id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.974 Rolnummer: A. 187946/X-13745 Zaak: Arrest 186974 - Monumenten en Landschappen - 09/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 186.974 van 9 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.974 van 9 oktober 2008 in de zaak A. 187.946/X-13.745. In zake : 1. Roland DE ROUCK, 2. Maria TINZL, 3. Herman DE BOUW, 4. Rita DE VOS, 5. Guillaume VANHOUTRYVE, 6. Louisa DE SCHUYTER, 7. Luc COULIER, 8. Godelieve DE SUTTER, 9. Paul DEQUAE, 10. Rosanne ANECA, 11. Koenraad BOEL, 12. Bernadette VERBEKE, 13. Trees SANSEN, 14. Maria MAENHOUT, 15. Rita LEFEVERE, 16. Wouter PRIEM, die woonplaats kiezen bij advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te 9000 GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. tussenkomende partijen : 1. de stad BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27, 2. de n.v. MOH, die woonplaats kiest bij advocaten S. VERBIST en R. TIJS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Graaf Van Hoornestraat 34. X-13.745-1/16 DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Roland DE ROUCK, Maria TINZL, Herman DE BOUW, Rita DE VOS, Guillaume VANHOUTRYVE, Louisa DE SCHUYTER, Luc COULIER, Godelieve DE SUTTER, Paul DEQUAE, Rosanne ANECA, Koenraad BOEL, Bernadette VERBEKE, Trees SANSEN, Maria MAENHOUT, Rita LEFEVERE en Wouter PRIEM op 22 april 2008 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van het besluit van 23 november 2007 van de vice-minister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot wijziging van het besluit van 3 juli 1942 van de secretaris-generaal houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 10 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DE SMEDT, die loco advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat N. DE CLERCQ, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij, van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij, en van advocaat S. VERBIST, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-13.745-2/16 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging 1.1. Met een verzoekschrift van 10 juni 2008 heeft de stad Brugge gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. 1.2. Met een verzoekschrift van 11 juni 2008 heeft de n.v. MOH gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. 1.3. Er is grond om beide verzoeken in te willigen. 2. De feiten 2.1. Bij besluit van 3 juli 1942 werd onder meer het Sint-Janshospitaal te Brugge, kadastraal bekend sectie C, nr. 1156/d (2ha 39a 62ca) en eigendom van de commissie van Openbare Onderstand overeenkomstig de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschapen, na advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, als monument gerangschikt om reden van haar artistieke, oudheidkundige of historische waarde. 2.2. Op 7 april 2000 adviseert de afdeling ROHM-West-Vlaanderen Monumenten en Landschappen ongunstig over een aanvraag om een stedenbouwkundig attest nr. 2 voor het bouwen van een “Historiscope” binnen de als monument beschermde site van het Sint-Janshospitaal, ongunstig omdat onder meer de draagkracht “van (deze) historisch en stadslandschappelijk zeer belangrijk(
- e)site reeds maximaal belast is”. Op 22 mei 2000 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge, na voormeld ongunstig advies en ongunstig advies van de stedelijke dienst voor monumentenzorg en stadsvernieuwing, een ongunstig stedenbouwkundig attest nr. 2 af. 2.3. Het genoemde college treedt op 20 oktober 2000 de diverse ongunstige adviezen over een “princiepsaanvraag tot het bouwen van een historama op de site Oud Sint-Jan in de Mariastraat” bij. X-13.745-3/16 2.4. Begin 2006 wordt door de n.v. MOH tweemaal een princiepsaanvraag ingediend voor het oprichten van een Museum of History (M.O.H.) binnen de Sint-Janshospitaalsite. De afdeling ROHM-West-Vlaanderen Monumenten en Landschappen verleent op 15 maart 2006 over de eerste princiepsaanvraag een ongunstig advies onder meer omdat het te slopen koetshuis aan de Reie dat deel uitmaakt van de beschermde site “ondanks recente verbouwingen en aanpassingen nog steeds zeer beeldbepalend is op deze plaats en aldus een geschikte buffer kan vormen voor de hedendaagse nieuwbouw” en omdat haar “diensten (...) pleiten voor behoud van één van de laatste relicten van de 19de eeuwse hospitaalgebouwen langs de Reie naar ontwerp van arch. Alleweireldt, hetzij als een afzonderlijk gebouw dat niet in het project is opgenomen (erfdienstbaarheid van toegang tot Site Oud Sint- Jan!), hetzij als onderdeel van het M.O.H.”. De genoemde afdeling adviseert een tweede gewijzigde princiepsaanvraag die de sloop van het koetshuis behoudt, andermaal ongunstig en wijst in een schrijven aan het college van burgemeester en schepenen van 28 maart 2006 op “twee mogelijkheden om dit knelpunt in een voor het overige positief te evalueren ontwerpdossier weg te werken”; hetzij het behoud van het koetshuis “als (
- a)doorgang naar Oud Sint-Jan en (
- b)toegang tot het MOH”, hetzij een aanvraag “tot opheffing van de bescherming van het ‘koetshuis’” conform artikel 9 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna: Monumentendecreet). 2.5. De n.v. MOH dient vervolgens op 18 mei 2006 een verzoek in bij de minister tot opheffing van de bescherming van het koetshuis teneinde de realisatie van een nieuw “Museum of History” in Brugge mogelijk te maken. In deze aanvraag wordt gesteld dat aangezien de afbraak van het koetshuis (door de aanvrager ‘loods’ genoemd) een essentieel gegeven is voor de inplanting en de architectuur van het museum, de beslissing over een mogelijke wijziging van dit beschermingsbesluit primordiaal is voor de verdere evolutie van dit project. 2.6. Op 20 juni 2006 brengt de cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen volgend ongunstig advies uit over de “aanvraag tot wijziging van het beschermingsbesluit van het Sint-Janshospitaal te Brugge, meerbepaald de opheffing van de bescherming van een loods”: “De in de aanvraag bedoelde loods maakt ontegensprekelijk deel uit van het perceel 1156d dat bij B.S.G. van 3 juli 1942 in zijn totaliteit werd beschermd X-13.745-4/16 als monument. Indien hier wordt aangenomen dat de toenmalige bescherming enkel geldt voor ‘het hospitaalgebouw’ (sic aanvraag) betekent dit dat niet alleen de 19de eeuwse ziekenzalen maar ook het broeder- en het zusterklooster niet als monument beschermd zijn. Dat dit niet de bedoeling was, is duidelijk uit het feit dat in het Besluit niet is aangegeven dat de bescherming enkel van toepassing is op een deel van de gebouwen, zoals in andere gevallen wel werd aangegeven (...) én er ook geen uitzonderingen worden gemaakt (...). De loods werd in 1863 gebouwd als onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex dat tussen 1856 en 1864 werd opgetrokken naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt. Het is dus niet juist te stellen dat de loods deel uitmaakt van een aantal ‘parasietgebouwen’, maar wel degelijk deel uitmaakt van het 19de eeuwse ziekenhuis. Wat wel als parasietgebouwen kunnen worden omschreven zijn de talrijke aanbouwsels die vanaf 1943 op de site werden opgetrokken, en dus nooit beschermd waren als monument. Het zijn hoofdzakelijk déze gebouwen die in de jaren ’90 werden afgebroken in het kader van een renovatie en uitzuivering van de Sint-Jans-site. De aanvraag stelt verder dat ‘het volledige interieur van de loods werd uitgebroken’. Dit is manifest onjuist daar de bestaande balklaag op gietijzeren zuilen tot de oorspronkelijke inrichting behoort. Het gebouw werd wel gedeeltelijk verminkt door de bouw van een nieuwe banale straatgevel, en het wijzigen van de vensteropeningen in de zijgevel. Desondanks blijft het één van de getuigen van de evolutie van dit belangrijk historisch site, en zou de sloping ervan bijgevolg een verarming van de erfgoedwaarden van het beschermde monument betekenen. Bovendien kan gesteld worden dat juist door zijn ligging aan de Reie het eveneens een standslandschappelijke waarde heeft, en door zijn ‘vertrouwdheid’ een ideale schakel vormt met een nieuwbouwproject. In de aanvraag wordt immers nergens overtuigend aangetoond dat behoud van de loods het MOH-project hindert of onmogelijk maakt, zodat ook niet wordt duidelijk gemaakt waarom de bescherming moet worden opgegeven en de loods moet worden gesloopt. Zoals in de aanvraag wél wordt gesteld, ‘heeft ze wel een functioneel-gevoelsmatige waarde als toegangsmoment tot de site’. Wij menen dan ook dat de loods deze functie en waarde kan behouden zonder de kwaliteit van het nieuwe ‘museum’ negatief te beïnvloeden. Wij moeten er eveneens op wijzen dat er op deze plaats in de erfpacht een recht van doorgang behouden blijft naar het achterliggende congrescentrum. Deze plek kan dus niet zomaar door het nieuwe museum worden ingenomen, zelfs als men nu al denkt dat ‘de aanwezige oppervlakte waarschijnlijk niet toereikend zal zijn’. Er is o.i. onvoldoende moeite gedaan om het nieuwe project in de bestaande toestand te integreren, zelfs nadat na overleg met onze diensten de plannen reeds in belangrijke mate werden afgezwakt en aangepast. Het project heeft te veel de ambitie om prestige uit te stralen en maximaal zichtbaar te zijn, en te weinig de ambitie om de historiciteit en de erfgoedwaarden van het site te respecteren en zich aan te passen aan het aanwezige erfgoed. Wij zijn van mening dat de loods nog voldoende erfgoedwaarde behoudt, en bovendien op een perfecte manier kan ingepast worden in Museum of History, enerzijds als doorgang tot het Congrescentrum (huidige functie) en anderzijds als historische én overdekte toegangsruimte tot het nieuwe gebouw. Het is hierbij vanzelfsprekend dat de nieuwbouwplannen gedeeltelijk zullen moeten herdacht en aangepast worden. Voor de link met het museum kan gebruik worden gemaakt van een nu dichtgemetselde maar brede poortopening in de linker zijgevel”. X-13.745-5/16 2.7. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt op 7 september 2006 volgend ongunstig advies uit over “de aanvraag tot opheffing van de bescherming en voor het slopen van de 19de-eeuwse loods”: “De vraag tot opheffing van de bescherming van de loods op de Sint-Janssite te Brugge kadert in de plannen om de realisatie van een nieuw Museum of History mogelijk te maken. Het betreft een privé-initiatief. De oude Sint-Janssite is in zijn geheel beschermd als monument bij besluit van de secretaris-generaal van 8 juli 1942. De loods werd in 1863 gebouwd als onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt. Het interieur vertoont nog de oorspronkelijke houten balklaag op gietijzeren zuilen. Het pand werd enigszins verminkt door een nieuwe, banale straatgevel
(1970)en door het wijzigen van de vensteropeningen in de zijgevel. De Koninklijke commissie heeft kennisgenomen van de motivatienota tot opheffing opgesteld door het ontwerpbureau, alsook van een presentatiebundel over de doelstellingen en intenties van dit museum. De afbraak van de loods, een vroegere aanhorigheid van de 19de-eeuwse ziekenzalen, wordt door de ontwerpers als primordiaal beschouwd voor de inplanting en de architectuur van het geplande museum. De Koninklijke Commissie heeft op 1 juni 2006 de site van het Sint-Janshospitaal bezocht. De Koninklijke Commissie wijst op de cruciale positie van het gebouw op de hoek van de historische Sint-Janssite te Brugge. Omgeven door twee 17de-eeuwse gebouwen ligt de 19de-eeuwse loods als hoekpand beeldbepalend in het stadslandschap. Wat in de plaats komt, vormt een zeer ingrijpend element binnen het hier vrij ongedefinieerde terrein. Het nieuwe museumcomplex laat qua schaal en architectuur veel te weinig ruimte over aan de historische site. De Koninklijke Commissie brengt derhalve een ongunstig advies uit voor de aanvraag tot opheffing van de bescherming en voor het slopen van de 19de-eeuwse loods. Het behoud en de integratie van de loods binnen het museumconcept vraagt een herdenking van het voorgelegde ontwerp. Een aantal gebouwen van de beschermde Sint-Janssite, waaronder de verpleegsterschool, komen momenteel leeg te staan. De Koninklijke Commissie adviseert dan ook de opmaak van een masterplan voor de gehele historische site”. 2.8. Op 20 augustus 2007 richt het stadsbestuur van Brugge zich met een schrijven tot de minister teneinde zijn visie aangaande de “vraag tot gedeeltelijke opheffing van het besluit van de secretaris-generaal d.d. 8.07.1942 tot bescherming als monument” toe te lichten in de volgende bewoordingen: “Hoewel de stad de bezorgdheid van de Koninklijke Commissie betreffende het masterplan deelt, blijft de stad de mening toegedaan dat de loods niet waardevol is, en onderschrijft de argumenten zoals beschreven in de bundel van de architecten. Het is een restant en een zwaar verminkt gegeven. De loods is een verbasterd relict dat totaal geïsoleerd staat in de hoek van de site. Het argument dat behoud van het koetshuis noodzakelijk is omwille van haar beeldbepalend karakter wordt zeker niet bijgetreden, gezien dit beeld gevormd wordt door de banale nieuwe straatgevel en verminkte zijgevel en bovendien X-13.745-6/16 een oplossing dat duidelijkheid en samenhang biedt voor deze hoek van de site in de weg staat. Zo voldoende sterk en kwalitatief van architectuur, dan mag een nieuwe ingreep gezien worden, want ook hedendaagse architectuur heeft een plaats in de stadsvernieuwingsvisie van Brugge als werelderfgoedstad. De intentie om via het ‘museum of history’ (MOH) een intrigerend en structuurherstellend antwoord te bieden voor deze plek van de Sint-Jansite herstelt het oorspronkelijk besloten karakter van de site. Het MOH brengt de geschiedenis van de stad op baanbrekende, vernieuwende wijze en werd daarom ook ingeschreven in het beleidsplan van de stad. Niet enkel het gebouw en haar inhoud, maar ook het initiatief om het MOH in een ruimer kader te bekijken speelde in op de wensen van de stad. Het MOH is een belangrijke hefboom om de jarenlang versnipperde site op een hoger niveau te tillen. Na verschillende analyses (van bestaande toestand, circulatiepatronen, historisch, ...) is in samenspraak met de stad, de opportuniteit van een stadspark naar voor geschoven, aanleunend bij het historisch karakter van deze plek. Hiervoor zouden de auto’s die vandaag voor de verwaarloosde aanblik zorgen, ondergronds gebracht worden. Mede dankzij de steun van het MOH en andere partners zijn hiervoor oplossingen in de maak. Gezien zich verschillende actoren op en rond de site bevinden werd door de burgemeester een stuur- en werkgroep in het leven geroepen, waarbij de wensen, noden en toekomstperspectieven van alle partners in kaart werden gebracht. Deze bijeenkomsten hebben reeds meerdere malen plaatsgevonden en door alle partijen is het idee van een hedendaags stadspark (vb. cultuurpark) dat als centraal element binding en samenhang zal brengen tussen de verschillende omliggende functies en gebouwen ondersteund. Dit biedt de mogelijkheid dat de verschillende actoren ook volgens hun eigen tempo kunnen ontwikkelen, gezien bvb. in het geval van de verpleegsterschool niet het volledige gebouw leeg komt te staan (cfr. advies Koninklijke Commissie) maar slechts een klein deel en eventuele volledige ontruiming zich daardoor niet op korte termijn voor zal doen. Telkens wordt teruggekoppeld aan de draagkracht van de site, de economische haalbaarheid, samenhang met de andere functies en beleidskwesties. Momenteel bevinden zich op en rond de site verschillende functies : musea (Memlingmuseum, apotheek en archeologisch museum), congresaccommodatie (19e eeuwse ziekenzalen), overheidsinstelling (dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening van stad Brugge), onderwijs met studentenhuisvesting (verpleegsterschool) en woningen. Het park zal deze verschillende functies bundelen waardoor zowel bewoners, als studenten toeristen, congresgangers ... een interessante stedelijkheid in parkcontext kunnen genereren, in relatie met het water. Het MOH en de ondergrondse parking vormen een eerste, essentiële stap om dit mogelijk te maken. Behoud van het koetshuis verhindert het MOH en bijgevolg een samenhangend masterplan. Via bovenstaande wensen we te benadrukken dat al heel wat stappen ondernomen zijn om deze plek in het centrum van de stad te revaloriseren. Een concreet masterplan is nog niet voor handen, maar de voorbereidingen hiertoe zijn volop bezig. Bedoeling is een visionair, haalbaar, flexibel en stedenbouwkundig verantwoord, gebald en communicatief document op te maken dat maximale ontwikkelingskansen genereert en oor heeft voor de verschillende categorieën belanghebbenden. Daarom engageren wij ons als stad om binnen de 24 maanden een concreet masterplan te hebben”. X-13.745-7/16 2.9. Op 7 september 2007 geeft de kabinetschef van de minister aan de secretaris-generaal van het departement ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed de volgende opdracht: “Deklasseringsbesluit opstellen op basis van argumenten in brief”. 2.10. Op 23 november 2007 beslist de minister het besluit van de secretaris-generaal van 3 juli 1942 houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge in die zin te wijzigen dat het “koetshuis, gelegen op de hoek van de Zonnekemeers en het kanaal” uit de bescherming wordt gesloten. Het bestreden besluit geeft hiertoe volgende overweging : “Overwegende dat het koetshuis op de als monument beschermde site deel uitmaakte van het ruimer complex met wasserij en stookruimtes dat in 1992 werd afgebroken, waardoor de oorspronkelijke context van het koetshuis geschaad werd; Overwegende dat bij de afbraakoperatie van 1992 ook de twee achterste traveeën van het koetshuis afgebroken werden, dat een nieuwe achtergevel in historiserende stijl werd opgericht, en dat ook de vensteropeningen aan de waterzijde volledig werden uitgebroken, zodat de intrinsieke historische, i.c. architectuurhistorische waarde van het koetshuis ernstig werd aangetast; Gelet op het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, gegeven op 7 september 2006”. 3. De ontvankelijkheid 3.1. De verzoekende partijen laten gelden dat zij “eigenaar en bewoner (zijn) van een woning in de onmiddellijke nabijheid van de beschermde Sint-Janshospitaalsite met het koetshuis” en dat “het bestreden besluit een eerste noodzakelijke stap is naar de afbraak van het koetshuis om daarna plaats te maken voor een grootschalig bouwproject” waardoor “het straatbeeld (...) ernstig (zal) worden verminkt”. 3.2. De verwerende partij betwist het rechtstreeks, actueel en zeker belang van de verzoekende partijen. Er ligt geen (sloop)vergunning voor maar enkel een besluit tot het wijzigen van een beschermingsbesluit dat “niet (impliceert) dat er met zekerheid een sloopvergunning zou kunnen bekomen worden”. Zij betwist voorts het belang van de verzoekende partijen omwille van de volgens haar vrij beperkte “impact op het straatbeeld van deze loods” en het geringe belang ervan “voor het leefklimaat of woonklimaat van een verzoeker”. X-13.745-8/16 De verwerende partij betwist het belang van de derde, zesde, achtste en negende verzoekende partijen omdat zij geen zicht hebben op het koetshuis. Het belang van de eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende en tiende verzoekende partijen, die vanuit hun woning eventueel zicht hebben op het koetshuis, betwist zij nog omdat zij nalaten dat mogelijke zicht te specifiëren. 3.3. De eerste tussenkomende partij betwist dat de verzoekende partijen een afdoende, rechtstreeks, persoonlijk, effectief en actueel belang aantonen omdat “zij door de bestreden maatregel geen enkel persoonlijk nadeel (ondergaan) dat voor hen actuele en daadwerkelijke gevolgen oplevert, moreel noch materieel”. Zij stelt dat het bestreden besluit “een zeer beperkte declassering (...) van de zgn. Sint-Janssite” inhoudt en de site volgens het gewestplan gelegen is in een woongebied “van culturele, historische en/of esthetische waarde” zodat het “hic et nunc verre van zeker (
- is)dat (...) er ooit een slopingsvergunning komt”. Zij betwist voorts het belang van de derde, zesde en achtste verzoekende partijen omdat zij “niet eens zicht hebben op het gedeclasseerde pand”. 3.4. Uit de gegevens van de zaak blijkt en het wordt niet betwist dat de eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende, negende en tiende verzoekende partijen in de onmiddelijke omgeving van het bedoelde koetshuis woonachtig zijn. Zij hebben als zodanig het naar het recht vereiste persoonlijk, zeker, rechtstreeks en actueel belang bij het behoud of de handhaving van het beschermingsstatuut dat - bij besluit met een individueel karakter- werd gegeven aan het onroerend goed in de onmiddellijke omgeving van het onroerend goed dat zij bewonen, en a fortiori bij hun beroep tegen de gedeeltelijke opheffing van dat beschermingsstatuut op vraag van de tussenkomende partij met het oog op het slopen van het koetshuis. 3.5. De derde, zesde en achtste verzoekende partijen zijn woonachtig aan de Oostmeers en bijgevolg niet in de onmiddelijke omgeving van het bedoelde koetshuis. De vordering tot schorsing is in hunner hoofde niet ontvankelijk. 4. Over de grondvoorwaarden tot schorsing. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de X-13.745-9/16 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 4.1. Over de ernst van de middelen 4.1.1. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de Motiveringswet), van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel. Zij stellen in het eerste onderdeel van dit middel dat de overwegingen in het bestreden besluit “uiterst summier en nietszeggend” zijn, het bestreden besluit op geen enkele manier verduidelijkt waarom de minister het advies van de Koninklijke Commissie van 7 september 2006 niet heeft gevolgd terwijl hij daartoe gehouden was, “de minister niet (...) ingaat op deze eenduidig negatieve adviezen” van de afdeling monumenten en landschappen, de motieven in het bestreden besluit niet draagkrachtig zijn omdat “de motieven om destijds tot klassering over te gaan eerder van cultuurhistorische aard waren en minder van architecturale aard”. 4.1.2. De verwerende partij antwoordt dat een formele motivering summier mag zijn, het feit dat in het bestreden besluit “niet in discussie (werd) gegaan met het advies van de Koninklijke Commissie” niet verboden maar ook niet nodig is, de motieven in het bestreden besluit duidelijk, pertinent, afdoende en draagkrachtig zijn, in vergelijking met het rangschikkingsbesluit “het parallellisme der vormen met de huidige motivering in elk geval ruimschoots is nageleefd”, in het bestreden besluit duidelijk is “aangegeven dat de intrinsieke, historische, in casu architectuurhistorische waarde van het koetshuis ernstig werd aangetast” waardoor het “niet meer (voldoet) aan de waarden die in het oorspronkelijk besluit tot de rangschikking hebben geleid”, in het bestreden besluit verder is aangegeven “dat dit koetshuis deel uitmaakte van een ruimer complex met de wasserij en stookruimte, maar dat dit ruimer complex werd afgebroken, waardoor de oorspronkelijke context van het koetshuis geschaad werd” en “dat bij deze afbraakoperatie ook de twee achterste traveeën van het koetshuis afgebroken werden en dat deze vervangen werden door een achtergevel die zondermeer niet waardevol is”, “de Koninklijke Commissie vrij alleen stond met haar vrij sober en nonchalant geformuleerde overwegingen over het project van de NV M.O.H.”, “uit de historiek van het dossier” niet blijkt “dat de motieven om in 1942 tot klassering over te gaan eerder van cultuurhistorische aard zouden zijn en minder van architecturale aard”. X-13.745-10/16 4.1.3. De eerste tussenkomende partij antwoordt dat “de declasseringsprocedure bijzonder eenvoudig is”, artikel 9 van het Monumentendecreet “de enige bepaling (
- is)die betrekking heeft op het declasseringsbesluit en de eraan voorafgaande procedure”, de Vlaamse regering “in beginsel (...) geen enkel advies (moet) inwinnen, ook niet van de Koninklijke Commissie” die enkel moet worden “gehoord”, “wanneer er niet eens een plicht is tot adviesvraag, (...) er ook geen plicht (
- is)ze te beantwoorden, resp. te weerleggen, laat staan op uitvoerige wijze”, “de discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse regering desbetreffend zeer groot is, zeker wanneer het slechts om een gedeeltelijke opheffing gaat” en “niet (kan) worden beperkt door allerhande commissie of besturen die menen daaromtrent “advies” te moeten verschaffen”, “de Vlaamse regering (niet) om adviezen heeft gevraagd, tenzij aan de Koninklijke Commissie” en “mocht zij dat wel hebben gedaan, (...) die adviezen in elk geval slechts een informatieve waarde (hebben)”, het bestreden besluit alleszins formeel gemotiveerd is, ook aan de materiële motiveringsplicht is voldaan nu het “de gronden aan(geeft) waarop het steunt, dewelke in feite correct zijn en die het besluit ook rechtens kunnen schragen vermits zij niet kennelijk onredelijk zijn”, “de Vlaamse regering (...) geenszins verder (hoefde) in te gaan op adviezen die door allerhande instanties in het kader van andere en vroegere procedures werden verleend”, in 1992 “belangrijke delen van het koetshuis werden afgebroken en waardoor een nieuwe toestand ontstond, ingevolge waarvan de Vlaamse regering terecht van oordeel kon zijn dat dit onderdeel(tje) van de ganse Sint-Janssite niet langer nog dezelfde ‘artistieke, oudheidkundige of historische waarde’ bezat waarom het in 1942 mede in de algehele bescherming is opgenomen geworden”. 4.1.4. De tweede tussenkomende partij antwoordt dat uit de bestreden beslissing duidelijk de wettelijke bepalingen waarop zij gesteund is, het voorwerp van de bescherming en van de deklassering en de redenen van de deklassering blijken, de verzoekende partijen niet ontkennen “dat de twee achterste traveeën van het koetshuis (loods) afgebroken werden, dat een nieuwe achtergevel werd opgericht en dat de vensteropeningen aan de waterzijde volledig werden afgebroken”, “door deze ingrepen de oorspronkelijke context teloor is gegaan (...) en (...) de intrinsieke historische, i.c. architectuurhistorische waarde van het koetshuis (loods) (...) ernstig werd aangetast” wat afdoende verantwoordt “dat het koetshuis (loods) uit het voorwerp van de bescherming wordt uitgesloten”, het college van burgemeester en schepenen dezelfde mening als de minister is toegedaan, het advies van de Koninklijke Commissie niet bindend is en “niet degelijk en correct onderbouwd” X-13.745-11/16 omdat “de opmerkingen over wat mogelijk in de plaats komt van het koetshuis (loods) (...) niet thuis(horen) in het advies”, “de verwijzingen van de commissie (...) betrekking (hebben) op een voorgaand ontwerp”, “het gebouw (...) niet beeldbepalend in het landschap, maar geïsoleerd (ligt)” en “geen enkel element (wordt) aangehaald waaruit zou blijken dat het koetshuis (loods) van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde”, de minister “in de motivering van de beslissing (...) duidelijk aangeeft waarom het advies niet gevolgd wordt”, “de procedure enkel voorziet in het advies van de Koninklijke Commissie, advies dat gevraagd en verkregen werd”, “de adviezen van de afdeling Monumenten en Landschappen geen betrekking (hebben) op de deklassering als dusdanig, maar op de aanvragen m.b.t. (...) een concreet project”, “niet zonder meer ongunstig” zijn en “inhoudelijk over de bestaande bescherming geen uitspraak” doen, “de bescherming (...) betrekking (had) op het hospitaal en niet zozeer op het koetshuis (loods)” wat “allicht ook de reden (
- is)dat in de jaren 90 zonder meer gedeelten afgebroken konden worden”. 4.1.5. Voorafgaandelijk wordt vastgesteld dat de secretaris-generaal bij besluit van 3 juli 1942 “het St. Janshospitaal te Brugge” als monument “rangschikt” en dat deze bescherming slaat op het kadastraal perceel nr. 1156/d met een oppervlakte van 2ha 39a 62ca dat toen “eigendom (was) van de Commissie van Openbaren Onderstand”. Het is niet betwist dat het betrokken koetshuis zich binnen die geografische afbakening van het beschermde monument bevindt. Het koetshuis is derhalve mee in de bescherming opgenomen. Bovendien wordt vastgesteld dat die rangschikking blijkens het besluit zelf werd gedaan “om reden van (...) artistieke, oudheidkundige of historische waarde” van het monument. 4.1.6. Uit artikel 3 van het Monumentendecreet volgt dat de Koninklijke Commissie tot taak heeft de minister van advies te dienen inzake monumenten en stads- en dorpsgezichten. De Koninklijke Commissie is aldus een adviesorgaan (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Verslag van de Commissie, 1975-76, 15/10, 11). De Koninklijke Commissie wordt gehoord onder meer wanneer de Vlaamse regering het voornemen heeft om een monument van het ontwerp van lijst te schrappen (artikel 5, § 8 Monumentendecreet), een besluit tot definitieve bescherming van de op het ontwerp van lijst voorkomende monument vast te stellen X-13.745-12/16 (artikel 7 Monumentendecreet) en een (koninklijk) besluit tot bescherming van een monument op te heffen of te wijzigen (artikel 9, tweede lid Monumentendecreet). De decreetgever heeft zodoende in de verplichte raadpleging van de Koninklijke Commissie voorzien “in elke belangrijke fase van de procedure” (Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, Memorie van toelichting, 1973-74, 122/1, 5). Het horen van de Koninklijke Commissie door de Vlaamse regering in de voormelde gevallen is een substantieel vormvoorschrift. De Koninklijke Commissie dient immers telkens een met redenen omkleed, weliswaar niet bindend, advies op te maken over het voornemen van de Vlaamse regering. 4.1.7. Het wordt niet betwist dat een wijzigingsbesluit in toepassing van artikel 9 van het Monumentendecreet onderworpen is aan de Motiveringswet. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht opgelegd door de Motiveringswet is erin gelegen dat de betrokken bestuurde in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen. Het is noodzakelijk dat de beslissing duidelijk de fundamentele redenen doet kennen die haar verantwoorden, of minstens toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, en, of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De gegeven motivering moet draagkrachtig zijn en de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Wanneer de overheid een wijzigingsbesluit neemt dan moet in dat besluit de precieze en concrete elementen worden vermeld waarom zij van opvatting is veranderd, in casu het eerder genomen beschermingsbesluit wijzigt. En wanneer in de loop van de administratieve procedure adviezen worden uitgebracht, waarover de beslissende overheid oordeelt dat deze niet kunnen worden gevolgd, moeten uit haar beslissing duidelijk de redenen blijken waarom deze adviezen niet worden gevolgd. Deze motiveringsplicht geldt zowel in het geval van verplichte als in het geval van facultatieve adviezen. 4.1.8. Het bestreden wijzigingsbesluit is op het eerste gezicht gesteund op twee redenen: enerzijds de geschade “oorspronkelijke context van het koetshuis” door de afbraak in 1992 van de wasserij en stookruimtes en anderzijds de ernstige aantasting van de intrinsieke (architectuur)historische waarde van het koetshuis door de afbraak in 1992 van de twee achterste traveeën, de oprichting van een nieuwe X-13.745-13/16 achtergevel in historiserende stijl en het volledig uitbreken van de vensteropeningen aan de waterzijde. 4.1.9. Deze redenen kunnen op het eerste gezicht niet volstaan om het wijzigingsbesluit te schragen omdat daaruit niet duidelijk blijkt waarom het advies van de cel Monumenten en Landschappen West-Vlaanderen van 20 juni 2006 en het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 7 september 2006 niet worden gevolgd. Dit geldt des te meer nu beide adviezen de volgende motieven aanreiken om de bescherming van het Sint-Janshospitaal desondanks niet te wijzigen: het interieur van het koetshuis vertoont nog de oorspronkelijke houten balklaag op gietijzeren zuilen, het 19de eeuwse koetshuis vormt een “onderdeel van een nieuw hospitaalcomplex naar ontwerp van de bekende Brugse architect Alleweireldt”, het feit dat hoofdzakelijk “parasietgebouwen” of “aanbouwsels (...) in de jaren ’90 werden afgebroken in het kader van een renovatie en uitzuivering van de Sint-Jans-site”, “de cruciale positie van het gebouw op de hoek van de historische Sint-Janssite (...) omgeven door twee 17de-eeuwse gebouwen”, het koetshuis is door zijn ligging “als hoekpand beeldbepalend in het stadslandschap” en “één van de getuigen van de evolutie van dit belangrijk historisch site” waardoor “de sloping ervan (...) een verarming van de erfgoedwaarden van het beschermde monument (zou) betekenen”. Het eerste onderdeel van het enig middel is in die mate ernstig. 4.2. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 4.2.1. De eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende, negende en tiende verzoekende partijen stellen dat zij aan de overzijde van het koetshuis wonen, het bestreden besluit “ertoe (leidt) dat het betrokken koetshuis met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal worden afgebroken” omdat het verzoek tot declassering “er is gekomen” na negatief advies van de afdeling Monumenten en Landschappen over het verzoek tot sloping van het gebouw, het beschermd statuut “de afgifte van een stedenbouwkundige vergunning tot afbraak van het koetshuis (...) onmogelijk” maakt, “de afbraak van het koetshuis zou (...) leiden tot een ernstige aantasting van het woonklimaat van de verzoekende partijen” omdat “het koetshuis sterk beeldbepalend is in het straatbeeld en deel uitmaakt van de beschermde Sint-Janshospitaalsite in het historische centrum van Brugge, dat op de Unesco-werelderfgoedlijst staat” en het “straatbeeld - waaronder het koetshuis - (...) voor de verzoekende partijen (...) een cruciaal onderdeel van hun woonklimaat” X-13.745-14/16 vormt, “hun visueel beeld en woonklimaat in de komende jaren onherstelbaar aangetast” zou worden zonder schorsing van het bestreden wijzigingsbesluit. 4.2.2. Dit betoog overtuigt. Het standpunt van de overige partijen dat de aangevoerde nadelen niet rechtstreeks uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden wijzigingsbesluit voortvloeien is niet pertinent omdat uit de gegevens van de zaak blijkt dat het bestreden besluit de noodzakelijke bestuurshandeling is om toe te laten dat een sloopvergunning wordt afgeleverd die de aangevoerde verstoring van het visueel beeld en woonklimaat van de verzoekende partijen tot gevolg zal hebben. Er bestaat aldus een voldoende, rechtstreeks en causaal verband tussen de ingeroepen nadelen en het bestreden wijzigingsbesluit. In hoofde van de eerste, tweede, vierde, vijfde, zevende, negende en tiende verzoekende partijen is het nadeel ernstig en tevens moeilijk te herstellen. Er is bijgevolg voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De verzoeken tot tussenkomsten van de stad Brugge en de n.v. MOH in het administratief kort geding worden ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen ten aanzien van de derde, de zesde en de achtste verzoekende partijen. Artikel 3. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 23 november 2007 van de vice-minister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening X-13.745-15/16 tot wijziging van het besluit van 3 juli 1942 van de secretaris-generaal houdende de rangschikking als monument van het Sint-Janshospitaal te Brugge. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen oktober 2008, door : de H. P. LEFRANC, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. P. LEFRANC. X-13.745-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.974 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div