← België

Arrest 187009 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.009 Rolnummer: A. 116161/X-10777 Zaak: Arrest 187009 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-28 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 187.009 van 13 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.009 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 116.161/X-10.777. In zake : de n.v. MODA FOODS, die woonplaats kiest bij advocaat G. VRINTS, kantoor houdende te 2990 LOENHOUT-WUUSTWEZEL, Henningenlaan 60 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MODA FOODS op 28 januari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de verzoekende partij ingesteld tegen het besluit van 1 augustus 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle tot weigering van de vergunning voor het aanleggen van een parkeerterrein na het slopen van een woning aan De Speelhoven 2 te Malle, kadastraal bekend sectie A, nr. 476/k, ingewilligd wordt; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.777-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VRINTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De n.v. MODA FOODS dient op 26 november 1999 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle een aanvraag in tot het aanleggen van een parkeerterrein na het slopen van een bestaande woning op een perceel gelegen te Malle, De Speelhoven 2. 1.2. Het voornoemd perceel is overeenkomstig het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen in een woongebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een door de Koning -thans de Vlaamse Regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-10.777-2/8 1.3. Op 14 juli 2000 verleent de gemachtigde ambtenaar volgend ongunstig advies: “Beschikkend gedeelte ONGUNSTIG, de bouwvergunning moet worden geweigerd. De aanvraag overschrijdt de draagkracht van de onmiddellijke omgeving. Het slopen van een woning in een woonkern teneinde er verharding aan te leggen voor parkeergelegenheid is vanuit stedenbouwkundig onaanvaardbaar. De aanvraag voorziet geen stedenbouwkundige integratie met de omgeving”. 1.4. Bij besluit van 1 augustus 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle de vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.5. Op 29 maart 2001 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het door de verzoekende partij tegen voornoemd weigeringsbesluit ingestelde beroep in te willigen en de vergunning te verlenen “volgens de in rood gewijzigde plannen”. 1.6. De gemachtigde ambtenaar stelt bij brief van 25 juni 2001 aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening, beroep in tegen deze beslissing “in toepassing van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22/10/96 en gewijzigd bij art. 60 van het decreet van 26/04/2000”. 1.7. Bij besluit van 7 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en de vergunning van 29 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen vernietigd. Het besluit overweegt onder meer: “(...) dat de gemachtigde ambtenaar zijn hoger beroep aan de ‘Vlaamse Minister bevoegd voor ruimtelijke ordening’ heeft gericht; dat hij tezelfdertijd zijn volledige argumentatie aan de particulier heeft meegedeeld, waarbij hij duidelijk stelt dat zijn beroep wordt ingediend overeenkomstig artikel 53 § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals later gewijzigd; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dan ook naar vorm volledig conform is, zodat de aanvraag in hoger beroep door de minister ten gronde dient beoordeeld”. Dit besluit wordt aan de verzoekende partij betekend op 12 december 2001. Het betreft het bestreden besluit. X-10.777-3/8 2. De gegrondheid 2.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : Coördinatiedecreet). De verzoekende partij betoogt dat “het beroepsschrift zelve van de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse regering niet aan verzoekster ter kennis is gebracht en van dit beroep ook geen kennis is gegeven aan de raadsman van verzoekster”, de gemachtigde ambtenaar “bij zijn aangetekend schrijven van 25 juni 2001 aan verzoekster wel mee(deelt) dat hij beroep aantekent tegen de inwilliging, maar het verzoekschrift zelf deelt hij niet mede”, “deze werkwijze (niet) voldoet (...) aan de tekst en de geest van artikel 53 § 2 lid 1 van het stedenbouwdecreet”, de minister “dit middel van onontvankelijkheid (heeft) verworpen stellende dat de gemachtigde ambtenaar zijn hoger beroep toch aan de ‘Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening’ zou hebben gericht en tezelfdertijd zijn volledige argumentatie aan de particulier heeft meegedeeld”, “verzoekster in het ongewisse (

  1. is)gelaten over de vraag wanneer de gemachtigde ambtenaar zijn beroep (...) precies heeft ingediend, aan welke administratie (adres) het precies was gericht, welke stukken aan de Vlaamse Regering werden overlegd en of de argumentatie wel dezelfde was als diegene die hij in zijn brief gericht aan verzoekster vermeldde”. 2.2. De verwerende partij repliceert dat “verzoekende partij erkent een (kopij van het) beroepschrift van de Gemachtigde Ambtenaar gedateerd op 25 juni 2001 te hebben ontvangen”, “nergens wordt (...) voorgehouden dat, wanneer de kennisgeving aan de aanvrager zelf wordt gedaan, de advocaat van de aanvrager eveneens een kopie dient te ontvangen”, “uit het administratief dossier (...) duidelijk (blijkt) dat op 25 juni 2001 door de Gemachtigde Ambtenaar het beroepschrift, zoals ter kennis gebracht van verzoekende partij, aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening (...) werd verzonden” en dat “dit (...) aan verzoekende partij ook zo nadrukkelijk (
  2. is)meegedeeld”, bijgevolg de verzoekende partij overeenkomstig het artikel 53 van het Coördinatiedecreet tezelfdertijd als de minister kennis heeft gekregen van het beroepschrift en de argumenten van de beroeper, de verzoekende partij in een nota, bij schrijven van 9 augustus 2001 overgemaakt aan de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de ontvangst van het beroepschrift en de daarin aangevoerde argumenten heeft erkend en bevestigd. X-10.777-4/8 2.3. De verzoekende partij dupliceert dat “het behoort tot de regels van behoorlijk bestuur om ook de advocaat van een partij op de hoogte te brengen van een beroep van een overheidsinstantie”, de verwerende partij niet ontkent “dat het beroepschrift zelve (...) niet aan verzoekster (of haar advocaat) ter kennis werd gebracht”, “in de bewuste nota van 09.08.2001 (...) formeel (werd) gewezen op het feit dat een substantieel vormvoorschrift was overtreden doordat zij geen mededeling heeft gekregen van het eigenlijke beroepsverzoekschrift”. 2.4. In de laatste memorie stelt de verwerende partij dat het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar niet verwijst naar bijlagen en dat uit de zinsnede in het beroepschrift dat “het volledig dossier wordt aan de Vlaamse Minister (...) overgemaakt” niet kan worden afgeleid “dat dit dossier in bijlage bij het beroepschrift werd gevoegd”, “het volledig administratief dossier (...) ‘per estafette’ door de gemachtigde Ambtenaar (werd) overgemaakt”, nergens is voorzien “in de verplichting om ook dergelijke stukken tezelfdertijd ter kennis te brengen van de aanvrager”. Voorts stelt zij dat “de door de verzoekende partij ingeroepen schending van art. 53 § 2 van het Coördinatiedecreet getoetst (dient) te worden aan de thans geldende regelgeving”, hetzij het artikel 53 van het Coördinatiedecreet zoals het gewijzigd werd “bij Decreet van 21 november 2003 (B.S. 29 januari 2004)”. 2.5. Artikel 53, § 2, eerste lid van het Coördinatiedecreet, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidt als volgt: “Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt tezelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college”. Deze decreetsbepaling schrijft voor dat de gemachtigde ambtenaar het beroep tezelfdertijd aan de aanvrager ter kennis brengt. Hiermee is bedoeld het beroep zelf, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970 tot wijziging van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 grondig heeft gewijzigd -bepaling die nadien is opgenomen als artikel 53 in X-10.777-5/8 het Coördinatiedecreet- blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij de genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. De gelijke behandeling van de partijen is een onmisbaar vereiste en dit betekent dat de aanvrager moet beschikken over het beroepschrift en de stukken -zonder enig onderscheid- waarover de minister beschikt. 2.6. De gemachtigde ambtenaar heeft met een ter post aangetekende brief van 25 juni 2001 beroep aangetekend bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening tegen de beslissing van 29 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de verzoekende partij werd ingewilligd, met vermelding van de redenen van het beroep, en de mededeling dat “het volledig dossier (...) aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening (wordt) overgemaakt”. De gemachtigde ambtenaar deelt met een ter post aangetekende brief van dezelfde datum aan de verzoekende partij mee dat hij “beroep aan(tekent)” tegen de voormelde beslissing van 29 maart 2001 met vermelding van de redenen van het beroep. Aldus werd aan de aanvrager geen “kopie” van de brief aan de minister die het beroep bevat, gezonden. De wijze waarop de gemachtigde ambtenaar het beroep aan de verzoekende partij ter kennis heeft gebracht laat haar alleszins in het ongewisse over de datum waarop en de instantie waarbij het beroep is ingesteld en of de redenen waarop het beroep is gesteund overeenstemmen met de redenen die haar werden medegedeeld. Een substantieel vormvoorschrift is geschonden. 2.7. Bij artikel 67, 2/ van het decreet van 21 november 2003 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zijn in artikel 53, § 2 van het Coördinatiedecreet een tweede en een derde lid ingevoegd, luidend als volgt: “De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens : 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; (...) Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van X-10.777-6/8 toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State”. Het genoemde decreet van 21 november 2003 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 januari 2004, en het nieuwe tweede en derde lid van artikel 53, § 2 van het Coördinatiedecreet zijn dienvolgens in werking getreden op 8 februari 2004. Daargelaten de toepasselijkheid van dit bij artikel 53, § 2 van het Coördinatiedecreet gevoegde tweede lid op de voorliggende zaak, blijft de vaststelling dat geen afschrift van het beroepschrift waaruit blijkt op welke datum, bij welke instantie en om welke redenen het beroep werd ingesteld, tezelfdertijd aan de verzoekende partij werd meegedeeld. 2.8. Het middel is in die mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 7 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij het beroep van de n.v. MODA FOODS ingesteld tegen het besluit van 1 augustus 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Malle tot weigering van de vergunning voor het aanleggen van een parkeerterrein na het slopen van een woning aan De Speelhoven 2 te Malle, kadastraal bekend sectie A, nr. 476/k, ingewilligd wordt. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-10.777-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.777-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.009 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.