← België

Arrest 186918 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.918 Rolnummer: A. 186071/XIV-30008 Zaak: Arrest 186918 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.918 van 8 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.918 van 8 oktober 2008 in de zaak A. 186.071/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat E. SCHOUTEN, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 55 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 29 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 29 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij hem de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1885 van 15 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; XIV-30.008-1/27 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. SCHOUTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Afghaanse nationaliteit, komt op 16 juli 2003 België binnen en vraagt op 11 april 2007 voor de vijfde keer om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 6 augustus 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 21 augustus 2007 hoger beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Op de zitting van 17 oktober 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat J. CALLEWAERT loco Advocaat E. SCHOUTEN, gehoord. 1.
  7. Op 29 oktober 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de thans bestreden beslissing, waarbij aan verzoeker de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “
  8. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  9. Verzoeker die volgens zijn verklaringen België binnenkwam op 16 juli 2007, verklaart er zich een eerste keer vluchteling op 16 juli
  10. Op 5 november 2003 werd deze asielaanvraag door de Dienst Vreemdelingenzaken onontvankelijk verklaard. Op XIV-30.008-2/27 23 augustus 2004 verklaarde verzoeker zich een tweede keer vluchteling. Op 22 november 2004 betekende het Commissariaat-generaal hem een bevestigende beslissing van weigering van verblijf wegens de bedrieglijkheid van zijn asielmotieven. Verzoeker diende een derde asielaanvraag in op 13 december 2005, dewelke op 23 februari 2006 door het Commissariaat-generaal werd verworpen wegens de ongegrondheid van de aangebrachte elementen. Op 23 oktober 2006 verklaarde hij zich een vierde keer vluchteling. Deze aanvraag werd door de Dienst Vreemdelingenzaken niet in overweging genomen. Verzoeker vroeg voor de vijfde keer asiel aan op 11 april
  11. 1.
  12. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwerpt verzoekers vijfde asielaanvraag bij beslissing van 6 augustus 2007, verstuurd op 7 augustus
  13. 1.
  14. De feiten aan de basis van verzoekers asielaanvraag kunnen als volgt worden samengevat: verzoeker verklaart geen nieuwe elementen ter ondersteuning van zijn asielrelaas in te roepen. Hij stelt dat de problemen die hij uiteenzette tijdens eerdere asielprocedures nog steeds actueel zijn. Ook vraagt hij de subsidiaire beschermingsstatus aan. 1.
  15. De bestreden beslissing stelt vast dat verzoeker er niet in geslaagd is zijn vrees voor vervolging in de zin van het vluchtelingenverdrag of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de subsidiaire bescherming aannemelijk te maken en baseert zich daarvoor op volgende gronden:
  16. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  17. De bestreden beslissing stelt in eerste instantie vast dat verzoekers eerdere asielaanvragen allemaal werden afgewezen. Verzoeker brengt naar aanleiding van zijn vijfde asielaanvraag geen nieuw element aan dat een ander licht zou kunnen werpen op zijn asielmotieven. 2.
  18. Verzoeker weerlegt dit motief geenszins zodat het derhalve gehandhaafd blijft. Om deze reden kan in hoofde van de verzoekende partij geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A

(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, in aanmerking worden genomen. 3.1. In een eerste middel afgeleid uit de schending van artikel 48/4 van de Vreemde- lingenwet stelt verzoeker dat er een gewapend conflict is waarbij sprake is van willekeurig geweld en van een reëel risico en meent dat er aldus aan de drie voorwaarden tot toekenning van de subsidiaire bescherming is voldaan. Verzoeker meent dat de Commissaris-generaal een voorwaarde toevoegt aan de wet door een groot aantal doden en een hoog statistisch risico te vereisen. 3.2. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij niet betwist dat er in de provincie Nangarhar een gewapend conflict aan de gang is maar voegt er aan toe dat het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld laag is gelet op de grootte van de provincie samen met het aantal inwoners in verhou- ding tot het aantal burgerslachtoffers. Zo concludeert de bestreden beslissing dat uitgaand van een berekening van de geschatte oppervlakte van de provincie Nangarhar (7.700 km²) en het geschatte bevolkingsaantal van de provincie, (1,3 miljoen inwoners) het aantal burger- slachtoffers (in de periode januari-mei 2007 vielen ruim geschat 106 burger- slachtoffers) als gevolg van willekeurig geweld in de context van dit gewapend conflict laag is. Zij meent hieruit vervolgens te moeten besluiten dat het risico voor burgers om slachtoffer te worden van willekeurig geweld te beperkt is om te kunnen spreken van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 § 2, c van de Vreemdelingenwet. De Raad stelt vast dat men zich ernstige vragen kan stellen omtrent de methode die verwerende partij hanteert om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend conflict te evalueren minstens omtrent de juistheid van de door haar gehanteerde cijfers over het aantal gerapporteerde slachtoffers. Zo werd met betrekking tot de oppervlakte van voornoemde provincie de totaliteit ervan inclusief de talloze onbewoonde gebieden als uitgangspunt XIV-30.008-3/27 genomen en heeft men zich als zodanig niet louter beperkt tot de bewoonde gebieden. Met betrekking tot de bevolking kan worden vastgesteld dat in de voetnoot van het vermelde antwoorddocument uitdrukkelijk vermeld staat dat er geen rekening werd gehouden met de nomaden die toch ook burgers zijn. Het antwoorddocument geeft zelf aan dat CEDOCA geenszins claimt dat de telling omtrent het aantal slachtoffers volledig is. Volgens de Uppsala Conflict Database, geciteerd in het document, waren er in 2006 tussen de 3079 en 4208 doden. Klaarblijkelijk wordt er dus al rekening gehouden met een foutmarge van 30% daar waar algemeen geweten is dat in dergelijke situaties de foutmarge veel hoger kan liggen. De door CEDOCA gehanteerde cijfers komen onder meer van overheidsinstanties, ngo’s en andere bronnen. Uit publieke informatie blijkt echter dat de Afghaanse staat momenteel onbekwaam is om een volledige en effectieve controle over het grondgebied te waarborgen alsook dat ngo’s uit veiligheidsoverwegingen hun personeel uit bepaalde gebieden terugtrekken. Deze vaststelling roept bijgevolg twijfels op met betrekking tot de exactheid van het door overheid en ngo’s aangebrachte cijfermateriaal. Het voormelde antwoorddocument van CEDOCA verwijst voorts naar het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties uitgebracht in september 2006 alsook naar een rapport van de Secretaris-Generaal van 15 maart 2007 om te kunnen besluiten dat de kern van het conflict nog steeds in het zuiden en het zuidoosten gelegen is, er in het noorden weliswaar criminaliteit en banditisme voorkomen maar men niet kan stellen dat de toestand daar noemens- waardig verslechterd is. Tenslotte stelt dit document ook nog dat wat betreft het zwaartepunt van het conflict en geografische spreiding van de aan de insurgency gerelateerde incidenten er in 2007 vooralsnog geen grote wijziging blijkt te zijn. De Raad stelt vast dat het ondertussen nieuw verschenen rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 21 september 2007 wijst op een aanzienlijke toename van het conflict in (de eerste helft van) 2007. Zo merkt het rapport op dat het aantal terroristische en andere aanslagen met 20 % is gestegen ten opzichte van 2006. Zo werden er gemiddeld 548 incidenten per maand gerapporteerd in 2007 ten opzichte van 425 in 2006. Daar waar 76% van de zelfmoordaanslagen gericht waren tegen Afghaanse en internationale troepen waren de slachtoffers in hoofdzaak burgerslachtoffers (143 burgerslachtoffers werden gedood in zelfmoordaanslagen tussen januari 2007 en augustus 2007). De Verenigde Naties hebben 78 districten in Afghanistan als extreem riskant ingeschat; deze zijn daartoe ontoegankelijk voor de VN. 3.4. In een tweede middel afgeleid uit een schending van de motiveringsverplichting, voert verzoeker aan dat gelet op de informatie waarop de motivatie van de bestreden beslissing is gebaseerd deze had moeten besluiten tot een toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. 3.5. De Raad stelt vast dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Het UNCHR heeft lijsten opgesteld met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district. UNHCR heeft deze lijst met “onveilige” districten opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria waaronder: hevige voortduren- de of onderbroken gevechten tussen opstandelingen enerzijds en coalitie- en regeringstroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid (vrije vertaling). UNHCR stelt verder dat als één of meerdere van deze criteria gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd er dan bijkomende bescherming zou moeten verleend worden aan personen die van daar afkomstig zijn. Deze lijsten kunnen dan ook XIV-30.008-4/27 beschouwd worden als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker is afkomstig uit het district Achin in de provincie Nangarhar; dit district komt niet voor op de lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is. Het door verzoekende partij neergelegde document van de Groupe de Recherche et d’Information sur la paix et la sécurité doet aan deze conclusie geen afbreuk. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBE- TWISTINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van het artikel 39/2 en 39/65 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Teksten Tekst artikel 39/2: "§ 1. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten, op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Raad kan : l/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen; 2/ de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. In afwijking van het tweede lid, staat tegen de in artikel 57/6, eerste lid, 2/ bedoelde beslissing enkel het in § 2 bepaalde annulatieberoep open. § 2. De Raad doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht." Tekst artikel 39/65: "De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie." Het administratief dossier waarop de bestreden beslissing zich gebaseerd heeft bevat onjuiste informatie. Verzoekende partij heeft hiervan het bewijs neergelegd door het rapport van de GRIP neer te leggen. Dit rapport werd niet uit de debatten geweerd, met als motivering: "Het door verzoekende partij neergelegde document van de Groupe de Recherche et d'information sur la paix et la sécurité doet aan deze conclusie geen afbreuk." De bestreden beslissing geeft nochtans zelf toe dat de elementen van het administratief dossier onjuist zijn (en dat is precies wat het rapport van de GRIP ook stelde), daar waar zij stelt: "De Raad stelt vast dat men zich ernstige vragen kan stellen omtrent de methode die verwerende partij hanteert om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend XIV-30.008-5/27 conflict te evalueren minstens omtrent de juistheid van de door haar gehanteerde cijfers over het aantal gerapporteerde slachtoffers. Zo werd met betrekking tot de oppervlakte van voornoemde provincie de totaliteit ervan inclusief de talloze onbewoonde gebieden als uitgangspunt genomen en heeft men zich als zodanig niet louter beperkt tot de bewoonde gebieden. Met betrekking tot de bevolking kan worden vastgesteld dat inde voetnoot van het vermelde antwoorddocu- ment uitdrukkelijk vermeld staat dat er geen rekening werd gehouden met de nomaden die toch ook burgers zijn. het antwoorddocument geeft zelf aan dat CEDOCA geenszins claimt dat de telling omtrent het aantal slachtoffers volledig is. Volgens de Uppsala Conflict Database, geciteerd in het document, waren er in 2006 tussen de 3079 en 4208 doden. Klaarblijkelijk wordt er dus al rekening gehouden met een foutmarge van 30% daar waar algemeen geweten is dat in dergelijke situaties de foutmarge veel hoger kan liggen. De door CEDOCA gehanteerde cijfers komen onder meer van overheidsinstan- ties, ngo's en andere bronnen. Uit publieke informatie blijkt echter dat de Afghaanse staat momenteel onbekwaam is om een volledige en effectieve controle over het grondgebied te waarborgen alsook dat ngo's uit veiligheidsoverwegingen hun personeel uit bepaalde gebieden terugtrekken. Deze vaststelling roept bijgevolg twijfels op met betrekking tot de exactheid van het door overheid en ngo's aangebrachte cijfermateriaal. Het voormelde-antwoorddocument van CEDOCA verwijst voorts naar het rapport van de door Secretaris-generaal van de Verenigde Naties uitgebracht in september 2006 alsook naar een rapport van de Secretaris-generaal van 15 maart 2007 om te kunnen besluiten dat de kern van het conflict nog steeds in het zuiden en het zuid-oosten gelegen is, er in het noorden weliswaar criminaliteit en banditisme voorkomen maar men niet kan stellen dat de toestand daar noemenswaardig verslechterd is. Tenslotte stelt dit document ook nog dat wat betreft het zwaartepunt van het conflict en geografische spreiding van de aan de insurgency gerelateerde incidenten er in 2007 vooralsnog geen grote wijziging blijkt te zijn. De Raad stelt vast dat het ondertussen nieuw verschenen rapport van de Secretaris- Generaal van de Verenigde Naties van 27 september 2007 wijst op een aanzienlijke toename van het conflict in (de eerste helft van) 2007. Zo merkt het rapport op dat het aantal terroristische en andere aanslagen met 20% is gestegen ten opzichte van 2006. Zo werden er gemiddeld 548 incidenten per maand gerapporteerd in 2007 ten opzichte van 425 in 2006. Daar waar 76% van de zelfmoordaanslagen gericht waren tegen Afghaanse en internationale troepen waren tegen Afghaanse en internationale troepen waren de slachtoffers in hoofdzaak burgerslachtoffers (143 burgerslachtoffers werden gedood in zelfmoordaanslagen tussen januari 2007 en augustus 2007). De Verenigde Naties hebben 78 districten in Afghanistan als extreem riskant ingeschat, deze zijn daartoe ontoegankelijk voor de VN." De bestreden beslissing trekt nochtans niet de logische conclusie uit deze gehele uiteenzetting, met name de geappelleerde beslissing te vernietigen en het dossier terug te zenden naar het CGVS, aangezien er blijkbaar duidelijk nood was aan bijkomend onderzoek volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, daar zij de informatie van het CGVS als niet correct beoordeelde. Gezien artikel 39/2 van de wet van 15.12.1980, was dit nochtans de logische conclusie geweest. XIV-30.008-6/27 Ook in de rechtsleer wordt dit bevestigd: L'absence de pouvoir d'instruction du Conseil du Contentieux des étrangers est affirmée explicitement dans l'exposé des motifs de la loi. En revanche, elle n'est énoncée dans la loi que de manière implicite. Elle se déduit essentiellement de l'abrogation des actuels article 57/15 et 57/21 de la loi et de la procédure d'annulation prévue par le nouvel article 39/2, § 1er, alinéa 2,2/: le CCE peut « annuler la décision attaquée (...) parce qu'il manque des éléments essentiels qui impliquent que le Conseil ne peut conclure à la confirmation ou à la réformation visée au 1/ sans qu'il soit procédé à des mesures d'instruction complémentaires. Autrement dit, si une mesure d'instruction complémen- taire est nécessaire, le CCE ne peut la réaliser lui-même. (...) Vrije vertaling : De afwezigheid van een onderzoeksbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen wordt expliciet bevestigd in de memorie van toelichting van de wet. Daarentegen wordt zij in de wet slechts op impliciete wijze vernoemd. Zij wordt voornamelijk afgeleid uit de afschaffing van de artikelen 57/15 en 57/21 van de wet en uit de procedure tot nietigverklaring voorzien in het nieuwe artikel 39/2, §l, alinea 2, 2/: de RW kan "de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen hetzij omdat aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad niet kan komen tot de in 1/ bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moetenbevelen". Anders gezegd, als er een bijkomende onderzoeksmaatregel noodzakelijk is, kan de RW deze niet zelf uitvoeren. Er dient tevens verwezen te worden naar de memorie van toelichting van de wet waarin letterlijk gesteld wordt (Doc.51 2479/001, zie stuk 2): "De uitoefening van deze bevoegdheid van volle rechtsmacht geschiedt uitsluitend op basis van het rechtsplegingsdossier- i.e. het administratief dossier waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gesteund om tot de aangevochten beslissing te komen, te samen met de procedurestukken (i.e. het verzoekschrift incl. de er bij gevoegde bijlagen; de nota van de verwerende partij; in voorkomend het aanvullend schriftelijk verslag en de replieknota bedoeld in artikel 39/76, §1, eerste lid)- en van de nieuwe gegevens die overeenkomstig artikel 39/76, § 1, op ontvankelijke wijze bij het onderzoek mogen worden betrokken. De Raad heeft voorts geen eigen onderzoeksbevoegdheid. (...) In de tweede plaats zou het kunnen voorvallen dat in de gegevens waarop de Raad vermag acht te slaan (zie supra) essentiële elementen nodig voor het hervormen of bevestigen van de beslissing, ontbreken, die inhouden dat de Raad niet kan komen tot een gemotiveerde beslissing zonder dat aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe zouden moeten worden bevolen. Ook in dit geval kan de Raad, wegens het ontbreken van essentiële gegevens die inhouden dat hij zonder aanvullende onderzoeksmaatrege- len geen uitspraak kan doen over de grond van het geschil, het dossier "terugzenden" naar de commissaris-generaal ongeacht of diens beslissing al dan niet onwettig is. Technisch vertaalt dit "terugzenden" zich door een vernietiging. Dit houdt in dat de zaak opnieuw aanhangig is bij de CGVS die beslist met respect voor het gezag van gewijsde van de beslissing. De Raad belast zich derhalve niet met aanvullend onderzoek op straffe van anders buiten zijn door deze wet bepaalde bevoegdheden te gaan. Dit is vanzelfsprekend ingegeven door de bezorgdheid om de werklast van de Raad te verlichten, maar ook om een effectieve controle uit te oefenen op de wijze waarop de commissaris-generaal en zijn adjuncten de dossiers behandelen. De mogelijkheid tot "terugzending" is evenwel geen bevoegdheid die naar vrijheid van de Raad kan worden uitgeoefend. In de eerste plaats moet de Raad, op straffe van anders zijn toegewezen bevoegdheden te miskennen, onderzoeken of hij zijn volle rechtsmacht kan uitoefenen. Pas als hij vaststelt dat dit niet mogelijk is om één van beide limitatief bepaalde redenen, mag de Raad de bestreden beslissing vernietigen en XIV-30.008-7/27 het dossier derhalve "terugzenden". De motieven die deze uitzonderingsbevoegdheid rechtvaardigen zullen duidelijk uit de beslissing moeten blijken. Bovendien raakt de (miskenning) van deze bepalingen de bevoegdheid van de Raad. Die is van openbare orde en bij miskenning ervan kan een van de partijen in het geding tegen deze beslissing wegens miskenning van de van openbare orde zijnde bevoegdheidsregels, een voorziening in cassatie indienen." De hypothese aangehaald in de memorie van toelichting is toepasselijk op de bestreden beslissing in casu. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft duidelijk deze bepalingen miskend, door enerzijds vast te stellen dat de elementen waarop zij zich diende te baseren, foutief waren, en anderzijds de beslissing van het CGVS niet te vernietigen en terug te sturen en door bijkomend onderzoek te voeren, een bevoegdheid die zij niet heeft. (de Raad baseert zich immers op 'diverse' rapporten die zich niet in het administratief dossier bevinden, noch preciseert zij om welke rapporten het gaat.) Op p. 4 van de bestreden beslissing is immers te lezen dat: 'De Raad stelt vast dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten'. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 39/2 en 39/65 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.”; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.1 In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 39/2 en 39/65 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Verzoeker stelt dat het administratief dossier waarop de bestreden beslissing zich heeft gebaseerd onjuiste informatie bevat. De bestreden beslissing vermeldt immers, aldus de verzoekende partij, dat de elementen van het administratief dossier onjuist zijn. De verzoekende partij meent dit ook te hebben aangetoond door de neerlegging van het rapport van de GRIP, dat niet uit de debatten werd geweerd. Verzoeker wijst er op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich ernstige vragen stelde bij de methode die de verwerende partij hanteerde om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend conflict te evalueren. Samenvattend kan vastgesteld worden dat verzoeker van mening is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bepalingen inzake volle rechtsmacht heeft miskend, door enerzijds vast te stellen dat de elementen waarop zij zich diende te baseren, foutief waren, en anderzijds de beslissing van het CGVS niet te vernietigen en terug te sturen en door bijkomend onderzoek te voeren, een bevoegdheid die zij niet heeft. De Raad baseerde zich op “diverse” rapporten, die zich niet in het administratief dossier bevinden, noch preciseert zij om welke rapporten het gaat. - In hoofdorde is het middel niet ontvankelijk. In zoverre de verzoekende partij aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich bij de beoordeling van de veiligheidssituatie in Afghanistan zou hebben gesteund op “elementen die foutief zijn”, in het bijzonder met betrekking tot het geweld en het aantal slachtoffers, is verweerder van oordeel dat de verzoekende partij aldus de feitelijke beoordeling van de zaak aanvecht terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden (beschikking R.v.St. nr. 2090 van 6 februari 2008). - In ondergeschikte orde is het middel ongegrond. - Verweerder benadrukt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de methode hekelde die het Commissariaat-generaal hanteerde om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend conflict te evalueren en bijgevolg ernstige XIV-30.008-8/27 vraagtekens plaatste met betrekking tot de exactheid van het door de overheid en de ngo’s aangebrachte cijfermateriaal. De Raad uitte echter geen twijfels over de juistheid van de overige informatie die werd aangebracht door Cedoca. In het antwoorddocument van Cedoca worden immers tal van andere parameters aangegeven om de frequentie en de intensiteit van de gewapende opstand, het type geweld en de gevolgen hiervan voor de burgers aan te geven in provincie X (dus niet alleen aantal burgerslachtoffers, maar ook aantal incidenten, de intensiteit ervan, de partijen in het conflict, de doelwitten in het conflict, zelfmoordaanslagen in burgerwijken, luchtbombardementen, IDPstromen en de aanwezigheid van voortdurende activiteiten van zowel AGE’s als van Afghaanse en internationale troepen). Het aantal burgerslachtoffers vormde slechts één facet van het verhaal om tot een correcte inschatting van het reëel risico te kunnen komen maar is geen absoluut en uitsluitend argument om de subsidiaire bescherming toe te kennen of te weigeren. De Raad plaatste vraagtekens bij de juistheid van deze cijfers, maar uitte geen verdere twijfels bij de overige objectieve elementen om tot een correcte evaluatie te komen van het reëel risico van burgers om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Deze (andere) indicatoren voor de beoordeling van het reëel risico werden immers in andere arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk als waardevol en objectief beschouwd (zie arresten van 23 augustus 2007 met nummers 1326 en 1327). Verzoeker vergist zich bijgevolg indien hij van oordeel is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen alle informatiebronnen die de Commissaris-generaal hanteerde ‘onjuist’ zouden zijn en er nood zou zijn geweest naar bijkomend onderzoek. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen achtte zichzelf immers voldoende ingelicht waardoor zij zich niet genoodzaakt zag om de beslissing van de Commissaris-generaal te vernietigen. Dit oordeel komt uitsluitend aan de feitenrechter toe. Deze beoordeling kan niet door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, worden overgedaan. - De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op basis van de informatiebronnen die zijn opgenomen in het door de Commissaris-generaal samengesteld dossier (waaronder de informatie van het UNHCR) besloten dat de veiligheidssituatie in verzoekers district Achin in de provincie Nangarhar niet zorgwekkend is, niettegen- staande het geweld in het algemeen is toegenomen. De situatie in Afghanistan verschilt immers sterk van regio tot regio en ook het UNHCR maakt dit onderscheid in haar advies. In het document van GRIP wordt de aandacht gevestigd op de problematische situatie in Afghanistan die aan een voortdurende evolutie is onderworpen, hetgeen noch door het Commissariaat-generaal, noch in het bestreden arrest wordt ontkend. Bovendien bekritiseert het document van GRIP enkele elementen en geeft het slechts een puur statistische analyse van het sterftecijfer in het algemeen weer, maar brengt dit document zelf geen concrete elementen aan om te stellen dat er geen reëel risico is. In die zin concludeerde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht in het bestreden arrest dat het document van GRIP geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoeker in het district Achin in de provincie Nangarhar geen reëel risico op ernstige schade zal lijden. Verzoeker heeft het door de Commissaris-generaal samengesteld dossier vóór de zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kunnen inkijken. - Integenstelling tot wat verzoekende partij beweert, heeft de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen in het geheel geen bijkomend onderzoek gevoerd (en was dit ook niet noodzakelijk), gezien in de beslissing van de Commissaris-generaal van 6 augustus 2007 wordt verwezen naar bepaalde rapporten die zich in het administratief dossier bevinden, onder meer met een lijst van het UNHCR, en dat ook in het bestreden arrest wordt verwezen naar een lijst van het UNHCR. Gezien de informatie in het administra- tief dossier en de standpunten die de partijen daarover voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen hebben ingenomen, kan niet worden gesteld dat het om informatie buiten het rechtsplegingsdossier gaat (beschikking R.v.St. nr. 2090 van 6 februari 2008). - Verweerder wijst er op dat de feitenrechter soeverein over de onafhankelijkheid, de juistheid en de betrouwbaarheid van de informatiebronnen oordeelt (R.v.St. nr. 136.692 van 26 oktober 2004; R.v.St. nr. 132.670 van 18 juni 2004 en R.v.St. nr. 130.463 van XIV-30.008-9/27 20 april 2004). Door te verwijzen naar de UNHCR-lijst (die is opgenomen in het administratief dossier van het Commissariaat-generaal) geeft de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen aan dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en wordt impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, verworpen (R.v.St. nr. 137.801 van 30 november 2004). Verweerder herhaalt niettemin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen twijfels uitte over de juistheid van de informatie die werd aangebracht door Cedoca, maar wel ernstige vraagtekens plaatste bij de methode die het Commissariaat-generaal hanteerde om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend conflict te evalueren. - Volledigheidshalve merkt verwerende partij op dat in het bestreden arrest op omstandige wijze wordt gemotiveerd waarom aan de verzoekende partij de status van vluchteling en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd, zodat aan de motiveringsplicht als vormvereiste in jurisdictionele beslissingen is voldaan. Het eerste middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt en als volgt repliceert op de memorie van antwoord van de verwerende partij: “1. Het aantal burgerslachtoffers dat gevallen is, is niet het enige element dat in rekening word genomen, doch wél een essentieel element. In die zin is artikel 39/2 van de wet van 15.12.1980 wel degelijk van toepassing. Het is een essentieel element aangezien het voor het CGVS één van de drie elementen is die dienen onderzocht te worden (gewapend conflict, willekeurig geweld en de derde voorwaarde, het reëel risico, waarbij net het aantal burgerslachtoffers een essentieel element is). Immers als men de beslissing van het CGVS erop naleest, staat hier het volgende te lezen: In totaal werden in de geraadpleegde bronnen voor de periode januari-mei 2007 ruim geschat 106 burgerslachtoffers gerapporteerd. Rekening houdend met de geschatte oppervlakte van 7.700 km2 en het geschatte bevolkingsaantal van 1,3 miljoen inwoners van de provincie Nangarhar, kan geconcludeerd worden dat het aantal burgerslachtof- fers als gevolg van willekeurig geweld in de context van dit gewapend conflict laag is en dat hoger vermelde vaststellingen aantonen dat er voor burgers op dit ogenblik in de provincie Nangarhar geen reëel risico op ernstige schade bestaat in de zin van art. 48/4 §2c van de Vreemdelingenwet. Bij lezing van de beslissing van het CGVS kan men afleiden dat het aantal burgerslacht- offers wel degelijk een essentieel element is om te bepalen of er sprake is van een reëel risico of niet. De verzoekende partij legde een stuk neer waaruit duidelijk bleek dat deze berekening van het aantal doden niet correct kon zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit erkend. Een essentieel onderdeel van deze informatie wordt bijgevolg door de Raad zelf betwist. Aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf geen onderzoeksbevoegdheid heeft om te onderzoeken wat dan wel het correcte cijfer zou zijn en aangezien dit een essentieel element was om te beoordelen of er een noodzaak was aan subsidiaire bescherming, had het dossier dienen teruggestuurd te worden. Als men de redenering van de verwerende partij in rekening neemt, met name dat er 'andere parameters' mee in rekening worden genomen, zoals het aantal incidenten, de intensiteit ervan, de partijen in het conflict, de doelwitten in het conflict, zelfmoordaan- slagen in burgerwijken, luchtbombardementen, IDPstromen en de aanwezigheid van voortdurende activiteiten van zowel AGE's als van Afghaanse en internationale troepen, XIV-30.008-10/27 zoals verwerende partij opnoemt, dient men het volgende vast te stellen in de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: 'De Raad stelt vast dat het ondertussen nieuw verschenen rapport van de Secretaris- generaal van de Verenigde Naties van 21 september 2007 wijst op een aanzienlijke toename van het conflict in (de eerste helft van) 2007. zo merkt het rapport op dat het aantal terroristische en andere aanslagen met 20% is gestegen ten opzichte van 2006. Zo werden er gemiddeld 548 incidenten per maand gerapporteerd in 2007 ten opzichte van 425 in 2006. daar waar 76% van de zelfmoordaanslagen gericht waren tegen Afghaanse en internationale troepen waren de slachtoffers in hoofdzaak burgerslachtof- fers (143 burgerslachtoffers werden gedood in zelfmoordaanslagen tussen januari 2007 en augustus 2007). De Verenigde Naties hebben 78 districten in Afghanistan als extreem riskant ingeschat, deze zijn daartoe ontoegankelijk voor de VN.' De elementen die hier opgesomd worden, met inachtneming van 'verschillende parameters' zoals de verwerende partij het noemt, tonen precies aan dat alle informatie waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aantoont dat de voorwaarden om de subsidiaire bescherming toe te kennen, voldaan zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft een soevereine appreciatiebevoegdheid wat de feiten betreft. Die appreciatie van de voorliggende feiten, leidt ertoe dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen toegeeft dat er: - sprake is van een gewapend conflict - sprake is van willekeurig geweld - sprake is een gestegen aantal burgerslachtoffers Men dient zich bijgevolg de vraag te stellen hoe deze appreciatie van de feiten kan leiden tot een weigering van de subsidiaire bescherming, zonder een schending te zijn van artikel 48/4 van de wet van 15.12.19 80. De verzoekende partij betwist niet de feiten. doch wél de wettelijke kwalificatie die aan deze feiten gegeven wordt. De Belgische wet stelt het volgende in artikel 48/4: § 1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden volt zoals bepaald in artikel 55/4.. § 2. Ernstige schade bestaat uit:
  1. a)doodstraf of executie; of,
  2. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
  3. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Alle elementen in het gehele administratieve dossier wijzen erop dat aan deze voorwaarden voldaan is. Men kan niet begrijpen om welke redenen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan toch oordeelt dat de subsidiaire bescherming dient geweigerd te worden. 2. Wat betreft de rapporten die worden ingeroepen door de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbewistingen maakt melding van een rapport van de Secretaris-generaal dat 'nieuw verschenen' is op 21 september 2007. Dit rapport maakt geen deel uit van het administratief dossier dat aan de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen werd overgelegd, aangezien de beslissing van het CGVS dateert van 6 augustus 2007. XIV-30.008-11/27 Evenmin kon hierover iets gesteld worden in de verweernota van het CGVS, aangezien deze dateert van 5 september 2007. Aangezien het hier een 'nieuw' element betrof dat niet onderworpen is geweest aan een tegensprekelijk debat tussen de partijen, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich hier niet op baseren, aangezien het geen stuk was dat hem voorgelegd werd door één van de partijen. Zelfs al oordeelt men dat de RW zich kan baseren op publieke stukken of algemeen bekende feiten, dient men in casu te oordelen dat een rapport van de Secretaris generaal van de VN geen algemeen bekend feit is. De verzoekende partij heeft zich niet op een nuttige wijze kunnen verweren tegen het stuk (of er zich op baseren, aangezien het in feite informatie bevat die de stelling van verzoekende partij alleen maar bevestigt). De verzoekende partij is niet op de hoogte gesteld geweest van het feit dat dit rapport zou ingeroepen worden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft hiermee bijkomend onderzoek gevoerd, een bevoegdheid die zij niet heeft, zoals reeds werd ingeroepen in de middelen in het verzoekschrift, met name daar waar een schending van artikel 39/2 van de wet van 15.12.1980 werd ingeroepen. Op basis van recente rechtspraak van Uw Hoge Raad dd. 25 januari 2008, in een arrest met nummer 178.960 (stuk l), die niet eerder kon ingeroepen worden aangezien het inleidend verzoekschrift dateert van 30 november 2007, waarbij een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt vernietigd door Uw Hoge Raad, net vanwege het feit dat de RVV zich beroept op informatie die niet werd voorgelegd in een tegensprekelijk debat aan partijen, en waarbij de verzoekende partij zich niet op een nuttige wijze heeft kunnen verweren met betrekking tot het stuk. Omwille van het feit dat het stuk essentieel was met betrekking tot de beoordeling van de subsidiaire bescherming, oordeelt de Raad van State dan ook dat hier de beslissing diende geannuleerd te worden en teruggestuurd te worden naar het CGVS, aangezien er nood was aan een bijkomend onderzoek dat de Raad niet zelf kon voeren. Dit is exact dezelfde situatie als bij de bestreden beslissing, op basis enerzijds van het nieuwe element door de verzoekende partij ingediend, namelijk het rapport van GRIP en anderzijds op basis van het nieuwe element door de RVV zelf ingeroepen. De bestreden beslissing schendt dan ook artikel 39/2 van de wet van 15.12.1980 en de rechtspraak van de Raad van State dd. 25 januari 2008.”; 2.1.4. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing aan verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd om volgende redenen: “De Raad stelt vast dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Het UNCHR heeft lijsten opgesteld met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district. UNHCR heeft deze lijst met “onveilige” districten opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria waaronder: hevige voortdurende of onderbro- ken gevechten tussen opstandelingen enerzijds en coalitie- en regeringstroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid (vrije vertaling). UNHCR stelt verder dat als één of meerdere van deze criteria gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd er dan bijkomende bescherming zou moeten verleend worden aan personen die van daar afkomstig zijn. Deze lijsten kunnen dan ook beschouwd worden als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker is afkomstig uit het XIV-30.008-12/27 district Achin in de provincie Nangarhar; dit district komt niet voor op de lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is. Het door verzoekende partij neergelegde document van de Groupe de Recherche et d’Information sur la paix et la sécurité doet aan deze conclusie geen afbreuk.”; dat aldus genoegzaam wordt gemotiveerd waarom aan verzoeker de subsidiaire bescher- mingsstatus wordt geweigerd; dat zo de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “zich ernstige vragen (stelt) omtrent de methode die de verwerende partij hanteert om het werkelijk aantal doden ten gevolge van het gewapend conflict te evalueren minstens omtrent de juistheid van de door haar gehanteerde cijfers over het aantal gerapporteerde slachtoffers”, dit omwille van de volgende redenen is: - het Commissariaat-generaal heeft zich niet louter beperkt tot de bewoonde gebieden maar heeft de totaliteit van de provincie Nangarhar, inclusief de talloze onbewoonde gebieden, als uitgangspunt genomen, - er werd geen rekening gehouden met de nomaden die ook burgers zijn, - CEDOCA claimt zelf geenszins dat de telling omtrent het aantal slachtoffers volledig is, - er wordt al rekening gehouden met een foutmarge van 30% daar waar algemeen geweten is dat in dergelijke situaties de foutmarge veel hoger kan liggen, - uit publieke informatie blijkt dat de Afghaanse staat momenteel onbekwaam is om een volledige en effectieve controle over het grondgebied te waarborgen alsook dat ngo’s uit veiligheidsoverwegingen hun personeel uit bepaalde gebieden terugtrekken, - het ondertussen nieuw verschenen rapport van Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 21 september 2007 wijst op een aanzienlijke toename van het conflict in (de eerste helft van) 2007; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu evenwel oordeelt dat, niettegenstaande “diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten”, uit de lijst met “onveilige” districten van het UNHCR, die integraal deel uitmaakte van het door de Commissaris-generaal samengestelde administratief dossier en waarvan verzoeker derhalve kennis had of minstens kon hebben, blijkt dat het district Achin in de provincie Nangarhar, waarvan verzoeker afkomstig is, niet op de lijst van locaties voorkomt waar de veiligheidssi- tuatie zorgwekkend is; dat verzoeker eraan voorbijgaat dat voormelde door het UNHCR opgestelde lijsten met “onveilige” districten rekening houden met zeer specifieke criteria, op grond waarvan eveneens in diverse rapporten wordt gebruik gemaakt om te besluiten tot een toename van het geweld, te weten “hevige voortdurende of onderbroken gevechten tussen opstandelingen enerzijds en coalitie- en regeringstroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende XIV-30.008-13/27 facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid”; dat waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die als feitenrechter soeverein oordeelt over de juistheid en de betrouwbaarheid van de door hem geraadpleegde bronnen, derhalve in casu tot de vaststelling komt dat het district Achin in de provincie Nangarhar niet op de lijst van locaties voorkomt waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is, zij geen verkeerde uitlegging aan deze lijst geeft, noch zij hieruit verkeerde conclusies trekt; dat verzoeker alvast niet aantoont dat de informatie, vervat in voormelde lijst van het UNHCR, door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn verdraaid of dat hij eruit onjuiste gevolgtrekkingen zou hebben gehaald; dat evenmin blijkt - en verzoeker ook niet aantoont - dat het door hem neergelegde document van de “GRIP” betrekking heeft op voormelde lijst van het UNCHR en/of de erin vervatte informatie tegenspreekt, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon volstaan met de vaststelling dat “(h)et door verzoekende partij neergelegde document van de Groupe de Recherche et d’Information sur la paix et la sécrurité (...) aan deze conclusie geen afbreuk (doet)”; dat daargelaten de vraag of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich kon baseren op het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 21 september 2007, dient vastgesteld dat dit rapport slechts ten overvloede wordt geciteerd om de vaststelling van toenemend geweld, die reeds blijkt uit de andere, in administratief dossier aanwezige rapporten te ondersteunen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/65 en het artikel 48/4 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Teksten Tekst artikel 39/65: "De uitspraken van de Raad zijn met redenen omkleed. Ze worden ondertekend door de voorzitter en een lid van de griffie." Tekst artikel 48/4: "§ 1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. § 2. Ernstige schade bestaat uit
  4. a)doodstraf of executie; of,
  5. b)foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst; of,
  6. c)ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict." XIV-30.008-14/27 Discussie: De motivering in de bestreden beslissing betreffende de toekenning van het subsidiaire beschermingsstatuut beperkt zich tot de volgende zinnen: "De Raad stelt vast dat diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Het UNCHR heeft lijsten opgesteld met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district. UNHCR heeft deze lijst met "onveilige" districten opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria waaronder: hevige voortdurende of onderbro- ken gevechten tussen opstandelingen enerzijds en coalitie- en regeringstroepen anderzijds, systematische intimidatie door opstandelingen, gedwongen militaire inlijving en dwangarbeid, aanvallen van opstandelingen met bomaanslagen en raketaanvallen, gevechten tussen rivaliserende facties en het systematisch heffen van illegale belastingen met bedreiging voor het leven, veiligheid en vrijheid (vrije vertaling). UNHCR stelt verder dat als één of meerdere van deze criteria gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd er dan bijkomende bescherming zou moeten verleend worden aan personen die van daar afkomstig zijn. Deze lijsten kunnen dan ook beschouwd worden als een objectieve leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker is afkomstig uit het district Achin in de provincie Nangarhar; dit district komt niet voor op de lijst van locaties waar de veiligheidssituatie zorgwekkend is. Het door verzoekende partij neergelegde document van de Groupe de Recherche et d' Information sur la paix et la sécurité doet aan deze conclusie geen afbreuk." De subsidiaire bescherming wordt geweigerd omdat het district waar verzoeker van afkomstig is, niet op de lijst van het UNHCR vermeld wordt. 1. De UNHCR lijst Nochtans. dient de rechter te toetsen of verzoeker een reëel risico loopt in het kader van het artikel 48/4 alinea 2, C. De rechter dient na te gaan of er een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger is als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict, wanneer hij naar zijn land van herkomst dient terug te keren. In casu is dit land Afghanistan. Dit wordt niet betwist door de bestreden beslissing. Meer specifiek komt verzoeker uit het district Achin, in de provincie Nangarhar. De lijst van het UNHCR, waarop de bestreden beslissing zich baseert, doet aanbeve- lingen aan de verschillende landen met betrekking tot de noodzaak van het verlenen van internationale bescherming aan personen. Deze aanbeveling is er aangezien in deze provincies en districten zware vormen van geweld worden vastgesteld. Dit geweld is afkomstig van de opstandelingen (Taliban ondermeer) en van de internationale troepenmacht aanwezig in het land. De lijst is, voor de provincies en districten die erop terug te vinden zijn, een belangrijk element om te oordelen dat het noodzakelijk is om de subsidiaire bescherming toe te kennen. De UNHCR lijst is echter niet opgesteld volgens de voorwaarden van de Belgische wetgeving. De UNHCR lijst kan gebruikt worden als element om de subsidiaire bescherming toe te kennen. Zij kan en is echter géén voldoende argument om het statuut van subsidiaire bescherming te weigeren. Evenmin heeft het UNHCR een lijst gemaakt met 'veilige' gebieden. Er is dus absoluut geen enkel element (noch in het administratief dossier, noch in de bestreden beslissing) dat erop wijst dat het district van verzoeker een 'veilig' district, waarnaar hij probleem- loos zou kunnen terugkeren. Integendeel, dille elementen, zowel in het administratief dossier (CEDOCA informatie: 106 doden), als in de bestreden beslissing (zie citaten in huidig verzoekschrift), spreken van toegenomen geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, XIV-30.008-15/27 zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. De bestreden beslissing is dan ook absoluut onwettig wegens onjuiste en niet afdoende en vooral tegenstrijdige motivering, hetgeen een schending vormt van artikel 39/65 van de Wet van 15.12.1980, tevens schendt de bestreden beslissing artikel 48/4, §2,
  7. c)van de Wet van 15.12.1980. 2. De informatie aangehaald door verzoekende partij De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dient steeds bij een aanvraag tot subsidiaire bescherming, de voorwaarden van artikel 48/4, paragraaf 2,
  8. c)te toetsen, aan de hand van de elementen die in het administratief dossier aanwezig zijn. De elementen die in het administratief dossier aanwezig zijn, zijn ondermeer de mensenrechtenrapporten door verzoekende partij aangehaald, alsook de informatie van de verwerende partij. Er dient vastgesteld te worden dat met geen enkel woord gerept wordt over de informatie aangehaald door verzoekende partij. Zo werd er expliciet verwezen naar een recent rapport van Human Rights Watch, dat hieronder geciteerd wordt. Ook deze informatie toont aan dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de subsidiaire bescherming allen vervuld zijn: "Naast de aanvallen die burgers tot doelwit hebben, hebben insurgent-strijdkrachten ook veel aanvallen gericht op militaire doelwitten die blijkbaar werden uitgevoerd met weinig oog voor de gevolgen naar de burgers toe. Aangezien er maar weinig informatie is, is het moeilijk om uit te maken of een aanval in strijd is met de oorlogswetten, toch kan er vastgesteld worden dat de insurgent-strijdkrachten vaak gebruik maken van methoden of aanvalsmiddelen die geen onderscheid maken tussen burgers en strijders (willekeurige aanvallen) of die willens en wetens aanvallen uitvoeren waarbij de verliezen bij de burgers veel groter zijn dan de verhoopte militaire winst. (disproportio- nele aanvallen) (...)" Met dit rapport wordt op geen enkele wijze rekening gehouden in de bestreden beslissing. Overigens geeft de informatie van verwerende partij zelf, van de dienst CEDOCA, duidelijk aan dat er wel degelijk sprake is van: - een gewapend conflict - willekeurig geweld - een reëel risico op dit willekeurig geweld (daar waar een 'schatting' gemaakt wordt van het aantal doden) De Raad van State oordeelde reeds in zijn arrest nr. 167.754 van 13 februari 2007, dat indien een dergelijke opsomming gemaakt wordt van incidenten waarbij er burger- slachtoffers gevallen zijn, dit de informatie van het UNHCR in wezen bevestigt (in dit arrest van de Raad van State betrof het eveneens een district dat zich niet op de lijst van het UNHCR bevond). "Dat deze opsomming van incidenten in de landeninformatie van Cedoca, aldus in wezen de informatie van het Hoog Commissariaat bevestigt; dat de Commissaris- generaal in zijn beslissing evenwel overweegt dat dit soort incidenten beperkt blijft en hieruit besluit dat er in de provincie van de verzoekende partij geen sprake is van een ernstige bedreiging van het leven of de persoon van burgers als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict; dat gelet op de aangehaalde informatie van Cedoca en van het Hoog Commissariaat, dit enige motief op het eerste gezicht beslissing tot weigering van de subsidiaire beschermings- status, niet in alle redelijkheid lijkt te kunnen schragen; dat een schending van de materiële motivering kan worden aangenomen; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ernstig is; Dat de motivering van de oorspronkelijke beslissing van de Commissaris-Generaal in verband met verzoeker niets anders is dan een opsomming van incidenten (in de informatie van CEDOCA), met vervolgens de overweging dat 'bij de gerapporteerde incidenten het aantal burgerslachtoffers beperkt is gebleven ". XIV-30.008-16/27 Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de bestreden beslissing de verslechte- ring van de situatie bevestigt waar zij stelt: 'De Raad stelt vast dat aangaande de subsidiaire bescherming voorzien in artikel 48/4, §2,
  9. c)diverse rapporten wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoord- aanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferentieerde acties door lokale commandanten. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich bijgevolg niet kon beperken tot het louter verwijzen naar het feit dat het district van verzoeker niet op de lijst van het UNHCR terug te vinden is en zonder te antwoorden op de informatie aangehaald door verzoekende partij, zonder hierbij zowel haar motiveringsverplichting als artikel 48/4, §2,
  10. c)te schenden. Dat de rechtspraak van de Raad van State dan ook van toepassing is in casu. In het arrest van 13 februari 2007 van de Raad van State betrof het eveneens een district dat zich niet op de lijst van het UNHCR bevond. Doordat uit de informatie van CEDOCA (waarop ook de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen zich gebaseerd heeft, aangezien het onderdeel is van het administratief dossier) én uit de informatie door verzoekende partij aangebracht, blijkt dat de voorwaarden van artikel 48/4, paragraaf 2,
  11. c)van de wet van 15 december 1980 voldaan zijn, had de subsidiaire bescherming moeten toegekend worden. De bestreden beslissing is dan ook absoluut onwettig wegens onjuiste en niet afdoende motivering, hetgeen een schending vormt van artikel 39/65 van de Wet van 15.12.1980, tevens schendt de bestreden beslissing artikel 48/4, §2,
  12. c)van de Wet van 15.12.1980.”; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.2 In een tweede middel haalt verzoeker de schending aan van de artikelen 39/65 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker meent dat hem de subsidiaire bescherming werd geweigerd omdat het district waar hij van afkomstig is, niet op de lijst van het UNHCR wordt vermeld. De UNHCR- lijst is echter niet opgesteld volgens de voorwaarden van de Belgische wetgeving en is geen voldoende argument om het statuut van subsidiaire bescherming te weigeren, zo betoogt verzoeker verder. Evenmin heeft het UNHCR een lijst gemaakt van ‘veilige’ gebieden. Alle elementen, zowel in het administratief dossier (Cedoca informatie: 106 doden), als in het arrest spreken van toegenomen geweld. Verzoeker beweert verder dat er op geen enkele wijze rekening werd gehouden met de informatie die door hem werd aangehaald (in casu een rapport van Human Rights Watch). Verzoeker concludeert met betrekking tot het tweede middel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet kon beperken tot het louter verwijzen naar het feit dat het district van verzoeker niet op de lijst van het UNHCR is terug te vinden en zonder te antwoorden op de informatie aangehaald door verzoekende partij, zonder hierbij zowel haar motiveringsverplichting als artikel 48/4, §2 c Vreemdelingenwet te schenden. Uit de informatie van Cedoca alsook uit de informatie door hem aangebracht blijkt dat de voorwaarden van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet voldaan zijn, aldus nog verzoeker. - In hoofdorde is het middel niet ontvankelijk. In zoverre de verzoekende partij de motivering van de bestreden beslissing inhoudelijk aanvecht met betrekking tot de veiligheidssituatie in Afghanistan, in het bijzonder wat betreft de informatie uit de UNHCR-lijsten en het Cedocarapport, wijst verweerder er nogmaals op dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden, noch om de materiële motivering te beoordelen (beschikking R.v.St. nr. 2090 van 6 februari 2008). - In ondergeschikte orde is het middel ongegrond. - Verweerder herhaalt en benadrukt dat de feitenrechter soeverein over de onafhan- kelijkheid, de juistheid en de betrouwbaarheid van de informatiebronnen oordeelt XIV-30.008-17/27 (R.v.St. nr. 136.692 van 26 oktober 2004; R.v.St. nr. 132.670 van 18 juni 2004 en R.v.St. nr. 130.463 van 20 april 2004). Door te verwijzen naar de UNHCR-lijst (die is opgenomen in het administratief dossier van het Commissariaat-generaal) geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en wordt impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, verworpen (R.v.St. nr. 137.801 van 30 november 2004), met inbegrip van het door verzoeker aangehaalde rapport van Human Rights Watch. Overigens wijst verweerder er op dat verzoeker naliet het rapport van Human Rights Watch toe te voegen aan zijn verzoekschrift, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gehouden was om dit rapport in overweging te nemen. - Verweerder stelt verder vast dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in het bestreden arrest niet louter beperkt tot het verwijzen naar het feit dat het district van verzoeker niet op de lijst van het UNHCR is terug te vinden om de subsidiaire bescherming te weigeren. Op basis van het geheel van de motieven die terug te vinden zijn in het arrest, blijkt dat de Raad zowel verwijst naar de lijst van het UNHCR met betrekking tot de veiligheidssituatie per provincie en per district, als naar het antwoorddocument van Cedoca waaruit blijkt dat de kern van het conflict in het zuiden en zuidoosten is gelegen. Verder verwijst de Raad ook naar het rapport van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties van 21 december 2007 waarin wordt vermeld dat de Verenigde Naties 78 districten in Afghanistan als extreem riskant hebben ingeschat en deze ontoegankelijk zijn voor de VN. Hieruit kan worden afgeleid dat niet alleen het UNHCR, maar ook andere rapporten een onderscheid maken naargelang de regio. De mogelijkheid dat een risico op ernstige schade zich zal voordoen, hangt af van de frequentie, de intensiteit en het type van geweld en deze verschillen sterk van regio tot regio. De Raad acht de lijst van het UNHCR een objectieve (doch niet een uitsluitende gezien de verwijzing naar andere informatiebron- nen) leidraad bij de beoordeling van de subsidiaire beschermingsstatus, gezien deze lijst werd opgesteld aan de hand van zeer specifieke criteria die gedurende de laatste maanden in het betrokken gebied werden gerapporteerd. De Raad motiveerde in afdoende mate waarom de subsidiaire beschermingsstatus in hoofde van verzoekende partij diende te worden geweigerd. De in het bestreden arrest aangehaalde motieven zijn pertinent en vinden steun in het rechtsplegingsdossier. - Verweerder preciseert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de asielaanvraag zowel vanuit het oogpunt van de individuele vervolgingsvrees als vanuit de nood aan subsidiaire bescherming heeft onderzocht, en dat in het arrest op dit punt uitdrukkelijk werd gemotiveerd. In zoverre verzoeker poogt aan te tonen dat deze motivering niet afdoende zou zijn, beoogt hij dat de Raad van State van de feiten kennis zou nemen en de zaak opnieuw zou onderzoeken, hetgeen de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt. Het tweede middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.2.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt en als volgt repliceert op de memorie van antwoord van de verwerende partij: “Dat de rechtspraak van de Raad van State van toepassing is in casu. De Raad van State oordeelde in de zaak dd. 13 februari 2007 met nummer 167.754 dat het CGVS de motiveringsverplichting schond, doordat haar eigen opsomming van incidenten en burgerslachtoffers de informatie van het UNHCR in wezen bevestigde. In deze zaak betrof het een district dat zich niet op de lijst van het UNHCR bevond. De huidige zaak betreft eveneens een district dat zich niet op deze lijst bevindt. Het loutere argument dat een district zich niet op een lijst bevindt, kan dus niet voldoende XIV-30.008-18/27 zijn om de subsidiaire bescherming af te wijzen, wanneer alle aanwezige informatie in het administratief dossier én in de bestreden beslissing zelf in de andere richting wijst. Dat is hier ook het geval. De informatie waarop de Raad voor vreemdelingenbetwisting- en zich kan baseren, is de informatie van CEDOCA. De motivering in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft alle argumenten aan om net te stellen dat de subsidiaire bescherming zou moeten toegekend worden. Uit deze informatie blijkt dat aan alle voorwaarden voor de toekenning van de subsidiaire bescherming voldaan is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft een onbegrijpelijke en onwettelijke reden aan om de subsidiaire bescherming alsnog af te wijzen.”; 2.2.4. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in casu omtrent de nood aan subsidiaire bescherming oordeelt dat diverse rapporten weliswaar “wijzen op het toenemend geweld tussen opstandelingen en overheids- en coalitietroepen, zelfmoordaanslagen, intimidatie van de bevolking, gedwongen rekrutering en ongedifferen- tieerde acties door lokale commandanten”, doch dat het district waarvan verzoeker afkomstig is, niet voorkomt op de lijst van het UNHCR betreffende de veiligheidssituatie per provincie en per district; dat, wat deze lijst van het UNHCR betreft, verzoeker er zich toe beperkt te stellen dat deze lijst “niet (
  13. is)opgesteld volgens de voorwaarden van de Belgische wetgeving” en enkel zou kunnen gebruikt worden om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen doch niet om hem te weigeren, zonder deze stelling te verduidelijken, laat staan te objectiveren; dat zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel werd opgemerkt, het uitsluitend aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de betrouwbaarheid en zwaarwichtigheid van zijn bronnen, in casu voormelde lijst van het UNHCR, en verzoeker niet aantoont dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen aan de inhoud van deze lijst een verkeerde uitlegging zou hebben gegeven; dat de verwijzing door verzoeker naar het arrest nr. 167.754 van 13 februari 2007 van de Raad van State aan voormelde vaststelling geen afbreuk doet; dat door te verwijzen naar de lijst van het UNHCR de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangeeft dat de hierin vervatte informatie haar voorkeur geniet en wordt impliciet doch zeker de eventuele andersluidende informatie, vervat in andere rapporten, verworpen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “DERDE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht. Schending van de rechten van de verdediging, zoals voorzien in de Europese constitutionele tradities, schending van de principes van het EU procesrecht met name het algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Verzoeker betoogt dat onderhavig beroep geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. XIV-30.008-19/27 Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet. Verzoeker meent dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoeker na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van art. 6 EVRM thans direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert. 1. Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...) . Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Het handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materies zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context." Research Paper No. 134. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. XIV-30.008-20/27 Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten. 2. Begrip "volle rechtsmacht". Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtsmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). 'Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.' (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen6. Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter ter-zake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen, 365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt'. Deze zaak betrof een handhavingsbe- sluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de aard van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de XIV-30.008-21/27 feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EVRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk'. Deze laatste zaak werd aan het EVRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van ver-zoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EVRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EVRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat ver-zoeker geen enkel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, 2, C van de vreemdelingenwet. Dat de Raad Voor Vreemdelingenbetwistingen geen enkel rapport citeert dat zou aantonen dat verzoeker-geen gevaar zou lopen bij een terugkeer naar Afghanistan, meer bepaald de provincie Nangarhar en het district Achin. Integendeel, de Raad stelt zelfs dat er een verslechtering is van de situatie. Dat de Raad nalaat expliciet de voorwaarden van artikel 48/4, §2,
  14. c)van de wet van 15.12.1980 te toetsen. De bestreden beslissing verwijst enkel naar het feit dat het XIV-30.008-22/27 district waar verzoeker van afkomstig is, niet op de lijst van het UNHCR te vinden is , terwijl dit geen voorwaarde is die in dit artikel terug te vinden is. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bovendien de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangehaalde rapporten zonder enige motivering negeert. Dat er geen repliek mogelijk is op de nota door de verwerende partij neergelegd. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot onderzoek van de actuele toestand in Afghanistan en hierbij door de voorwaarden van artikel 48/4, §2,
  15. c)te toetsen, dient na te gaan of de beslissing van het CGVS niet moest vernietigd worden en teruggestuurd naar het CGVS, zoals ook gevraagd werd in het verzoekschrift tot hoger beroep. Dat ook de beginselen van het Europees procesrecht voortvloeiende uit art. 47 van het Handvest en uit de rechtspraak van het Hof van Justitie zelf geschonden zijn. Dat verzoeker eveneens ver-zoekt aan de Raad van State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege met volle rechtsmacht inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en volstaat een mogelijkheid tot terugwijzing naar de initiële administratieve overheid om te kunnen spreken van volle rechtsmacht of dienen deze administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen". Dat de vraag relevant is in die zin dat indien beide onderdelen bevestigend beantwoord worden de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve diende over te gaan tot een onderzoek. 3. Algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging en het beroep met volle rechtsmacht zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie Verzoeker stelt dat mocht art. 47 van het Handvest geen rechtstreekse werking hebben het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging algemene rechtsbeginselen zijn waarop ver-zoeker zich rechtsreeks op kan beroepen. Verzoeker verwijst naar het zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt. 2. AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN*6 EN*13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Verzoeker herhaalt de uiteenzetting inzake volle rechtsmacht en stelt dat het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging een algemeen rechtsbeginsel zijn. Verzoeker meent dat ook dat gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dergelijk onderzoek te voeren de initiële beslissing voorgenoemde artikelen schendt. Dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoogstens een beroep tot herziening genoemd kan worden. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: "Dienen de lidstaten te voor-zien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze XIV-30.008-23/27 administratieve rechtscolleges over een eigen onderzoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen".”; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.3 In een derde middel haalt verzoeker de schending aan van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie, evenals de schending van de principes van het EU procesrecht, de schending van de rechten van de verdediging, zoals voorzien in de Europese constitutionele tradities, schending van de principes van het EU procesrecht, met name het algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Verzoeker vraagt eveneens om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Verzoeker meent dat zijn beroep [bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Hij meent verder dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet. De natuur van de asielaanvraag houdt immers een actuele beoordeling in op het moment van de finale beslissing. Dit recht wordt beperkt doordat verzoeker na het indienen van zijn beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Er is dan ook geen sprake van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft (schending van artikel 6 EVRM en artikel 47 Handvest), aldus verzoeker. Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op ernstige schade [zou lopen] in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laat echter na de voorwaarden van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet te toetsen, doordat het arrest enkel verwijst naar het feit dat het district waar verzoeker van afkomstig is, niet op de lijst van het UNHCR is terug te vinden, terwijl dit geen voorwaarden zijn die in de wet zijn terug te vinden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen negeert bovendien de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangehaalde informatie zonder enige motivering. Verder haalt verzoeker aan dat er geen repliek mogelijk is op de nota neergelegd door het Commissariaat- generaal. - In hoofdorde is het middel niet ontvankelijk, gezien het louter een wetskritiek inhoudt. - In ondergeschikte orde is het middel ongegrond. Verzoeker vergist zich schromelijk daar waar hij beweert dat er geen sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verweerder benadrukt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk op wettige wijze tot het niet-toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus heeft kunnen besluiten. De in het bestreden arrest aangehaalde motieven zijn pertinent en vinden steun in het rechtsplegingsdossier (zie supra). Verzoeker blijkt afkomstig te zijn uit een district dat niet voorkomt op de lijst van de gevaarlijke provincies en districten van het UNHCR. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besloot dan ook dat in hoofde van verzoeker geen reëel risico op het lijden van ernstige schade kan worden vastgesteld en hem de subsidiaire beschermingsstatus dient te worden geweigerd. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben nagelaten de voorwaarden van artikel 48/4, §2,
  16. c)van de Wet van 15 december 1980 te toetsen mist elke grondslag. Verzoeker geeft verder in haar derde middel niet concreet aan met welke informatie de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden en hoe dit de strekking van de beslissing zou hebben kunnen beïnvloed. Verweerder benadrukt verder dat de vraag of de lidstaten dienen te " voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatiericht- XIV-30.008-24/27 lijn 2004/83" niet dienend is voor de oplossing van het geschil, omdat de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen precies dergelijk beroep bij een administratief rechtscollege, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, voorziet. Verweerder meent verder dat verzoeker in zijn verzoekschrift slechts een algemene theoretische uiteenzetting over de toepassing van de waarborgen voorzien in artikel 47 van voornoemd Handvest in het kader van het asielrecht geeft, maar hij nergens concreet aantoont dat de Raad één van deze waarborgen zou hebben geschonden. Bovendien merkt verweerder op dat het Handvest tot op heden niet juridisch afdwingbaar is, gezien het ratificatieproces nog steeds niet is afgerond. Ook het Europees Hof van Justitie in het arrest van 27 juni 2006 in de zaak C-540/03, waarnaar de verzoekende partij in het middel verwijst, stelt uitdrukkelijk dat " het Handvest geen bindend rechtsinstrument is" (beschikkingen R.v.St. nr. 2056 van 4 februari 2008 en R.v.St. nr. 1624 van 29 november 2007). Verweerder wijst er vervolgens op dat het recht op hoger beroep, anders dan de verzoekende partij voorhoudt, geen algemeen rechtsbeginsel is. Het recht van verdediging als algemeen beginsel geldt wel in elk geding en voor elk gerecht, doch heeft betrekking op een eerlijk verloop van de procedure en houdt geen algemeen recht op hoger beroep in. Heel de uiteenzetting van de verzoekende partij wordt wat dat betreft trouwens aan artikel 6, eerste lid, van het EVRM gekoppeld, terwijl die bepaling niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (beschikkingen R.v.St. nr. 2056 van 4 februari 2008 en R.v.St. nr. 1624 van 29 november 2007). Verweerder wenst in elk geval te benadrukken dat artikel 39/2, §, al. 2, 1/, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen preciseert dat de Raad “de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kan bevestigen of hervormen”. Een dergelijke hervormingsbevoegdheid kan men ontegensprekelijk analyseren als zijnde een volheid van rechtsmacht. Hetzelfde artikel 39/2, al. 2, 2/, voorziet dat de Raad enkel over een vernietigingsbevoegdheid beschikt in bepaalde gevallen die zeer beperkte hypotheses betreffen, ofwel wanneer aan de bestreden beslissing een substantiële onregelmatigheid kleeft die door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan worden hersteld (bijvoorbeeld wanneer de asielzoeker niet werd gehoord door de Commissaris-generaal), ofwel omdat essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet kan komen tot de bevestiging of hervorming van de beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen hiertoe te moeten bevelen. In dit geval echter dient, eens de vernietiging is uitgesproken, de Commissaris-generaal zich opnieuw over de aanvraag uit te spreken rekening houdende met het gezag van gewijsde van de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; zijn beslissing kan op zijn beurt aangevochten worden voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het recht op een beroep met volheid van rechtsmacht wordt aan de verzoeker dus geenszins ontzegd. Het (ontvankelijk) jurisdictioneel beroep bij de Raad heeft devolutieve werking en wordt in zijn geheel bij de Raad aanhangig gemaakt. Dit houdt in dat de bevoegdheid van de Raad niet beperkt is tot het onderzoek van de (wettigheid) van de beslissing van de Commissaris-generaal maar in wezen inhoudt dat de zaak is overgegaan met al de feitelijke en juridische vragen die er mee samenhangen. De feitelijke elementen die de partijen aanbrengen kunnen door de rechter getoetst worden aan bronnen van algemene bekendheid of bronnen aanwezig in het rechtsplegingsdos- sier. Indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou kunnen houden met een nieuwe situatie, dan zou dit een miskenning zijn van de bijzondere realiteit van de asielproblematiek (en de beoordeling in volle rechtsmacht). Verweerder meent dan ook dat het stellen van de prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie niet noodzakelijk is om uitspraak te doen. Verzoeker vergist zich schromelijk wanneer hij stelt dat hij geen nieuwe stukken meer kan aanbrengen. De Vreemdelingenwet voorziet immers nergens een absoluut verbod XIV-30.008-25/27 om nieuwe gegevens te doen gelden, doch enkel een beperking van die mogelijkheid. Nieuwe gegevens mogen steeds ingeroepen worden in zoverre ze voldoen aan de voorwaarden vooropgesteld door het artikel 39/76, §1, al. 2, van de wet van 15 december 1980. Daarenboven staat alinea 3 van dezelfde bepaling toe af te wijken van de beperking vooropgesteld door alinea 2 doordat verzoeker na het indienen van zijn beroep nog nieuwe elementen naar voor kan brengen, zelfs ter zitting. De mogelijkheid tot het indienen van een replieknota (op de verweernota van de Commissaris-generaal) is –buiten de mogelijkheid voorzien in artikel 39/76, §1, al. 6, van de wet van 15 december 1980- niet voorzien in de Vreemdelingenwet, noch in het Procedurereglement van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het derde middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord integraal het in het inleidend verzoekschrift ontwikkelde middel herhaalt; 2.3.4. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie tot op heden geen bindende rechtsnorm is; dat, wat de ingeroepen schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en de daarop gebaseerde argumenten betreft, betwistingen in verband met de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassingssfeer van voormeld artikel 6 van het E.V.R.M. vallen omdat de desbetreffende regels een publiekrechtelijk karakter hebben; dat voormeld artikel in deze niet toepasselijk is omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak doet; dat hij er door de wet mee belast is na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953; dat, gelet op wat voorafgaat en op het feit dat de ontwikkelde uiteenzetting in het middel volledig is afgeleid uit artikel 47 van het Handvest voor de Grondrechten van de Mens en uit artikel 6 van het E.V.R.M., die in deze niet toepasselijk zijn, dan ook niet dient te worden ingegaan op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen; dat overigens niet kan worden ingezien - en evenmin wordt verduidelijkt - op welke wijze het stellen van de door verzoeker geformuleerde prejudiciële vragen invloed zou hebben op de oplossing van het voorliggend geding en welk belang verzoeker derhalve bij het stellen ervan heeft, nu uit de analyse van de overige middelen genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in onderhavig geval wel degelijk de actuele situatie in het land van herkomst en de nood aan subsidiaire bescherming heeft onderzocht in het kader van zijn volle rechtsmacht, doch op grond van de door hem geraadpleegde informatie oordeelde dat er in verzoekers geval geen dergelijke noodzaak aanwezig was, en verzoeker niet in het minst concretiseert welke “relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen” hij “tot op de dag van de eindbeslissing” nog wenste aan te brengen en die de conclusie van de bestreden XIV-30.008-26/27 beslissing wezenlijk zouden hebben beïnvloed; dat het enkele feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij de vaststelling dat er geen noodzaak aan subsidiaire bescherming is, verwijst naar de lijst van het UNHCR niet betekent dat hij niet over volle rechtsmacht zou beschikken; dat verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zou hebben nagelaten de voorwaarden van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) te toetsen iedere grondslag mist; dat het derde middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.008-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.