id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.995 Rolnummer: A. 187639/IX-5893 Zaak: Arrest 186995 - Varia (justitie) - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-24 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 186.995 van 13 oktober 2008 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.995 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 187.639/IX-5893. In zake : Dennis ROMMEL, die woonplaats kiest bij advocaat K. SIMAEY, kantoor houdende te AARTRIJKE, Brugsestraat 48 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. DERVEAUX, kantoor houdende te KORTENBERG, Veldstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dennis ROMMEL op 25 maart 2008 heeft ingediend om een cassatieberoep in te stellen tegen de beslissing van 25 februari 2008 van de Commissie voor de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, waarbij zijn verzoek om toekenning van een hoofdhulp niet ontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 7 april 2008 waarbij het cassatie- beroep toelaatbaar wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting door de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 oktober 2008; IX-5893-1/10 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. SIMAEY die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat B. DERVEAUX die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. Op 6 april 2000 is de verzoeker het slachtoffer van fysieke gewelddaden gepleegd door de genaamde M.M. Bij vonnis van de Correctionele rechtbank te Brugge van 23 juli 2001 wordt M.M. veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete van 10.000 frank wegens het toebrengen van opzettelijke verwondingen en slagen, welke een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid tot gevolg hebben gehad. Op burgerlijk gebied wordt de dader veroordeeld om aan de verzoeker de som van één frank als provisionele vergoeding op alle schade te betalen. Tevens wordt voorbehoud verleend voor de aanstelling van een deskundige geneesheer. Tegen dit vonnis wordt geen enkel rechtsmiddel aangewend. De genaamde M.M. overlijdt op 13 april 2006. Zijn familieleden verwerpen de nalatenschap. Volgens de verzoeker heeft hij in juni 2006 een conclusie opgemaakt om neergelegd te worden bij de rechtbank. Wanneer hij verneemt dat de dader overleden is en zijn nalatenschap verworpen is, realiseert hij zich dat het niet meer mogelijk is om nog een burgerlijke veroordeling te verkrijgen. De procedure voor de correctionele rechtbank, over de burgerlijke belangen, is dan ook niet meer voortgezet. IX-5893-2/10 1.2. Op 22 februari 2007 vraagt de verzoeker de Commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders (hierna: de Commissie) om toekenning als gevolg van de opzettelijke gewelddaad van 6 april 2000 van een hoofdhulp van 9.004,40 euro. Op 25 februari 2008 verklaart de Commissie het verzoek niet ontvankelijk, op grond van de volgende redenen: “Het verzoekschrift aan de Commissie werd op 22 februari 2007 neergelegd. Artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen luidt als volgt: ‘Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen.’ De strafrechtelijke veroordeling dateert van 23 juli 2001. Er is geen later vonnis over de burgerlijke belangen. De raadsman van de verzoeker meldt dat hij vijf jaar later, nl. op 29 juni 2006, een conclusie opmaakte ter activatie voor de rechtbank. De vertegenwoordiger van de Minister vraagt het verzoek wegens laattijdigheid af te wijzen, omdat er geen latere rechterlijke beslissing is over de burgerlijke belangen. De verzoeker meent dat de termijn (voorzien in art. 31 bis, § 1, 4/) begrepen moet worden als een termijn lopende vanaf de definitieve uitspraak, zowel op strafrechtelijk als op burgerrechtelijk gebied en dat de wetgever bezwaarlijk aan eenzelfde termijn 2 onderscheiden betekenissen kan hebben willen geven. De Commissie merkt op dat de wettekst duidelijk is: enerzijds is er sprake van de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en anderzijds van (
- de)dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. Inzake de uitspraak over de burgerlijke belangen eist de wetgever enerzijds niet dat deze uitspraak definitief is en anderzijds wordt er wel vereist, indien deze datum dienstig moet zijn als aanvangspunt van de vervaltermijn, dat deze uitspraak van latere datum is. Wanneer de bodemrechter zich definitief uitspreekt over de strafvordering neemt de vervaltermijn van drie jaar een aanvang op de datum van deze uitspraak. Slechts wanneer er later een uitspraak (al dan niet definitief) tussenkomt over de burgerlijke belangen, krijgt het slachtoffer het voordeel van een nieuwe vervaltermijn. In de gegeven omstandigheden kan de Commissie dan ook niets anders dan het verzoek van de heer Rommel als niet ontvankelijk afwijzen. De Commissie wenst evenwel te benadrukken dat de afwijzing van het verzoek op juridisch-technische gronden berust en geenszins een miskenning IX-5893-3/10 inhoudt van het leed dat aan verzoeker ongetwijfeld werd toegebracht ingevolge de feiten.” Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende cassatieberoep. Onderzoek van het middel 2.1. De verzoeker roept een enig middel in, afgeleid uit de schending van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen. De verzoeker voert aan dat de Commissie zijn aanvraag tot het verkrijgen van hoofdhulp onontvankelijk verklaart op grond dat die aanvraag is ingediend buiten de termijn van drie jaar, te rekenen van het vonnis van 23 juli 2001 waarbij definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering, terwijl dat vonnis op burgerlijk vlak slechts een provisionele vergoeding toekende en nog geen definitieve uitspraak bevatte, zodat de termijn van drie jaar nog niet is beginnen lopen. In de toelichting bij het middel wijst de verzoeker erop dat de datum van de consolidatie van zijn letsels is vastgesteld op 1 november 2004, dit wil zeggen meer dan drie jaar na de datum van de definitieve strafrechtelijke veroordeling, en dat pas vanaf dat ogenblik de schade begroot kon worden. Hij voert aan dat het niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn om het in een dergelijke situatie onmogelijk te maken nog een ontvankelijke aanvraag bij de Commissie in te dienen. De verzoeker vestigt voorts de aandacht op het feit dat hij daarenboven nog eens geconfronteerd wordt met het overlijden van de dader en met de verwerping van de nalatenschap door diens rechtsopvolgers, waardoor hij geen veroordelend vonnis over de burgerlijke belangen kan verkrijgen. Hij voert aan dat de wetgever niet bedoeld kan hebben dat een slachtoffer in een dergelijk geval zou terugvallen op de initiële termijn van drie jaar vanaf de datum van de definitieve strafrechtelijke veroordeling, laat staan dat het slachtoffer dan geen beroep zou kunnen doen op de verjaringstermijn vanaf het veroordelend burgerlijk vonnis dat uitspraak doet over de burgerlijke belangen, in de hypothese dat dit burgerlijk vonnis nog gevorderd zou kunnen worden, wetend dat de burgerlijke vordering niet meer tot een veroordeling kan leiden, gelet op de concrete situatie. IX-5893-4/10 Voor zijn stelling dat de verjaringstermijn nog niet is beginnen lopen, verwijst de verzoeker naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 tot wijziging van de wet van 1 augustus 1985. Daarin is uitdrukkelijk rekening gehouden met de hypothese dat de dader overleden is, zodat tegen hem geen strafvordering op gang gebracht kan worden, en wordt gesteld dat de Commissie in een dergelijk geval de bepaling in verband met de vervaltermijn ruim moet kunnen interpreteren. De verzoeker wijst er ten slotte op dat hij in het voorliggende geval theoretisch nog wel een vonnis over de burgerlijke belangen zou kunnen uitlokken, en dat dit vonnis dan, in de zienswijze van de Commissie, een nieuwe termijn zou doen lopen. Het heeft evenwel geen zin om de procedure op burgerlijk vlak voort te zetten, en om de verzoeker daarbij te laten opdraaien voor de gerechtskosten, aangezien het vonnis in het licht van het overlijden van de dader en de verwerping van de nalatenschap door zijn erfgenamen, niet anders dan afwijzend kan zijn. 2.2. De verwerende partij is van oordeel dat de Correctionele rechtbank te Brugge in haar vonnis van 23 juli 2001 uitspraak heeft gedaan over de strafvordering en over de burgerlijke belangen en dat de vervaltermijn van drie jaar derhalve een aanvang heeft genomen vanaf dit vonnis, zodat de Commissie verzoekers vraag om hoofdhulp, gedateerd op 22 februari 2007, terecht als onontvankelijk afwijst. 2.3.1. Artikel 31bis van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, luidt als volgt: “§1. De financiële hulp als bedoeld in artikel 31, 1/ tot 4/, wordt toegekend onder de volgende voorwaarden: (...) 4/ Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de eerste beslissing tot seponering, de beslissing van het onderzoeksgerecht, de dag waarop definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering of de dag, indien deze van latere datum is, waarop uitspraak is gedaan over de burgerlijke belangen. (...) §2. (...)” Deze tekst vindt zijn oorsprong in een amendement van de regering op het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de wet van 26 maart 2003 houdende IX-5893-5/10 de voorwaarden waaronder de commissie voor financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden een hulp kan toekennen. Volgens de verantwoording van dit amendement werd, wat de vervaltermijn betreft, “de inhoud van het huidige artikel 34, § 3, gewijzigd bij wet van 17 februari 1997, [...] hernomen, zij het eenvoudiger geformuleerd”. Wel werden de woorden “vanaf de eerste beslissing tot seponering” toegevoegd (amendement nr. 1 van de regering, Parl. St., Kamer, 2001- 02, nr. 50-626/2, p. 11). Artikel 34, § 3, van de wet van 1 augustus 1985, gewijzigd bij de wet van 17 februari 1997, luidde toen als volgt: “§3. Het verzoek tot hulp moet op straffe van verval worden ingediend [binnen drie jaar] te rekenen, naargelang het geval, ofwel van de dag waarop bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak is gedaan over de strafvordering, ofwel vanaf de beslissing van het onderzoeksgerecht. [Indien het slachtoffer, na het bekomen van een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering, een beslissing over de burgerlijke belangen bekomt, neemt de vervaltermijn een aanvang op de dag waarop door een in kracht van gewijsde gegane beslissing is uitspraak gedaan over de burgerlijke belangen.] (...)”. De tweede zin is toegevoegd bij de wet van 17 februari 1997. Volgens de memorie van toelichting bij het betrokken wetsontwerp werd door deze aanvulling “aan het slachtoffer [de mogelijkheid] gegeven [...] om zich ook nog tot de commissie te kunnen wenden nadat hij een beslissing bekomen heeft over de burgerlijke belangen, dit echter op voorwaarde dat een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering bestaat” (Parl. St., Kamer, 1996-97, nr. 726/1, p. 2; in dezelfde zin: verslag van de Commissie voor de Justitie, Parl. St., Kamer, 1996-97, nr. 726/4, p. 5, en verslag van de Commissie voor de Justitie, Parl. St., Senaat, 1996-97, nr. 1-486/2, p. 8). 2.3.2. De bestreden beslissing gaat ervan uit dat de tekst van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 duidelijk is. Volgens de Commissie neemt de vervaltermijn van drie jaar een aanvang op de datum van het vonnis waarbij “de bodemrechter zich definitief uitspreekt over de strafvordering”. Het slachtoffer krijgt weliswaar “het voordeel van een nieuwe vervaltermijn”, maar dan “slechts wanneer er later een uitspraak tussenkomt over de burgerlijke belangen”. Die interpretatie vindt steun in de tekst van de wet. Artikel 31bis, § 1, 4/, bepaalt inderdaad dat de termijn in beginsel begint te lopen vanaf de definitieve uitspraak over de strafvordering, en voorziet niet in enige afwijking op IX-5893-6/10 dat beginsel, bijvoorbeeld op grond dat er nog geen definitieve uitspraak is over de burgerlijke vordering. De parlementaire voorbereiding van de genoemde wetsbepaling doet er voorts niet van blijken dat de wetgever de bedoeling gehad zou hebben om in een dergelijke afwijking te voorzien. 2.3.3. Tegen die interpretatie voert de verzoeker aan dat zijn letsels bij het verstrijken van de vervaltermijn nog niet waren geconsolideerd en dat zijn schade derhalve nog niet eerder kon worden begroot. Volgens de verzoeker kan de wet niet zo geïnterpreteerd worden dat het slachtoffer in een dergelijk geval automatisch buiten de termijn zou vallen. De door de verzoeker aangehaalde omstandigheid hoeft echter niet te leiden tot een andere conclusie met betrekking tot de interpretatie van artikel 31bis, § 1, 4/. De wet van 1 augustus 1985 vereist immers niet dat het juiste bedrag van de schade vaststaat of bepaalbaar is op het ogenblik van het indienen van de aanvraag om financiële hulp. Een raming van de schadebestanddelen aan de hand van de gegevens waarover het slachtoffer op dat ogenblik beschikt, volstaat om een aanvraag in te dienen. Uit artikel 37 van de wet blijkt dat, wanneer na de toekenning van hulp het nadeel kennelijk is toegenomen, het slachtoffer de Commissie nog steeds om de toekenning van een aanvullende hulp kan verzoeken. 2.3.4. De verzoeker voert voorts aan dat hij geconfronteerd wordt met het overlijden van het slachtoffer en met de verwerping van diens nalatenschap door de erfgenamen, waardoor het verder afhandelen van de burgerlijke vordering voor de strafrechter zinloos geworden is. Volgens de verzoeker moet artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 zo geïnterpreteerd worden dat in een dergelijk geval afgeweken mag worden van de regel dat de vervaltermijn ingaat vanaf de datum van de definitieve uitspraak over de stafvordering en dat een nieuwe termijn enkel door een formele uitspraak over de burgerlijke belangen geopend wordt. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 26 maart 2003 tot wijziging van de wet van 1 augustus 1985, waarnaar de verzoeker in de toelichting bij het middel verwijst, blijkt dat de wetgever de mogelijkheid van een extensieve interpretatie van de wet niet uitsluit, en dat hij de Commissie daar in een bepaald geval zelfs toe uitnodigt, met name wanneer het door omstandigheden niet mogelijk blijkt om een definitieve uitspraak over de strafvordering te verkrijgen. In IX-5893-7/10 de toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de genoemde wet heeft geleid, wordt inderdaad het volgende gesteld in verband met de bepaling die thans vervat is in artikel 31bis, § 1, 2/, van de wet, en die voorschrijft dat de financiële hulp slechts kan worden toegekend op voorwaarde dat een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering is genomen: “Indien de dader bekend is, moet het voorleggen van een rechterlijke beslissing over de strafvordering (...) de regel blijven. Dit biedt een belangrijk houvast voor de commissie die immers zekerheid moet hebben omtrent het bewezen zijn van het misdrijf. Soms beschikt het slachtoffer evenwel over geen enkel middel om de strafvordering op gang te brengen: de dader is overleden, de dader is minderjarig, de dader is een militair, etc. De commissie moet dus in staat zijn uitzonderingen te maken op de regel dat er een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing voorhanden moet zijn. Het lijkt inderdaad noodzakelijk te zijn aan de commissie de nodige bewegingsruimte te bieden. (...) De commissie moet aldus in staat worden gesteld om artikel 31 ruim te kunnen interpreteren” (Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 50-626/1, p. 4). In het licht van die uitnodiging van de wetgever rijst de vraag of het overlijden van de dader ook geen aanleiding moet geven tot een “ruime” interpretatie van artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet. Die interpretatie hoeft trouwens niet zo ruim te zijn als door de verzoeker wordt voorgesteld. Denkbaar zou bijvoorbeeld zijn dat een aanvraag bij de Commissie kan worden ingediend binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf het ogenblik waarop het slachtoffer kennis krijgt van het overlijden van de dader en de verwerping van diens nalatenschap door zijn erfgenamen. Een reden om artikel 31bis, § 1, 4/, in een zodanige zin te interpreteren, zou kunnen zijn dat een strikte interpretatie aanleiding geeft tot een verschil in behandeling dat strijdig is met de beginselen van gelijkheid en niet- discriminatie, gehuldigd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. In wezen voert de verzoeker immers aan dat hij zich in een bijzondere situatie bevindt, te onderscheiden van de situatie die zich in het algemeen voordoet, en dat hij op grond daarvan niet behandeld mag worden op dezelfde manier als de slachtoffers die te maken hebben met een dader die nog wel veroordeeld kan worden tot betaling van een schadevergoeding, of althans met erfgenamen van een dader die daartoe veroordeeld kunnen worden. IX-5893-8/10 Aldus rijst in de voorliggende zaak een vraag met betrekking tot de verenigbaarheid van de genoemde wetsbepaling met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Op grond van artikel 26, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof is de Raad van State gehouden om het Grondwettelijk Hof ambtshalve te verzoeken op die vraag uitspraak te doen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Is artikel 31bis, § 1, 4/, van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet: - in de interpretatie dat, na het verstrijken van de termijn van drie jaar na een vonnis waarbij definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en waarbij op burgerlijk vlak een provisionele schadevergoeding is toegekend, een nieuwe termijn van drie jaar enkel geopend wordt door een later vonnis waarbij verder uitspraak wordt gedaan over de burgerlijke belangen, ook al is de dader ondertussen overleden en hebben zijn erfgenamen zijn nalatenschap verworpen, - in de interpretatie dat, na het verstrijken van de termijn van drie jaar na een vonnis waarbij definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering en waarbij op burgerlijk vlak een provisionele schadevergoeding is toegekend, in de veronderstelling dat de dader ondertussen overleden is en zijn erfgenamen zijn nalatenschap hebben verworpen, het slachtoffer binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf het ogenblik waarop het kennis krijgt van het overlijden van de dader en de verwerping van diens nalatenschap door zijn erfgenamen, een aanvraag tot het verkrijgen van financiële hulp kan indienen bij de Commissie voor de financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, ook al is er sinds het genoemde vonnis geen uitspraak van latere datum over de burgerlijke belangen?” IX-5893-9/10 Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verdere onderzoek van de zaak, na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5893-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.995 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.