← België

Arrest 186998 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.998 Rolnummer: A. 145549/IX-4013 Zaak: Arrest 186998 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-20 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 186.998 van 13 oktober 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.998 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 145.549/IX-

  1. In zake : Erik GEERAERTS, die woonplaats kiest bij advocaat P. LAHOUSSE, kantoor houdende te MECHELEN, Leopoldstraat 64 tegen : het REKENHOF, dat woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en M. GELDERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Erik GEERAERTS op 19 december 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 oktober 2003 van de algemene vergadering van het Rekenhof om een einde te stellen aan zijn stage en de opzeggingstermijn van één maand te laten ingaan op de eerste dag na de betekening van die beslissing; Gelet op het arrest nr. 131.468 van 17 mei 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 25 juni 2004 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur B. THYS; IX-4013-1/20 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. LAHOUSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. LEFEVRE die, loco advocaten D. D’HOOGHE en M. GELDERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. WEEKERS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  3. De verzoeker neemt deel aan het vergelijkend wervingsexamen voor de functie van informaticus voor het systeem- en netwerkbeheer bij het Rekenhof. Hij wordt als tweede gerangschikt, maar wordt toch opgeroepen aangezien de eerst gerangschikte kandidaat de betrekking niet aanvaardt. Op 11 september 2000 treedt hij in dienst als stagedoend informaticus. De duur van de stage bedraagt twee jaar. Een benoeming in vast dienstverband is afhankelijk van een gunstig eindverslag over de stage. 1.
  4. Na afloop van het eerste stagejaar merkt de stagebegeleider van de verzoeker in het tussentijds stageverslag op dat de verzoeker omwille van een personeelstekort binnen de Cel Controle Informatica (hierna: CCI) slechts gedeeltelijk de taken van systeem- en netwerkbeheerder heeft kunnen uitoefenen, dat hij zich tijdens het tweede stagejaar meer moet toeleggen op taken die overeenstemmen met zijn functie en dat hij de kennis die hij heeft opgedaan tijdens verscheidene opleidingen in de praktijk moet brengen. IX-4013-2/20 1.
  5. Op 29 juli 2002 beslist de algemene vergadering van het Rekenhof om, gelet op het feit dat de dienst CCI geen eerste auditeur-directeur heeft, de eerste auditeur-directeur van de tweede directie te belasten met de functie van directeur van de CCI voor de evaluatie van de stageverslagen. Op 30 juli 2002 stelt de eerste auditeur-revisor een eindestageverslag op, waarin hij besluit dat de verzoeker niet geschikt is voor de functie waarvoor hij werd aangeworven. De eerste auditeur-revisor wijst erop dat de verzoeker zich ook tijdens het tweede stagejaar bijna uitsluitend met PC- supporttaken en niet met zijn voorziene hoofdtaken heeft beziggehouden, dat hij weinig of geen interesse had voor systeem- en netwerkbeheer en dat hij te weinig initiatief nam om het systeem operationeel te houden. De eerste auditeur-directeur die werd aangesteld om de functie van directeur van de CCI te vervullen voor de evaluatie van de stageverslagen, voegt geen commentaar toe aan dit eindestageverslag. De verzoeker geeft wel opmerkingen. Hij erkent dat hij zich onvoldoende op het systeembeheer heeft kunnen toeleggen, maar wijt dit aan praktische problemen en niet aan een gebrek aan interesse. Op 10 september 2002 komt de Nederlandse kamer van het Rekenhof tot de conclusie dat de vaststellingen van de eerste auditeur-revisor niet kunnen leiden tot een voorstel om de verzoeker definitief te benoemen in de graad van informaticus, aangezien hij onvoldoende bewezen heeft dat hij zijn taken als systeem- en netwerkbeheerder bij de CCI naar behoren kan vervullen. De kamer oordeelt evenwel dat de omstandigheden waarin de verzoeker zijn stage moest vervullen niet gunstig waren, vooral vanwege het personeelstekort bij de CCI. De Nederlandse kamer beslist dienvolgens om aan de algemene vergadering voor te stellen dat de stage van de verzoeker met één jaar verlengd wordt. De kamer beslist ook dat de eerste auditeur-revisor onmiddellijk en vervolgens om de drie maanden met de verzoeker een functioneringsgesprek moet houden, waarvan de conclusies en de afspraken schriftelijk moeten worden vastgelegd en worden overgemaakt aan de hoofdgriffier en de kamer zelf. De hoofdgriffier moet zich bovendien permanent op de hoogte houden van het verder verloop van de stage en op geregelde tijdstippen verslag uitbrengen aan de Nederlandse kamer. IX-4013-3/20 Op 18 september 2002 beslist de algemene vergadering om de stage van de verzoeker te verlengen met twaalf maanden, vanaf 1 oktober
  6. 1.
  7. Op 20 november 2002 heeft een eerste functioneringsgesprek plaats, waarbij uitvoerig wordt ingegaan op de functiebeschrijving van een systeem- en netwerkbeheerder. Er wordt beklemtoond dat de netwerkbeheerder pro-actief moet optreden en dat het de hoofdbedoeling moet zijn steeds een functioneel, snel, betrouwbaar en veilig netwerk aan te bieden. Op 24 januari 2003 heeft een tweede functioneringsgesprek plaats. De eerste auditeur-revisor geeft te kennen dat de verzoeker onvoldoende ideeën aanbrengt, dat hij zich te veel beperkt tot de rol van uitvoerder, en dat hij nog steeds niet het eerste aanspreekpunt inzake systeem- en netwerkbeheer is. Op 15 april 2003 heeft een derde functioneringsgesprek plaats. De eerste auditeur-revisor oordeelt dat nog geen substantiële verbetering in de realisatie van de opgelegde taken heeft plaatsgevonden en dat de aangebrachte verbeteringen aan het netwerk en het operationeel houden van dat netwerk veeleer de verdiensten zijn van de collega’s dan van de verzoeker zelf. Op 23 juli 2003 stelt de eerste auditeur-revisor zijn einde- stageverslag op. Dat verslag bevat de volgende conclusie: “Samengevat stel ik dan ook dat de heer Geeraerts niet geschikt is voor de functie waarvoor hij aangeworven werd en daarom dus niet tot benoeming over te gaan. Tijdens de 3 stagejaren is zijn geschiktheid niet tot uiting gekomen en er werd ook geen wezenlijke verbetering in het afgelopen jaar vastgesteld. Hij blijkt onvoldoende interesse en kennis te hebben in het beheer van de servers en het netwerk. De kwaliteit en de snelheid van uitvoering van de opgelegde taken zijn onvoldoende”. Het eindestageverslag wordt samen met de opmerkingen van de eerste auditeur-directeur en van de verzoeker voorgelegd aan de Nederlandse kamer van het Rekenhof. In haar zitting van 12 augustus 2003 concludeert die kamer dat de verzoeker ongeschikt is voor de functie van systeem- en netwerkbeheerder. Zij doet aan de algemene vergadering het voorstel om de ontslagprocedure in werking te stellen. IX-4013-4/20 Op 21 augustus 2003 dient de verzoeker tegen het voorstel om de ontslagprocedure in werking te stellen beroep in bij de raad van beroep. In zijn advies van 22 september 2003 oordeelt de raad van beroep met vier stemmen tegen drie, dat de verzoeker over het geheel van de stage onvol- doende objectief werd beoordeeld; met zes stemmen tegen één, dat er in de loop van de stage en met name tijdens het derde stagejaar onvoldoende opvolging en begeleiding van de verzoeker is geweest; met vier stemmen tegen drie, dat op grond van de stukken uit het dossier en uit de door de raad bijkomend ingewonnen informatie over de al dan niet geschiktheid van de verzoeker voor de functie van systeem- en netwerkbeheerder van het Rekenhof geen uitspraak kan worden gedaan. De raad van beroep geeft ten slotte met drie stemmen tegen twee bij twee onthoudingen een ongunstig advies over het voorstel van de Nederlandse kamer om de ontslagprocedure in werking te stellen. Op 21 oktober 2003 beslist de algemene vergadering van het Rekenhof dat aan de stage van de verzoeker een einde wordt gesteld, met een opzeggingstermijn van één maand ingaande daags na de betekening van deze beslissing. Dit is de bestreden beslissing.
  8. Met een schrijven van 19 september 2008 deelt de verwerende partij aan de Raad van State mee dat de verzoeker bij ministerieel besluit van 22 januari 2006 is benoemd tot vast ambtenaar in de klasse A2 bij de Dienst Informatie- en Communicatietechnologie van de Regie der Gebouwen, en dat hij bij koninklijk besluit van 3 december 2007 is overgeplaatst in de klasse A2 met de titel van attaché bij de Federale Overheidsdienst Informatie- en Communicatie- technologie. Over de ontvankelijkheid van het beroep 3.
  9. In haar genoemd schrijven van 19 september 2008 werpt de verwerende partij op dat, gelet op de vaste benoeming die inmiddels aan de verzoeker is verleend, deze geen actueel belang meer heeft bij het voorliggende beroep. IX-4013-5/20 3.
  10. De nieuwe benoeming die de verzoeker heeft gekregen, kan niet losgemaakt worden van de beëindiging van zijn stage bij de verwerende partij. Ten gevolge van de beëindiging van die stage moest de verzoeker immers noodgedwongen op zoek naar ander werk. Het feit dat hij elders werk heeft gevonden, heeft dan ook niet tot gevolg dat hij het belang verliest bij de vernietiging van de beëindiging van zijn vroegere tewerkstelling, met name bij de verwerende partij. De exceptie kan niet aangenomen worden. Over de gegrondheid van het beroep 4.
  11. De verzoeker roept een eerste middel in afgeleid uit de schending van artikel 7 van het reglement betreffende het volbrengen van de stage en van artikel 28 van het personeelsstatuut. Volgens de verzoeker heeft de eerste auditeur-revisor zich in het eindestageverslag van 23 juli 2003 ertoe beperkt te refereren aan de taken die de verzoeker zichzelf had opgelegd, om vervolgens te besluiten dat niet al deze taken werden uitgevoerd. Tijdens de functioneringsgesprekken werden aan de verzoeker echter geen concrete taken opgelegd. Het gaat dan ook niet op om te besluiten dat de verzoeker bepaalde taken niet zou hebben uitgevoerd. Voorts laat de verzoeker gelden dat het reglement betreffende het volbrengen van de stage, meetbare taken en een beoordeling per taak vereist. De verzoeker stelt dat dit alles in casu ontbreekt en dat dit ook tijdens de verlenging van zijn stage niet gebeurde. Hij voert aan dat er in het dossier geen enkel bewijs van concrete coaching voorligt, noch van een goede begeleiding waardoor hij zijn stage met succes had kunnen beëindigen. De vooropgestelde “SMART-methode” (die inhoudt dat afspraken gemaakt moeten worden volgens de SMART-criteria namelijk: “specifiek”, “meetbaar”, “acceptabel”, “realistisch” en “tijdsgebonden”) werd op geen enkel ogenblik nuttig toegepast. 4.
  12. De verwerende partij antwoordt dat de taken van de verzoeker vooraf meermaals duidelijk omschreven werden. Zo is de inhoud van zijn functie reeds omschreven in het examenreglement. Voorts gebeurde een dagelijkse, informele coaching door de eerste auditeur-revisor, waarbij de opdrachten van de IX-4013-6/20 verzoeker werden gestuurd. Wanneer de verzoeker in zijn bezwaarschrift van 9 augustus 2002 naar aanleiding van het ongunstige eindestageverslag van 30 juli 2002 opmerkte dat hij onvoldoende wist welke taken hij moest vervullen, werd daaraan gevolg gegeven door middel van functioneringsgesprekken. Tijdens het eerste functioneringsgesprek werden de taken van de verzoeker geconcretiseerd en neergelegd in het verslag. Wel werd verduidelijkt dat het ging om een niet- exhaustieve lijst van taken, aangezien het eigen was aan de functie van de verzoeker om zelf voorstellen te formuleren en pro-actief op te treden. Bovendien werden tijdens het derde stagejaar, aldus de verwerende partij, zelfs driemaandelijks gesprekken met de verzoeker gevoerd, waarin precies de uitvoering van de eigenlijke taken waarmee de verzoeker was belast, werd besproken en geëvalueerd. De verwerende partij betoogt voorts dat niet duidelijk is waaruit de verzoeker afleidt dat het reglement betreffende het volbrengen van de stage, de verplichting oplegt om aan een stagiair meetbare taken op te leggen en de uitvoering ervan per taak te beoordelen. De verwerende partij meent dat het voormelde reglement enkel voorziet in de verplichting een tussentijds stageverslag en een eindestageverslag op te stellen, die omstandig gemotiveerd moeten worden, iets waaraan te dezen is voldaan. Volgens de verwerende partij geeft de verzoeker evenmin concrete elementen aan die staven dat hij onvoldoende begeleid is geweest en daardoor zijn stage niet succesvol heeft kunnen beëindigen. Zij stelt dat de begeleiding door de eerste auditeur-revisor voldoende is geweest, mede gelet op de relevante ervaring van de verzoeker op het ogenblik van zijn indiensttreding en de zelfstandigheid eigen aan de functie van systeem- en netwerkbeheerder. Dit geldt, aldus de verwerende partij, des te meer daar bijkomende functioneringsgesprekken hebben plaatsgevonden zonder dat daartoe een verplichting bestond. 4.
  13. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog aanvullend dat de eerste auditeur-revisor die het eindestageverslag heeft opgesteld, de evaluatiecriteria, die in uitvoering van artikel 28 van het personeelsstatuut zijn vastgesteld, niet of onvoldoende kende en ze niet één na één in zijn beoordeling heeft betrokken. Zo werden de criteria “zin voor initiatief” en “verantwoordelijkheidszin” wel door de eerste auditeur-revisor gemeten terwijl deze waardering slechts na respectievelijk vier en zes jaar anciënniteit in het ambt zijn vereist. Hij besluit dat door het niet hanteren van de evaluatiecriteria er wel degelijk IX-4013-7/20 sprake is van een schending van het reglement betreffende het volbrengen van de stage. 4.
  14. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat, omdat zijn evaluatieproces voor hem ongunstig verliep, een algemene functiebeschrijving zoals die in het examenreglement bepaald was, niet meer kon volstaan. Hij wijst erop dat de “SMART-criteria” net bedoeld zijn om een verfijning in te voeren, opdat voor beide partijen duidelijk zou zijn wat van hen wordt verlangd. Het feit dat de eerste auditeur-revisor het niet eens was met het hanteren van de SMART-methode doet, aldus de verzoeker, vragen rijzen omtrent diens objectiviteit. Voorts herhaalt de verzoeker dat de eerste auditeur-revisor de ter uitvoering van artikel 28 van het personeelsstatuut vastgestelde evaluatiecriteria onvoldoende betrokken heeft in zijn beoordeling, hetgeen een schending uitmaakt van dat artikel 28 van het personeelsstatuut en ook van artikel 7 van het stagereglement, dat een verwijzing inhoudt naar voormeld artikel
  15. 4.5.
  16. Voor de beoordeling van het middel zijn twee bepalingen van belang. Artikel 7, eerste lid, eerste en tweede zin, van het reglement betreffende het volbrengen van de stage luidt als volgt: “Twee maanden voor het einde van de stageperiode stelt de eerste-auditeur- revisor een eindestageverslag op, waarin hij een omstandig gemotiveerd advies uitbrengt over de geschiktheid van de stagiair voor de functie. Hij houdt hierbij rekening met de evaluatiecriteria die zijn vastgelegd in uitvoering van artikel 28 van het statuut van het personeel, zonder evenwel één van de vermeldingen, bedoeld in voormeld artikel, toe te kennen” In die bepaling wordt verwezen naar artikel 28 van het personeelsstatuut, waarvan het derde lid luidt als volgt: “De eerste-auditeur-revisor brengt vervolgens een gemotiveerd advies uit dat het moet mogelijk maken zich objectief uit te spreken over de waarde, de geschiktheid, het rendement en de verdienste van het personeelslid. Dat advies, dat voor een lid van de auditeursformatie moet worden gestaafd met een overzicht van de gestelde verslagen en de bekomen resultaten, alsook met een beschrijving van de werkzaamheden die geen aanleiding hebben gegeven tot het stellen van een verslag, moet op concrete wijze een waardeoordeel uitdrukken ten opzichte van de criteria die zijn vastgelegd door het Rekenhof, en als besluit van dit advies wordt het eigenlijke voorstel van evaluatie verwoord door één IX-4013-8/20 van de volgende vermeldingen: ‘excellent’, ‘zeer goed’, ‘goed’, ‘voldoende’, ‘onvoldoende’.” 4.5.
  17. De verzoeker voert in het middel aan dat hem tijdens zijn stage geen concrete, “meetbare” taken werden opgedragen en dat derhalve ook geen beoordeling van de uitvoering van dergelijke taken heeft plaatsgehad. Hij ziet ook geen bewijs van concrete coaching, noch van een degelijke begeleiding. De verwerende partij laat echter terecht gelden dat de verzoeker geenszins duidelijk maakt dat het reglement betreffende het volbrengen van de stage de verplichting zou opleggen om een stagiair met “meetbare” taken te belasten en de uitvoering ervan per taak te beoordelen. Bovendien moet worden vastgesteld dat de taak van de verzoeker, die als systeem- en netwerkbeheerder is aangeworven, van meet af aan voldoende duidelijk en concreet is gesteld. Reeds in het examenreglement werd de desbetreffende functie beschreven. Dat deze beschrijving nog eerder algemeen is, lijkt onvermijdelijk, aangezien het precies de taak is van een systeem- en netwerkbeheerder om de concrete noden van het systeem tijdens zijn beheerswerkzaamheden te detecteren en de nodige stappen te zetten om eraan te verhelpen en het systeem verder te ontwikkelen. In het tussentijdse stageverslag van 18 oktober 2001 en het eindestageverslag van 30 juli 2002 heeft de eerste auditeur- revisor uiteengezet op welke wijze en in welke mate de verzoeker in zijn taken is tekortgeschoten. Na de verlenging van zijn stage bij beslissing van 18 september 2002 van de algemene vergadering, werd met de verzoeker op 20 november 2002 een functioneringsgesprek gevoerd tijdens hetwelk de taken van de systeem- en netwerkbeheerder expliciet werden aangeduid en afgesproken. Tijdens de daaropvolgende functioneringsgesprekken op 24 januari 2003 en 15 april 2003 werd onder meer ingegaan op de “realisatie van opgedragen taken”. Daargelaten of, zoals de verwerende partij betoogt, er ook een dagelijkse, informele coaching van de verzoeker is gebeurd, blijken het functioneren van de verzoeker en de verwachtingen van de eerste auditeur-revisor dienaangaande aldus op geregelde tijdstippen te zijn besproken, zodat besloten moet worden dat de verzoeker de mogelijkheid heeft gehad om zich aan te passen teneinde zijn stage succesvol te beëindigen. IX-4013-9/20 4.5.
  18. Voor zover de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie laat gelden dat de eerste auditeur-revisor de evaluatiecriteria, die ter uitvoering van artikel 28 van het personeelsstatuut zijn vastgesteld, niet of onvoldoende kende en ze niet één na één in zijn beoordeling heeft betrokken, moet worden opgemerkt dat de verzoeker aan het middel een andere grondslag geeft dan in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring. Aldus roept hij een nieuw middel in. Nu dit middel niet van openbare orde is, kan het niet voor het eerst in de memorie van wederantwoord worden aangevoerd. Overigens legt de verzoeker niet uit welke evaluatiecriteria de eerste auditeur-revisor precies zou hebben veronachtzaamd. Ten slotte kon vanwege de verzoeker, gelet op het niveau van zijn aanwerving en de aard van zijn functie, zin voor verantwoordelijkheid en initiatief worden verwacht, en was het niet kennelijk onredelijk of strijdig met de in het middel ingeroepen bepalingen om hem daarop ook te beoordelen. 4.5.
  19. Het middel kan niet worden aangenomen. 5.
  20. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel in het bijzonder. Hij voert aan dat de sanctie die hem werd opgelegd, namelijk de beëindiging van zijn stage, niet evenredig is met de aan hem verweten -doch niet bewezen- tekortkomingen. Ter adstructie laat de verzoeker gelden dat de omstandigheden waarin hij zijn stage diende te volbrengen, geenszins optimaal waren, gelet op het personeelstekort bij de dienst PC-support eensdeels en het gebrek aan overleg en concrete taakomschrijving anderdeels. De vraag rijst of in die omstandigheden de maatstaf waarmee zijn prestaties werden beoordeeld niet te hoog lag. Hij meent dat wellicht geen enkele stagiair de stage in dergelijke omstandigheden succesvol had kunnen afronden. Bovendien werden de controleborden nooit aan de verzoeker meegedeeld en werden hem nooit concrete taken opgelegd. Aan de verzoeker kunnen dan ook geen concrete tekortkomingen worden verweten. IX-4013-10/20 5.
  21. De verwerende partij antwoordt dat het personeelstekort bij de dienst PC-support zich voornamelijk heeft voorgedaan tijdens het eerste stagejaar en dat de verzoeker daarom een bijkomend stagejaar werd toegekend, tijdens hetwelk hij de kans kreeg om zijn geschiktheid als systeem- en netwerkbeheerder aan te tonen. Volgens de verwerende partij is de problematiek van het personeelstekort hoe dan ook niet van belang, aangezien het eindestageverslag na de verlenging van de stage gebaseerd is op de vorderingen van de verzoeker sedert de beslissing tot verlenging van de stage. In die zin is het feit dat de verzoeker zich het eerste jaar teveel heeft beziggehouden met PC-supporttaken, geen wezenlijk element in de beoordeling. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker evenmin concrete elementen aangeeft die staven dat hij onvoldoende is begeleid en daardoor zijn stage niet succesvol heeft kunnen beëindigen. Zij ziet dan ook niet in dat de bestreden beslissing onredelijk zou zijn. 5.
  22. De verzoeker repliceert dat er ook tijdens het tweede jaar van zijn stage nog een personeelstekort was op de dienst PC-support, zodat hij uiteindelijk slechts één en geen twee jaar de tijd heeft gehad om zich als systeem- en netwerkbeheerder te bewijzen. Hij herhaalt voorts dat hem nooit concrete taken werden opgelegd en dat er ook tijdens het derde stagejaar een gebrek aan overleg was. Voorts stelt de verzoeker dat de bestreden beslissing ten onrechte de indruk geeft dat hij de mogelijkheid om zich bij te scholen niet heeft benut. Zo stelt de eerste auditeur-revisor in zijn eindestageverslag van 23 juli 2003 onder meer dat de verzoeker onvoldoende kennis zou hebben van het netwerk, terwijl hij nochtans in de zomer van 2003 met succes een opleiding daaromtrent heeft gevolgd. Hij argumenteert ten slotte dat een beslissing om een stagiair al dan niet vast te benoemen moet steunen op een gefundeerd stageverslag, en dat een dergelijk verslag veronderstelt dat aan de stagiair tijdens de stage taken werden gegeven en dat de resultaten daarvan op een correcte wijze werden geëvalueerd. Bij afwezigheid van een dergelijk verslag kan, aldus de verzoeker, niet voldoende objectief beoordeeld worden of de stagiair geschikt is voor de functie. De verzoeker IX-4013-11/20 stelt dat de bestreden beslissing de overwegingen dienaangaande van het advies van 22 september 2003 van de raad van beroep negeert. 5.
  23. In zijn laatste memorie betwist de verzoeker de stelling van het auditoraat, als zou hij wezenlijk tekortgeschoten zijn in zijn functie. Hij stelt dat het “wezenlijk tekortschieten” bezwaarlijk als een vaststaand feit kan worden beschouwd op basis waarvan dan moet worden afgewogen of de bestreden beslissing al dan niet redelijk en evenredig is. De verzoeker merkt op dat het oordeel van de eerste auditeur- revisor blijkbaar doorslaggevend is. Hij meent echter dat de “uiterst subjectieve beoordeling” door de eerste auditeur-revisor, die overigens ook de voorgaande jaren negatief voor de verzoeker was, geen waarborg kan zijn voor de redelijkheid en evenredigheid van de bestreden beslissing. 5.5.
  24. Bij de beoordeling van de aan de verzoeker opgelegde maatregel heeft de Raad van State slechts een marginale toetsingbevoegdheid. In het kader van het aangevoerde middel kan slechts worden nagegaan of de beslissing om een einde te stellen aan de stage van de verzoeker, in acht genomen de feitelijke omstandigheden, niet kennelijk onredelijk is. 5.5.
  25. Bij de bespreking van het eerste middel is reeds gebleken dat de taken die de verzoeker als systeem- en netwerkbeheerder diende uit te voeren van meet af aan voldoende duidelijk werden omschreven en dat de verzoeker ook genoegzaam en regelmatig tijdens zijn stage op zijn tekortkomingen is gewezen. Waar nog na het eerste jaar van de stage kon worden aangenomen dat de verzoeker te weinig aandacht had gegeven aan zijn taken van systeem- en netwerkheerder omwille van het personeelstekort op de dienst PC-support, blijkt uit het eindestageverslag van 30 juli 2002 dat de eerste auditeur-revisor tijdens het tweede jaar van de stage de verzoeker meermaals erop heeft gewezen dat het supportwerk niet voor hem was en dat het netwerk voorrang verdiende. Vooral tijdens het derde stagejaar werd de verzoeker tijdens driemaandelijkse functioneringsgesprekken gewezen op het belang van de taken in verband met het systeem- en netwerkbeheer en op zijn tekortkomingen op dat vlak. Bij gebrek aan verbetering van verzoekers prestaties, zoals bleek uit het eindestageverslag van 23 juli 2003, kon de algemene vergadering van het Rekenhof beslissen om de stage te beëindigen, mede gelet op het feit dat de stage krachtens artikel 8, vierde lid, van het reglement betreffende het volbrengen van de stage niet meer kon worden verlengd. IX-4013-12/20 De genoemde beslissing kan tenslotte, gelet op de vaststelling dat de verzoeker wezenlijk tekortgeschoten is in zijn opdracht van systeem- en netwerkbeheerder, niet kennelijk onredelijk of onevenredig worden bevonden. 5.5.
  26. Het tweede middel kan derhalve niet aangenomen worden. 6.
  27. De verzoeker roept een derde middel in, afgeleid uit de schending van de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en van het vertrouwensbeginsel in het bijzonder. De verzoeker voert aan dat de verwerende partij ten aanzien van hem bepaalde verwachtingen heeft gecreëerd. Hij wijst erop dat hij op de proeven van het vergelijkend wervingsexamen zeer goede resultaten heeft behaald. Na het eerste stagejaar heeft de verzoeker een positieve beoordeling gekregen, niettegenstaande hij omwille van praktische omstandigheden genoodzaakt was zich hoofdzakelijk met supporttaken bezig te houden. Na afloop van het tweede stagejaar was het eindestageverslag weliswaar negatief, maar werd toch besloten tot een verlenging van de stage, gelet op de ongunstige omstandigheden waarin de verzoeker zijn taak diende te vervullen. Na het derde jaar stage krijgt de verzoeker opnieuw een negatieve beoordeling. De Nederlandse kamer van het Rekenhof volgt het oordeel van de eerste auditeur-revisor en stelt aan de algemene vergadering voor om de ontslagprocedure op te starten. De verzoeker merkt op dat de raad van beroep evenwel heeft vastgesteld dat hij onvoldoende objectief werd beoordeeld, dat er tijdens de stage onvoldoende opvolging en begeleiding van de verzoeker is geweest en dat op basis van de stukken in het dossier en de bijkomend ingewonnen informatie geen uitspraak gedaan kan worden omtrent de al dan niet geschiktheid van de verzoeker voor de functie. De verzoeker besluit dan ook dat, gelet op deze voorgaanden, hij redelijkerwijze mocht verwachten dat de algemene vergadering tot zijn benoeming zou overgaan. Hij stelt dat de algemene vergadering, door anders te beslissen, het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. 6.
  28. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker uit de door hem aangehaalde omstandigheden niet kon afleiden dat hij zou worden benoemd. Integendeel, de feiten en inzonderheid de stageverslagen, de beslissing tot verlenging van de stageperiode en de periodieke functioneringsgesprekken tijdens het laatste stagejaar hadden de verzoeker veeleer moeten doen vermoeden dat IX-4013-13/20 problemen rezen met betrekking tot zijn geschiktheid voor de functie. De verwerende partij zet voorts uiteen dat de verzoeker op voorhand wist dat wanneer hij de hem opgedragen taken tijdens het derde stagejaar niet naar behoren zou vervullen, hij niet zou worden benoemd. De verzoeker kon aldus geen gerechtvaardigde verwachtingen in een benoeming hebben, nog minder heeft de verwerende partij zulke verwachtingen gewekt of de verzoeker dienaangaande misleid. Ten overvloede merkt de verwerende partij op dat de door de verzoeker aangehaalde omstandigheden waaruit deze meent het vertrouwen op een benoeming te mogen afleiden, geenszins overtuigen. Zij wijst erop dat de gunstige rangschikking bij een vergelijkend examen geen element is in de beoordeling van de wijze waarop de stagiair uiteindelijk zijn stage voldoet. Voorts stelt zij dat het eerste stageverslag van de verzoeker niet onverkort positief is. Ook uit de beslissing van de algemene vergadering om de stageperiode van de verzoeker te verlengen kunnen, aldus de verwerende partij, geen verwachtingen op een benoeming worden afgeleid. De verlenging van de stage betekent immers dat de verwerende partij er destijds niet van overtuigd was dat de verzoeker geschikt was voor zijn functie. Tot slot kan de verzoeker ook uit het voor hem gunstige advies van de raad van beroep niet zonder meer afleiden dat hij benoemd zou worden. Het advies is slechts een element binnen de besluitvorming van de algemene vergadering en is hoe dan ook niet bindend. Bovendien kan uit het advies zelf niet afgeleid worden dat de verzoeker benoemd moest worden, daar de raad van beroep van oordeel was dat er geen uitspraak gedaan kon worden over de geschiktheid van de verzoeker. 6.
  29. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoeker dat hij ingevolge de omstandigheden er niet toe gekomen is zich te bewijzen in de taken van zijn functieomschrijving, zodat niets kan gezegd worden over zijn geschiktheid voor de functie en het niet opgaat te stellen dat hij had moeten verwachten dat er problemen rezen met betrekking tot die geschiktheid. 6.
  30. In zijn laatste memorie stelt de verzoeker dat het advies van de raad van beroep in de besluitvorming van de Nederlandse kamer van het Rekenhof niet het gewicht heeft gekregen dat het verdiende. 6.
  31. Voor de beoordeling van het middel dient uitgegaan te worden van het geheel van de opeenvolgende beslissingen, voorstellen en adviezen. IX-4013-14/20 Reeds uit het tussentijdse stageverslag van 18 oktober 2001 kon de verzoeker afleiden dat hij vooralsnog niet volledig voldeed en dat de stage zou moeten worden voortgezet “om later tot een betere beoordeling te kunnen komen”. Zeker uit het eindestageverslag van 30 juli 2002, de beslissing van 18 september 2002 van de algemene vergadering om zijn stage met een jaar te verlengen en de daaropvolgende functioneringsgesprekken van 20 november 2002, 24 januari 2003 en 15 april 2003, kon de verzoeker opmaken dat hij nog tekortschoot in zijn functie. Op 12 augustus 2003 besliste de Nederlandse kamer om het ontslag van de verzoeker voor te stellen. Gelet op al die voorgaanden, kon het advies van de raad van beroep van 22 september 2003 over het voorstel van de Nederlandse kamer van het Rekenhof om de ontslagprocedure in werking te stellen, dat gunstig was voor de verzoeker, geen rechtmatig vertrouwen op een vaste benoeming wekken. Het betrof immers niet meer dan een niet-bindend advies. Dat advies moest weliswaar door de algemene vergadering in aanmerking worden genomen bij het nemen van een beslissing over de stage van de verzoeker, maar dat was dan een element naast alle andere elementen van de zaak, waaronder het standpunt van de eerste auditeur- revisor die het eindestageverslag over de verzoeker had opgesteld en de bedenkingen van de eerste auditeur-directeur daarbij. Het derde middel mist feitelijke grondslag. 7.
  32. De verzoeker roept een vierde middel in, afgeleid uit de schending van de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht in het bijzonder. De verzoeker voert aan dat de verwerende partij de zorgvuldigheidsvereisten niet heeft nageleefd. Hij betoogt in de eerste plaats dat de hoofdgriffier niet de rol heeft gespeeld die hem door de Nederlandse kamer bij de verlenging van verzoekers stage was opgedragen. Zo heeft de hoofdgriffier niet geantwoord op een e-mailbericht van de verzoeker waarin het gebrek aan overleg en betrokkenheid werd aangeklaagd. De verzoeker wijst er voorts op dat de eerste auditeur-directeur die de stageverslagen van de eerste auditeur-revisor diende te beoordelen, niet tot de Cel Controle Informatica behoorde en dus het werk van de verzoeker niet kende. Ten slotte konden de functioneringsgesprekken een uitgelezen forum zijn om te luisteren naar de opmerkingen en de bedenkingen van de verzoeker, maar leverden deze gesprekken die waarborg niet op, aangezien tijdens die gesprekken nooit concrete afspraken of opmerkingen zijn gemaakt en niet werd ingegaan op verzoekers vraag tot voortdurend overleg. IX-4013-15/20 De verzoeker laat tevens gelden dat de algemene vergadering op 21 oktober 2003, niettegenstaande het ongunstige advies van de raad van beroep, zonder hem te horen het voorstel van de Nederlandse kamer heeft gevolgd om zijn stage te beëindigen. Hij meent dan ook dat de algemene vergadering zich onvoldoende heeft geïnformeerd om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen en dat zij het voorstel van de Nederlandse kamer heeft gevolgd, zonder het ongunstige advies van de raad van beroep ernstig te weerleggen. 7.
  33. De verwerende partij antwoordt dat de algemene vergadering de bestreden beslissing met kennis van zaken heeft genomen. Zij wijst onder meer op de verschillende initiatieven die zij zelf heeft genomen: de drie stageverslagen van de eerste auditeur-revisor met de eventuele bedenkingen van de eerste auditeur- directeur en de bezwaren van de verzoeker, de verslagen van de functionerings- gesprekken en het advies van de raad van beroep, die alle ter kennis van de algemene vergadering werden gebracht en bij het nemen van de bestreden beslissing in overweging werden genomen. Het bezwaar van de verzoeker met betrekking tot de tussenkomst van de eerste auditeur-directeur kan niet aangenomen worden, nu de aanstelling van een eerste auditeur-directeur juist de objectiviteit van de beoordeling van de stage moet waarborgen. Bovendien heeft de verwerende partij in dit verband niet alleen gewaakt over de nakoming van de reglementaire verplichtingen, maar heeft zij tevens de eerste auditeur-directeur gekozen die het meest geschikt was om te oordelen over de stagiairs van de Cel Controle Informatica, met name de eerste auditeur-directeur die instaat voor de logistieke diensten. Volgens de verwerende partij gaat de verzoeker er voorts verkeerdelijk vanuit dat de hoofdgriffier actief moest tussenkomen in het overleg met de verzoeker, terwijl deze enkel als verslaggever diende op te treden en dat ook heeft gedaan. Ten slotte betoogt de verwerende partij dat de bestreden beslissing geen tuchtsanctie betreft en dat de hoorplicht niet vereiste dat de betrokkene mondeling werd gehoord. Het volstond dat hij de gelegenheid kreeg om zich te verantwoorden. De verwerende partij stelt dat de verzoeker meermaals die gelegenheid heeft gekregen: hij kon namelijk bezwaren indienen tegen de stageverslagen, wat hij in twee van de drie gevallen heeft gedaan, en hij kon zijn standpunt laten gelden tijdens de functioneringsgesprekken en ten overstaan van de raad van beroep. IX-4013-16/20 7.
  34. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog aanvullend dat de algemene vergadering geen kennis heeft genomen van de memories die voor de raad van beroep werden gewisseld, noch van de getuigenverklaringen, en dat deze handelwijze getuigt van onzorgvuldig bestuur. 7.
  35. In zijn laatste memorie merkt de verzoeker op dat de hoofdgriffier bevoegd voor personeelszaken de hem door de Nederlandse kamer gegeven opdracht zeer minimalistisch heeft opgevat. Hij heeft immers slechts op twee ogenblikken een toelichting gegeven, wat niet strookt met de opdracht om “permanent” en “op geregelde tijdstippen” verslag uit te brengen. Het ging bovendien slechts om een toelichting, hetgeen bezwaarlijk gelijkgesteld kan worden met een “grondig rapport”. Voorts herhaalt de verzoeker dat de omstandigheid dat de eerste auditeur-directeur slechts kennis neemt van het stageverslag van de eerste auditeur- revisor, zonder het werk van de stagiair te kennen, geenszins getuigt van zorgvuldig bestuur. Met betrekking tot de hoorplicht benadrukt de verzoeker dat hij wel werd gehoord door de raad van beroep, die echter slechts een adviserende functie heeft. Hij werd niet gehoord door de Nederlandse kamer, noch door de algemene vergadering, hoewel het horen in voornoemde vergaderingen een werkelijk verschil had kunnen uitmaken. Ten slotte stelt de verzoeker dat het feit dat hij geen verweerschrift heeft ingediend bij de algemene vergadering, hem niet ten kwade geduid kan worden. Het niet indienen van een verweerschrift getuigt slechts van zijn vertrouwen in de argumentatie van de raad van beroep. 7.
  36. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat de hoofdgriffier diende tussen te komen in de begeleiding en de beoordeling van de stage van de verzoeker. Wel werd hem door de Nederlandse kamer op 10 september 2002 opgedragen “zich permanent op de hoogte [te] houden van het verdere verloop van de stage en op geregelde tijdstippen een grondig rapport [voor te leggen] aan de Nederlandse kamer”. Het blijkt niet dat de hoofdgriffier die opdracht niet of onvoldoende ter harte zou hebben genomen: luidens de bestreden beslissing heeft hij op 18 februari 2003 en 4 maart 2003 aan de Nederlandse kamer toelichting gegeven over het verloop van het derde stagejaar. Uit geen enkel gegeven blijkt dat IX-4013-17/20 die toelichtingen onvoldoende grondig waren, in die zin dat zij het niet mogelijk gemaakt zouden hebben voor de kamer om een standpunt in te nemen. De omstandigheid dat de eerste auditeur-directeur die de stageverslagen van de eerste auditeur-revisor diende te beoordelen, niet tot de Cel Controle Informatica behoorde en dus het werk van de verzoeker niet kende, impliceert als zodanig niet dat het zorgvuldigheidsbeginsel zou zijn geschonden. Vooreerst blijkt immers niet dat er binnen de Cel Controle Informatica een eerste auditeur-directeur was die deze taak op zich had kunnen nemen. Bovendien heeft de eerste auditeur-directeur luidens artikel 7, derde lid, van het reglement betreffende het volbrengen van de stage niet tot taak de beoordeling van de stage zelf uit te voeren, doch slechts kennis te nemen van de stageverslagen van de eerste auditeur- revisor en zijn eventuele bedenkingen eraan toe te voegen. Te dezen heeft de eerste auditeur-directeur op 24 juli 2003 een uitgebreide commentaar op het eindstageverslag gegeven. Uit niets blijkt dat hij daarvoor onvoldoende grondig geïnformeerd zou zijn. De verzoeker kan bezwaarlijk staande houden dat tijdens de functioneringsgesprekken nooit concrete afspraken of opmerkingen werden gemaakt. De verslagen van de functioneringsgesprekken van 20 november 2002, 24 januari 2003 en 15 april 2003 tonen kennelijk het tegendeel aan. Dat de verzoeker ook genoegzaam en regelmatig is begeleid geweest tijdens zijn stage, werd reeds uiteengezet bij de bespreking van het eerste middel. De algemene vergadering beschikte op basis van de stukken van het dossier, waaronder de stageverslagen van de eerste auditeur-revisor, de bezwaren van de verzoeker daartegen, de opmerkingen van de eerste auditeur-directeur, de verslagen van de functioneringsgesprekken, het beroep van de verzoeker tegen het voorstel van de Nederlandse kamer van het Rekenhof en het advies van de raad van beroep, over voldoende gegevens om een weloverwogen beslissing betreffende de beëindiging van verzoekers stage te kunnen nemen. De hoorplicht die te dezen diende te worden gerespecteerd, impliceerde niet dat de verzoeker door de algemene vergadering in personam diende te worden gehoord. Het volstond dat de verzoeker in de mogelijkheid werd gesteld zijn standpunt met betrekking tot de voorgenomen beslissing op een nuttige wijze ter kennis van de verwerende partij te brengen. De verzoeker heeft dat kunnen doen ter gelegenheid van de beroepsprocedure voor de raad van beroep. Indien hij van mening was dat bepaalde standpunten die voor de raad van beroep aan bod waren gekomen, onvoldoende tot uiting kwamen in het IX-4013-18/20 advies van de raad van beroep, had hij met toepassing van artikel 21, § 1, tweede lid, van het personeelsstatuut nog een verweerschrift bij de algemene vergadering kunnen indienen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ook het vierde middel kan niet aangenomen worden. 8.
  37. De verzoeker roept ten slotte een vijfde middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing weliswaar een uitvoerige beschrijving bevat van de feiten en de weergave van het advies van de raad van beroep, maar dat die beslissing de argumenten van het advies van de raad van beroep niet op een ernstige wijze weerlegt. De motivering van de bestreden beslissing is te algemeen, en ze gaat niet in op het ongunstige advies van de raad van beroep. De bestreden beslissing voldoet dan ook niet aan de materiële en de formele motiveringsplicht. 8.
  38. De verwerende partij antwoordt dat van een schending van de motiveringsplicht slechts sprake kan zijn wanneer de verzoekende partij belangenschade aantoont. Te dezen is daarvan geen sprake, aangezien de verzoeker kennis heeft van de motieven van de bestreden beslissing. Tevens stelt de verwerende partij dat de bestreden beslissing afdoende formeel gemotiveerd is en dat ze, in tegenstelling tot wat de verzoeker beweert, het advies van de raad van beroep wel degelijk bij de beoordeling betrekt en de overwegingen van de raad van beroep weerlegt. 8.
  39. In de bestreden beslissing worden de standpunten van de raad van beroep aangehaald. In de mate dat die standpunten zich verzetten tegen de beëindiging van de stage van de verzoeker, wordt uitdrukkelijk vermeld op grond van welke motieven de algemene vergadering een andere mening is toegedaan. Die motieven zijn in de gegeven omstandigheden ook afdoende. Aan de formele motiveringsplicht, opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, is derhalve wel degelijk voldaan. De verzoeker beweert dat de bedoelde motieven te algemeen zijn, maar hij onderbouwt deze bewering niet. Hij voert alleszins geen specifieke kritiek tegen deze motieven aan, die de ondeugdelijkheid ervan zou aantonen. Hij slaagt er IX-4013-19/20 in elk geval niet in een schending van de materiële motiveringsplicht aannemelijk te maken. Het vijfde middel kan niet worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  40. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  41. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, J. CLEMENT, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4013-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.998 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.131.468 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.