id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.010 Rolnummer: A. 116784/X-10824 Zaak: Arrest 187010 - Monumenten en Landschappen - 13/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:41 Fiche Arrest nr 187.010 van 13 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.010 van 13 oktober 2008 in de zaak A. 116.784/X-10.
- In zake : de n.v. IMMO-REVI, die woonplaats kiest bij advocaat N. DEVOS, kantoor houdende te 2440 GEEL, Diestseweg 155 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat O. ONGHENA, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. IMMO-REVI op 13 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 juni 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken houdende de definitieve bescherming als landschap van “Het landschap van Bel” met het Belsveld, de Belseheide, de duinen en een deel van het Belsbroek te Geel; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2008; X-10.824-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. CAUWENBERGHS, die loco advocaat N. DEVOS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat P. LIPS, die loco advocaat O. ONGHENA verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Het wordt niet betwist dat de verzoekende partij eigenares is van bepaalde percelen die deel uitmaken van het door het bestreden besluit beschermde landschap. 1.
- In een verslag van 30 september 1999 stelt het bestuur Monumenten en Landschappen voor om het zogenoemde landschap van Bel als landschap te beschermen omwille van zijn historische, natuurhistorische en zijn esthetische waarde. 1.
- Op 24 maart 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om het landschap van Bel met het Belsveld, de Belseheide, de duinen en een deel van het Belsbroek voorlopig als landschap te beschermen. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij aangetekende brief van 6 juli 2000 door het bestuur Monumenten en Landschappen naar de betrokken eigenaars, waaronder de verzoekende partij, en naar de betrokken openbare besturen, waaronder de stad Geel, verstuurd. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 september
- X-10.824-2/9 1.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek dat door de stad Geel wordt gehouden van 24 juli tot 22 augustus 2000 worden 40 bezwaarschriften ingediend, waaronder het bezwaarschrift van de verzoekende partij. De ingediende bezwaarschriften en adviezen worden uiteengezet en besproken in een verslag van het bestuur Monumenten en Landschappen van 25 januari 2001 dat gemotiveerd voorstelt om “Het landschap van Bel” te beschermen als landschap “omwille van zijn historische, natuurhistorische en esthetische waarde, met kleine aanpassingen aan de richtlijnen voor het toekomstig beheer, aan de specifieke beschermingsvoorschriften en aan de afbakening ten opzichte van het ministerieel besluit tot voorlopige bescherming als landschap”. “Na kennisname van de opmerkingen en bezwaren, waarbij zij de bespreking ervan door de bestuursentiteit Monumenten en Landschappen tot de hare maakt”, brengt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen advies uit aan de minister. 1.
- Op 29 juni 2001 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Huisvesting en Ambtenarenzaken om het landschap van Bel met het Belsveld, de Belseheide, de duinen en een deel van het Belsbroek te Geel definitief als landschap te beschermen. Een afschrift van het bestreden besluit van 29 juni 2001 wordt bij aangetekende brief van 20 december 2001 naar de verzoekende partij verstuurd. Het beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 oktober
- Ontvankelijkheid 2.1.
- De verzoekende partij legt het bewijs voor van de beslissing van 30 januari 2002 van de raad van bestuur om een annulatieberoep in te dienen. 2.1.
- De ontvankelijkheidsexceptie van de verwerende partij gesteund op de ontstentenis van een tijdige beslissing van het bevoegde orgaan van de verzoekende partij om in rechte te treden wordt verworpen. 2.2.
- Het bewijs van de melding van het verzoekschrift op 3 juli 2002 in de rand van de overschrijving op 18 december 2001 van het bestreden besluit op het tweede hypotheekkantoor te Turnhout is geleverd. X-10.824-3/9 2.2.
- Er is voldaan aan de vereiste in artikel 3 van de Hypotheekwet. 2.3.
- De verzoekende partij steunt haar belang bij het beroep op het feit dat zij eigenares is van een aantal percelen die in de bescherming zijn opgenomen. Zij stelt dat de waarde van haar percelen door het bestreden besluit in ernstige mate daalt. 2.3.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat de verzoekende partij niet “specifieert (...) in welke mate de beschermingsvoorschriften van aard zouden zijn de waarde van het goed te doen dalen”. 2.3.
- De loutere vaststelling dat de verzoekende partij eigenares is van de vermelde percelen die onder de bescherming als landschap bij het bestreden besluit vallen, volstaat om te besluiten tot de ontvankelijkheid van het beroep van de verzoekende partij. De exceptie wordt verworpen.
- Ten gronde 3.1.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 7, § 1, tweede lid van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg (hierna het Landschapsdecreet). De verzoekende partij betoogt dat het openbaar onderzoek werd gehouden van 24 juli tot 22 augustus 2000 terwijl “uiterlijk zondag 23 juli 2000 het openbaar onderzoek een aanvang had dienen te nemen” nu het openbaar onderzoek krachtens voormeld artikel uiterlijk ingaat veertien dagen na de afgifte ter post van de betekening bedoeld in het eerste lid van hetzelfde decreetsartikel, te dezen op “ten laatste zaterdag 8 juli
(2000)”. Voorts stelt zij dat deze termijn een vervaltermijn is die niet kan worden verlengd en dat dit voorschrift substantieel is want in het belang van de particulieren. 3.1.
- De verwerende partij repliceert dat deze termijn niet op straffe van verval is voorgeschreven en dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel aangezien zij in de mogelijkheid is geweest om haar “bezwaarschrift in te dienen in het kader van het openbaar onderzoek” en zij niet aantoont “dat de eventuele verzuimen direct of indirect een weerslag hebben gehad of tenminste kónden hebben op het verdere verloop en de uitkomst van de beschermingsprocedure”. X-10.824-4/9 3.1.
- De verzoekende partij dupliceert dat “geen openbaar onderzoek werd gevoerd conform de geldende voorschriften”, zij “alleszins belang (heeft) bij (...) het middel, vermits de gegrond verklaring van het middel tot de vernietiging van het bestreden besluit zal leiden”. 3.1.
- Bij toepassing van artikel 7, § 1 van het Landschapsdecreet wordt het besluit tot voorlopige bescherming en het dossier dat een inhoudelijke beschrijving en evaluatie bevat bij ter post aangetekende brief neergelegd bij de betrokken gemeentebesturen voor het openen van een openbaar onderzoek dat “in(gaat) uiterlijk veertien dagen na de afgifte ter post van de betekening en (...) dertig dagen (duurt)” om opmerkingen en bezwaren in te dienen. Een bericht omtrent het openbaar onderzoek wordt aangeplakt bij de toegangswegen van het landschap zoals aangeduid op het plan. Tijdens het openbaar onderzoek wordt het besluit tot voorlopige bescherming en het dossier ter inzage gelegd bij de betrokken gemeente(n). Bij ontstentenis van een binnen de gestelde termijn geopend openbaar onderzoek “kan” de gouverneur van de betrokken provincie dit onderzoek organiseren. Daarnaast brengt de administratie bij toepassing van artikel 7, § 2 van het Landschapsdecreet het besluit tot voorlopige bescherming bij aangetekend schrijven ter kennis van onder meer de eigenaars die hun opmerkingen en bezwaren kunnen indienen bij de betrokken buitendienst van de administratie binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post. 3.1.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat aan de verzoekende partij het besluit tot voorlopige bescherming werd betekend in haar hoedanigheid van eigenaar en dat zij haar opmerkingen en bezwaren zowel rechtstreeks bij de betrokken buitendienst van de administratie als in het kader van het door het gemeentebestuur georganiseerd openbaar onderzoek kon indienen. De verzoekende partij heeft in die omstandigheden geen belang bij het middel aangezien een eventuele vernietiging op grond van dit middel haar geen voordeel kan verschaffen vermits haar opmerkingen en bezwaren daadwerkelijk werden ontvangen en behandeld. Het middel wordt verworpen. 3.2.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 18, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting. De verzoekende partij betoogt dat het bij ministerieel besluit van 24 maart 2000 voorlopig beschermd ‘landschap van Bel’ “volledig X-10.824-5/9 binnen de afbakening van het landinrichtingsproject Grote-Netegebied (valt) waarvoor het richtplan door de Vlaamse regering op 30 juni 1998 werd goedgekeurd”, “het initiatief tot voorlopige bescherming van ‘het landschap van Bel’ (...) niet gemeld (werd) aan de Commissie voor Landinrichting” en dat “slechts nadat de voorlopige bescherming een feit was (...) de Vlaamse Landmaatschappij in kennis (werd) gesteld” terwijl “het initiatief tot bescherming van het gebied (...) een verder overleg aangaande de landinrichting (kan) bemoeilijken wat tot gevolg kan hebben dat de maatregelen uit het door de Vlaamse regering goedgekeurde richtplan niet meer kunnen worden uitgevoerd”. 3.2.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, zij “niet aan(toont) dat de bescherming van aard is een invloed uit te oefenen op de uitvoering van de landinrichting”, “voordat het initiatief tot bescherming werd genomen (...) de Vlaamse Landmaatschappij al op de hoogte (werd) gebracht van de beoogde bescherming”. 3.2.
- De verzoekende partij dupliceert dat zij belang heeft bij het middel omdat de gegrondverklaring ervan “tot de vernietiging van het bestreden besluit zal leiden”, “de beschermingsmaatregelen van uitermate omvangrijke invloed zijn op de uitvoering van de landinrichting” en dat het feit dat “de Vlaamse landmaatschappij beweerdelijk de facto op de hoogte zou zijn geweest van de beoogde bescherming voordat het initiatief hiertoe werd genomen (...) niet weg(neemt) dat er niet conform artikel 18 § 2 van het vermelde besluit werd gehandeld en het artikel aldus werd geschonden”. 3.2.
- Artikel 18, § 1 van het inmiddels - bij besluit van de Vlaamse regering van 28 mei 2004 betreffende de procedure tot opmaak van landinrichtingsplannen en houdende opheffing van het besluit van de Vlaamse regering van 6 juni 1996 houdende nadere regelen betreffende de landinrichting en houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 maart 1998 houdende subsidiëring van de landinrichtingswerken - opgeheven besluit van de Vlaamse regering van 6 juni 1996, bepaalde wat volgt: “Van zodra het richtplan is goedgekeurd melden het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de Vlaamse openbare instellingen aan de commissie alle maatregelen, handelingen en werken, die zij zich voornemen uit te voeren binnen het landinrichtingsproject, indien deze maatregelen, handelingen en werken een invloed kunnen hebben op de uitvoering van de landinrichting en geen deel uitmaken van het in het richtplan beschreven overzicht”. X-10.824-6/9 3.2.
- De verzoekende partij laat na concreet aan te tonen hoe het beweerde verzuim van de voormelde besturen om alle voorgenomen maatregelen, handelingen en werken die de uitvoering van de landinrichting kunnen beïnvloeden en geen deel uitmaken van het richtplan te melden aan de Commissie voor Landinrichting, de wettigheid van het bestreden ministerieel beschermingsbesluit zelf aantast. Het middel wordt verworpen. 3.3.
- In een derde middel betoogt de verzoekende partij dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 21 februari 1967 een exploitatievergunning voor een zandgroeve heeft verleend voor percelen “behorende tot het definitief beschermde landschap van Bel”, het bestreden besluit “geen rekening (houdt) met voornoemde vergunning” en dat die vergunning “niet (kan) ingetrokken worden door het (bestreden) Ministerieel Besluit (...), zodat geoordeeld dient te worden dat voornoemd Ministerieel Besluit het recht schendt, aangezien de inhoud van dit besluit onrechtmatig is”. 3.3.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij “geen belang (heeft) bij het middel”, “het (...) middel (...) niet ter zake, noch dienend” is, “in het (...) bestreden besluit (...) niet besloten (wordt) tot het intrekken van een vergunning”. 3.3.
- Artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden. Te dezen stelt de verzoekende partij onder de hoofding van het derde middel “Machtsoverschrijding: schending van het recht” en maakt zij in de uiteenzetting van dit middel gewag van een exploitatievergunning van 21 februari 1967 die impliciet moet worden beschouwd als ingetrokken omwille van de “onverenigbaarheid” ervan met het bestreden besluit. De verzoekende partij geeft geen duidelijke omschrijving van de volgens haar geschonden rechtsregel aan. De volgens de verzoekende partij impliciet ingetrokken exploitatievergunning bevat geen rechtsregels. Het middel is niet ontvankelijk. X-10.824-7/9 3.4.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht. De verzoekende partij betoogt dat haar elf percelen wel in de bescherming werden opgenomen terwijl “de percelen 1301C, 1301B en 1304, allen kadastraal omschreven als hooiland (...) hoewel omringd door het definitief beschermd Landschap van Bel, uitgesloten (werden) van de definitieve bescherming” en nochtans een gelijke “zoniet (...) grotere natuurwetenschappelijke, historische of esthetische waarde hebben” dan haar elf percelen. 3.4.
- De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij niet aantoont dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat de vergelijkbaarheid niet opgaat. De door de verzoekende partij aangehaalde percelen liggen in een gebied voor verblijfsrecreatie volgens het gewestplan, ten zuiden van een paraboolduinarm en aan de rand van het landschap. 3.4.
- De verzoekende partij weerlegt in de memorie van wederantwoord deze omstandige repliek van de verwerende partij niet. In die omstandigheden maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij zonder gerechtvaardigde verantwoording anders zou zijn behandeld dan andere personen die zich in dezelfde of in gelijkaardige omstandigheden zouden bevinden. Het middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Turnhout. X-10.824-8/9 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de in artikel 2 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.824-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.010 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div