id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.007 Rolnummer: A. 71056/X-10843 Zaak: Arrest 187007 - Onteigeningen - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 187.007 van 13 oktober 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.007 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 71.056/X-10.
- In zake :
- Raoul GEYSKENS,
- Jacqueline VOS, wonende te 3271 SCHERPENHEUVEL-ZICHEM, E. Claesstraat 21 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3000 LEUVEN, J.P. Minckelersstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raoul GEYSKENS en Jacqueline VOS op 18 september 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening betreffende de onteigening van onroerende goederen op het grondgebied van de steden Aarschot, Scherpenheuvel- Zichem en Diest; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 20 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 27 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; X-10.843-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. ERALY, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat G. HAVET, die loco advocaat P. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partijen zijn eigenaar van twee percelen in Scherpenheuvel (Zichem), kadastraal bekend sectie A nrs. 101/y2 en 102/s. Uit de bij het bestreden besluit gevoegde onteigeningsplannen blijkt dat die gronden worden aangeduid als inneming 119 en
- 1.
- Met een brief van 3 april 1995 legt de administratie Waterwegen en Zeewezen, afdeling Zeeschelde een onteigeningsdossier voor aan de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening met het oog op de aanleg van een jaagpad langs de Demer, dat voor fietsers en voetgangers kan worden opengesteld. In de brief wordt vermeld dat de aanleg van het fietspad in aanmerking zou komen voor Europese steun wanneer de werken voor het einde van 1995 worden gerealiseerd. 1.
- Op 12 oktober 1995 geeft de Inspectie van Financiën een ongunstig advies. Op beroep van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening tegen dit advies, ingesteld op 14 februari 1996, verleent de Vlaamse minister van Financiën haar akkoord op 5 maart
- 1.
- Op 28 juni 1996 neemt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening het bestreden besluit. In de aanhef wordt onder meer verwezen naar de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. De motivering van het besluit luidt als volgt: X-10.843-2/6 “Gelet op het feit dat op het grondgebied van de steden Aarschot, Scherpenheuvel-Zichem en Diest innemingen dienen te geschieden voor de aanleg van een exploitatieweg en fietspad geïntegreerd in de “Demerroute” tussen Aarschot en Diest, welke opgenomen is in het streekontwikkelingsprogramma van het Hageland”. In artikel l van het bestreden besluit wordt bepaald dat het algemeen nut de onmiddellijke inbezitneming van de percelen, gelegen op het grondgebied van de steden Aarschot, Scherpenheuvel-Zichem en Diest vordert, die nodig zijn voor de aanleg van een exploitatieweg en fietspad op de linker- en rechteroever van de Demer, waaronder delen van de percelen van de verzoekende partijen. Artikel 3 verklaart de wet van 26 juli 1962 van toepassing op de onteigening van deze percelen.
- Ontvankelijkheid 2.1.
- De verwerende partij werpt op dat het voorwerp van het beroep niet in het verzoekschrift wordt omschreven en dat er geen uiteenzetting is van de feiten en de middelen, maar enkel loutere overwegingen en opportuniteitskritiek. 2.1.
- De verzoekende partij repliceert dat het verzoekschrift wel degelijk het voorwerp van het beroep bevat en dat de feiten en de middelen nauwkeurig werden uiteengezet, zoals overigens ook blijkt uit het feit dat de verwerende partij er op heeft gerepliceerd in haar memorie van antwoord. 2.2.
- In het verzoekschrift wordt zowel in de inleiding als bij het slot uitdrukkelijk verwezen naar het bestreden besluit. Het feit dat er in het verzoekschrift geen afzonderlijk onderdeel is gewijd aan de weergave van de feiten neemt niet weg dat de relevante feiten in het verzoekschrift in voldoende mate worden weergegeven. Het feit dat de middelen niet in afzonderlijke onderdelen worden uitgewerkt, neemt niet weg dat in het verzoekschrift in voldoende begrijpelijke mate wordt uiteengezet welke rechtsregels en rechtsbeginselen geschonden zijn en hoe het bestreden besluit die rechtsregels en rechtsbeginselen schendt. 2.2.
- De exceptie wordt verworpen. X-10.843-3/6
- Ten gronde 3.1.
- In een van de middelen, weergegeven in randnummer 10 van het verzoekschrift, bekritiseren de verzoekende partijen de hoogdringendheid van de onteigening, wat begrepen kan worden als een schending van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. De verzoekende partijen voeren aan dat de vermeende hoogdringendheid niet aanwezig is, tenzij om in aanmerking te komen voor subsidiëring door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. 3.1.
- De verwerende partij repliceert dat de hoogdringendheid wel degelijk aanwezig was, nu de uiterste termijn - die al eens was verlengd - om in aanmerking te komen voor subsidies van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling op 31 oktober 1996 afliep. Het eerste gedeelte van het traject werd gerealiseerd in de periode 1992-
- In de loop van 1994 vond het overleg met de betrokken instanties plaats voor de realisatie van het tweede gedeelte. In de loop van 1995 werd na ontvangst van de raming van de uitgaven door het Comité van Aankoop het ontwerp van onteigeningsbesluit aan de minister voorgelegd. Omdat er naar gestreefd moest worden om ongeveer 200 onteigeningen, alsook de werken met betrekking tot de wegverharding te realiseren voor 31 oktober 1996, werd een beroep gedaan op de onteigeningsprocedure bij hoogdringendheid. Het onteigeningsbesluit werd pas in juni 1996 ondertekend omwille van verwikkelingen bij de begrotingscontrole. 3.1.
- De verzoekende partijen hernemen hun argumentatie met betrekking tot de hoogdringendheid in hun memorie van wederantwoord. 3.2.
- Naar luid van artikel 1 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte, kan de onteigening slechts geschieden “wanneer de Koning vaststelt dat de onmiddellijke inbezitneming van een of meer onroerende goederen ten algemenen nutte onontbeerlijk is”. Het bestreden onteigeningsbesluit moet op afdoende wijze gemotiveerd zijn, zowel voor wat betreft het algemeen nut van de onteigening als voor wat betreft de vereiste hoogdringendheid. X-10.843-4/6 3.2.
- Het bestreden besluit is als volgt gemotiveerd: “Gelet op het feit dat op het grondgebied van de steden Aarschot, Scherpenheuvel-Zichem en Diest innemingen dienen te geschieden voor de aanleg van een exploitatieweg en fietspad geïntegreerd in de “Demerroute” tussen Aarschot en Diest, welke opgenomen is in het streekontwikkelingsprogramma van het Hageland”. Deze motivering is beperkt tot de redenen die het algemeen nut van de voorgenomen onteigening zouden kunnen verantwoorden. Er wordt niet vermeld, laat staan aangetoond dat de onmiddellijke inbezitneming van de betrokken onroerende goederen door de overheid onontbeerlijk was, zoals vereist is om toepassing te kunnen maken van de procedure bedoeld in de wet van 26 juli
- Het bestreden besluit miskent bijgevolg artikel 1 van deze wet. 3.2.
- Tijdens de terechtzitting bleek niet dat reeds zou zijn overgegaan tot het instellen van de gerechtelijke procedure bedoeld in artikel 5 van de wet van 26 juli 1962, voor wat betreft de betrokken percelen. Het verstrijken van een dergelijke lange termijn dient op zichzelf reeds als een ontkenning van de vereiste hoogdringendheid te worden beschouwd, tenzij indien buitengewone omstandigheden een dusdanige vertraging zouden rechtvaardigen. De verwerende partij voert geen dergelijke omstandigheden aan, laat staan dat ze zouden zijn aangetoond. 3.
- Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 28 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening betreffende de onteigening van onroerende goederen op het grondgebied van de steden Aarschot, Scherpenheuvel-Zichem en Diest. X-10.843-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.843-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.