id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.006 Rolnummer: A. 109545/X-10531 Zaak: Arrest 187006 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-31 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 187.006 van 13 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.006 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 109.545/X-10.
- In zake : Guido HENDRIX, wonende te 9000 GENT, Nederpolder 25 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido HENDRIX op 25 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 mei 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende inwilliging van het beroep van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke en de gemachtigde ambtenaar tegen de beslissing van 21 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het slopen van stallen en het verbouwen van de woning bij een hoeve aan de Meierij te Merelbeke, kadastraal bekend sectie B, nrs. 373/f, 373/g en 373/h, en houdende gedeeltelijke verlening van de vergunning; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.531-1/8 Gelet op de beschikking van 19 augustus 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 26 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat I. BOCKSTAELE, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De rechtspleging 1.1.
- De verzoeker vraagt in de laatste memorie “met betrekking tot stuk II/19 van het administratief dossier om inschrijving van valsheid, overeenkomstig artikel 51 van het procedurereglement”. 1.1.
- De verzoeker legt geen bewijs voor van enige vordering wegens valsheid van dit of enig ander stuk voor de bevoegde justitiële rechter. Er is derhalve geen aanleiding tot toepassing van artikel 51 van het algemeen procedurereglement. 1.
- Het door de verzoeker ter terechtzitting neergelegd procedurestuk met bijlage wordt uit de debatten geweerd omdat dergelijke neerlegging van een procedurestuk niet wordt toegelaten in het algemeen procedurereglement.
- De feiten 2.
- De verzoeker is eigenaar van een onroerend goed, gelegen aan de Meierij 43 te Merelbeke, meer bepaald een hoeve met woonhuis en stallingen, gebouwd in hoefijzervorm rond een binnenhof, en te bereiken van aan de straat via een lange dreef. X-10.531-2/8 2.
- Het goed is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing geldt ook een door de gemeenteraad van Merelbeke op 10 november 1998 voorlopig aangenomen bijzonder plan van aanleg “Makegembossen” luidens hetwelk, volgens het bestreden besluit, de eigendom van de verzoeker gezoneerd wordt als agrarisch gebied met ecologische en landschappelijke waarde. 2.
- Op 21 april 2000 (datum van ontvangst van de aanvraag) dienen de verzoeker en zijn echtgenote bij het college van burgemeester en schepenen van Merelbeke een bouwaanvraag in om een aantal stallingen van het complex te mogen afbreken, het woonhuis te verbouwen, een aantal stallen van nieuwe deuren te voorzien, een schuilhok voor schapen in te richten, en een nieuwe carport te bouwen. 2.
- Gedurende het openbaar onderzoek over de aanvraag worden twee bezwaarschriften ingediend, die door het college van burgemeester en schepenen van Merelbeke in zitting van 10 mei 2000 deels gegrond worden verklaard, onder meer omdat door de werken “de typische hoevestructuur” van het geheel zou verloren gaan en een schending van het landschap het gevolg zou zijn. Het college formuleert daarop een ongunstig preadvies. 2.
- Op 11 mei 2000 brengt de afdeling Land van AMINAL Oost-Vlaanderen een overwegend ongunstig advies uit over het dossier. 2.
- De afdeling Huisvesting van AROHM laat op 20 juni 2000 weten dat de woning niet verkrot is. 2.
- Op 13 september 2000 adviseert de gemachtigde ambtenaar ongunstig, onder meer stellende dat “het typische architecturaal karakter van de hoeve (...) door de verbouwingen verloren gaat”, en dat het geheel niet gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg. 2.
- Bij besluit van 27 september 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning. X-10.531-3/8 2.
- Met een aangetekend schrijven van 30 oktober 2000 tekent de verzoeker tegen deze weigeringsbeslissing administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. Op 21 december 2000 willigt de bestendige deputatie dit beroep in, en verleent ze de vergunning met uitzondering van het onderdeel van de aanvraag dat betrekking heeft op de carport. 2.
- Op 9 februari 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke tegen dit laatste besluit administratief beroep aan te tekenen onder meer op grond van de argumenten dat de toepasselijke bepalingen opleggen dat het bouwterrein moet gelegen zijn langs een voldoende uitgeruste weg, en dat de werken de typische U-vorm van het hoevecomplex doorbreken en het landschap aantasten. 2.
- Ook de gemachtigde ambtenaar dient op 14 februari 2001 beroep in, op grond van soortgelijke motieven. 2.
- Op 20 februari vraagt de verzoeker aan de minister om gehoord te worden. Op 23 april 2001 richt de verzoeker een rappelbrief aan de minister teneinde deze ertoe te brengen een beslissing te nemen over deze beroepen. 2.
- Op 10 mei 2001 vindt op de diensten van de administratie van de minister een hoorzitting plaats in aanwezigheid van enkel de verzoeker. Het handgeschreven verslag van de hoorzitting bevat enkel de notities van de behandelende ambtenaar betreffende de opmerkingen van de verzoeker. 2.
- Met een ministerieel besluit van 15 mei 2001 worden de door het gemeentebestuur en de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroepen ingewilligd. Enkel “voor wat het aspect van de gedeeltelijke afbraak van de stallen betreft en de aanwending van de resterende 1 m hoge muren als waterbassin” wordt de vergunning verleend. 2.
- Met een tegen ontvangstbewijs aangetekend schrijven van 16 mei 2001 wordt een afschrift van het ministerieel besluit genotificeerd aan de verzoeker. X-10.531-4/8 2.
- Met een aangetekend schrijven van 18 mei 2001 retourneert de verzoeker deze zending, om reden dat het toegezonden afschrift geen bladzijde 4 bevat. Tevens voorziet de verzoeker dit schrijven nog van een aanvullende argumentatie, en voegt hij ook nog nieuwe stukken bij. 2.
- Nadat aan de gemeente en aan de diensten van AROHM een volledig ministerieel besluit is bezorgd, ontvangt ook de verzoeker per aangetekende brief van 21 juni 2001 een volledige versie van het bestreden ministerieel besluit.
- De ontvankelijkheid 3.
- De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat de verzoeker stelt “het volledige besluit slechts te hebben ontvangen op 29 juni 2001”, dat hij de omslag van het “begeleidend schrijven (...) dat gedateerd is op 21 juni 2001” niet voorlegt, en dat “indien uit de stukken zou blijken dat deze datum niet overeenstemt met de werkelijke datum van ontvangst, (...) het verzoekschrift tot nietigverklaring duidelijk laattijdig (is)”. 3.
- In de memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat hij het bestreden besluit op 29 juni 2001 heeft ontvangen en dat de verwerende partij “het bewijs van aangetekende zending” moet bijbrengen. 3.
- Het auditoraatsverslag besluit tot de verwerping van de exceptie van laattijdigheid van het annulatieberoep. In de laatste memorie “herneemt” de verwerende partij op dit punt “integraal haar memorie van antwoord”. 3.
- Het administratief dossier bevat geen gegevens over de afgifte van de zending met het bestreden besluit aan de postdiensten, noch over enig ontvangst- bewijs van deze zending. De verwerende partij, van wie de bedoelde stukken uitgingen, faalt derhalve in de bewijslast die op haar rust. Het beroep is tijdig.
- Ten gronde 4.
- In de aanhef van het “enig middel” voert de verzoeker “de ontstentenis van motivering bij het planologisch bezwaar van het Ministerieel besluit” aan. De verzoeker betwist de overweging in het bestreden besluit “dat de weg summier grindverhard is en derhalve niet als een duurzaam verharde weg kan X-10.531-5/8 worden beschouwd” en verwijst naar zijn beroepschrift bij de bestendige deputatie waarin hij “de feitelijke toestand van de dreef” heeft beschreven als een “op een tot 8 meter brede, tot 80 cm hoge bedding, een berijdbare, verharde weg van minstens 4 meter” en naar de drie foto's die hij “tijdens de hoorzitting (...) heeft getoond waaruit de vermelde dikte van de bedding blijkt”. Hij stelt dat de betwiste overweging niet weerlegt wat hij in zijn voormeld beroepschrift heeft beweerd, meer bepaald : “de dreef werd inderdaad omstreeks 1960 verhard met de materialen die ter beschikking kwamen bij de nieuwe aanleg van de Grebstraat”. 4.
- De verwerende partij repliceert dat het bestreden besluit “op meer (is) gesteund dan de vaststelling dat de eigendom van verzoeker niet paalt aan een uitgeruste weg”, de overige weigeringsmotieven “volstaan (...) om de aanvraag van verzoeker af te wijzen”, en dat de eventuele onwettigheid van het gewraakte, overtollig motief “niet (kan) leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit”. Voorts betoogt zij dat een grindverharding “niet (kan) beschouwd worden als een duurzame verharding”. 4.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat het verslag van de hoorzitting “nagenoeg onleesbaar” is, vraagt hij een “conform verklaarde transcriptie” van dat verslag, “behoud(t) (zich) het recht voor (zijn) memorie van wederantwoord in het licht van de aanvullende informatie bij te sturen” en “acht (...) zich geschaad in zijn mogelijkheden eventueel bijkomende middelen aan te voeren”. In de laatste memorie laat de verzoeker gelden dat uit bepaalde stukken van de gemeente blijkt dat de kwestieuze weg wel verhard is, dat artikel 100, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening niet van toepassing is omdat het te dezen om een verbouwing gaat. 4.
- De weigering wordt, naast het - in fine van het bestreden besluit aangewende - weigeringsmotief, vooreerst gesteund op de volgende overwegingen: “Overwegende dat het bijzonder plan van aanleg, qua onder bepaalde voorwaarden toelaatbare, vergunningsplichtige werken, in het algemeen stelt dat bij vergunningsplichtige werken die betrekking hebben op gebouwen en constructies, het uiterlijk ervan, het volume, de vormen, de kleuren en de materialen van de gevels en daken, evenals hun onderlinge verhoudingen, zodanig moeten zijn dat het bouwwerk een harmonisch geheel vormt met de omgeving; X-10.531-6/8 Overwegend dat, in tegenstelling tot het overwegend gesloten karakter van het geheel een glasgevel wordt betracht aan de woning; dat evenmin die overmatige beglazing zich kan kaderen binnen de bestaande gevels; dat deze gevel derhalve niet kan integreren binnen de bestaande vormentaal en materiaal-gebruik van de hoeve; dat de zuidwestelijk gelegen en te behouden serre, geen rechtsgeldig precedent kan betekenen om af te wijken van het verder relatief besloten karakter van de initiële hoeve; dat de houten carport naar materiaal-gebruik en vormentaal evenmin aansluit bij het besloten metselwerk van het pand; dat door de aanvraag de bestaande onderlinge bestaande verhoudingen volkomen genegeerd worden; dat derhalve in dit opzicht strijdigheid wordt vastgesteld met de bepalingen van het bijzonder plan van aanleg; dat een voorlopig vastgesteld (...) bijzonder plan van aanleg, luidens hetgeen is gesteld in artikel 43, § 5 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, reeds een bindend karakter heeft verkregen; Overwegende dat de goede ruimtelijke ordening niet mag worden geschaad; dat dit in concreto betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet mag overschreden worden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat het gedesaffecteerd landbouwbedrijf volledig solitair is gelegen in een uitgesproken homogeen agrarisch gebied; dat de dichtstbijzijnde bebouwing zich voordoet op ongeveer 350 m in het noordwestelijk gelegen 50 m diep woongebied met landelijk karakter, dit behoudens het bedrijfsgebouw dat zich aan de overzijde van de landweg bevindt; dat de aanvraag om voornoemde redenen het open en waardevolle karakter van de omgeving in het gedrang brengt; dat het duidelijk en ruimtelijk verantwoord voorlopig aangenomen gemeentelijk bijzonder plan precies werd opgesteld om het specifiek karakter van de Makegembossen met omgeving te vrijwaren van ruimtelijk onverantwoorde ingrepen”. Het bestreden besluit is aldus in eerste instantie gedragen door omstandige, niet betwiste motieven die de weigering kunnen dragen. Het door de verzoeker bestreden weigeringsmotief is derhalve een overtollig motief waarvan een eventuele onregelmatigheid zonder invloed is op het afdoende karakter van de niet bestreden motivering van het bestreden besluit. De eventuele gegrondheid van de kritiek tegen een niet bestreden overtollig motief kan niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit leiden. Het middel is ongegrond. 4.
- In zoverre moet worden aangenomen dat de verzoeker in de procedurestukken volgend op het inleidend verzoekschrift nieuwe middelen heeft aangebracht, toont de verzoeker niet aan dat ze de openbare orde raken of dat ze enkel uit het administratief dossier konden worden afgeleid. De nieuwe middelen zijn onontvankelijk. X-10.531-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.531-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.006 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div