← België

Arrest 186996 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.996 Rolnummer: Zaak: Arrest 186996 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-13 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 186.996 van 13 oktober 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.996 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 128.157/IX-3531 A. 128.473/IX-

  1. In zake :
  2. Johnny VAN PRAET,
  3. Noëlla VANDEN ABBEELE, die woonplaats kiezen bij advocaat P. CHOME, kantoor houdende te BRUSSEL, Capouilletstraat 34 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johnny VAN PRAET op 17 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit nr. 82.945 van 4 juni 2002 waarbij hij met ingang van 1 november 2001 ambtshalve wordt overgeplaatst naar het ministerie van Landsverdediging in de graad van technisch adjunct (zaak A. 128.157/IX-3531); Gezien het verzoekschrift dat Noëlla VANDEN ABBEELE op 24 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit nr. 82.940 van 4 juni 2002 waarbij zij met ingang van 1 november 2001 ambtshalve wordt overgeplaatst naar het ministerie van Landsverdediging in de graad van klerk (zaak A. 128.473/IX-3562); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikkingen van 22 februari 2005 die de neerleg- ging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; IX-3531-1/10 Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij; Gelet op de beschikkingen van 26 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van luitenant-kolonel militair- administrateur A. DE DECKER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de rechtspleging.
  4. De feitelijke situatie in de zaken A. 128.157/IX-3531 en A. 128.473/IX-3562 is dezelfde en de middelen in beide zaken zijn inhoudelijk identiek. Bijgevolg worden de zaken in het belang van een goede rechtsbedeling samengevoegd.
  5. De zaken waren vastgesteld op de zitting van 28 april
  6. Bij brief van dezelfde datum verzoekt de raadsman van de verzoekende partijen om uitstel, “vanwege uitzonderlijke omstandigheden”. Bij beschikkingen van 26 juni 2008 worden de zaken opnieuw vastgesteld ter zitting van 15 september
  7. Bij brief van 15 september 2008 die op dezelfde dag per fax om 9.30 u. werd verstuurd naar de Raad van State schrijft de raadsman van de verzoekende partijen onder meer “dat zijn cliënten hem niet meer hebben gecontacteerd sedert enkele maanden”. De advocaat verzoekt opnieuw om uitstel, IX-3531-2/10 alvorens zich zonder instructies van zijn cliënten te verklaren. Hij voegt daaraan toe dat hij in de onmogelijkheid verkeert om zich naar de zitting te begeven. De Raad van State stelt vast dat de raadsman van de verzoekende partijen van 28 april 2008 tot vóór de zitting van 15 september 2008 zijn cliënten kon contacteren om uit te maken of hij nog mandaat had van de verzoekende partijen om als advocaat voor hen op te treden. Blijkbaar is de raadsman tijdens deze lange periode er niet in geslaagd nog enig contact te hebben met zijn cliënten. Gelet op wat voorafgaat, wordt niet ingegaan op het nieuwe verzoek om uitstel. Over de gegevens van de zaak 2.
  8. De beide verzoekende partijen zijn tewerkgesteld bij de Radio Maritieme Dienst (RMD). Deze dienst vormde oorspronkelijk een onderdeel van Belgacom. Bij koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen betreffende de overdracht van sommige personeelsleden van Belgacom aan de federale overheid in toepassing van art. 3, § 1, 6/, van de wet van 26 juli 1996 betreffende het realiseren van de budgettaire voorwaarden van de deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (hierna: het koninklijk besluit van 3 april 1997), worden de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de RMD overgedragen naar het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommuni- catie (BIPT) met ingang van 1 april
  9. Luidens artikel 2 van dat besluit gebeurt deze overdracht in hun graad of in een gelijkwaardige graad en worden de bij Belgacom vastbenoemde statutaire ambtenaren -zoals de verzoekende partijen- tot ambtenaar van het BIPT benoemd. Zij worden er aangewezen voor een betrekking van een aanvullende personeelsformatie met afsluiting tegenover de andere ambtenaren van het BIPT. Een koninklijk besluit van 4 mei 1998 stelt nadere regels vast voor de toepassing van het koninklijk besluit van 3 april
  10. Onder meer wordt het statuut van het personeel van het BIPT aangepast aan de personeelsleden van Belgacom die naar deze instelling werden overgedragen, wordt bepaald dat het personeel wordt ingedeeld in 4 niveaus (1, 2, 3 en 4) en wordt de lijst van de bij het BIPT bestaande graden aangepast. IX-3531-3/10 Bij ministerieel besluit van 7 augustus 1999 worden de bij Belgacom vastbenoemde ambtenaren die, met toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 werden overgedragen aan het BIPT, bij dat Instituut met ingang van 1 april 1997 benoemd en aangewezen in de graad van de aanvullende personeelsformatie voor het onthaal van de overgedragen personeelsle- den van de RMD. Beide verzoekende partijen worden aldus bij het BIPT benoemd in de graad van adjunct-technicus. 2.
  11. De programmawet van 2 januari 2001 (zie err., BS, 13.01.2001) bepaalt in zijn artikel 27 dat de opdrachten van en de personeelsleden die tewerkge- steld zijn bij de RMD van het BIPT worden overgedragen aan het ministerie van Landsverdediging op de datum en volgens door de Koning nader bepaalde regels. 2.
  12. Het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 betreffende de overplaatsing van sommige personeelsleden van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie naar het Ministerie van Landsverdediging (hierna: het koninklijk besluit van 4 oktober 2001) bepaalt in welke graad de personeelsleden die tewerkgesteld zijn bij de RMD ambtshalve worden overgedra- gen van het BIPT aan het ministerie van Landsverdediging. Zij die zoals de verzoekende partijen de graad van adjunct-technicus hebben bij het BIPT worden ambtshalve benoemd tot klerk of technisch adjunct. 2.
  13. Bij ministerieel besluit nr. 82.945 van 4 juni 2002 wordt de eerste verzoekende partij dan, met toepassing van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001, effectief overgeplaatst naar het ministerie van Landsverdediging, in de graad van technisch adjunct. Bij ministerieel besluit nr. 82.940 van 4 juni 2002 wordt ook de tweede verzoekende partij, met toepassing van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001, effectief overgeplaatst naar het ministerie van Landsverdediging, in de graad van klerk. Dit zijn de bestreden besluiten. IX-3531-4/10 Over de ontvankelijkheid van het beroep. 3.
  14. De verwerende partij werpt in beide zaken op dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep, omdat zij niet aanvoeren dat het koninklijk besluit van 4 oktober 2001, dat de overplaatsing regelt en waarvan de bestreden besluiten slechts de gebonden uitvoering zijn, onwettig is. 3.
  15. De verzoekende partijen antwoorden in hun memorie van wederantwoord dat zij een financieel belang hebben bij de vernietiging van de bestreden besluiten omdat zij als technisch adjunct respectievelijk klerk slechts rang 30 bekleden, terwijl zij bij het BIPT rang 32 en rang 34 hadden als adjunct-technicus respectievelijk adjunct-correspondent-dactylograaf. Bovendien doen zij een moreel belang gelden. 3.
  16. De bestreden besluiten zijn genomen ter uitvoering van het koninklijk besluit van 4 oktober
  17. Het is dit laatste besluit dat bepaalt in welke graad de personeelsleden overgaan. Zo stelt artikel 1 dat de personeelsleden overgaan “in de graad of in één van de graden die naast hun graad die zij bekleedden bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie is vermeld : (...) - Adjunct-technicus: Klerk of Technisch adjunct; (...).” Verder bepaalt artikel 2 dat de betrokken personeelsleden hun statutaire en geldelijke anciënniteit behouden en dat deze in hun nieuwe graad wordt gevalori- seerd. De verzoekende partijen voeren aan dat het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 verkeerd is toegepast. De exceptie wordt verworpen. Over de gegrondheid van het beroep. 4.
  18. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001, doordat zij werden overgeplaatst van het BIPT naar het ministerie van Landsverdediging met als gevolg een rangverlaging van rang 32 respectievelijk rang 34 naar rang 30 en een IX-3531-5/10 inkomstenvermindering, terwijl artikel 1 van dit besluit bepaalt dat de personeelsleden overgeplaatst worden in de graad of in één van de graden die naast hun graad die zij bekleden bij het BIPT is vermeld en artikel 2 van dit besluit stelt dat de overgeplaatste personeelsleden hun administratieve en geldelijke anciënniteit behouden. 4.2.
  19. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 bepaalt dat de personeelsleden van de RMD ambtshalve worden overgeplaatst van het BIPT naar het ministerie van Landsverdediging in de graad of in één van de graden die is vermeld naast de graad die zij bekleedden bij het BIPT. Voor de graad van adjunct- technicus (bij het BIPT) zijn dat de graden van technisch adjunct of klerk. De verzoekende partijen hadden de graad van adjunct-technicus bij het BIPT en ze zijn overgegaan in de graad van technisch adjunct respectievelijk klerk. Zij kunnen niet worden gevolgd in zoverre zij geacht moeten worden aan te voeren dat zij ter uitvoering van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 moesten overgaan naar een graad van rang 32 of rang
  20. Dit volgt geenszins uit die artikelen. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat de nieuwe graden van klerk en technisch adjunct bekeken moeten worden in het licht van de eerder doorgevoerde vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen. Voor de gemene graden is die vereenvoudiging doorgevoerd, wat betreft de niveaus 2, 3 en 4, bij het koninklijk besluit van 14 september 1994 houdende vereenvoudiging van de loopbaan van sommige ambtenaren in de rijksbesturen die behoren tot de niveaus 2, 3 en
  21. Uit de artikelen 35, §§1 en 2, en 39 van dat koninklijk besluit van 14 september 1994 blijkt dat voor het administratief personeel er nog slechts één graad bestaat in niveau 3, met name de graad van klerk (rang 30), en dat de vroegere graden van de rangen 32, 33 en 34 in deze nieuwe graad opgaan. Voor de bijzondere graden bij het ministerie van Landsverdediging is de vereenvoudiging doorgevoerd bij het koninklijk besluit van 1 juli 1997 tot wijziging, voor wat het ministerie van Landsverdediging betreft, van het koninklijk besluit van 20 juli 1964 betreffende de hiërarchische indeling van de graden waarvan de ambtenaren in de rijksbesturen kunnen titularis zijn. Uit de artikelen 1, § 2, 2, § 3, en 6, §§ 2 tot 4, van dat koninklijk besluit van 1 juli 1997 blijkt dat voor het technisch personeel in niveau 3 nog slechts twee rangen bestaan met telkens één graad, met name de graden van technisch adjunct (rang 30) en hoofdtechnisch adjunct (rang 32), en dat de vroegere technische graden worden geschrapt en tot die twee graden worden teruggebracht en wel op deze wijze dat de IX-3531-6/10 vroegere graden van de rangen 30, 32, 33 en 34 worden samengevoegd tot de nieuwe graad van rang
  22. De nieuwe graden van klerk (rang 30) en van technisch adjunct (rang 30) zijn dus gelijkwaardig aan de oude administratieve en technische graden van rang 34 respectievelijk rang
  23. 4.2.
  24. Artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 bepaalt dat de overgeplaatste personeelsleden hun administratieve en geldelijke anciënniteit behouden in hun nieuwe graad. Uiteraard kan niet meer worden uitgegaan van de graad en de weddeschaal die zij bekleedden en genoten bij de RMD-Belgacom daar zij intussen op definitieve wijze zijn benoemd bij het BIPT in de graad van adjunct-technicus en het ten opzichte van die toestand is dat de administratieve en geldelijke situatie moet worden behouden. Uit de dienststaat en de weddefiche van de verzoekende partijen blijkt dat hun weddeanciënniteit integraal werd gevaloriseerd in hun nieuwe graad, zodat artikel 2 werd nageleefd. 4.2.
  25. De bepalingen van de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 oktober 2001 werden correct toegepast. Het middel faalt naar recht. 5.
  26. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 29 van het koninklijk besluit van 16 juli 1998 betreffende de mobiliteit van het personeel van sommige overheidsdiensten, doordat er onzekerheid bestaat of zij dezelfde inkomsten zullen genieten als die welke zij in hun vorige functie genoten. Zij betogen dat zij als personeelslid van het BIPT drie wedde-schalen genoten in hun rang, zoals blijkt uit artikel 23 van het koninklijk besluit van 3 april 1997, waarbij zij na negen jaar van de ene schaal overgingen naar de andere. Het is niet zeker dat dit voordeel voor hen werd behouden. 5.
  27. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden ministeriële besluiten niet voorzien in een regeling met betrekking tot de van toepassing zijnde weddeschaal en dat het middel dus niet pertinent is. Voorts stelt zij dat het middel betrekking heeft op de erkenning van een subjectief recht op een weddeschaal. Tenslotte wijst zij erop dat uit de respectieve dienststaten en weddefiches van de verzoekende partijen blijkt dat zij verder het voordeel genieten van de weddeschaal 303 die zij bij het BIPT bezaten. IX-3531-7/10 5.
  28. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de eerste verzoekende partij dat de overplaatsing op zichzelf door de aanduiding van de functie waarin hij overgaat wel degelijk een invloed kan hebben op de weddeschaal en geen zekerheid biedt op het behoud van zijn vroegere weddeschaal. De tweede verzoekende partij voert aan dat zij bij het BIPT een niveau 3A genoot en thans slechts een niveau
  29. 5.4.
  30. De bestreden ministeriële besluiten doen niets anders dan de verzoekende partijen overplaatsen van het BIPT naar het ministerie van Landsverdediging en hen daar benoemen in de graad van technisch adjunct respectievelijk klerk. De vaststelling van hun wedde en van hun weddestatuut maakt niet het voorwerp uit van de bestreden besluiten. De verwerende partij voert dan ook terecht aan dat het middel niet pertinent is, in die zin dat de grief niet gericht is tegen de bestreden besluiten. 5.4.
  31. Ten overvloede kan ook nog het volgende worden opgemerkt. De tweede verzoekende partij stelt dat zij bij het BIPT een niveau 3A genoot. Uit geen enkel besluit blijkt dat er een niveau 3A bestond. Integendeel blijkt uit de bijlage I bij het koninklijk besluit van 4 mei 1998 tot vaststelling van de regels voor de toepassing van het koninklijk besluit van 3 april 1997 dat de graad van adjunct- technicus bij het BIPT behoorde tot niveau
  32. Nergens is er sprake van een niveau 3A. Uit voormelde bijlage I en uit bijlage III bij dit besluit blijkt ook dat aan de graad van adjunct-technicus de weddeschalen 301, 302 en 303 waren verbonden, afhankelijk van de graadanciënniteit en evaluatie. Evenwel blijkt evenzeer uit de respectieve weddefiches van de verzoekende partijen dat zij beiden in hun nieuwe graad van technisch adjunct respectievelijk klerk de oude weddeschaal 303 blijven genieten, zijnde de hoogst mogelijke schaal verbonden aan hun vroegere graad van adjunct-technicus, omdat deze hoger is dan de weddeschaal die aan hun nieuwe graad is verbonden. Er valt dan ook niet in te zien hoe de verzoekende partijen enig belang hebben bij dit middel. 5.4.
  33. Het middel is niet ontvankelijk. IX-3531-8/10 6.
  34. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 21 van het koninklijk besluit van 2 januari 2001 houdende sociale en andere bepalingen, doordat zij door hun overgang naar het ministerie van Landsverdediging hun verworven rechten niet hebben behouden, meer bepaald de automatische overgang naar een andere weddeschaal na telkens 9 jaar, waarvan zij konden genieten bij het BIPT. 6.
  35. In zijn memorie van wederantwoord verduidelijkt de eerste verzoekende partij dat het de wet van 2 januari 2001 is waarvan hij de schending aanvoert en niet het koninklijk besluit van 2 januari
  36. Bijkomend stelt hij dat hijzelf ingevolge zijn anciënniteit van meer dan 18 jaren reeds werd opgenomen in de hoogste weddeschaal maar dat “het gelijkheidsbeginsel geschonden is ten opzichte van personeelsleden die reeds meer dan 18 jaren dienst hebben bij hun overplaatsing naar het Ministerie van Landsverdediging, zonder enige proef, reeds werden opgenomen in een hogere weddenschaal” (sic). De tweede verzoekende partij doet afstand van dit middel. 6.
  37. Er kan worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van het tweede middel. Voor zover de eerste verzoekende partij in de memorie van wederantwoord de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, moet worden vastgesteld, vooreerst, dat het middel onduidelijk is, en ten tweede, dat het om een nieuw middel gaat dat aangevoerd had kunnen worden in het verzoekschrift en dat bijgevolg niet meer op ontvankelijke wijze voor het eerst in de memorie van wederantwoord kan worden aangevoerd. Het middel is niet ontvankelijk. 7.
  38. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 april 1997, doordat “artikel 28, § 1, voorziet dat aan de ambtenaren bedoeld in artikel 1 en houder van een graad van niveau 2 of 3 een anciënniteitsuitkering wordt toegekend”. 7.
  39. In hun memorie van wederantwoord doen de verzoekende partijen afstand van dit middel. IX-3531-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  40. De zaken nrs. A. 128.157/IX-3531 en A. 128.473/IX-3562 worden samengevoegd. Artikel
  41. De beroepen worden verworpen. Artikel
  42. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3531-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.