← België

Arrest 186970 - Milieuvergunningen - 09/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.970 Rolnummer: A. 187949/VII-37180 Zaak: Arrest 186970 - Milieuvergunningen - 09/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:40 Fiche Arrest nr 186.970 van 9 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.970 van 9 oktober 2008 in de zaak A. 187.949/VII-37.180. In zake : 1. Lydie DIERKENS, 2. Hendrik VAN HEYSBROEK, die woonplaats kiezen bij advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partij : de BVBA STERHOEK, die woonplaats kiest bij advocaat E. PAUWELS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Belegstraat 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Lydie DIERKENS en Hendrik VAN HEYSBROEK op 22 april 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 22 februari 2008 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 26 juli 2007, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA STERHOEK om een nieuwe inrichting voor de behandeling van baggerspecie te exploiteren, gelegen aan de Christoffel Columbuslaan te Gent, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-37.180-1/8 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat S. ISHAQUE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat E. PAUWELS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Op 23 maart 2007 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een nieuwe inrichting voor de behandeling van baggerspecie, meer bepaald een ontwateringsinstallatie, aan de Christoffel Columbuslaan in het Gentse havengebied. De voorziene inplantings- plaats ligt ten tijde van de aanvraag volgens het gewestplan in industriegebied. In de loop van de behandeling van de aanvraag komt het gebied te liggen in een zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven. Op 26 juli 2007 verleent de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen de gevraagde vergunning. VII-37.180-2/8 1.2. Eerste verzoekster dient een administratief beroep in. Zij woont, volgens het verzoekschrift, op 700 meter van de geplande inrichting. Tweede verzoeker woont naast eerste verzoekster. De meeste adviezen die daarop volgen zijn gunstig. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent verleent de corresponderende stedenbouwkundige vergunning. Op 22 februari 2008 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt verworpen en de milieuvergunning, verleend door de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen, wordt bevestigd; 2. De ontvankelijkheid van de vordering Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussenkomen- de partij opwerpen dat de verzoekende partijen geen belang hebben, gelet op de afstand van hun woningen tot de vergunde inrichting; Overwegende dat over die exceptie slechts uitspraak zou moeten worden gedaan indien aan de beide, cumulatieve voorwaarden om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging over te gaan is voldaan, wat te dezen, zoals zal blijken, niet het geval is; 3. Het verzoek tot tussenkomst Overwegende dat de BVBA STERHOEK met een verzoekschrift van 14 mei 2008 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat zij inmiddels de nodige documenten heeft aangebracht waaruit kan blijken dat het verzoek is ingediend door het daartoe bevoegde orgaan; dat het verzoekschrift dan ook ontvankelijk is; Overwegende dat de tussenkomende partij de beneficiaris is van de thans bestreden beslissing; dat zij derhalve wordt toegelaten om tussen te komen; VII-37.180-3/8 4. De schorsingsvoorwaarden Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1. Overwegende dat de verzoekende partijen, met betrekking tot de tweede voorwaarde, uiteenzetten dat eerste verzoekster op een afstand van circa 700 meter van de geplande inrichting woont en tweede verzoeker in de ernaast gelegen hoeve, dat eerste verzoekster "mede gebruikster" is van deze gronden krachtens een mondelinge pachtovereenkomst en dat die gronden gelegen zijn op ongeveer 100 meter van de geplande inrichting, dat zij de mogelijke nadelige effecten verbonden aan de activiteiten die het voorwerp uitmaken van de in de bestreden beslissing verleende milieuvergunning vrezen, dat zij hierbij verwijzen naar de geluidshinder die zal voortkomen uit het lossen en oppompen van de baggerspecie met persleidingen en naar de veiligheidsproblemen bij lekkage aan de persleiding, wat bijvoorbeeld bij het opspuiten in het nabije Callemansputte is gebeurd, dat het aantal vrachtbewegingen verbonden aan de exploitatie van de inrichting wordt geschat op liefst 60.000 vrachtbewegingen per jaar, dat er geluidshinder zal zijn van de vrachtwagens bij het laden en lossen en voornamelijk bij het achteruitrijden, dat de stofhinder niet alleen van de zandopslag kan komen, maar ook van de filterkoeken na mechanische ontwatering en vooral van de werfwegen bij aanhoudend droog weer, dat in de bestreden beslissing geen gedetailleerd antwoord gegeven is op deze vragen, wat ook niet mogelijk was, daar bij de vergunningsaanvraag geen metingen zijn gedaan naar geluid of lucht, dat dergelijke metingen wel zouden zijn uitgevoerd geweest indien een milieu- effectenrapport (hierna : MER), voorafgaand aan de aanvraag, werd opgesteld en dat hierbij dan op wetenschappelijke basis de weerslag van het project naar mens en omgeving onderzocht zou zijn en de nodige milderende maatregelen zouden zijn voorgesteld; dat de verzoekende partijen er allesbehalve van overtuigd zijn dat de vergunde activiteiten de hinder tot op een aanvaardbaar niveau voor mens en omgeving kunnen beperken; VII-37.180-4/8 4.2. Overwegende dat de verwerende partij, samengevat, antwoordt dat het niet volstaat om aan te tonen dat men in principe een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen hebben, dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel in concreto moet worden aangetoond, minstens moet er aannemelijk worden gemaakt dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zeer te vrezen is, dat het louter herhalen dat er geen MER is opgesteld in elk geval niet volstaat om te kunnen gewagen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat het door de verzoekende partijen gewenste MER er overigens slechts toe kan strekken dat er een zeer gegrond onderzoek zou moeten doorgaan, waarna een en ander desgevallend zou kunnen blijken, dat de stelling verdedigen dat er een MER moet worden opgesteld "nog iets anders (

  1. is)dan te kunnen poneren dat er hoe dan ook sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel", dat de bezwaren van eerste verzoekster terdege zijn onderzocht, dat de afdeling Milieuvergunningen ze heeft onderzocht en ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft daaromtrent uitvoerig geëvalueerd, dat de bezwaren van de verzoekende partijen eigenlijk aantonen dat zij enkel vragen stellen en dat zij er ook niet van overtuigd zijn dat zij enig nadeel zouden lijden; 4.3. Overwegende dat de tussenkomende partij onder meer wijst op de afstand tussen de woningen van de verzoekende partijen en de vergunde inrichting; dat zij daarbij stelt dat de woning van eerste verzoekster is gelegen op circa 700 meter van de geplande inrichting, binnen de perimeter van het bestemmingsgebied "woongebied" van het gewestplan, dat op 500 meter van de inrichting is gelegen, dat er in de omgeving van de woning van eerste verzoekster nog een rand van een woonzone is die korter bij de inrichting is gelegen en verder nog een gebied van minstens 500 meter breedte agrarisch gebied van de grens van deze woonzone tot de geviseerde inrichting in een zone voor zeehaven- en watergebonden bedrijven volgens het GRUP "Afbakening zeehavengebied Gent- Inrichting R4-oost en R4- west" van 15 juli 2005, dat de woning van tweede verzoeker zich naast die van eerste verzoekster zou bevinden, dat die woning zich aldus eveneens op circa 700 meter van de geplande inrichting bevindt, dat het gebruikte begrip "buurtbewoners" bijgevolg zeer relatief is, dat bovendien de woonhuizen van de verzoekende partijen zowel ten westen als ten oosten deel uitmaken van een lint van woonhuizen en ingesloten zijn in een woonstraat waarvan het oostelijk deel nog korter bij de inplanting van de geplande inrichting is gelegen, dat de door de verzoekende partijen voorgelegde plannen een verkeerde indruk wekken, dat in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren er in de bestreden beslissing VII-37.180-5/8 wel degelijk gedetailleerd geantwoord is op alle verzuchtingen, dat doorheen de ganse bestreden beslissing uitvoerig wordt gemotiveerd waarom de risico' s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, dat de motivering in de bestreden beslissing daarenboven steunt op een studie "Beste Beschikbare Technieken" voor verwerkingscentra van bagger- en ruimingsspecie, zowel met betrekking tot emissies naar de lucht, de lozingsnormen, het geluidsdrukniveau als mogelijke stofhinder, dat ook de nadruk moet worden gelegd op de verscheidene bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, dat er ten slotte geen enkele reden is om aan te nemen dat de voorwaarden die werden opgelegd in de bestreden beslissing niet afdoende zouden zijn om hinder te vermijden, dan wel tot een aanvaardbaar niveau te beperken; 4.4. Overwegende dat de verzoekende partijen op ongeveer 700 meter van de geplande inrichting wonen; dat zij geluidshinder vrezen door "het lossen en oppompen van de baggerspecie met persleidingen" en door "de vrachtwagens bij het laden en lossen (en voornamelijk bij het achteruitrijden)"; dat zij hierbij gewagen van 60.000 vrachtbewegingen per jaar; dat de bestreden beslissing evenwel enkel gewaagt van 6.000 vrachtwagenbewegingen per jaar; dat de vrachtwagens in hoofdzaak zullen worden gebruikt voor de afvoer van 33.000 ton per jaar teruggewonnen zand en voor de aanvoer van hulpstoffen voor de water- zuiveringsinstallatie, zodat het cijfer van de bestreden beslissing de realiteit het meest benadert; dat voor het overige immers het transport, met name de aanvoer van het te behandelen slib en de afvoer van het ontwaterd slib, voornamelijk met binnenschepen zal geschieden; dat overigens het niet bewezen voorkomt dat vrachtwagengeluid op een afstand van 700 meter een ernstig nadeel zou kunnen vormen; dat zulks des te meer geldt aangezien de dagelijkse frequentie van de vrachtwagenbewegingen op ongeveer 24 per werkdag kan worden vastgesteld; dat ook niet aannemelijk wordt gemaakt dat het gebruik van persleidingen voor het transport van slib ernstige geluidshinder zou teweegbrengen ter hoogte van de woningen van de verzoekende partijen; dat ook de mogelijkheid van ernstige stofhinder weinig waarschijnlijk is, gelet op de afstand van 700 meter van de woningen van de geplande inrichting; dat de woningen bovendien niet gelegen zijn in de overheersende windrichtingen ten opzichte van de geplande inrichting; dat geen bewijs voorligt dat gebeurlijke lekken in de persleidingen veiligheidsproblemen zouden kunnen opleveren voor bewoners op 700 meter VII-37.180-6/8 afstand van de inrichting; dat eerste verzoekster, die aanvoert gebruikster te zijn van gronden op 100 meter van de inrichting, evenwel geen verdere verduidelijking geeft, noch over het gebruik van de gronden - die landbouwgronden zouden moeten zijn - noch over de wijze waarop de exploitatie van de vergunde inrichting haar daarbij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou kunnen berokkenen; dat de verzoekende partijen aldus niet op afdoende wijze aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat die vaststelling volstaat om de vordering van de verzoekende partijen af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de BVBA STERHOEK in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-37.180-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober tweeduizend en acht, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.180-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.970 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.