id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.924 Rolnummer: A. 167728/VII-34978 Zaak: Arrest 186924 - Milieuvergunningen - 09/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.924 van 9 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.924 van 9 oktober 2008 in de zaak A. 167.728/VII-34.
- In zake : Joannes NIVELLE, wonende te RIEMST, Bilzersteenweg 39, bus 2 tegen : de deputatie van de provincie Limburg. tussenkomende partij : de NV G.V. PRODUCTS, die woonplaats kiest bij advocaat M. CILISSEN, kantoor houdende te GENK, Grotestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joannes NIVELLE op 14 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 september 2005 waarbij zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst van 14 april 2005, houdende toekenning aan de NV G.V. PRODUCTS van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor het persen en het opslaan van stalen dakpannen en de behandeling door middel van een poederlakinstallatie van deze dakpannen, gelegen aan de Bilzersteenweg 43 te Riemst, wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 13 januari 2006 ingediend door de NV G.V. PRODUCTS; Gelet op de beschikking van 20 januari 2006 die de tussenkomst van de NV G.V. PRODUCTS toelaat; VII-34.978-1/9 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van de verwerende en de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 17 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. JORISSEN, die verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. CILISSEN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Verzoeker woont naast het perceel waarop het bedrijf van de tussenkomende partij is gevestigd. Verzoekers pand ligt in woongebied met landelijk karakter. Het gebouw van de tussenkomende partij ligt in een ambachtelijke zone volgens het Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) "Op het Reeck". 1.
- In 2004 vroeg de tussenkomende partij een milieuvergunning aan voor de exploitatie van een nieuwe inrichting voor het persen en opslaan van stalen dakpannen, de afzuiging van poederlakken en het ontvetten en opslaan van hout, leer, stof, metalen, glas en voertuigen. VII-34.978-2/9 In eerste aanleg wordt de vergunning verleend door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst, maar na beroep van huidige verzoeker weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de vergunning wegens het niet respecteren van de afstandsregel van 50 meter vervat in artikel 5.4.1.2, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), het risico op geluidshinder, het ontbreken van geluidsmetingen en het niet naleven van het BPA. 1.
- Op 9 februari 2005 dient de tussenkomende partij een nieuwe aanvraag in met hetzelfde voorwerp. Bij de aanvraag is een geluidsstudie gevoegd. Het openbaar onderzoek wordt gevoerd van 11 maart 2005 tot 9 april
- Tijdens dit onderzoek wordt er één bezwaarschrift ingediend, namelijk door verzoeker. Op 14 april 2005 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst de vergunning. In verband met de naleving van de 50 meter afstand overweegt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst het volgende : "Volgens artikel 5.4.1.2 § 2 van Vlarem II bedraagt de afstand 50 m voor de gebouwen en/of opslagruimten van de exploitatie van inrichtingen van rubriek 4, tov een woongebied. Volgens de beslissing van de Bestendige Deputatie dient deze afstand gerekend te worden vanaf de zone van koeren en hovingen volgens het BPA. Een deel van de gebouwen valt in deze 50 m zone. Vermits enkel de inrichting van rubriek 4, het poederlakken, onder deze afstandsregel valt dient deze inrichting duidelijk buiten deze 50 m afstand te gebeuren. De exploitant is gestart met het aanbrengen van een overlangse wand. Deze moet nog voor een gedeelte verder dichtgemaakt worden". 1.
- Op 2 mei 2005 tekent verzoeker beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. De administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) adviseert negatief voor de vergunning omdat een deel van de bedrijfsgebouwen, in strijd met de verleende bouwvergunning, werd opgetrokken in de zone non aedificandi die in het BPA "Op het Reeck" is voorzien. De afdeling Milieuvergunningen en de Provinciale Milieuvergun- ningscommissie adviseren positief voor de vergunning en negatief voor het beroep. 1.
- De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg verwerpt op 15 september 2005 het beroep en bevestigt de beroepen beslissing, mits VII-34.978-3/9 het opleggen van een bijkomende voorwaarde teneinde de geluidsoverlast nog meer te beperken. Deze beslissing wordt onder meer gemotiveerd door er op te wijzen dat in het gebouw een fysieke afscherming werd opgetrokken die de inrichtingen en activiteiten ingedeeld in de rubrieken 4 van de indelingslijst duidelijk afschermt van de overige inrichtingen en activiteiten en dat in het aanvraagdossier een akoestisch rapport opgesteld door een erkend deskundige in de discipline geluid werd bijgevoegd waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de geldende geluidsnormen voor nieuwe inrichtingen, mits er een aantal maatregelen worden getroffen. Dit besluit wordt bij brief van 16 september 2005 aan verzoeker ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt op dat het verzoekschrift niet ontvankelijk is omdat het de namen en woning of de zetel van de verwerende partij niet vermeldt zoals is voorgeschreven "onder art. 2, 3e" van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement). 2.
- Artikel 2, § 1, 3/, van het algemeen procedurereglement, zoals van kracht op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, luidde als volgt : "§
- Het verzoekschrift wordt gedagtekend en bevat: (...) 3/ de namen en woning of de zetel van de tegenpartij". De door de aangehaalde bepaling voorgeschreven vermeldingen moeten het mogelijk maken te weten wie het beroep instelt. Het aanwijzen, in het verzoekschrift, van de overheid die als de verwerende partij moet optreden is geen vermelding die op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Het volstaat dat de bestreden beslissing voldoende nauwkeurig geïdentificeerd wordt en er geen twijfel kan bestaan over de identiteit van de verwerende partij. Te dezen kon de verwerende partij zonder probleem worden geïdentificeerd. De exceptie wordt verworpen. VII-34.978-4/9
- Ten gronde 3.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de afstandsregel van 50 meter die is vervat in artikel 5.4.1.
- van Vlarem II. Hij zet uiteen dat de verwerende partij dat artikel verkeerd heeft toegepast door te oordelen dat het volstond dat de vergunningsplichtige installaties op minimum 50 meter afstand van de grens met de woonzone stonden en dat het niet nodig was dat het hele bedrijfsgebouw aan die afstandsregel voldeed. Volgens hem wenste de wetgever de inrichting als zodanig op afstand te houden en is thans de wettelijke toepassing van de milieuvoorschriften en de exploitatie afhankelijk gemaakt van de menselijke willekeur die niet met zekerheid kan worden vastgelegd. Een interne herschikking van de installaties binnen de inrichting blijft mogelijk en biedt geen garanties. 3.
- De verwerende partij repliceert dat door het plaatsen van een vaste en volledig gesloten wand tussen de opslaghal en de productiehal een fysieke afscherming wordt gecreëerd tussen, enerzijds, de activiteiten van rubriek 4 van de indelingslijst waarop de afstandsregel slaat en, anderzijds, de overige activiteiten die niet onder die regel vallen. De afstandsregel moet volgens de verwerende partij dan ook worden beoordeeld vanaf de afschermende wand die dezelfde waarborgen biedt als opgelegd in de verbodsbepaling van art. 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II. Zij wijst er op dat ook de afdeling Milieuvergunningen deze mening was toegedaan, en dat ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie unaniem gunstig adviseerde. Zij vervolgt dat de bewering dat de exploitatie afhankelijk wordt gemaakt van menselijke willekeur niet pertinent is, maar betrekking lijkt te hebben op een eventuele niet-naleving van de vergunningsvoorschriften door de aanvrager en alzo een probleem aan de orde stelt van naleving van de vergunning, maar niet van de toekenning ervan. 3.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de bestreden beslissing de naleving van de norm in handen legt van een opvolgend handhavingsbeleid, terwijl de beslissing van de vergunningverlenende overheid op zich de wet en het doel van de wetgevende norm bij de toekenning moet waarbor- gen. VII-34.978-5/9 3.
- Volgens de tussenkomende partij argumenteert verzoeker tegen de stukken van het dossier in, omdat het bedrijfsgebouw dat dient voor de vergunningsplichtige inrichting wel degelijk is gelegen op een afstand van 50 meter. 3.
- In de laatste memorie merkt de verwerende partij nog op dat de redenering dat de afstandsregel ook zou gelden ten aanzien van het links gelegen "bedrijfsgebouw" met de opslaghal niet opgaat, omdat dit zou neerkomen op een uitbreiding van de restrictief te interpreteren verbodsbepaling. Te dezen is de opslag zelf niet vergunningsplichtig. Zij stelt daarbij dat het feit dat het opslag betreft die verband houdt met de onder rubriek 4 ingedeelde productieactiviteiten hierbij zelfs niet relevant is, zolang de opslag op zich genomen niet onder rubriek 4 valt, vermits de verbodsbepaling van artikel 5.4.4.2, § 2, van Vlarem II van toepassing is op "inrichtingen als bedoeld in artikel 5.4.1.1". 3.
- Artikel 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II luidt als volgt : "§
- Het is verboden een inrichting als bedoeld in artikel 5.4.1.
- te exploiteren waarvan de bedrijfsgebouwen en/of opslagruimten gelegen zijn op minder dan 50 m afstand van: 1/ een woongebied; (...)" en artikel 5.4.1.
- van Vlarem II luidt : "De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in de rubrieken 4 en 21 van de indelingslijst, zoals nader gepreciseerd in de hierna volgende afdelingen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op de drooginstallaties die een integrerend deel uitmaken van de spuitcabine met als enig doel het drogingsproces te activeren en waarvan de objecttemperatuur de 100 /C niet overschrijdt". Volgens de milieuvergunningsaanvraag ressorteert de aangevraag- de inrichting onder meer onder rubrieken 4.3.b.2, inrichtingen voor het mechanisch, pneumatisch of elektrostatisch aanbrengen van bedekkingsmiddelen, met een geïnstalleerde drijfkracht van 30 kW, en 4.4, inrichtingen voor het thermisch behandelen van voorwerpen bedekt met bedekkingsmiddelen, wanneer het inwendig volume van de ovens groter is dan 0,25 m³. Het wordt niet betwist dat artikel 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II van toepassing is, noch dat de opslagplaats op minder dan 50 meter van het woongebied is gelegen. Die opslagruimte maakt te dezen integraal deel uit van de inrichting en VII-34.978-6/9 kan, gelet op de tekst van artikel 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II, niet los ervan worden gezien. De tekst van dat artikel is duidelijk : noch de bedrijfsgebouwen, noch de opslagruimten van een dergelijke inrichting mogen op minder dan 50 meter afstand van een woongebied gelegen zijn. Het is dus niet alleen de inrichting zelf, maar ook het gebouw waarin de inrichting staat en de opslagplaatsen die erbij horen, die aan de afstandsregel moeten voldoen. De activiteiten waarop de verbodsbepaling betrekking heeft zijn, zo stelt artikel 5.4.1.
- van Vlarem II de inrichtingen bedoeld in de rubrieken 4 en 21 van de indelingslijst. Te dezen gaat het om de poederlakinstallatie en de moffeloven. In het advies van de afdeling Milieuvergunningen van 4 juli 2005 wordt gesteld dat de vergunningsplichtige inrichtingen ingedeeld in de rubrieken 4, zoals de poederlakinstallatie met compressor en de moffeloven, zich, na aanpassing, buiten de 50 meter zone bevinden. Daar is geen sprake van het bedrijfsgebouw en de opslagruimte die erbij hoort. Het bestreden besluit stelt in dat verband dat door het plaatsen van een wand tussen de productiehal en de opslaghal er een fysieke afscherming werd gecreëerd voor de betreffende activiteiten waarop de verbodsbepaling betrekking heeft, zodat de afstandsregel gehanteerd moet worden ten opzichte van deze afschermende wand en dat uit de gegevens van het uitvoeringsplan blijkt dat hierdoor wordt voldaan aan de geldende afstandsregel van 50 meter. De verwerende partij gaat er daarbij impliciet van uit dat het gebouw, door het oprichten van een volledig afsluitende scheidingswand erbinnen, als het ware als twee afzonderlijke gebouwen in de zin van artikel 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II zou kunnen worden beschouwd. Het ene deel zou dan opslagplaats zijn en het andere deel opslagplaats en atelier met moffeloven en poederlakinstallatie. Alleszins maakt het "tweede gebouw" deel uit van de inrichting en maakt de duidelijke tekst van artikel 5.4.1.2, § 2, van Vlarem II geen onderscheid tussen het eigenlijke bedrijfsgebouw en de opslagruimte. Ook van deze laatste kan hinder (bijvoorbeeld geluid bij laden en lossen) uitgaan. Het tweede middel is gegrond, VII-34.978-7/9 VII-34.978-8/9 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 september 2005 waarbij het beroep van Joannes NIVELLE ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Riemst van 14 april 2005, houdende toekenning aan de NV G.V. PRODUCTS van de milieuvergunning voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor het persen en het opslaan van stalen dakpannen en de behandeling door middel van een poederlakinstallatie van deze dakpannen, gelegen aan de Bilzersteenweg 43 te Riemst, wordt verworpen en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.978-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.924 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div