← België

Arrest 186963 - O.C.M.W. - 09/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.963 Rolnummer: A. 189827/XII-5569 Zaak: Arrest 186963 - O.C.M.W. - 09/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-13 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.963 van 9 oktober 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.963 van 9 oktober 2008 in de zaak A. 189.827/XII-

  1. In zake : Gino ROOSENDANS, die woonplaats kiest bij advocaten J. Deridder en Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelse Steenweg 210 A tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ETTERBEEK, dat woonplaats kiest bij advocaat J. Sohier, kantoor houdende te 1000 Brussel, Emile De Motlaan
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gino Roosendans op 29 september 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 september 2008 van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Etterbeek waarbij hij in zijn functies wordt geschorst met ingang van 16 september 2008 en tot de beslissing die in het kader van de procedure van indisponibiliteitstelling zal worden genomen, en dit voor een maximale duur van een maand en van de beslissing van 25 september 2008 van het vast bureau van het OCMW van Etterbeek waarbij de beslissing van 16 september 2008 wordt goedgekeurd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 oktober 2008, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5569-1\13 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. De Keukelaere, die loco advocaat J. Sohier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is sedert 1 februari 2003 secretaris van het OCMW van Etterbeek. 1.
  4. Op 22 november 2007 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Etterbeek om in het kader van de gemeentelijke voogdij over het OCMW een algemene audit te laten uitvoeren met betrekking tot de administratieve organisatie en de werking van het OCMW. Deze audit wordt afgerond in de loop van de maand juni
  5. Een onderdeel ervan bevat vaststel- lingen omtrent het (gebrek aan) leiderschap in de administratie. Geïndividualiseerde coaching van verzoeker wordt sterk aanbevolen. 1.
  6. Op 25 juni 2008 beslist het vast bureau van het OCMW met onder meer een verwijzing naar “de elementen [in het auditrapport] betreffende de tekortkomingen in het leiderschap uitgeoefend door de secretaris” en overwegende dat “een serene reflectie aangewezen is”, dat voornoemde elementen “van dien aard zijn dat zij de geloofwaardigheid en het vertrouwen dat het personeel heeft in zijn autoriteit zouden kunnen schaden”, “dat het in overeenstemming is met de regels van goed bestuur en van het algemeen belang dat de hoger vermelde reflectie kan uitgevoerd worden in alle onafhankelijkheid en zonder enige tussenkomst van welke aard ook van de Secretaris” en “dat het daarom aangewezen is om een ordemaatregel tegenover de Secretaris te nemen, met dien verstande dat de maatregel geen disciplinair karakter mag hebben en geen nadeel berokken[t] aan de Secretaris”, om verzoeker “met verlof van ambtswege te sturen gedurende een periode van twee maanden vanaf 25.06.2008”. XII-5569-2\13 Op 16 juli 2008 bevestigt de raad voor maatschappelijk welzijn de bedoelde maatregel, na eerst verzoeker op 7 juli 2008 te hebben gehoord in zijn verdediging. Ook de OCMW-raad meent dat het noodzakelijk is om een reflectieperiode in te lassen en refereert aan de sereniteit van de debatten. De OCMW-raad overweegt ook dat in de loop van deze twee maanden het auditrapport in zijn geheel aan de raadsleden overgemaakt zal worden teneinde een grondige studie mogelijk te maken. Beide beslissingen vormen het voorwerp van een door verzoeker bij de Raad van State ingesteld annulatieberoep, gekend onder het rolnummer A.189.264/XII-
  7. 1.
  8. Verzoeker wordt opnieuw gehoord op 25 augustus
  9. Diezelfde dag beslist de OCMW-raad om verzoeker opnieuw met verlof van ambtswege te sturen gedurende een periode van twee maanden, vanaf 26 augustus 2008, met behoud van wedde. Van deze beslissing vordert verzoeker bij de Raad van State de schorsing van tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Die zaak heeft het rolnummer A.189.491/XII-
  10. 1.
  11. Op 3 september 2008 roept het vast bureau verzoeker op om gehoord te worden op 23 september 2008 in het kader van een procedure tot terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. 1.
  12. Op 5 september 2008 wordt door het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de uitvoering geschorst van de beslissing van 16 juli
  13. Daarbij wordt overwogen dat de door de formele- motiveringsplicht vereiste juridische overwegingen ontbreken en dat het toepasselijke personeelsstatuut het verlofstelsel van ambtswege niet kent. 1.
  14. Op 16 september 2008 beslist het vast bureau van het OCMW om verzoeker “bij wijze van ordemaatregel in het belang van de dienst, voorlopig in zijn functies te schorsen, met ingang van vandaag tot de beslissing die in het kader van de procedure van indisponibiliteitstelling genomen zal worden, en dit voor een maximale duur van een maand”. Het vast bureau roept verzoeker ook op om op XII-5569-3\13 24 september 2008 gehoord te worden “in het kader van de procedure van schorsing in het belang van de dienst”. 1.
  15. Op 22 september 2008 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW om zijn beslissingen van 16 juli 2008 en van 25 augustus 2008 in te trekken. 1.
  16. Op 23 september 2008 beveelt de Raad van State bij arrest nr. 186.427 de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de -dan reeds ingetrokken- beslissing van 25 augustus 2008 van de OCMW-raad. 1.
  17. Na verzoeker op 24 september 2008 te hebben gehoord, keurt het vast bureau op 25 september 2008 zijn beslissing van 16 september 2008 goed. De schorsingsvoorwaarden
  18. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste schorsingsvoorwaarde
  19. Verzoeker wijst er terecht op dat een arrest volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen om nog een nuttig effect te sorteren, nu de bestreden beslissingen hem in zijn functies schorsen gedurende een periode van een maand. Gelet op de normale behandelingstermijn van schorsingszaken die volgens de gewone procedure worden behandeld, bestaat het risico dat de bestreden maat- regel volledig zal zijn uitgevoerd vooraleer de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan zou zijn bevolen. Derhalve is er uiterst dringende noodzakelijkheid om uitspraak te doen aanwezig. XII-5569-4\13 Verwerende partij werpt daar tegen op dat, althans wat de eerste bestreden beslissing betreft, verzoeker niet de gepaste spoed aan de dag heeft gelegd om zich nog nuttig op de uiterst dringende noodzakelijkheid te mogen beroepen. De Raad van State valt deze zienswijze niet bij. Of een verzoeker met gepaste spoed heeft gehandeld moet immers in de concrete omstandigheden van de zaak worden beoordeeld. Te dezen werd verzoeker met de eerste bestreden beslissing van 16 september 2008 opgeroepen om reeds op 24 september 2008 gehoord te worden, met het oog op de goedkeuring van de opgelegde maatregel. Verzoeker kan niet kwalijk worden genomen dat hij nog de afloop van deze hoorzitting wou afwachten, evenals de uitspraak van de Raad van State in de vorige procedure, met de hoop het bestuur alsnog van zijn gelijk te kunnen overtuigen zonder daarvoor een nieuwe gerechtelijke procedure te moeten instellen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
  20. Verzoeker voert in een vierde middel aan dat de bestreden beslissing de formele-motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel schendt, in de afweging van de aard van de maatregel ten opzichte van het beoogde doel. Hij wijst er op dat verwerende partij is afgestapt van het motief dat zijn afwezigheid noodzakelijk is om te “reflecteren” over het auditrapport en dat zij in het midden laat of die reflectie nu al dan niet heeft plaatsgehad. Thans luidt het motief dat de procedure tot indisponibiliteitstelling lopende is en dat zijn afwezigheid moet worden gezien tegen het licht van het feit dat personeelsleden als getuigen werden opgeroepen. De gegeven motieven zijn echter nietszeggend, ze “stellen” dat zijn afwezigheid goed zou zijn, maar leggen niet uit waarom en tonen de noodwendigheid niet aan. Hij spreekt tegen dat hij op ongepaste wijze contact zou opnemen met personeelsleden. Mocht hij daar toch toe geneigd zijn, quod non, dan wordt dit door de bestreden beslissingen geenszins verhinderd, aangezien hij zijn medewerkers voldoende kent om ze desnoods privé te kunnen contacteren. Wanneer het werkelijk de enige intentie ware om zonder enig tuchtrechtelijk aspect een periode van bezinning te bieden, kon bovendien worden volstaan met minder XII-5569-5\13 verregaande maatregelen, die blijkbaar door verwerende partij andermaal niet blijken te zijn onderzocht. Hij wijst er nog op dat lezing van het volledige auditrapport bevestigt dat de maatregel disproportioneel is.
  21. In haar nota met opmerkingen betoogt verwerende partij : “
  22. [...] In casu stelt de motivering van de bestreden beslissingen duidelijk dat het hier kadert in een indisponibiliteitsprocedure. Dit verduidelijkt dan ook meteen de draagwijdte van de in duurtijd zeer beperkte maatregel hetgeen wel degelijk evenredig is (1 maand voorlopige schorsing) ten opzichte van het beoogde doel (belang van de dienst). De motivering van de eerste bestreden beslissing was beknopt de volgende : * de diensthoofden van het OCMW moeten als getuigen worden gehoord in het kader van de procedure tot indisponibiliteitstelling; * die getuigen zijn van de betrokkene ondergeschikte medewerkers; * de terugkeer van de betrokkene op zijn werkplaats voor de datum van het verhoor riskeert de goede loop van de behandeling van het dossier te belemmeren; * het is dan ook in strijd met de principes van goed bestuur en van het belang van de diensten dat de betrokkene opnieuw in zijn functies zou treden tijdens de procedure; * deze maatregel wordt slechts voor een zeer voorlopige periode genomen, in afwachting van een beslissing aangaande de procedure van indisponibiliteitstelling. De motivering van de tweede bestreden beslissing dd.25 september herneemt hetgeen hierboven beknopt beschreven werd voor de eerste beslissing en zegt verder beknopt het volgende: * op het verhoor van de heer ROOSENDANS van 24.09.08 werden er geen nieuwe elementen vermeld; *de terugkeer van de betrokkene op zijn werkplaats voor het einde van die procedure riskeert de goede loop van de behandeling van het dossier te belemmeren; * het is in strijd met de principes van goed bestuur en van het belang van de diensten dat de betrokkene opnieuw in zijn functies tijdens de procedure zou trede *gezien de intrekking van de beslissingen van 16.07.08 en van 25.08.08 heeft de heer Roosendans de mogelijkheid om opnieuw in zijn functies te treden vanaf 23.09.08; * het is dus hoogstdringend voor de bevoegde overheid om een maatregel van voorlopige schorsing in het belang van de dienst te nemen, verbonden met de lopende procedure van indisponibiliteitstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. * deze maatregel is slechts voor een zeer voorlopige periode genomen, in afwachting van een beslissing aangaande de procedure van indisponibiliteitstelling en dit voor een maximale duur van een maand, te tellen vanaf 16 september, derhalve in elk geval eindigend op 17 oktober
  23. Verzoeker stelt hierbij dat hierbij ten onrechte wordt voorgehouden dat verzoeker op ongepaste wijze contact zou opnemen met de opgeroepen getuigen en dat sowieso de genomen beslissing zulk contact in concreto niet kan vermijden. Hierbij verliest verzoeker uit het oog dat de motivering duidelijk stelt dat de beslissing in de eerste plaats genomen is in het belang van XII-5569-6\13 de dienst. Het gaat hier immers om een heel bijzondere situatie. In casu heeft verzoeker een topfunctie van Secretaris van het OCMW te Etterbeek. Bij andere, niet leidinggevende, ambtenaren zou zich bij een procedure van indisponibiliteit een maatregel zoals deze niet opdringen. De procedure kan dan ook niet geleid worden zonder hem in het belang van de dient te schorsen. De aanwezigheid van verzoeker zou immers verstrekkende gevolgen hebben op de algemene prestaties van de dienst. Hierbij moet verder worden aangestipt dat de genomen beslissing in het voordeel is van de rechten van de verdediging van verzoeker. Diens afwezigheid moet er namelijk voor zorgen dat zijn rechtstreekse ondergeschikten in alle rust en onafhankelijkheid kunnen worden verhoord en hem desgevallend steunen zonder dat dit een weerslag zou moeten hebben op de prestaties van de dienst. Tevens belangrijk op te merken is dat verzoeker uiteraard de mogelijkheid heeft om getuigen aan te geven ter ondersteuning van zijn versie. De uiteindelijke beslissing tot al dan niet in disponibiliteit te stellen van verzoeker is immers nog niet genomen. Daarvoor is het noodzakelijk om getuigen te horen en bijkomende informatie in te winnen. Besluitend kan worden gesteld dat het ondenkbaar is voor goede werking van de dienst dat verzoeker nu blijft werken. Immers zou verzoeker van ‘9u tot 17u’ werken en daarna het verhoor bijwonen van personeelsleden die tijdens de werkdag ondergeschikt aan hem zijn. Dit kan de dienst onmogelijk ten goede komen, integendeel zou het de goede werking ervan verlammen. De motivering van de beslissingen is aldus afdoende en gelet op de zeer beperkte concrete gevolgen ervan voor verzoeker, evenredig en redelijk ten opzichte van het beoogde doel”. Beoordeling
  24. Net zoals de eerder opgelegde maatregelen die verzoeker telkens “met verlof van ambtswege stuurt” en hem dus insgelijks uit de dienst verwijderden, vertoont ook de thans opgelegde maatregel waarbij verzoeker voorlopig in zijn functies wordt geschorst enige gelijkenissen met de ordemaatregel van de “preventieve schorsing”, weze het dat geenszins sprake is van een tuchtprocedure of van een strafonderzoek in het licht waarvan tot een preventieve schorsing besloten kan worden op grond van artikel 310 van de nieuwe gemeentewet in samenhang met artikel 52 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Geen der beide partijen stelt evenwel het beginsel in vraag dat tegen een ambtenaar maatregelen getroffen kunnen worden in het belang van de dienst, met inbegrip van een maatregel die hem verwijdert uit de dienst. Wanneer evenwel aangenomen wordt dat het bestuur ook buiten elke tekst om maatregelen kan treffen tegen haar ambtenaren in het belang van de dienst, dan vraagt verzoeker met reden dat de aard en de impact van die maatregel strikt proportioneel is met het er door nagestreefde doel. Zij mag alleszins niet langer duren dan nodig is en mag XII-5569-7\13 aan de ambtenaar geen groter ongemak veroorzaken dan noodzakelijk is in het licht van het nagestreefde dienstbelang. De Raad van State bedenkt hierbij dat de schorsing van een personeelslid uit zijn functies buiten elke tuchtprocedure of strafvervolging de meest vérstrekkende maatregel lijkt die in het dienstbelang als voorlopige maatregel opgelegd kan worden en dat, zo lijkt, de plicht die op het bestuur rust om de motieven die deze maatregel kunnen verantwoorden, recht evenredig is met de impact ervan. Verzoeker, die argumenteert dat een minder zware maatregel tot de mogelijkheden behoort, mag van het bestuur verwachten dat het uitlegt waarom een minder belastende maatregel, afgewogen tegen het nagestreefde dienstbelang, niet volstaat. Uit de bestreden beslissing moet blijken dat de overheid het dienstbelang waarvoor zij zich beijvert terdege heeft afgewogen tegen het belang van de ambtenaar.
  25. Het eerste bestreden besluit van 16 september 2008 refereert aan de oproep van verzoeker om op 23 september 2008 gehoord te worden in het kader van een procedure van “indisponibiliteitstelling in het belang van de dienst” en aan de beslissing om in het kader van diezelfde procedure de diensthoofden, die ondergeschikte medewerkers zijn van verzoeker, als getuigen te horen. Het besluit motiveert dan “dat de terugkeer van de betrokkene op zijn werkplaats vóór de datum van het verhoor [van de diensthoofden], die op 23.09.08 vastgesteld is, de goede loop van de behandeling van het dossier riskeert te belemmeren”. Wanneer het vast bureau, na verzoeker gehoord te hebben, op 25 september 2008 zijn eerder besluit goedkeurt, overweegt het “dat er geen nieuwe elementen tijdens dit verhoor vermeld werden” en herneemt het de motivering van zijn eerste besluit, met dien verstande dat het preciseert dat het eerste verhoor van de diensthoofden al op 23 september 2008 voorzien “was”.
  26. In het vorige schorsingsarrest stelde de Raad van State reeds vast dat verzoeker zijn ambt sedert vijf jaar uitoefent. Net zo min als uit de toen bestreden beslissing blijkt ook uit de thans bestreden beslissingen niet dat over zijn wijze van dienen voorheen opmerkingen zijn gemaakt. Zijn verwijdering houdt ook blijkens de motivering van de thans bestreden beslissingen geen verband met XII-5569-8\13 welomschreven misstappen. Het enige concrete element dat verwerende partij thans inroept om verzoeker reeds onmiddellijk in zijn functies te schorsen, vooraleer uitspraak wordt gedaan over zijn eventuele terbeschikkingstelling, is het gegeven dat de diensthoofden gehoord worden op 23 september 2008 en dat, omdat deze personeelsleden ondergeschikte medewerkers zijn van verzoeker, zijn terugkeer de goede behandeling van het dossier riskeert te belemmeren. De volledige verwijdering van verzoeker uit zijn functies met het oog op de geplande verhoren lijkt evenwel niet zó vanzelfsprekend, dat een loutere verwijzing -in de bestreden besluiten- naar de goede behandeling van het dossier of -in de nota met opmerkingen- naar het vermeend verlammend effect van zijn aanwezigheid op de dienst, mag volstaan. Uit de debatten wordt onthouden dat momenteel een plaatsvervangend secretaris is aangesteld. De vraag rijst waarom niet evenzeer een plaatsvervanger kan worden aangesteld om de taak van de secretaris uit te voeren bij de bedoelde verhoren. Het vast bureau heeft prima facie de mogelijkheid van deze of andere minder verregaande maatregelen niet onderzocht, minstens daarover niets in zijn beslissingen veruitwendigd. Dat de aanwezigheid van verzoeker tijdens de kantooruren absoluut vermeden moet worden voor een sereen verloop van het verhoor, laat staan voor de goede werking van de dienst in het algemeen, wordt niet geconcretiseerd en is voor de Raad van State ook niet zonder meer klaar. Maar zelfs indien aangenomen mag worden dat het verhoor van de diensthoofden een voldoende reden is om verzoeker voorlopig uit zijn functies te verwijderen, dan nog kan de Raad van State in de huidige stand van de procedure de gegeven summiere motivering niet aanvaarden. Er blijkt immers niet waarom de schorsing een volle maand moet duren, terwijl enkel 23 september 2008 als datum van verhoor is vermeld. Er blijkt evenmin dat het vast bureau op 25 september 2008, dus nádat het eerste verhoor had plaatsgehad, heeft onderzocht of de schorsing nog dienstig was met het oog op verdere verhoren, en wanneer die gepland waren. Indien, zoals het besluit motiveert, die verhoren de reden zijn om verzoeker te schorsen, dan lijkt de einddatum van die schorsing ook verband te moeten houden met die verhoren en niet, zoals nu, met de eindbeslissing die in het kader van de procedure genomen zal worden. Van geen van beide einddata toont het bestuur vooralsnog aan dat ze de toets met de evenredigheid kunnen doorstaan. XII-5569-9\13 Door niet passend de noodzaak, de omvang en de duur van de opgelegde schorsing te motiveren, verschijnt de maatregel als onevenredig.
  27. Het middel is ernstig. Beoordeling van de derde schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
  28. Verzoeker herinnert aan de “opeenvolgende onwettig bevonden besluiten” die hem verhinderen zijn functies uit te oefenen. Hij doet als moeilijk te herstellen ernstig nadeel gelden dat zijn moreel gezag en autoriteit in hoofde van zijn ambt ten overstaan van de personeelsleden eens te meer en verregaand wordt aangetast door de maatregel die hem voor een bijkomende periode uit de dienst verwijdert. Het is volgens hem onvermijdelijk dat hij door zijn personeelsleden zal worden beschouwd als gedesavoueerd door het bestuur, wat uiteraard elke uitoefening van het normale hiërarchische gezag onmogelijk maakt en allicht op zijn beurt aanleiding zal geven tot echte problemen binnen de dienst, die dan wellicht door verwerende partij zullen worden aangrepen om een volgende maatregel te nemen. Dit geldt volgens hem des te meer nu het auditrapport hem geen verwijten maakt, expliciet bevestigt dat het OCMW van Etterbeek niet beter of slechter werkt dan de omliggende OCMW’s, en als enige remediëring bijkomende opleiding en vorming adviseert. Waar met enige goede wil misschien nog kan worden aangenomen dat verwerende partij, mocht zij verrast zijn door deze bevindingen van het rapport, hierover zou willen nadenken zonder de aanwezigheid van verzoekende partij, kan verwerende partij zich hierop geenszins beroepen om de thans bestreden beslissing te nemen en verzoekende partij opnieuw uit de dienst te verwijderen. Vervolgens citeert verzoeker het schorsingsarrest om vervolgens te betogen dat het nadeel niet verschilt van het nadeel dat is aanvaard in het kader van het schorsingsarrest nu de thans bestreden beslissingen de facto het door de Raad van State geschorste besluit herinvoert onder een licht gewijzigde motivering. Voorts zou de door de bestreden beslissing gelegde link met de getuigenverklaringen enkel bijdragen tot het moreel nadeel, nu “hierdoor wordt geïmpliceerd dat verzoekende partij, door haar loutere aanwezigheid, de personeelsleden die als getuige worden opgeroepen, zou beïnvloeden”. Ten aanzien van de vorige procedure is ook niet gewijzigd dat de indruk bij het personeel blijft bestaan dat er “meer aan de hand is”, hoewel er nog steeds geen sprake is van een tuchtprocedure of een strafrechtelijke XII-5569-10\13 vervolging. Ten slotte wijst verzoeker op de ernst van de middelen en de veronderstelling dat verwerende partij nog bijkomend nadeel zal berokkenen.
  29. Volgens verwerende partij relativeert het zeer tijdelijke karakter van de maatregel -maximaal één maand- die binnen zeer korte tijd haar uitwerking zal verliezen -maximaal tien dagen na de terechtzitting- het ingeroepen nadeel. De beslissingen kaderen als accessorium van een procedure van terbeschikkingstelling waarvan “binnen de komende dagen” een beslissing verwacht wordt. Het feit dat de personeelsleden inmiddels verhoord worden, wijst erop dat niet de indruk ontstaat dat “huidige procedure enig disciplinaire of strafrechtelijke bijklank heeft” en zou ook het argument teniet doen dat “er meer aan de hand is”. Beoordeling
  30. Het door verzoeker aangevoerde nadeel werd reeds als ernstig en moeilijk te herstellen aanvaard in het vorige schorsingsarrest. Toen al werd ook rekening gehouden met de als reëel bestempelde vrees van verzoeker dat verwerende partij “keer op keer” de verwijdering van verzoeker uit de dienst zou verlengen. Die vrees blijkt niet onterecht. Om die reden gaat de Raad van State voorbij aan de opmerking van verwerende partij dat de huidige beslissingen nog slechts een tiental dagen werkzaam zijn. Op de terechtzitting is voorts gebleken dat een definitieve beslissing over de voorgenomen terbeschikkingstelling helemaal niet “binnen de komende dagen” te verwachten is en wellicht niet eerder dan op 27 oktober 2008 getroffen zal worden. Nu verwerende partij in haar verweer over het nadeel zélf de huidige schorsing van verzoeker een “accessorium” noemt van de voorgenomen terbeschikkingstelling, valt zeer wel te vrezen dat na 15 oktober 2008 opnieuw tot een verwijderingsmaatregel besloten zal worden. Die vaststellingen ontkrachten de stelling dat de relatief korte duur van de maatregel de ernst aan het nadeel ontneemt. Integendeel komt dit nadeel thans nog als ernstiger voor, nu verzoeker ten derde male een onevenredig lijkende beslissing moet ondergaan. Om al die redenen, samen genomen en inbegrepen hetgeen de Raad in het vorige schorsingsarrest heeft overwogen, wordt aangenomen dat de bestreden beslissingen verzoeker een nadeel doet ondergaan dat als ernstiger en moeilijker te herstellen verschijnt dan het nadeel dat normaal uit een tijdelijke verwijderingsmaatregel voortvloeit. Ook de derde schorsingsvoorwaarde is vervuld. XII-5569-11\13
  31. Er is dan ook voldaan aan al de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
  32. De Raad merkt op dat hij in de huidige stand van de procedure is voorbij gegaan aan de vraag of de eerste bestreden beslissing niet geacht moet worden vervangen te zijn door de tweede bestreden beslissing, zodat de vordering in zoverre zonder voorwerp zou moeten worden verklaard. Verwerende partij heeft daarover geen opmerkingen gemaakt, zodat dit onderzoek ambtshalve zou dienen te gebeuren. Met het oog evenwel op de gewenste rechtsbescherming en rekening houdende met de opeenvolgende beslissingen van het bestuur, die vervolgens worden aangevochten in rechte of die worden geschorst door de toezichthoudende overheid, meent de Raad er thans goed aan te doen voor de duidelijkheid de beide bestreden beslissingen uitdrukkelijk te schorsen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  33. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 16 september 2008 van het vast bureau van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Etterbeek waarbij Gino Roosendans in zijn functies wordt geschorst met ingang van 16 september 2008 en tot de beslissing die in het kader van de procedure van indisponibiliteitstelling zal worden genomen, en dit voor een maximale duur van een maand en van de beslissing van 25 september 2008 waarbij hetzelfde vast bureau zijn beslissing van 16 september 2008 goedkeurt. Artikel
  34. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2008, door : XII-5569-12\13 de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5569-13\13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.963 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.