id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.000 Rolnummer: A. 139401/IX-3877 Zaak: Arrest 187000 - Rechten, plichten en onverenigbaarheden - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-19 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 187.000 van 13 oktober 2008 Openbaar ambt - Rechten, plichten en onverenigbaarheden Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.000 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 139.401/IX-
- In zake : Kelly BAUWENS, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kelly BAUWENS op 18 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- het koninklijk besluit van 11 maart 2003, waarbij aan de verzoekende partij de vrijstelling werd geweigerd tot terugbetaling van de genoten wedden.
- de beslissing van onbekende datum maar aan de verzoekende partij meegedeeld bij schrijven van 3 juni 2003 waarin haar werd gemeld dat zij ertoe gehouden is om de genoten vormingskosten ad i 26.885,67 terug te betalen”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 10 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2008; IX-3877-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de verzoekster, en van kapitein V. DE SAEDELEER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.
- Op 16 augustus 1995 wordt verzoekster in dienst genomen voor de duur van zes jaar als kandidaat-beroepsofficier bij de Landmacht (Polytechnicus) en toegelaten tot de Koninklijke Militaire School (hierna : KMS) in de poly- technische afdeling. 1.
- Op 3 juli 1998 ondertekent verzoekster, voor kennisneming en ontvangst, een uittreksel uit het proces-verbaal van deliberatie van 3 juli 1998, derde jaar polytechniek, eerste zittijd, waarin wordt vermeld dat de deliberatiecommissie gedelibereerd heeft over de fysieke hoedanigheden van verzoekster en beslist heeft dat zij definitief mislukt is omdat zij onvoldoende fysieke hoedanigheden op het vlak van de fysieke conditie bezit. 1.
- Op 31 juli 1998 ondertekent verzoekster, voor kennisneming en ontvangst, een op 22 juli 1998 gedateerde nota van de Chef van de generale staf aan de Commandant van de KMS, waarin wordt meegedeeld : - dat verzoekster, ingevolge de beslissing van de deliberatiecommissie, op 1 augustus 1998 van rechtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier verliest; - dat op 1 augustus 1998 haar dienstneming als kandidaat-beroepsofficier van rechtswege verbroken wordt en haar aanstelling in de graden van korporaal, sergeant, adjudant en onderluitenant van rechtswege ingetrokken wordt. IX-3877-2/16 1.
- Op 7 augustus 1998 vordert verzoekster de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de sub. 1.
- en 1.
- vermelde beslissingen en verzoekt zij om als voorlopige maatregel te horen bevelen dat zij de onderwijsactiviteiten van de 150ste Polytechnische Promotie van de KMS mag blijven volgen. 1.
- Bij brief van 7 oktober 1998 doet verzoekster afstand van haar vordering tot schorsing. Bij arrest nr. 77.270 van 30 november 1998 wordt de afstand van de vorderingen tot schorsing en tot het bevelen van voorlopige maatregelen toegewezen. Verzoekster heeft daarna wel een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. 1.
- Blijkens haar uiteenzetting in het verzoekschrift in de hier besproken zaak heeft verzoekster zich in september 1998 ingeschreven aan de VUB. Zij is daar op 13 juli 2001 afgestudeerd als burgerlijk werktuigkundig - elektrotech- nisch ingenieur. Op basis van dat diploma is zij in dienst getreden van een firma in de privé-sector. 1.7.
- In het Belgisch Staatsblad van 6 april 2000 verschijnt de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden (hierna : de wet van 16 maart 2000). Deze wet treedt in werking op 16 april
- Artikel 7 ervan verplicht de kandidaat- militair van het actief kader, bedoeld in artikel 26bis van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, wiens dienstneming of wederdienstneming wordt verbroken, ertoe een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen, met name 73 % van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming. Artikel 8 van de wet van 16 maart 2000, zoals het te dezen van toepassing is, bepaalt : IX-3877-3/16 “Voor uitzonderlijke sociale redenen, kan de Koning de militair die er om verzoekt vrijstellen van de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vormingskosten en van de tijdens de vorming genoten wedden.” Bij artikel 16 van dezelfde wet wordt artikel 26bis van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader vervangen als volgt : “De kandidaat-beroepsofficier of kandidaat-beroepsonderofficier bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1/, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader wiens dienstneming of weder- dienstneming wordt verbroken wegens elke andere reden dan wegens medische ongeschiktheid en die ophoudt kandidaat-militair of militair van het actief kader te zijn, is ertoe gehouden om een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen : 1/ wanneer het een kandidaat-beroepsofficier betreft die, nadat hij aan de Koninklijke Militaire School of aan gelijk welke andere instelling van universitair of gelijkwaardig niveau het daarop betrekking hebbende kandidaatsdiploma heeft behaald, zijn vorming niet voltooit; [...].” 1.7.
- Op 4 oktober 2000 vordert verzoekster tezamen met drie anderen bij het Grondwettelijk Hof de schorsing en de vernietiging van onder meer de artikelen 7, 8 en 16 van de wet van 16 maart
- Met zijn arrest nr. 134/2000 van 13 december 2000 verwerpt het Grondwettelijk Hof de vordering tot schorsing van verzoekster en haar collega’s die hun opleiding in de KMS onderbroken hebben omdat zij niet geslaagd waren voor hun examens. Hun belang wordt aangenomen - zij zijn bij de Raad van State opgekomen tegen de beslissing waarbij zij niet geslaagd zijn bevonden, tegen het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier, tegen de intrekking van de graad van onderluitenant-leerling en tegen de verbreking van hun indienstneming als kandidaat-beroepsofficier en uit de indiening van die beroepen moet worden afgeleid dat de verzoekers de vernietiging nastreven van de beslissingen die hen ertoe verplicht hebben hun vorming af te breken, zodat zij in voorkomend geval die vorming kunnen hervatten en voltooien - maar er wordt vastgesteld dat het bestaan van een persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat zij onder meer zien in het feit dat “de bestreden bepalingen ertoe kunnen leiden dat ze afstand zullen moeten doen van de bij de Raad van State aanhangige beroepen tot vernietiging om definitief te verzaken aan een militaire loopbaan en om aan de mogelijke financiële gevolgen van de bestreden wet te ontsnappen”, niet aangetoond wordt. IX-3877-4/16 1.
- Met zijn arrest nr. 102.509 van 14 januari 2002 vernietigt de Raad van State
(1)de beslissing van 3 juli 1998 van de deliberatiecommissie van de KMS waarbij verzoekster definitief mislukt wordt verklaard en
(2)de beslissingen, vermeld in de nota van de Chef van de generale Staf van 22 juli
- Gesteld wordt dat er geen deugdelijke rechtsgrond is om de bijkomende proeven van fysieke geschiktheid, zoals die waren vastgesteld in het voorstel van de opleidings- en verbeteringsraad van de KMS en waarop verzoekster onvoldoende had gepresteerd, in de cursus DI 330 van het derde jaar polytechniek (POL) op te nemen. 1.
- Met zijn arrest nr. 28/2002 van 30 januari 2002 verwerpt het Grondwettelijk Hof, na onderzoek van de grond van de zaak, verzoeksters beroep tot vernietiging van de wet van 16 maart
- 1.
- Met een op 26 februari 2002 gedateerde nota deelt de afgevaardig- de van de minister van Landsverdediging aan een aantal autoriteiten mee dat, ingevolge het genoemde arrest nr. 102.509 van 14 januari 2002, de door verzoekster bestreden beslissingen worden geacht nooit te hebben bestaan, dat zulks concreet betekent dat verzoekster moet uitgenodigd worden om te reïntegreren in de Krijgsmacht, dat verzoekster, die enkel mislukte voor de bijkomende fysieke proeven, niet meer voor de deliberatiecommissie moet verschijnen en als geslaagd voor het academiejaar 1997-1998 (derde jaar POL) moet beschouwd worden en dat zulks impliceert dat zij in het volgend academiejaar (2002-2003) aangehecht moet worden aan het vierde jaar POL met het oog op het verderzetten van haar studies als kandidaat-beroepsofficier (KBO). Er wordt aan toegevoegd dat, indien verzoekster weigert te reïntegreren, dit beschouwd zal kunnen worden als een impliciete aanvraag tot verbreking van haar dienstneming als KBO die dan als dusdanig dient afgehandeld te worden, wat onder meer impliceert dat zij in principe gehouden is om 73 % van haar vormingskosten terug te betalen. 1.
- Met een op 23 april 2002 gedateerde nota deelt de directeur- generaal van de Algemene Directie Human Resources aan verzoekster mee dat zij zich op 20 mei 2002 moet aanbieden in de KMS. Haar aandacht wordt gevestigd op het mogelijk gevolg van een weigering om te reïntegreren, met name de terugbeta- ling, in principe, van 73 % van de genoten wedden. 1.12.
- Op 24 mei 2002 dient verzoekster een aanvraag in tot verbreking van haar dienstneming als KBO. Zij voert volgende motieven aan : IX-3877-5/16 “Motivering ontslag Op 03.07.1998 heeft de Deliberatiecommissie van de Koninklijke Militaire School beslist tot mijn ‘definitieve mislukking’ in het derde jaar polytechniek, 1ste zittijd. Op 22.07.1998 werd mij bovendien de hoedanigheid van kandidaat- beroepsofficier ontnomen, en werd de militaire dienstneming verbroken. De Raad van State heeft deze beslissingen onlangs vernietigd. Ik werd vervolgens opgeroepen om mij te reïntegreren als kandidaat-beroepsofficier. Evenwel heb ik inmiddels mijn vorming als burgerlijk ingenieur voleindigd aan de Vrije Universiteit Brussel. Dit diploma wordt evenwel niet aanvaard door de Koninklijke Militaire School. Terugkeren naar deze school zou dan ook impliceren dat ik dezelfde studies opnieuw dien te volgen, en daardoor de afgelopen jaren als ‘verloren’ dient te beschouwen. In die optiek, en rekening houdend met het feit dat ik inmiddels vast tewerkgesteld ben in de burgerij, wens ik dan ook niet terug te keren als militair, en bied ik zodoende mijn ontslag aan. Het moge beklemtoond worden dat ik tot dit ontslag gedwongen wordt door de houding van de Koninklijke Militaire School, die het mij onmogelijk gemaakt heeft mijn opleiding te voleindigen. Dit ontslag kan dan ook geenszins geïnterpreteerd worden als een schuld- erkentenis. Wel integendeel, het arrest uitgesproken door de Raad van State bevestigt het foutief handelen van de Belgische Staat in deze. Ik formuleer dan ook het ruimste voorbehoud wat betreft de te recupereren schade, en beklem- toon dat dit ontslag er enkel op gericht is om de administratieve toestand voor alle partijen duidelijk te stellen.” 1.12.
- Dezelfde dag vraagt zij de verwerende partij “om vrijgesteld te worden van de terugbetaling van het geheel der vormingskosten en wedden verkregen tijdens de vorming als KBO aan de Koninklijke Militaire School”. Zij motiveert die aanvraag als volgt : “Ik verzoek om vrijgesteld te worden van de terugbetaling van vormings- kosten, die de KMS - overeenkomstig haar schrijven d.d. 23.04.2002 - begroot op ‘73 % van de genoten wedden’. (...) Ik zal dan ook niet terugkeren naar de KMS, omdat dit tot het ‘verlies’ van een aantal jaren zou leiden. Desalniettemin vraag ik om de kosten van de vorming die ik aldaar genoten heb, niet te moeten terugbetalen, nu het duidelijk gebleken is, dat deze vorming ten onrechte werd afgebroken. Het moge beklemtoond worden dat ik tot dit ontslag gedwongen wordt door de houding van de Koninklijke Militaire School, die het mij onmogelijk gemaakt heeft mijn opleiding te voleindigen. Dit ontslag kan dan ook geenszins geïnterpreteerd worden als een schuld- erkentenis. Wel integendeel, het arrest uitgesproken door de Raad van State bevestigt het foutief handelen van de Belgische Staat in deze. Ik formuleer dan ook het ruimste voorbehoud wat betreft de te recupereren schade, en beklem- toon dat mijn ontslag van heden er enkel op gericht is om de administratieve toestand voor alle partijen duidelijk te stellen. Ik behoud mij dan ook alle rechten voor aangaande eventuele bijkomende schade.” IX-3877-6/16 1.
- Met een nota van 6 februari 2003 stelt de directeur-generaal van de Algemene Directie Human Resources aan de minister van Landsverdediging voor om de dienstneming van verzoekster te verbreken, maar haar niet vrij te stellen van de terugbetaling van 73 % van de wedden voor de periode van 16 augustus 1995 (datum van haar dienstneming) tot 1 augustus 1998 (datum waarop haar dienst- neming, ingevolge de nadien door de Raad van State vernietigde beslissingen, van rechtswege werd verbroken). Als bijlage wordt een ontwerp van koninklijk besluit met betrekking tot de beslissing over de vraag tot vrijstelling van de terugbetaling van 73 % van de wedden en een, samen met het ontwerp van koninklijk besluit aan de Koning voor te leggen, beknopte analyse gevoegd. In die beknopte analyse wordt gesteld dat verzoekster geen enkele sociale reden en, a fortiori, geen enkele uitzonderlijke sociale reden inroept, dat zij enkel feitelijke vaststellingen aanvoert die verband houden met het vernietigingsarrest van de Raad van State en dat zij zich het recht voorbehoudt om een schadevergoeding te vorderen. Omdat de redenen die aangevoerd worden onvoldoende gegrond zijn, wordt voorgesteld de gevraagde vrijstelling te weigeren. Als bijlage wordt ook nog een advies van de Algemene Directie Juridische Steun en Bemiddeling gevoegd, waarin aan de minister eveneens voorgesteld wordt akkoord te gaan met verzoeksters verbreking van dienstneming als KBO, maar (omwille van dezelfde redenen als aangehaald in de hierboven vermelde beknopte analyse) niet met haar aanvraag tot vrijstelling van terugbetaling van 73 % van de wedden. Onder een luik “toelichtingen die de minister van Lands- verdediging kunnen leiden bij zijn beslissing” wordt in dat advies gesteld : “c. Toelichtingen die MLV kunnen leiden bij zijn beslissing : 1/ Uit de door betrokkene voor de RvSt en voor het Arbitragehof ingespannen procedures blijkt dat zij met kennis van zaken heeft gehandeld en dat zij wist dat zij bij een annulatiearrest van de RvSt zou moeten terugbetalen indien zij daarna het leger zou verlaten. Zij had dit kunnen vermijden en had hetzelfde resultaat kunnen bekomen door eenvoudigweg ‘afstand van geding’ te doen voor de RvSt. In dat geval was zij immers sinds 01 Aug 98 definitief ex-KBO en diende zij in geen geval terug te betalen. Toch koos zij voor de confrontatie en dwong een annulatiearrest RvSt af. Betrokkene is bijgevolg zeker niet te beschouwen als ‘een slachtoffer van een onwettig- heid’. 2/ Haar bedoeling blijkt duidelijk uit haar houding en uit haar ‘vraag tot vrijstelling’ die duidelijk is opgesteld door haar raadsman : zij wenst vrij- IX-3877-7/16 gesteld te worden van terugbetaling (zonder uitzonderlijke sociale redenen) en zal eens deze beslissing genomen wordt, meer dan waarschijnlijk een schadevergoeding claimen bij de gewone rechter op basis van het annulatie- arrest van de RvSt (waaruit de fout van de overheid blijkt). DGJM heeft diverse malen gepoogd om te peilen naar de intenties van de raadsman van betrokkene met het oog op het aangaan van een ‘dadingsovereenkomst’. Nooit is er een ernstige reactie gekomen. Het is duidelijk dat de advocaat van betrokkene eerst de vrijstelling van terugbetaling wil binnenhalen om nadien daarbovenop schadevergoeding te eisen. Het bestuur dient in deze tactische houding van de advocaat niet mee te spelen. 3/ De ‘fout’ van de overheid moet gerelativeerd worden. Inderdaad, de RvSt vernietigde de mislukking als KBO enkel maar om louter formele redenen : de KMS had de reglementering m.b.t. de ‘aanvullende fysieke proeven’ toe- gepast zonder dat deze op dat ogenblik expliciet goedgekeurd was door MLV. De goedkeuring kwam pas enkele maanden later en dezelfde reglementering is nog steeds van toepassing.” 1.
- Op 10 maart 2003 staat de minister van Landsverdediging de verbreking toe van de dienstneming van verzoekster als KBO, aangegaan op 16 augustus
- 1.
- Bij koninklijk besluit nr. 4367 van 11 maart 2003 wordt de vrijstelling van de terugbetaling van 73 % van de wedden genoten in de loop van de periode van 16 augustus 1995 tot 1 augustus 1998 aan verzoekster geweigerd op grond van de volgende overwegingen : “Overwegende dat ten gevolge van de beslissing van een deliberatie- commissie van 3 juli 1998 de dienstneming van betrokkene van rechtswege verbroken was op 1 augustus 1998; Overwegende dat op 14 januari 2002 de Raad van State deze verbreking van de dienstneming van betrokkene vernietigd heeft; Overwegende dat ten gevolge van hetzelfde arrest van de Raad van State, betrokkene administratief heropgenomen werd in de getalsterkte op 21 mei 2002, en dit meer dan twee jaar na de inwerkingtreding van de hierboven genoemde wet van 16 maart 2000; Overwegende dat betrokkene na de verbreking van haar dienstneming haar studies heeft verder gezet en haar diploma van burgerlijk ingenieur behaald heeft; Overwegende dat betrokkene in een burgerbedrijf een functie bekleedt, dat zij deze functie niet kan verlaten zonder nadelen voor dit bedrijf en voor zichzelf en dat zij bovendien slechts erg moeizaam zou kunnen gereïntegreerd worden in de krijgsmacht na vier jaar afwezigheid; Overwegende dat krachtens artikel 7 van de hierboven genoemde wet van 16 maart 2000 betrokkene gehouden is 73 % van de tijdens haar vorming genoten wedden terug te betalen aan de Schatkist, namelijk het bedrag van 26.885,67 i; Overwegende dat om de ingeroepen redenen, betrokkene geen interesse meer vertoont in de uitoefening van een functie in het Ministerie van Landsverdediging; IX-3877-8/16 Overwegende dat de door betrokkene ingeroepen redenen geen uitzonder- lijke sociale redenen vormen die toelaten haar vrij te stellen van de terugbetaling van het genoemde bedrag.” Dat koninklijk besluit maakt het eerste voorwerp uit van het onderhavig beroep. 1.
- Met een nota van 3 juni 2003 wordt aan verzoekster meegedeeld dat de verbreking van haar dienstneming uitwerking heeft op 10 juni 2003, dat zij ingevolge die verbreking ertoe gehouden is om 26.885,67 euro van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen, dat de vrijstelling van de terugbetaling van dat bedrag geweigerd is, en dat de praktische modaliteiten inzake de betaling van deze som haar later zullen meegedeeld worden. De in die mededeling vervatte beslissing om de genoten vormings- kosten ad 26.885,67 euro terug te betalen maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavig beroep. De ontvankelijkheid
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep in zijn tweede voorwerp. Volgens haar is de vraag tot terugbetaling het feitelijk gevolg van het koninklijk besluit van 11 maart 2003 waarbij de aanvraag tot vrijstelling verworpen is.
- Verzoekster repliceert dat zij zich verzet tegen de beslissing om van haar 26.885,67 euro te eisen en dat, in geval het koninklijk besluit van 11 maart 2003 vernietigd wordt, de rechtszekerheid gediend is met de vernietiging van de mededeling van 3 juni
- Dat de verwerende partij van verzoekster de betaling vordert van het bedrag, dat 73% van de tijdens haar vorming genoten wedden vertegenwoordigt, is het rechtstreeks gevolg van de verwerping van haar aanvraag tot vrijstelling. Het is een uitvoeringsmaatregel van dat besluit die op zich de rechtstoestand van verzoekster niet wijzigt. In de mate dat de verwerende partij aldus vaststelt welk precies bedrag zij van verzoekster terugvordert, gaat het zelfs om een beslissing waarbij de omvang van de subjectieve rechten van verzoekster wordt bepaald, maar waarvoor de Raad van State niet bevoegd is. De exceptie is gegrond. IX-3877-9/16 IX-3877-10/16 De grond van de zaak
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de materiële motiveringsverplichting en van het redelijkheids- en het fair-playbeginsel. Zij betoogt dat de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening gehouden heeft met de fout die het bestuur begaan heeft en met de bijzondere omstandigheden waarin verzoekster verkeerde, terwijl een bestuurshandeling de redenen moet vermelden waarop zij steunt en die redenen afdoende moeten zijn, terwijl het redelijkheids- beginsel het bestuur ertoe verplicht bij de uitoefening van zijn appreciatie- bevoegdheid binnen de grenzen van de redelijkheid te blijven en terwijl het fair- playbeginsel het bestuur verplicht de burgers op een correcte wijze te behandelen. Zij licht toe dat de bestreden beslissing “in twee opzichten onredelijk te noemen is”. Enerzijds doordat zij louter het gevolg is van de foutieve -want door de Raad van State vernietigde- beslissingen uit 1998 om haar definitief niet-geslaagd te verklaren, waardoor het haar onmogelijk werd gemaakt om haar studies in de KMS voort te zetten, terwijl haar toch niet kan verweten worden dat zij, handelend als een normaal en voorzichtig persoon van 22 jaar, andere studiemogelijkheden aangewend heeft en daarna werk gezocht heeft. Anderzijds omdat zij, had zij niet om de beëindiging van haar dienstverbintenis verzocht, voor het onredelijk alternatief kwam te staan dat zij alleen een terugbetaling van de vormingskosten kon vermijden door de studies in de KMS voort te zetten. Had zij geen annulatieberoep ingediend tegen haar mislukking in de KMS, dan was er nooit een vernietigingsarrest gekomen en ook geen besluit over de teruggave van de vormingskosten. In die zin put de verwerende partij nu rechten uit de onregelmatige situatie die zijzelf gecreëerd heeft. Verzoekster voegt daar terloops nog aan toe dat de verwerende partij ook nog op een ander vlak onredelijk is geweest, met name doordat zij geweigerd heeft verzoekster bij haar inschrijving aan de VUB een attest te bezorgen dat zij geslaagd was in de academische vakken, wat haar had toegelaten het vierde ingenieursjaar te beginnen, terwijl zij nu het derde jaar heeft moeten overdoen.
- De verwerende partij wijst er terecht op dat verzoekster met dit middel, zoals het ontwikkeld wordt, enkel de onredelijkheid van het bestreden besluit poogt aan te tonen, zonder uiteen te zetten op welke wijze de formele motiveringswet, de materiële motiveringsverplichting of het fair-playbeginsel geschonden zijn. Wat dat betreft is het middel niet ontvankelijk. IX-3877-11/16
- Wat de schending van het redelijkheidsbeginsel betreft, stelt de verwerende partij dat verzoekster de vrijstelling gevraagd heeft omdat gebleken was dat haar vorming in de KMS ten onrechte was afgebroken, hetgeen een feitelijke vaststelling is en manifest “geen uitzonderlijke sociale reden” om haar aanvraag tot vrijstelling, als bedoeld in artikel 8 van de wet van 16 maart 2000, te onderbouwen, zodat zij niet anders kon dan de aanvraag tot vrijstelling verwerpen. Zij voegt daaraan toe dat verzoekster ten onrechte stelt dat zij wegens de foutieve beslissingen van het bestuur genoopt was om de verbreking van haar dienst te vragen. Immers, de fout van het bestuur heeft op vraag van verzoekster geleid tot de vernietiging van haar dienstverbreking, waardoor zij opnieuw kandidaat-beroepsofficier geworden is en het is vervolgens haar persoonlijke situatie -werk in de privésector- die de directe aanleiding was om haar dienstverbreking aan te vragen. Had zij de nefaste gevolgen van het vernietigingsarrest willen voorkomen, dan had zij tijdens de procedure voor de Raad van State “haar conclusies moeten trekken”. Verzoekster verwijst ook naar de onredelijkheid van de verplichting om haar opleiding aan de KMS te voltooien, nu zij inmiddels burgerlijk ingenieur geworden was en in de privésector aan het werk was. Die kritiek heeft evenwel geen betrekking op de hier bestreden weigering van vrijstelling, maar op de niet bestreden beslissing om haar in de gelegenheid te stellen -te verplichten- haar opleiding aan de KMS voort te zetten, waaromtrent het bestuur geen appreciatieruimte had.
- Verzoekster repliceert dat het bestuur er niet toe gehouden was om na een vernietigingsarrest haar te verplichten om haar opleiding voort te zetten, aangezien een bestuur slechts rechtsherstellende maatregelen kan treffen in zoverre zij de belangen van de verzoeker dienen, zodat er geen twijfel over kan bestaan dat de eis om haar opleiding voort te zetten onredelijk is. Zij stelt ook dat de overheid, in het kader van de toepassing van artikel 8 van de wet van 16 maart 2000, wel degelijk over een appreciatiemarge beschikt en dat zij wel degelijk uitzonderlijk sociale redenen -een begrip dat in de parlementaire bespreking van de wet niet verduidelijkt werd- ingeroepen heeft, met name dat zij inmiddels haar studies had voltooid en werk had gevonden en dat zij bij het voortzetten van haar studies in de KMS -gevolg van de onwettige beslissingen- jaren zou verliezen. Het is bevreemdend te moeten vaststellen dat de verwerende partij, die rechtsgeldige beslissingen moet nemen, verwijst naar de eigen keuze van verzoekster om een beroep in te stellen en om vervolgens geen afstand van geding te doen, want in dat geval was de onwettige beslissing definitief geworden en had verzoekster de kosten van het geding moeten betalen. IX-3877-12/16
- Verzoekster heeft haar vraag tot vrijstelling van de terugbetaling van de ontvangen wedden gesteund op de vaststelling dat haar vorming door de fout van het bestuur -dat haar ten onrechte niet geslaagd verklaard heeft- afgebroken is en dat zij, aangezien zij inmiddels een ander professioneel parcours gevolgd heeft, bij het hernemen van haar vorming in de KMS als geslaagde voor het derde jaar POL een aantal jaren zou “verliezen”, hetgeen haar ontslagaanvraag verklaart. De verwerende partij heeft daarop in het bestreden besluit geantwoord dat verzoekster een functie bekleedt in een burgerbedrijf, dat zij die functie niet zonder nadelen voor het bedrijf en voor zichzelf kan opgeven en dat zij bovendien slechts erg moeizaam in de Krijgsmacht gereïntegreerd zou kunnen worden na vier jaar afwezigheid. Zij besluit daaruit dat verzoekster geen interesse meer heeft voor een functie in het ministerie van Landsverdediging zodat de door verzoekster ingeroepen redenen “geen uitzonderlijke sociale redenen vormen die toelaten haar vrij te stellen van de terugbetaling”. De verwerende partij verwijt aldus aan verzoekster dat haar ontslagaanvraag geïnspireerd is door haar desinteresse voor een functie bij het ministerie maar dat die redenen geen uitzonderlijke sociale redenen zijn op grond waarvan zij vrijgesteld kan worden. Verzoekster integendeel wil nu vastgesteld zien dat haar ontslagaanvraag het gevolg is van een onregelmatige beslissing van het bestuur en dat het onredelijk is om haar in die omstandigheden terugbetaling te vragen.
- De wet bepaalt het begrip “uitzonderlijke sociale redenen”, vermeld in artikel 8 van de wet van 16 maart 2000, niet. De parlementaire voorbereiding van die bepaling bevat ter zake ook geen enkele verduidelijking. Aangezien niets erop wijst dat de wetgever de delegatie aan de Koning beperkend heeft opgevat, beschikt de Koning ter zake over een zeer ruime appreciatiebevoegdheid.
- Desinteresse voor een functie binnen het leger is op zich evident geen uitzonderlijke sociale reden om verzoekster vrij te stellen van de terugbetaling waartoe de wet van 16 maart 2000 haar verplicht. Volgens verzoekster diende de verwerende partij bij de beoordeling van dat gegeven evenwel ook rekening te houden met het feit dat de IX-3877-13/16 gehele situatie haar oorzaak vindt in een onregelmatige beslissing, met name de beslissing om haar dienstverbintenis te verbreken omdat zij niet geslaagd was in het derde jaar van de KMS.
- Op grond van de marginale bevoegdheid waarover de Raad van State bij de toetsing van een beslissing aan het redelijkheidsbeginsel beschikt, kan hij enkel in de discretionaire bevoegdheid van het bestuur ingrijpen wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is, dit wil zeggen dat het ondenkbaar is dat enige in redelijkheid oordelende overheid, die in dezelfde omstandigheden moet beslissen, hetzelfde besluit zou nemen.
- Te dezen houdt de Raad van State voor die beoordeling rekening met de volgende elementen: - De Raad van State heeft met het arrest nr. 102.509 van 14 januari 2002 de onwettigheid vastgesteld van de beslissing waarbij de verwerende partij vastgesteld heeft dat verzoekster, wegens haar definitief mislukken in het derde jaar polytechniek van de KMS, vanaf 1 augustus 1998 de hoedanigheid van kandidaat-beroepsofficier verloren heeft en dat haar dienstneming als kandidaat- beroepsofficier verbroken is. Aan verzoekster kan niet verweten worden dat zij het desbetreffend annulatieberoep ingediend heeft en dat zij dit beroep tot op het einde heeft benaarstigd. - Verzoekster heeft de Krijgsmacht verlaten omdat zij daar door de beslissingen van de verwerende partij toe gedwongen was. Aldus kan haar evenmin verweten worden dat zij, in afwachting van een uitspraak over haar annulatieberoep, haar studies met succes elders voortgezet heeft en dat zij inmiddels naar eigen voldoening een carrière in de privé-sector heeft uitgebouwd. Zeer terecht was zij dan ook, na het vernietigingsarrest, niet meer geïnteresseerd in de reïntegratie zoals de verwerende partij haar die aanbood, met name door haar het vierde studiejaar in de KMS te laten aanvangen en door aldus, bij het rechtsherstel na het vernietigingsarrest, geen rekening te houden met de feitelijke evolutie van verzoeksters situatie waarvan de verwerende partij nochtans zelf aan de basis lag. - Gedwongen door de omstandigheden, heeft verzoekster aldus de volstrekt redelijke beslissing genomen om niet naar de Krijgsmacht terug te keren, wat zij uiteindelijk slechts kon door zelf op de verbreking van haar dienstverbintenis aan te sturen. Zij belandde daarmee evenwel in het toepassingsgebied van de artikelen 26bis van de wet van 21 december 1990 en artikel 7 van de wet van 16 maart IX-3877-14/16 2000, die haar verplichten een deel van de tijdens haar vorming ontvangen wedde aan de Staat terug te betalen. - Hoewel de verwerende partij krachtens artikel 8 van de wet van 16 maart 2000 de mogelijkheid heeft om de militair, die erom verzoekt, voor uitzonderlijke sociale redenen vrijstelling te verlenen van de terugbetaling en verzoekster om die vrijstelling gevraagd heeft -daarbij, als sub 1.12.
- geciteerd, verwijzend naar het verlies van een aantal jaren wegens een fout van het bestuur- heeft de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag van verzoekster compleet veronachtzaamd dat zijzelf op onregelmatige wijze de studies van verzoekster afgebroken heeft en verzoekster integendeel geen verwijt gemaakt kan worden en dat de wet van 16 maart 2000 er precies op gericht is de militairen te ontmoedigen die voordeel wensen te halen uit de kosteloze opleidingen die de Krijgsmacht organiseert.
- Gelet op de voormelde bijzondere omstandigheden stelt de Raad van State vast dat de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze gebruik gemaakt heeft van de beoordelingsbevoegdheid die artikel 8 van de wet van 16 maart 2000 haar verleent, door de vraag tot vrijstelling van verzoekster af te wijzen op grond dat de verwijzing naar de desinteresse voor een functie bij het leger geen uitzonderlijke sociale reden is die een vrijstelling kan verantwoorden zonder daarbij ook rekening te houden met het feit dat de verwijdering van verzoekster uit de KMS en de latere inwilliging van haar vraag om haar dienstverbintenis te verbreken -dus de persoonlijke situatie waarin verzoekster zich op het ogenblik van de aanvraag bevond- het rechtstreeks gevolg zijn van haar eigen foutief handelen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het koninklijk besluit van 11 maart 2003 waarbij aan de verzoekster de vrijstelling wordt geweigerd van de terugbetaling van een deel van de tijdens de vorming ontvangen wedden, wordt vernietigd. IX-3877-15/16 Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 13 oktober 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3877-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.000 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div