas en bij het ontbreken van dergelijke elementen, hiervoor een aannemelijke verklaring dient te geven. Het voordeel van de twijfel kan slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet niet bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, nr. 43.027,19 mei 1993) en het is niet de taak van de Raad zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, nr. 136.692, 26 oktober 2004). De ongeloofwaardigheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. De Raad stelt vast dat de motivering in de bestreden beslissing omtrent de graad van 'udw' en 'udw amil' geen steun vindt in voor iedereen toegankelijke publieke informatie waaruit blijkt dat 'udw' en 'udw amil' twee onderscheiden graden zijn, waarbij 'udw' staat voor 'lid' ("membee') en 'udw amil' voor 'actief lid' ("active XIV-29.911-6/20 member') (UNHCR, UNHCR’s Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers, August 2007, UNHCR Refworld, http://www.unhcr.org/cgibin/texis/vtx/refworld/rwmain?docid=46deb- 05557; Coalition Provisional Authority Order No. 1, De-Ba’athification of Iraqi Society, No.
- 16 May 2003, UNHCR Refworld http://www.unhcr.org/cqi- bin/texis/vtx/refworld/ rwmain?docid=468d097d2; International Crisis Group (ICG), Baghdad: A Race against the Clock, 11 June 2003, UNHCR Refworld, http://www.unhcr.onq/cqibin/texis/vtx/refworld/rwmain?docid=3f13c85d4). Beide graden behoorden tot het 'junior' kader van de Baath maar impliceerden wel belangrijke posities binnen de toenmalige Iraakse maatschappij aangezien ze potentieel in aanmerking werden genomen-bij de 'de-Baathificatie' van Irak na de val van het regime van Saddam Hoessein. Verzoekers verklaring dat het twee onderscheiden graden zijn die hij respectievelijk verkreeg in 1995 en 2001 is derhalve plausibel. Verzoekers argumentatie dat hij bij DVZ summier was over zijn activiteiten voor de Baath maar hieromtrent tijdens twee navolgende gehoren op het CGVS telkens meer toelichtingen en verduidelijkingen gaf, vindt steun in het admini- stratief dossier. Het gehoor bij DVZ, waar verzoeker weliswaar slechts zeer summier zijn functie voor de Baath omschreef, handelt nagenoeg volledig over de evenementen die hem overkwamen na de val van het regime waarbij aangestipt wordt dat uit het gehoor-verslag niet af te leiden is dat er dieper werd ingegaan op zijn functie en rang binnen de Baath (administratief dossier, stuk 18, p. 13-15). In tegenstelling tot voormeld gehoor behandelen de twee navolgende gehoren bij het CGVS steeds grondiger diens functie en wordt er bovendien nagenoeg niet meer ingegaan op de bij DVZ aangehaalde beweerde ontvoering van zijn dochter waarbij tevens opgemerkt wordt dat verzoekers tweede gehoor op het CGVS uitsluitend diens functie en verantwoordelijkheden bij de Baath tot voorwerp had. De in de bestreden motivering vermelde tegenstrijdige verklaring van verzoeker dat hij als 'udw amil' verantwoordelijk was voor een dertigtal 'ansar' ("aanhan- gers") dan wel een cel van 'muayyidin' ("sympathisanten") is bijgevolg niet doorslaggevend daar (i) uit de hiërarchie van de Baath blijkt dat hij als 'udw' (dan wel 'udw amil') boven zowel de 'muyyadin' als de 'ansar' (of 'nasir') stond (administratief dossier, stuk 22, antwoorddocument Cedoca van 18 juli 2007) (ii) gelet op de hiërarchische graden binnen de Baath, het niet uit te sluiten is dat de door verzoeker aangehaalde 'cel' zowel bestaat uit "sympathisanten" als "aanhangers" (administratief dossier, stuk 11, p. 15). Dit klemt des te meer daar uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker, die zeer grondig werd ondervraagd over zijn functies en verantwoordelijkheden binnen de Baath, verklaringen aflegt betreffende zijn functie als 'muqaddam' (luitenant-kolonel) bij de 'jaysh al-quds' (Leger van Jeruzalem) die niet worden betwist, de voormelde vaststelling mede in acht genomen dat hij tijdens de loop van de gehoren steeds specifieker wordt. Verzoeker toont bijgevolg aan dat hij als 'udw amil' een belangrijke positie bekleedde binnen de strakke hiërarchie van de Baath en samenwerkte met de veiligheids- en inlichtingendiensten. Volgens publieke informatie loopt verzoeker ten gevolge van zijn voormalige positie en activiteiten het risico om vervolgd te worden (UNHCR, UNHCR's Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers, p. 97-102; p. 180-184, August 2007, UNHCR Refworld, http://www.unhcr.org/cgi- bin/texis/vtx/refworld/rwmain?docid=46deb05557). Het voorafgaande in acht genomen, kan worden aangenomen dat verzoeker de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging omwille van zijn politieke overtuiging, zoals bepaald in artikel 1, A
(2), van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. XIV-29.911-7/20 2.4 Het beroepsverzoekschrift stelt: Als udw amil was hij verantwoordelijk over een dertigtal ansar (aanhangers); voerde hij huiszoekingen uit; spoorde hij deserteurs op en beval hun aanhouding; bemande hij controleposten; hield verdachte personen en activiteiten in de gaten; bracht rapporten uit over personen aan de inlichtingendiensten; vergezelde veiligheids- en inlichtingendiensten bij arrestaties in zijn wijk en was hij de verantwoordelijke geweest over de ondervragingen van mensen die door de partij werden aangehouden.” Verzoeker werd overeenkomstig artikel 14 PR RvV ondervraagd over zijn activiteiten, waarbij hij bevestigt dat hij de daden verrichtte zoals voormeld, met dien verstande dat hij "soms" de verantwoordelijke was voor ondervragingen van door de partij aangehouden personen en hij dit in opdracht deed. Verzoeker bevestigt tevens dat tewerkgesteld was in een dienst die ressorteerde onder de leiding van Hassan Ali Majid (administratief dossier, stuk 11, p. 14) en dat deze persoon, met als volledige naam Ali Hassan Abd al Majid al Tikriti, ook gekend is onder de naam "Chemical Ali". Verzoeker verklaart ter zitting dat Hassan Ali Majid "zijn land heeft verdedigd, niet zoals de huidige terroristen",' hoewel uit publieke informatie blijkt dat Hassan Ali Majid berecht en ter dood veroordeeld werd wegens genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden (http://en.wikipedia.org/wiki/Ali Hassan al- Majid#Trial). Verzoeker verklaart ter zitting tevens dat hij steeg in rang bij de Baath omdat hij de plichten uitvoerde die van een Baath-lid werden verwacht. Ingevolge voormelde daden is te dezen aangewezen te onderzoeken of verzoeker, gezien zijn positie en activiteiten voor de Baath en actieve medewerking met de veiligheids- en inlichtingendiensten, niet valt onder artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980, juncto artikel 1, F
(1), van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. Luidens deze artikelen wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij wetens en willens heeft aangezet tot of anderszins deelgenomen aan een misdrijf tegen de menselijkheid, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot dit misdrijf in het leven te roepen. In casu kan hiertoe worden verwezen naar artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof, dat omschrijft wat onder misdrijven tegen de menselijkheid dient te worden verstaan. Dit artikel bepaalt dat onder misdaad tegen de menselijkheid een van de volgende handelingen verstaan wordt, indien gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval: " ... (
- a)moord; (
- b)uitroeiing; (...) (
- d)deportatie of gedwongen overbrenging van bevolking; (
- e)gevangenneming of elke andere ernstige beroving van de lichamelijke vrijheid in strijd met de fundamentele regels van internationaal recht; (0 marteling; (
- g)verkrachting, seksuele slavernij, gedwong- en prostitutie, gedwongen zwangerschap, gedwongen sterilisatie, of elke andere vorm van seksueel geweld van vergelijkbare ernst; (
- h)vervolging van een identificeerbare groep of collectiviteit op politieke, raciale gronden of gronden betreffende nationaliteit, op etnische, culturele of godsdienstige gronden of op grond van het geslacht, zoals nader omschreven is in het derde punt, of op andere gronden die algemeen ontoelaatbaar worden geacht krachtens het internationaal recht, in verband met in dit punt bedoelde handelingen of een misdaad waarover het Hof rechtsmacht heeft; (
- i)gedwongen verdwijningen; (
- j)apartheid; (
- k)andere onmenselijke handelingen van vergelijkbare aard waardoor opzettelijk ernstig lijden of ernstig lichamelijk letsel of schade aan de geestelijke of lichamelijke gezondheid wordt veroorzaakt." Verzoeker werd ter zitting gewezen op de mogelijke toepassing van artikel 1 (F) van de Conventie van Genève van 1951 juncto artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980. De uitsluitingsclausule betreft niet enkel directe daders van dergelijke misdrijven maar ook medeplichtigen, voor zover deze hebben gehandeld met kennis van de praktijken en geen enkele omstandigheid hen van XIV-29.911-8/20 hun individuele verantwoordelijkheid vrijstelt. Medeplichtigheid (zie ook artikel 25§3 Statuut van Rome van 17 juli 1998) houdt in dat een artikel 1 F-misdrijf werd gepleegd - eventueel door iemand anders -, dat de persoon in kwestie hierbij een materiële bijdrage heeft geleverd met een onmiddellijk effect op het misdrijf en dat hij de bedoeling had dat het misdrijf werd gepleegd. Opdat er van deelneming aan zulk misdrijf sprake kan zijn, moet de vreemdeling individuele verantwoordelijkheid treffen, wat inhoudt dat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf, wetende dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijk- te (UNHCR, Guidelines on international Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, 2003, p.6). Verzoeker verweert zich tegen de toepassing van de uitsluitingsclausule door ter zitting te stellen dat (
- i)uit de gezegden ter zitting niet kan worden afgeleid dat hij goedkeurde wat hem werd bevolen of dat hij inbreuken heeft gepleegd (
- ii)hij geen bezwaar heeft tegen bijkomend onderzoek (iii) hij geen universitaire studies heeft gedaan en is opgeklommen in een strak hiërarchisch georganiseerde partij door het plichtsbewust uitvoeren van opdrachten (
- iv)er geen enkel bewijs is aangebracht dat hij misdaden tegen de menselijkheid heeft gepleegd binnen zijn functie. Uit verzoekers omschrijving van zijn daden dient noodzakelijkerwijze te worden afgeleid dat hij een loyale en actieve medewerker was van de Baath en, als udw amil, behoorde tot het hogere middenkader. Dit wordt tevens aangetoond door zijn actieve inzet en betrokkenheid voor het "Leger van Jeruzalem" (jaysh al- quds) waar hij de graad van "muqaddam" (luitenant-kolonel) bekleedde. Verzoeker bleef, zelfs tot na de val van het regime in 2003, een trouwe en loyale aanhanger aangezien hij belangrijke dossiers toevertrouwd kreeg die hij meenam naar huis en vernietigde om te verhinderen dat deze in de handen van de Amerikanen vielen (administratief dossier, stuk 3, p. 9). Verzoekers positie als udw amil, ("active member" of "volwaardig lid") houdt volgens publieke informatie in dat hij behoorde tot een zeer select gezelschap binnen de Baath waarvoor hij zijn loyaliteit aan het bewind nadrukkelijk diende te hebben bewezen, bijvoorbeeld in de vorm van het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- en inlichtingendiensten, het verlenen van hulp bij arrestaties, het bemannen van controleposten, het ondervragen van gedetineerden of het leveren van hulp bij zuiveringen in gevangenissen. Dezelfde publieke informatie stelt dat vanaf de positie van "kandidaat-lid", en a fortiori "volwaardig lid" (udw amil), betrokkenheid bij schending van mensenrechten geenszins kan worden uitgesloten (Ministerie Buitenlandse Zaken, Nederland, Algemeen Ambtsbericht Centraal-Irak, november 2002, p.16-17, http://www.minbuza.nl/). Uit de informatie in het administratief dossier aangaande de behandeling van deserteurs en uit diverse publieke mensenrechtenverslagen en internationale rapporten blijkt dat het Iraakse regime onder Saddam Hoessein zich met behulp van de Baath en de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan een stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking (UNHCR, UNHCR’s Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-seekers, August 2007, UNHCR Refworld, http://www.unhcr.orq/cgi- bin/texis/vtx/refworld/rwmain?docid=46deb05557; U.S. Department of State, Country Report on Human Rights Practices, 2002- Iraq, www.refworld.org; Ministerie Buitenlandse Zaken, Nederland, Algemeen Ambtsbericht Centraal- Irak, november 2002, http://www.minbuza.nl/). Verzoekers vrijwillige en actieve medewerking met de Baath en aanverwante organisaties als het Volksleger en het Leger van Jeruzalem, evenals zijn medewerking met de veiligheids- en inlichtingendiensten, waarbij hij huiszoe- kingen uitvoerde, deserteurs opspoorde, rapporteerde over personen, medewer- king verleende aan arrestaties en verantwoordelijk was voor ondervragingen dienen, binnen de Iraakse context zoals beschreven in bovenvermelde publieke XIV-29.911-9/20 rapporten, te worden gekwalificeerd als het leveren van een substantiële persoonlijke bijdrage aan misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof. Verzoeker dient bijgevolg, bij toepassing van artikel 1, F
(1), van de Conventie van Genève van 1951 en krachtens artikel 5512 van de voormelde wet van 15 december 1980, te worden uitgesloten van de status van vluchteling aangezien er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig maakte aan misdrijven tegen de menselijkheid. 3.1 Verzoeker vraagt de toekenning van het statuut van subsidiaire bescherming, gezien hij vreest dat zijn leven ernstig bedreigd is als gevolg van het willekeurige geweld in Irak. Het CGVS erkent dat verzoeker afkomstig is uit Bagdad en aanvaardt dat er inderdaad sprake is van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, §2, c, van de Vreemdelingenwet, doch twijfelt aan het juiste profiel van verzoeker, hetgeen volgens deze laatste onterecht is gezien de interne tegenstrijdigheid ervan. Verzoeker haalt aan dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, en vooral in Bagdad, van dag tot dag verslechtert en dat het geweld niets of niemand ontziet, ongeacht welk profiel een persoon zou hebben. 3.2 Gelet op het bovenvermelde (zie sub 2.4) zijn er ernstige redenen om aan te nemen dat verzoeker misdrijven tegen de menselijkheid heeft gepleegd en derhalve, krachtens artikel 55/4 van de voormelde wet van 15 december 1980, dient uitgesloten te worden van de subsidiaire beschermingsstatus. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBE- TWISTINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “- schending van het artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Fundamen- tele Rechten van Vrijheden, gesloten op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955; van het artikel 14.1 van het Internationaal Verdrag inzake burger- en politieke rechten opgemaakt te New York op 16 december 1966 en goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981; van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand tegelijkertijd rechter en partij kan zijn en van het algemeen rechtsbegin- sel van het recht van verdediging. - schending van artikel 39/76, § 2 Vreemdelingenwet. Vrees voor vervolging in de zin van de conventie van Genève dd. 28/07/1951 + reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 4814 van de Vreemdelingen- wet (subsidiaire bescherming) Ten onrechte weigerde verweerster aan verzoeker de vluchtelingenstatus te verlenen. In tegenstelling tot hetgeen verweerster heeft beslist, bevatten de verklaringen van verzoeker wel degelijk voldoende en ernstige aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de conventie van Genève dd. 28/07/
- De elementen in het dossier tonen aan dat verzoeker in Irak geen normaal en veilig leven zal kunnen leiden. XIV-29.911-10/20 Zijn asielaanvraag was gebaseerd op het feit dat hij vreest in Irak het slachtoffer te zullen worden van wraakacties omwille van zijn vroegere activiteiten voor de Baath-partij. Sinds 1982 was verzoeker aangesloten als actief lid bij de partij. Na de val van het Baath-regime wilden vele inwoners in Bagdad persoonlijk afrekenen met verzoeker. In oktober 2004 werd zijn dochtertje ontvoerd en werd zij pas vrijgelaten na het betalen van een aanzienlijk losgeld. Tegen de winkel van zijn broer waarin hij werkte, werd een bomaanslag gepleegd. Omdat er vele doodsbedreigingen werden geuit aan het adres van verzoeker, voelde hij zich niet meer veilig in Irak. Na zijn vertrek uit Irak kreeg zijn familie een dreigbrief van de terroristische groep van Zarqawi. Gelet op het huidige onveilige klimaat in Irak vreest verzoeker dat hij niet zal kunnen rekenen op een afdoende bescherming vanwege de autoriteiten. Het CGVS had de asielaanvraag van verzoeker in hoofdzaak geweigerd om reden dat er geen geloofwaardigheid aan verzoekers verklaringen zou kunnen gehecht worden gelet op van het bestaan van tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende verklaringen. In zijn verzoekschrift houdende beroep tegen de weigeringsbeslissing dd. 26/07/2007 van het CGVS had verzoeker hieromtrent toegelicht dat hij n.a.v. zijn gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken in april 2006 een bondig relaas van zijn asielmotieven had gegeven-zoals trouwens aan hem gevraagd was- en niet in detail was gegaan. Bijgevolg had verzoeker zich toen hoofdzakelijk beperkt tot het weergeven van de belangrijkste feiten. Tijdens zijn gehoor op het CGVS werd van hem verlangd dat hij zijn asielmotie- ven zou verduidelijken, deze keer met meer details. Bovendien waren volgens verzoeker de door het CGVS geciteerde verschillen zeker niet van aard om als dermate belangrijke tegenstrijdigheden in diens opeenvolgende verklaringen te worden aanzien , dewelke elke geloofwaardigheid aan zijn asielrelaas zouden ondermijnen. Deze verschillen konden onmogelijk de kern van zijn asielaanvraag aantasten. Voorts had het CGVS in haar weigeringsbeslissing gesteld dat verzoeker een totaal ander beeld van zijn activiteiten in Irak zou hebben geschetst ter gelegenheid van zijn opeenvolgende gehoren. Verzoeker had hierop in zijn verzoekschrift houdende beroep geantwoord dat het enige wat hij gedaan had, is bij ieder gehoor, beginnend bij zijn gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en vervolgens bij zijn twee gehoren bij het CGVS, telkens meer en meer toelichtingen en verduidelijkingen gegeven betreffende zijn exacte activiteiten binnen de Baath-partij. Verzoeker had tevens opgeworpen dat zijn persoonlijke situatie in Irak hoedanook uitzichtloos is. De Iraakse autoriteiten hebben weinig of geen vat op mensen of groeperingen in Irak die de vaste wil hebben om een aanslag te plegen of wraakmaatregelen te nemen ; zodat een daadwerkelijke bescherming vanwege de Iraakse autoriteiten niet meer dan dode letter is. Tenslotte had het CGVS ten onrechte onvoldoende de problemen erkend die verzoeker ondervindt in Irak. Verzoeker is van mening dat het CGVS een verkeerde interpretatie had gegeven aan zijn verklaringen. De beslissing van verweerster dd. 18/10/2007 die de beslissing van het CGVS 26/07/2007 bevestigde, houdt een flagrante schending in van de rechten van verdediging van verzoeker. XIV-29.911-11/20 Daar waar de weigeringsbeslissing van het CGVS dd. 26/07/2007 in hoofdzaak gebaseerd was op het feit dat verzoeker zgz. tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd in de loop van zijn opeenvolgende verhoren; wees verweerster de hoedanigheid van vluchteling aan verzoeker af op totaal andere gronden en motieven dan deze die het CGVS had aangewend. Volgens verweerster kan verzoeker niet in aanmerking komen voor de status van vluchteling gezien er redenen zouden zijn om aan te nemen dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid; en dat hij derhalve krachtens de artikelen 55/2 en 55/4 van de vreemdelingenwet van 15/12/1980 dient te worden uitgesloten van de status van vluchteling alsook van de subsidiaire beschermingsstatus. Ofschoon noch de Dienst Vreemdelingenzaken, noch het CGVS ooit eerder in de loop van de administratieve procedure ook maar ooit enige vraag aan verzoeker hadden gesteld of opmerking hadden geformuleerd omtrent feiten van misdrijven tegen de menselijkheid of de mogelijke betrokkenheid van verzoeker bij dergelijke misdrijven, wierp verweerster ter zitting van 11/10/2007 waarop de zaak vastgesteld stond voor behandeling in graad van beroep, voor het eerst en ambsthalve deze uitsluitingsgrond op. Blz. 6 beslissing verweerster : "Verzoeker verklaart ter zitting tevens dat hij steeg in rang bij de Baath omdat hij plichten uitvoerende die van een Baath-lid werden verwacht. Ingevolge voormelde daden is te dezen aangewezen te onderzoeken of verzoeker, gezien zijn positie en activiteiten voor de Baath en actieve medewerking met de veiligheids- en inlichtingendiensten, niet valt onder artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980, juncto artikel 1, F
(1)van de Conventie van Genève van 28 juli 1951. Luidens deze artikelen wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij wetens en willens heeft aangezet tot of anderszins deelgenomen aan een misdrijf tegen de menselijkheid, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot dit misdrijf in het leven te roepen." Blz. 7 beslissing verweerster : "Verzoeker werd ter zitting gewezen op de mogelijke toepassing van artikel l (F) van de Conventie van Genève van 1951 juncto artikel 55/2 van de voormelde wet van 15 december 1980." Schending van het beginsel van de tegenspraak + schending van artikel 14 BUPO verdrag. In de bestreden beslissing doet verweerster al te doorzichtige pogingen om de indruk te wekken dat verzoeker ter zitting de mogelijkheid zou hebben gekregen om zich te verdedigen tegen deze 'beschuldiging' van misdrijven tegen de menselijkheid. Blz. 7 beslissing verweerster “Verzoeker verweert zich tegen de toepassing van de uitsluitingsclausule door ter zitting te stellen dat (
- i)uit de gezegden ter zitting niet kan worden afgeleid dat hij goedkeurde wat hem werd bevolen of dat hij inbreuken heeft gepleegd (
- ii)hij geen bezwaar heeft tegen een bijkomend onderzoek ... (
- iv)er geen enkel bewijs is aangebracht dat hij misdaden tegen de menselijkheid heeft gepleegd binnen zijn functie." Precies omdat verzoeker pas voor het eerst ter zitting van 11/10/07 (en totaal onverwacht !) en ambsthalve door de rechter werd geconfronteerd met de uitsluitingsgrond van artikel 55/2 Vw. , is er van een echt tegensprekelijk debat geen sprake geweest. Zonder tegensprekelijk debat is er geen echte verdediging kunnen gevoerd worden voor verzoeker ! Verzoeker werd niet naar behoren berecht. Hij had zijn zaak niet volledig en in volle vrijheid kunnen voorbereiden of verdedigen. XIV-29.911-12/20 Hij was naar de zitting van 11/10/2007 op de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen gestapt met de bedoeling om tegen de weigeringsbeslissing dd. 26/07/2007 van het CGVS te betwisten en de daarin vervatte weigeringsmotie- ven. Geen enkel weigeringsmotief in de beslissing van het CGVS was gestoeld op feiten die inbreuken tegen de menselijkheid betreffen. De door verweerster ter zitting van 11/10/2007 voor het eerst en ambsthalve opgeworpen uitsluitingsgrond kende verzoeker voorheen niet zodat hij zich daarom niet naar behoren kon voorbereiden laat staan verdedigen op dit punt. Minstens heeft hij niet voldoende tijd gekregen om zijn verdediging voor te dragen. De door verweerster ter zitting -ambsthalve en voor het eerst in de hele administratieve procedure- opgeworpen uitsluitingsgrond , kan worden vergeleken met een kwalificatiewijziging van de vordering in strafrechtelijke zaken. Verzoeker verwijst desbetreffend naar vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie die het volgende stelt : "De omschrijving kan slechts op regelmatige wijze worden gewijzigd als de beklaagde op de hoogte is gebracht van de wijziging of als hij tegen de nieuwe omschrijving verweer heeft gevoerd of heeft kunnen voeren" (Cass. 8 december 1992, A.C. 1991-92, nr. 774 ; 8 February 1994, A.C. 1994, nr. 72 ; 1 February 1995, A.C. 1995, nr. 62 ; 3 1 mei 1995, A.C. 1995, nr. 268; 1 oktober 1997, A.C. 1997, br. 379.) In casu had verweerster minstens de heropening van de debatten moeten bevelen hetzij de zaak uitstellen opdat verzoeker een volwaardige mogelijkheid had kunnen hebben om zich op de opgeworpen uitsluitingsgrond te kunnen verdedigen. De beslissing van verweerster schendt ontegensprekelijk artikel 6.3 E.V.R.M. hetwelk bepaalt dat verzoeker (tijdig) op de hoogte dient te worden gebracht van de aard en de reden van de tegen hem uitgebrachte beschuldiging en dat hij het recht beschikt over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging, het recht getuigen te ondervragen etc. Door verzoeker plotseling, totaal onverwacht en voor het eerst ter zitting met de uitsluitingsgrond te confronteren (zonder dat de DVZ noch het CGVS dat ooit voordien gedaan hadden) , en hem ter zitting (voor het eerst) te vragen werd wat hij daarop als verweer te zeggen heeft, staat de door verweerster gepleegde inbreuk op artikel 6.3 E.V.R.M. vast. Tevens houdt de beslissing van verweerster een schending in van artikel 14 van het BUPO Verdrag. Artikel 14 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten New York, 19 december 1966 (Wet van 15.5.81 - BS, 6.VII.1983). 1. Allen zijn gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet ingestelde rechterlijke instantie. De terechtzitting kan geheel of ten dele met gesloten deuren plaatsvinden, hetzij in het belang van de goede zeden, de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, hetzij wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit vereist, hetzij voorzover de rechter dit strikt noodzakelijk acht op grond van de overweging, dat een openbare behandeling het belang van de rechtspraak zou schaden; evenwel zal elk vonnis dat wordt gewezen in een strafrechtelijk of burgerrechtelijk geding openbaar zijn, tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of de voogdij over kinderen betreft. XIV-29.911-13/20 2. Een ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. 3. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervol- ging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:
- a)onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldi- ging;
- b)te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman; Schending van het vermoeden van onschuld: Verweerster besloot dat verzoeker zou vallen onder de uitsluitingsgrond van artikel 55/2 Vw. en kwam tot deze conclusie op basis van 'algemene informatie' waarnaar zij verwijst. Blz. 7 beslissing verweerster: "Verzoekers positie als udw amil, ("active member" of "volwaardig lid") houdt volgens publieke informatie in dat hij behoorde tot een zeer select gezelschap binnen de Baath waarvoor hij zijn loyaliteit aan het bewind nadrukkelijk diende te hebben bewezen, bijvoorbeeld in het verschaffen van gevoelige informatie aan veiligheids- en inlichtingendiensten... Dezelfde publieke informatie stelt dat vanaf de positie van "kandidaat-lid", en a fortiori “volwaardig lid" (udw amil) betrokkenheid bij schending van mensenrechten geenszins kan worden uitgesloten. Uit de informatie in het administratief dossier aangaande de behandeling van deserteurs en uit publieke mensenrechtenverslagen en internationale rapporten blijkt dat het Iraakse regime onder Saddam Hoessein zich met behulp van de Baath en de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan een stelselmatige aanval tegen de burgerbevolking (UNHCR, ... ) Verzoekers vrijwillige en actieve medewerking met de Baath en aanverwante organisaties als het Volksleger en het Leger van Jeruzalem , evenals zijn medewerking met de veiligheids- en inlichtingendiensten, waarbij hij huiszoe- kingen uitvoerde, deserteurs opspoorde , rapporteerde over personen,-, dienen, binnen de Iraakse context zoals beschreven in bovenvermelde publieke rapporten, te worden gekwalificeerd als het leveren van een substantiële bijdrage aan misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof” Het kan uiteraard niet zijn dat verweerster op basis van "algemene informatie" veronderstellingen gaat maken dat verzoeker -die eveneens lid was van de Baath partij- eveneens schendingen zou gepleegd hebben tegen de menselijkheid ; en dit enkel en alleen omdat hij een 'actief lid' (udw amil) is geweest en het 'algemeen geweten is' dat het Iraakse regime onder Saddam Hoessein zich met behulp van de Baath en de veiligheidsdiensten schuldig maakte aan inbreuken tegen de menselijkheid. Nergens in het administratieve dossier blijkt dat er specifiek onderzoek werd gevoerd naar het al of niet schendingen te hebben gepleegd tegen de menselijk- heid door verzoeker persoonlijk. Noch door de DVZ , noch door het CGVS werden hiertoe ooit vragen gesteld aan verzoeker; laat staan dat verzoeker ooit bekentenissen desbetreffend zou hebben gedaan, integendeel. Verweerster kon onmogelijk tot een dergelijke, bijzonder verstrekkende conclusie komen, terwijl nergens in het administratieve dossier ook maar één element er in concreto op wijst dat verzoeker persoonlijk ooit één feit zou gepleegd hebben dat kan worden gekatalogeerd als zijnde een inbreuk tegen de menselijkheid. Hiervoor hadden minstens bijkomende onderzoekshandelingen kunnen en dienen te worden gevoerd. XIV-29.911-14/20 Verzoeker had minstens apart dienen te worden gehoord desbetreffend ; het CGVS had bijkomende informatie kánnen en móeten inwinnen bij de Iraakse autoriteiten om te weten of verzoeker al dan niet in Irak persoonlijk gekend is voor inbreuken tegen de menselijkheid en/of hij thans of ooit tevoren werd vervolgd wegens dergelijke feiten ; het CGVS had bijv. getuigenissen kunnen verzamelen van Iraakse burgers die stellen het slachtoffer te zijn geweest van verzoekers zgz. schendingen tegen de menselijkheid etc. etc. Niets van dit alles ! Door geen bijkomend, apart onderzoek te voeren naar het feit of verzoeker persoonlijk al dan niet inbreuken tegen de menselijkheid heeft gepleegd, doch zich louter op algemene informatie te baseren om daaruit foutieve conclusies te trekken in hoofde van (lastens) verzoeker persoonlijk, schendt verweerster het vermoeden van onschuld. Het vermoeden van onschuld vloeit voort uit het algemeen beginsel van het recht van verdediging waarvan het een essentieel aspect is. Artikel 6.2 E.V.R.M. omschrijft het beginsel ervan in duidelijke bewoordingen: "eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt." Doordat de beslissing van verweerster gebaseerd is op veronderstellingen en vermoedens, en geenszins op concrete bewijzen, schendt deze op flagrante wijze artikel 6.2 E.V.R.M. Schending van artikel 39/76 Vw. en van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand tegelijk rechter en partij kan zijn. Verweerster heeft geen eigen onderzoeksbevoegdheid. In casu ontbraken essentiële elementen in het dossier om te kunnen komen tot de bijzonder verregaande conclusie die door verweerster werd aangenomen, m.n. dat verzoeker inbreuken tegen de menselijkheid zou hebben gepleegd. In dit geval (in de huidige stand van het geding) had verweerster, na vernietiging van de beslissing van het CGVS, minstens het dossier dienen terug te verwijzen naar het CGVS met het oog op een aanvullend onderzoek. Verweerster heeft dit ten onrechte niet gedaan, doch heeft gehandeld alsof zij een eigen onderzoeksbevoegdheid zou hebben, hetgeen niet strookt met de bewoordingen van de Vreemdelingenwet noch met de parlementaire voorberei- dingen. (Parl.St. Kamer 2005-06, nr. 2478/008, 274). Verweerster schendt daardoor artikel 39/76 Vw. alsook het algemeen rechtsbe- ginsel dat niemand rechter en partij kan zijn. Verweerster speelde in dit dossier de rol van Openbaar Ministerie, door volledig op eigen houtje een eigen zgz. onderzoek te voeren -zonder dat hiertoe het CGVS of de DVZ ooit een vraag hadden gesteld of ooit maar enige opmerking in die zin hadden gemaakt- naar vermeende schendingen tegen de menselijkheid door verzoeker; om vervolgens tegelijk rechter te spelen en deze eigen gevonden bevindingen voor waarheid aan te nemen en verzoeker te 'veroordelen'. Dit is niet ernstig en kan uiteraard niet worden aanvaard.”; XIV-29.911-15/20 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “2.1 In het eerste en enige middel roept verzoeker de schending in van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Fundamentele Rechten en Vrijheden, artikel 14.1 van het BUPO verdrag , het algemeen rechtsbeginsel dat niemand tegelijkertijd rechter en partij kan zijn, de rechten van verdediging en een schending van artikel 39/76 § 2 van de Vreemdelingenwet. 2.1.1 Verzoeker stelt dat hem noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch op het Commissariaat-generaal nooit enige vraag werd gesteld omtrent feiten van misdrijven tegen de mensenlijkheid of de mogelijke betrokkenheid van verzoeker bij dergelijke misdrijven en tijdens de zitting voor het eerst deze uitsluitingsgrond werd opgeworpen. Verweerder antwoordt dat Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over volle rechtsmacht beschikt. Verweerder stelt vast dat artikel 39/2, §, al. 2, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen preciseert dat de Raad “de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen of hervormen”. Een dergelijke hervormingsbevoegdheid kan men ontegensprekelijk analyseren als zijnde een volheid van rechtsmacht. Verweerder wijst er verder op dat verzoeker reeds tijdens de gehoren voor het Commissariaat-generaal werd gevraagd naar verzoekers activiteiten binnen de Baath- partij en andere organisaties. Dat uit verzoekers verklaringen aldaar blijkt hij vrijwillig lid was van deze organisaties en actief was binnen deze organisaties. 2.1.2 Aangaande de opgeworpen schending van de rechten van verdediging antwoordt verweerder dat de verzoeker op de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwisting- en op 11 oktober 2007 is gehoord en dat het standpunt van de verzoekende partij in de bestreden beslissing wordt weergegeven; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat hij niet de kans heeft gehad zijn visie uiteen te zetten waardoor de rechten van de verdediging zouden zijn geschonden; dat het middel ongegrond is (06-13013, Rusland, R.v.St. nr. 1000 van 26 juli 2007). 2.1.3 Verzoekers opmerking dat hij zich niet kon wapen tegen de uitsluitingsgrond mist feitelijke grondslag. Verzoeker dient immers op de hoogte te zijn van artikelen 55/2 en 55/4 van de Vreemdelingenwet. Temeer omdat verzoeker in het kader van zijn asielprocedure steeds heeft volgehouden dat een actief medewerker was binnen de Baath partij en in een dienst zat die onder leiding stond van “Chemie Ali”. Dat verzoeker tijdens zijn gehoren stelde dat hij lid was van de veiligheidscel van de Baath- partij, verzoeker met geweld arrestaties uitvoerde, verdachten in de gaten hield, leider was van een trainingskamp en de oorlog voorbereidde. Dat al deze elementen reeds aanwezig waren in het dossier voor de zitting op 11 oktober 2007. Verzoeker weet dat dient te worden onderzocht of hij, gezien zijn lidmaatschap van de veiligheidsdienst niet valt onder artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet juncto artikel 1, F
(1), van de Conventie van Genève. Luidens deze artikelen wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij wetens en willens heeft aangezet tot of anderszins deelgenomen aan een misdrijf tegen de menselijkheid, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot dit misdrijf in het leven te roepen. In casu kan worden verwezen naar artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof, dat omschrijft wat onder misdrijven tegen de menselijkheid dient te worden verstaan. Opdat er daadwerkelijk sprake kan zijn van misdrijven tegen de menselijkheid moeten de handelingen deel uitmaken van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking krachtens artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof. Opdat er van deelneming aan zulk misdrijf sprake kan zijn, moet de vreemdeling individuele verantwoordelijkheid treffen, hetgeen inhoudt dat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf, wetende dat zijn handelen het misdrijf vergemakkelijkte (UNHCR, Guidelines on international XIV-29.911-16/20 Protection: Application of the Exclusion Clauses: Article 1F of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees, 2003, p.6; RvV nr. 1255 van 17 augustus 2007). 2.1.4 In zoverre verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, antwoordt verzoeker dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op betwistingen in verband met de toegang, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen. 2.1.5 Verzoeker meent dat artikel 14.1 BUPO is geschonden maar werkt dit niet uit. Verzoeker verwijst enkel naar het artikel zonder uitéén te zetten waaruit de schending zou bestaan. 2.1.6 Verzoeker stelt dat nergens een specifiek onderzoek werd gevoerd naar het al of niet schendingen te hebben gepleegd tegen de menselijkheid door verzoeker persoonlijk. Verweerder antwoordt dat verzoeker zelf heeft verklaard welke activiteiten hij in Irak uitvoerde. Verweerder herhaalt dat verzoeker onder meer verklaarde dat hij een actief medewerker was binnen de Baath partij en in een dienst zat die onder leiding stond van “Chemie Ali”. Hij stelde dat hij lid was van de veiligheidscel van de Baath-partij, hij met geweld arrestaties uitvoerde, verdachten in de gaten hield, leider was van een trainingskamp, de oorlog voorbereidde enzovoort. Verzoeker zich dus in het verleden zowel rechtstreeks (dader) als onrechtstreeks (opdrachtgever) heeft bezondigd aan misdaden tegen de menselijkheid zoals omschreven in artikel 7 van het Statuut van Rome, aangezien verzoeker handelde met kennis van zaken omtrent het doen en laten van de Iraakse inlichtigen- en veiligheidsdiensten onder Saddam Hussein in het algemeen en de eigen daden in het bijzonder, aangezien vermoedens of ernstige aanwijzingen terzake reeds afdoende zijn. 2.1.7 Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gehandeld alsof zij een onderzoeksbevoegdheid had om tot haar conclusies te komen. Verweerder antwoordt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de beslissing van de commissaris-generaal heeft hervormd en zich daarbij gebaseerd op de verklaringen die verzoeker in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd. Verweerder antwoordt voorts dat volgens vaste rechtspraak van de Raad van State een rechter zijn beslissing steeds kan steunen op inlichtingen vervat in voor iedereen toegankelijke informatie zonder deze vooraf bij het dossier te moeten voegen (R.v.St., nr. 171.464, 23 mei 2007; R.v.St., nr. 132.008, 3 juni 2004; R.v.St., nr. 120.724, 18 juni 2003; R.v.St., nr. 89471, 31 augustus 2000). Bijgevolg neemt het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbevoegdheid meer heeft niet weg dat de feitelijke elementen die de partijen aanbrengen door de rechter getoetst kunnen worden aan bronnen van algemene bekendheid. Het eerste en enige middel is ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal de middelen uiteengezet in het inleidend verzoekschrift herhaalt, en nogmaals benadrukt dat hij ter zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “totaal onverwacht en pas voor het eerst in de gehele asielprocedure, plotseling geconfronteerd (werd) met het gegeven dat er toepassing zou worden gemaakt van artikel 55/2 Vw” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hem “helemaal géén tijd, laat staan enige faciliteiten heeft gegeven om zijn verdediging voor te bereiden; hetzij zich te kunnen verstaan met zijn eigen raadsman”; XIV-29.911-17/20 2.
- Overwegende dat artikel 6 van het E.V.R.M. en artikel 14 van het B.U.P.O. in deze niet van toepassing zijn daar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten en verplichtingen, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat de uiteenzetting onder “Vrees voor vervolging in de zin van de conventie van Genève dd. 28/07/1951 + reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet (subsidiaire bescherming)” ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van voormeld verdrag en voormelde wetsbepaling beantwoordt en niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat de Raad immers geen tweede instantiegerecht is dat de zaak opnieuw ten gronde onderzoekt, doch als administratieve cassatierechter enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen mag nagaan; dat luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat zowel blijkens het verslag van de zitting, als blijkens de motivering van de bestreden beslissing verzoeker ter zitting uitdrukkelijk werd geconfronteerd met de mogelijke toepassing van artikel 1, (F), van het Vluchtelingenverdrag; dat in zoverre wordt aangevoerd dat verzoeker ter zitting niet “een volwaardige mogelijkheid had (...) om zich op de opgeworpen uitsluitingsgrond te kunnen verdedigen”, het middel niet in aanmerking kan worden genomen, daar werd nagelaten dit bezwaar te gelegener tijd voor de feitenrechter te laten gelden; dat uit geen enkel dossierstuk kan worden afgeleid dat de opgeworpen uitsluitingsgrond aanleiding zou zijn geweest tot een opmerking of voorbehoud vanwege verzoeker, laat staan dat hij om uitstel van de behandeling van de zaak zou hebben gevraagd om zich omtrent deze opgeworpen uitsluitingsgrond nader te kunnen verdedigen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, nadat zij hem geconfronteerd had met de mogelijke toepassing van de uitsluitingsclausule, geenszins verplicht is ambtshalve de debatten te heropenen, temeer daar -in tegenstelling tot hetgeen hij voorhoudt- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er reeds in zijn beslissing van 26 juli 2007 op had gewezen “dat het onmogelijk is om een concreet beeld te vormen van (zijn) activiteiten in het verleden, van (zijn) positie of situatie in Irak en van het eventueel van toepassing zijn van de uitsluitingsclausule”; dat zo artikel 1, (F), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 met de grootste omzichtigheid moet worden toegepast, voor de toepassing ervan evenwel niet is vereist dat formeel wordt bewezen dat de betrokkene zich aan een misdrijf heeft schuldig gemaakt, doch het luidens de tekst van voormeld Verdrag volstaat dat “er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een (dergelijk) misdrijf heeft begaan”; dat, zoals in de bestreden beslissing bovendien terecht wordt opgemerkt, de uitsluitingsclausule niet enkel directe daders van dergelijke XIV-29.911-18/20 misdrijven betreft maar ook medeplichtigen, voor zover deze hebben gehandeld met kennis van de praktijken en geen enkele omstandigheid hen van hun individuele verantwoordelijk- heid vrijstelt; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet beperkt tot een verwijzing naar algemene informatie in verband met de veiligheidsdiensten van Saddam Hoessein en tot verzoekers werkzaamhe- den voor de Baath, maar wordt terdege nader ingegaan op zijn individuele verantwoordelijk- heid voor misdrijven tegen de menselijkheid; dat terzake inzonderheid wordt overwogen, dat uit verzoekers omschrijving van zijn daden dient afgeleid te worden dat hij een loyale en actieve medewerker was van de Baath en als udw amil (volwaardig lid) behoorde tot het hogere middenkader, hetgeen tevens aangetoond wordt door zijn actieve inzet en betrokkenheid voor het “Leger van Jeruzalem” waar hij de graad van luitenant-kolonel bekleedde, en dat hij zelfs tot na de val van het regime in 2003 een trouwe en loyale aanhanger bleef aangezien hij belangrijke dossiers toevertrouwd kreeg die hij meenam naar huis en vernietigde om te verhinderen dat deze in handen van de Amerikanen vielen; dat verzoeker de informatie aangehaald uit zogenaamde “publieke bronnen” niet betwist; dat het oordeel houdende dat verzoekers medewerking aan het regime dient te worden gekwalifi- ceerd als het leveren van een substantiële persoonlijke bijdrage aan misdrijven tegen de menselijkheid in de zin van artikel 7 van het Statuut van Rome van 17 juli 1998 inzake het Internationaal Strafhof behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrech- ter; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt deze beoordeling over te doen; dat uit artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet volgt dat door het hoger beroep tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak in haar geheel voor een nieuwe beoordeling aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt voorgelegd; dat deze volle rechtsmacht bezit, hetgeen, onder meer, impliceert dat zij niet in het minst gebonden is door de eerdere weigeringsmotieven, doch op eigen grond(en) uitspraak vermag te doen; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich dan ook, na confrontatie van verzoeker met de mogelijke toepassing van een uitsluitingsgrond, haar beslissing kon steunen op voormelde uitsluiting; dat verzoeker voor het overige nalaat te verduidelijken welke essentiële elementen ontbraken om te kunnen besluiten dat hij inbreuken tegen de menselijkheid zou hebben gepleegd; dat de middelen in de mate ze ontvankelijk zijn, niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. XIV-29.911-19/20 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.911-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div