← België

Arrest 186988 - Penitentiair recht - 10/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.988 Rolnummer: A. 188678/IX-5962 Zaak: Arrest 186988 - Penitentiair recht - 10/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-06 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 186.988 van 10 oktober 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.988 van 10 oktober 2008 in de zaak A. 188.678/IX-

  1. In zake : Abdessamad BELHADJ, die woonplaats kiest bij advocaat Th. GILLIS, kantoor houdende te GENT, Vlaanderenstraat 78 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Abdessamad BELHADJ op 23 juni 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverkla- ring te vorderen van de beslissing van 23 april 2008 van de directeur van de gevangenis te Brugge waarbij hem de volgende tuchtsanctie werd opgelegd : - 6 maanden strikt regime met behoud van telefoon (28/04/2008 tot en met 27/10/2008); - 7 dagen strafcel; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State, opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 oktober 2008, datum waarop de zaak wordt uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 7 oktober 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5962-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CEUNINCK, die loco advocaat Th. GILLIS, verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten.
  2. Op het ogenblik van de feiten verbleef verzoeker in de strafinrich- ting te Brugge. Op 21 april 2008 deed zich op het einde van het bezoek een incident voor. De kwartieroverste stelde hierover een rapport aan de directeur op waarin aan verzoeker het volgende werd ten laste gelegd : “Betrokkene werd verzocht om zich in het eerste lokaal te begeven voor een lichaamsonderzoek. Hij wist zich los te rukken en liep de bezoekzaal terug binnen richting naar zijn bezoeker. Hij probeerde opstand uit te lokken in de zaal. Tijdens deze actie werd een wit poeder in het rond gestrooid dat op zijn haar, op zijn oren en op zijn dij lag, alsook op de kledij van het personeel. Betrokkene heeft zich hevig verzet en hij werd manu militari overmeesterd.” Het rapport aan de directeur vermeldt de naam van vijf beambten die getuige waren van het voorval. Verzoeker werd bij wijze van voorlopige maatregel in een veiligheidscel geplaatst. De directeur besliste een tuchtprocedure op te starten. IX-5962-2/7 Op 23 april 2008 werd verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, door de directeur gehoord. Op dezelfde datum besliste de directeur aan verzoeker de volgende tuchtsanctie op te leggen : “7 dagen strafcel, voorlopige maatregel inbegrepen, van 21/04/2008 om 17.30 u tot 28/04/2008 om 17.30 u; 6 maanden strikt met behoud van telefoon (28/04/2008 tot en met 27/10/2008)”. De motivering van de tuchtsanctie luidt als volgt : “Betrokkene ontkent hetgeen in het rapport aan directeur is vermeld. Hij beweert dat de beambten plots de bezoekzaal zijn binnen gegaan en hem daar met dwang hebben overmeesterd. Er zijn echter tal van getuigen die de inhoud van het rapport aan directeur bevestigen. Bovendien is het absoluut niet gebruikelijk om interventies uit te voeren in aanwezigheid van bezoekers. Betrokkene had wit poeder in zijn bezit, doch dit werd door hem tijdens de interventie rondgestrooid waardoor er geen verdere onderzoeken kunnen uitgevoerd worden. Betrokkene heeft een rijk gevuld register van disciplinaire straffen en wordt steeds met het nodige geduld door het personeel benaderd. Hij blijft echter volharden in de boosheid en neemt zoals steeds geen enkele verantwoordelijkheid op. Zijn gedrag heeft de goede orde van de inrichting en tijdens het bezoek in ernstige mate verstoord. Zijn gedrag heeft aanleiding gegeven tot de escalatie van het probleem tijdens het bezoek.” Op 28 april 2008 werd verzoeker van de gevangenis van Brugge overgebracht naar die van Oudenaarde, waar de tuchtsanctie verder werd ten uitvoer gelegd. Op 3 juli 2008 besliste de directeur van de gevangenis te Oudenaarde, de uitvoering van de tuchtsanctie op te schorten, nadat hij kennis nam van het voorliggend verzoekschrift, in afwachting van het tussen te komen arrest van de Raad van State. De grond van de zaak. 2.1.
  3. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Verzoeker betoogt in dit verband in essentie IX-5962-3/7 dat de motivering van de bestreden beslissing “inhoudelijk quasi onbestaand is”. Hij voegt daaraan toe dat hij zich niet heeft verzet tegen de fouille na het verlaten van de bezoekzaal en dat het incident in verband met het witte poeder geen aanleiding kon geven tot een tuchtrechtelijke inbreuk. 2.1.
  4. Verwerende partij antwoordt, samengevat, dat verschillende getuigen bevestigen dat verzoeker geprobeerd heeft zich aan de fouillering te onttrekken, tumult veroorzaakt heeft in de bezoekzaal en zich hevig heeft verzet toen het personeel hem daar verwijderde. De directeur heeft deze feiten naar recht en redelijkheid als bewezen kunnen beschouwen. Wat het wit poeder betreft, heeft de directeur in de motivering van de bestreden beslissing aangegeven dit niet verder te hebben kunnen onderzoeken, doordat verzoeker het poeder had rondgestrooid. De verwerende partij sluit zich op dit punt aan bij de stelling van de verzoeker dat het aantreffen van dit poeder niet kan gekwalificeerd worden als een tuchtrechtelijke inbreuk. Hij werd hiervoor dan ook niet gesanctioneerd. 2.1.
  5. In het rapport aan de directeur werd gesteld dat verzoeker tijdens het incident “een wit poeder” had rondgestrooid. Tijdens het verhoor door de directeur verklaarde de verzoeker “dat het om kalk van de muur ging”. In de bestreden beslissing overwoog de directeur dat er daaromtrent “geen verdere onderzoeken kunnen uitgevoerd worden”. In de bestreden beslissing wordt betreffende het wit poeder dan ook aan de verzoeker niets ten laste gelegd. Verzoeker werd daarentegen wel tuchtrechtelijk gestraft omdat hij zich op het einde van het bezoek wou onttrekken aan de fouillering, de orde verstoorde in de bezoekzaal en hevig verzet bood toen hij werd verwijderd. Verzoeker betwist deze feiten. Wanneer de feiten betwist worden dient de Raad van State niet als appelrechter uit te maken wat de juiste toedracht is van de feiten die aan de tuchtsanctie ten grondslag liggen. Hij dient wel na te gaan of de tuchtoverheid naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is gekomen, meer bepaald of die overheid de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding heeft in acht genomen. In dit verband is het van doorslaggevend belang dat verschillende getuigen het rapport aan de directeur bevestigen. Wat de getuigen hebben gezien, weerlegt de verzoeker niet. De feiten ontkennen, volstaat niet om de bewijskracht IX-5962-4/7 van de getuigenverklaringen, die aan de basis liggen van de tuchtsanctie, te ontkrachten. Verzoeker toont niet aan waarom de gevangenisdirecteur niet wettig heeft geoordeeld dat de feiten bewezen zijn. Het middel is niet gegrond. 2.2.
  6. In een tweede middel voert verzoeker aan dat de opgelegde tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vermeende inbreuk. Hij betwist dat hij zich na het verlaten van de bezoekzaal tegen de fouillering heeft verzet en wat het poederincident betreft is er volgens hem geen sprake van een tuchtrechtelijke inbreuk. 2.2.
  7. De verwerende partij antwoordt, samengevat, dat de directeur in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de feiten waarvoor verzoeker werd gesanctioneerd de orde en veiligheid binnen de strafinrichting in ernstige mate verstoord hebben. De directeur heeft tevens rekening gehouden met het tuchtverle- den van verzoeker. Ook wordt melding gemaakt van de omstandigheid dat verzoeker steeds op geduld en begrip heeft kunnen rekenen vanwege het personeel, doch blijft volharden in zijn negatief gedrag en geen verantwoordelijkheid opneemt. Gelet op de ernst van de feiten en de voorgeschiedenis van verzoeker kan niet worden aangenomen dat de sanctie in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. 2.2.
  8. In de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht staat het niet aan de Raad van State om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten is gegaan, meer bepaald of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Verzoeker leidt de aangevoerde schending van het proportionali- teitsbeginsel af uit het feit dat hij betwist zich tegen de fouille te hebben verzet en dat er ook wat het poederincident betreft geen sprake is van een tuchtinbreuk. Die argumentatie betreft echter niet de vraag of de tuchtsanctie in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan verzoeker door de directeur schuldig werd bevonden. Verzoeker betwist aldus het bestaan van de tuchtinbreuk, maar niet de evenredigheid tussen de inbreuk en de tuchtsanctie. IX-5962-5/7 Zoals blijkt uit de beantwoording van het eerste middel, acht de gevangenisdirecteur het bewezen dat verzoeker zich bij het einde van het bezoek wou onttrekken aan de fouillering, dat hij de orde in de bezoekzaal verstoorde en hevig verzet bood aan het personeel. De directeur stelde vast dat verzoeker de goede orde van de inrichting tijdens het bezoekuur in ernstige mate heeft verstoord. De directeur hield ook rekening met het zwaar tuchtverleden van verzoeker, met het feit dat hij steeds met het nodige geduld door het personeel wordt benaderd, doch blijft volharden in zijn negatief gedrag en geen enkele verantwoordelijkheid opneemt. Mede gelet op die overwegingen, kan niet worden voorgehouden dat de tuchtsanctie niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten. Het middel is niet gegrond. 3.
  9. Aangezien deze zaak slechts korte debatten vereist, is er reden om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is bijgevolg geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. 3.
  10. Bovendien heeft de directeur van de gevangenis te Oudenaarde op 3 juli 2008 beslist om de uitvoering van de tuchtsanctie op te schorten in afwachting van de huidige procedure. Het verzoek tot schorsing is dienvolgens zonder voorwerp geworden. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5962-6/7 Artikel
  13. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 10 oktober 2008, door : de H D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5962-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.