id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.993 Rolnummer: A. 78884/IX-1204 Zaak: Arrest 186993 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 186.993 van 13 oktober 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.993 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 78.884/IX-
- In zake : Christiane VAN HOOYDONCK, wonende te BRASSCHAAT, Bredabaan 354 tegen : de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christiane VAN HOOYDONCK op 8 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 31 maart 1998 van de directieraad van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding waarbij haar voor het evaluatiejaar 1997 definitief de evaluatie “onvoldoende” wordt toegekend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 februari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-1204-1/7 Gehoord de opmerkingen van de verzoekster en van advocaat E. GOOSSENAERTS, die loco advocaat B. SCHUTYSER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoekster vastbenoemd ambtenaar met de graad van assistent bij de subregionale tewerkstellingsdienst Antwerpen van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB). Zij oefent de functie uit van onthaalbediende. 1.
- Op 6 februari 1998 heeft de verzoekster in het kader van haar evaluatie over het jaar 1997 een evaluatiegesprek met haar eerste evaluator. Dezelfde dag neemt zij kennis van het beschrijvend evaluatieverslag dat besluit met de eindvermelding “onvoldoende”. Op 16 februari 1998 deelt de verzoekster haar opmerkingen op het evaluatieverslag mee en stelt zij beroep in bij de raad van beroep. Op 13 maart 1998 adviseert de raad van beroep eenparig dat de evaluatie “onvoldoende” niet gegrond is. Op 31 maart 1998 beslist de directieraad unaniem “het advies van de raad van beroep niet te volgen en de beoordeling ‘onvoldoende’ te behouden”. Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 2 april 1998 aan de verzoekster ter kennis gebracht. IX-1204-2/7 Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van de verzoekster. Zij voert aan dat de verzoekster niet aantoont welk voordeel zij verwacht te halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing. 2.
- De verzoekster antwoordt hierop in haar memorie van wederantwoord dat de schadelijke gevolgen die een negatieve evaluatie met zich meebrengt maken dat zij er uiteraard belang bij heeft om deze beslissing aan te vechten. Vervolgens somt zij de gevolgen van een negatieve evaluatie op: - financieel: het niet opbouwen van schaalanciënniteit gedurende één jaar; - moreel: een belangrijke blaam ten aanzien van de verzoekster en een vernedering ten aanzien van haar werkomgeving en collega’s; - wat betreft bevorderingsmogelijkheden: het niet kunnen deelnemen aan bevorderingsexamens. 2.
- Door de bestreden beslissing wordt aan de verzoekster voor het evaluatiejaar 1997 definitief de evaluatie “onvoldoende” toegekend. Het personeelsstatuut van de VDAB bepaalt onder meer dat een ambtenaar met een evaluatie “onvoldoende” uitgesloten is van bevorderingen. Tevens bepaalt het personeelsstatuut dat de eerstvolgende salarisverhoging volgend op de dag van de negatieve evaluatie gedurende zes maanden wordt uitgesteld. Bovendien kan in redelijkheid niet ontkend worden dat een evaluatie “onvoldoende” een moreel nadeel voor de verzoekster betekent, daar het een afkeuring inhoudt van de wijze waarop zij haar functies uitoefent. De verzoekster wordt door de bestreden beslissing rechtstreeks en ongunstig in haar belangen geraakt. Zij heeft dan ook een voldoende belang om tegen die beslissing op te komen. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-1204-3/7 Over de gegrondheid van het beroep 3.
- De verzoekster roept een eerste middel in, afgeleid uit schending van artikel II 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende organisatie van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: VDAB-rechtspositiebesluit) en van artikel 9 van het huishoudelijk reglement van de directieraad van de VDAB. De verzoekster voert aan dat uit het proces-verbaal van de vergadering van de directieraad van 31 maart 1998 niet blijkt dat de bestreden beslissing genomen is bij geheime stemming op gemotiveerd voorstel van de voorzitter, voorstel dat geformuleerd werd na beraadslaging in de directieraad. 3.
- De verwerende partij antwoordt dat de stemming geheim was, maar dat dit, gezien de stembriefjes werden vernietigd, moeilijk bewezen kan worden. Voorts stelt zij dat het aan de verzoekster is om te bewijzen dat de procedure niet correct is verlopen. 3.
- De verzoekster repliceert dat de geheime stemming niet moet worden aangetoond met het overleggen van de stembriefjes, maar dat in het verslag van de directieraad vermeld moet worden dat de directieraad tot een geheime stemming over het voorstel van de voorzitter is overgegaan. Te dezen bevat het verslag geen dergelijke vermelding. Enkel wordt gesteld dat de directieraad unaniem heeft beslist. 3.
- In zijn verslag van 24 januari 2000 adviseert de auditeur- verslaggever om het eerste middel gegrond te bevinden en om de bestreden beslissing te vernietigen. 3.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekster dat de eerstvolgende salarisverhoging na de bestreden beslissing zou ingaan op 1 januari
- Zij stelt vast dat de door haar bestreden beslissing op 24 januari 2000 door de Raad van State is vernietigd, maar dat haar salarisverhoging toch werd uitgesteld. De verzoekster vraagt daarom een schadevergoeding zowel voor het geleden loonverlies als voor de bijkomende morele schade. IX-1204-4/7 3.
- De verwerende partij stelt in haar laatste memorie dat aangezien zowel artikel II 6 van het VDAB-rechtspositiebesluit, als artikel 9 van het huishoudelijk reglement van de directieraad bepaalt dat elke beslissing over een individu genomen wordt bij geheime stemming, het voor de dienst evident is dat deze procedure werd toegepast. De geheime stemming is dan ook niet in de notulen vermeld. De verwerende partij erkent dat verzoeksters salarisverhoging met zes maanden werd uitgesteld. Zij wijst erop dat het auditoraatsverslag de beslissing van de directieraad niet vernietigt, zodat de salarisverhoging nog niet toegepast moest worden. 3.
- In het licht van de conclusies die de verzoekster in haar laatste memorie trekt uit het auditoraatsverslag, meent de Raad van State te moeten opmerken dat de verzoekster zich vergist omtrent de draagwijdte van dat verslag. De taak van de auditeur bestaat erin een eerste onderzoek van de zaak te doen en middels een schriftelijk verslag zowel de leden van de Raad van State als de gedingvoerende partijen een inzicht te geven in de oplossing die hij voorstelt. Het verslag geeft derhalve geen eindoplossing aan het geschil (hetzij de verwerping van het beroep, hetzij de vernietiging van de bestreden beslissing). Het geschil wordt pas beslecht met het voorliggende arrest. 3.8.
- Artikel II 6 van het VDAB-rechtspositiebesluit luidt als volgt: “Elke individuele beslissing betreffende personeelsleden wordt genomen bij geheime stemming over het gemotiveerd voorstel van de voorzitter, dat geformuleerd wordt na beraadslaging in de directieraad.” Artikel 9 van het huishoudelijk reglement van de directieraad van de VDAB, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 februari 1996, bepaalt: “Wanneer de Voorzitter het debat over een kwestie gesloten verklaard heeft, formuleert hij voorstellen waarover de Raad verzocht wordt zich uit te spreken. Elke beslissing over een individu wordt genomen bij geheime stemming.” 3.8.
- Uit voormelde bepalingen kan worden afgeleid dat de beslissing waarbij aan de verzoekster de evaluatie “onvoldoende” wordt opgelegd, bij geheime stemming dient te gebeuren. De verwerende partij betwist dit ook niet. IX-1204-5/7 Een geheime stemming is een substantieel vormvoorschrift omdat alleen een geheime stemming de vrijheid en de onafhankelijkheid van de leden tegenover de betrokken persoon kan waarborgen. Het staat aan de verwerende partij om de naleving van dit substantieel vormvereiste te bewijzen, bijvoorbeeld door vermelding ervan in de notulen of in de beslissing van de vergadering. Te dezen blijkt noch uit de notulen van de directieraad van 31 maart 1998, noch uit de bestreden beslissing dat de voorzitter van de vergadering na de beraadslaging een voorstel heeft geformuleerd en dat daarover een geheime stemming heeft plaatsgehad. Het middel is gegrond. Over de vraag tot schadevergoeding
- In zoverre de verzoekster in haar laatste memorie vraagt dat de Raad van State de verwerende partij tot een schadevergoeding zou veroordelen wegens het geleden loonverlies en wegens de bijkomende morele schade omdat haar salarisverhoging is uitgesteld, moet worden opgemerkt dat de Raad van State niet bevoegd is om van een dergelijke vordering kennis te nemen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 31 maart 1998 van de directieraad van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding waarbij aan Christiane VAN HOOYDONCK voor het evaluatiejaar 1997 definitief de evaluatie onvoldoende wordt toegekend. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-1204-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1204-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.