id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.041 Rolnummer: A. 189483/XII-5535 Zaak: Arrest 187041 - Overheidsopdrachten - 14/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:42 Fiche Arrest nr 187.041 van 14 oktober 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.041 van 14 oktober 2008 in de zaak A. 189.483/XII-
- In zake : de NV CEI-DE MEYER, die woonplaats kiest bij advocaat S. Beele, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 26a tegen : de NV VAN PUBLIEK RECHT WATERWEGEN EN ZEEKANAAL, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’Hooghe en L. Schellekens, kantoor houdende te 1000 Brussel, Loksumstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de NV Cei-De Meyer op 18 augustus 2008 heeft ingediend om de schorsing en nietigverklaring te vragen van “de beslissing van de Naamloze Vennootschap naar Publiek Recht Waterwegen en Zeekanaal dd. 09 juli 2008, dat aan de openbare aanbesteding voor aanneming van werken met betrekking tot het baggeren en aanvoeren van zandstocks voor de aanleg van het intergetijdengebied Hedwige-Prosper volgens bestek nr. 16 EI/08/18 geen gevolg wordt gegeven en waarbij voor deze opdracht een nieuwe aanbesteding uitgeschreven wordt op basis van een aangepast bestek, aan verzoekende partij overgemaakt per aangetekend schrijven dd. 15 juli 2008.” Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur I. Vos; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; XII-5535-1/12 Gelet op de beschikking van 3 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Lannoo, die loco advocaat S. Beele verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. De Raeymaecker, die loco advocaten D. D’Hooghe en L. Schellekens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur I. Vos bij beslissing van 4 januari 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
- De verwerende partij schrijft in de loop van het jaar 2007 een openbare aanbesteding uit voor het aanleggen van een intergetijdengebied Hedwige- Prosperpolder. Deze opdracht is onderworpen aan de bepalingen van het bestek 16EI/07/
- Het voorwerp van de opdracht is “de inrichting van (een deel van) de Hertogin Hedwigepolder en de Hertog Prosperpolder als intergetijdegebied. Deze gebieden liggen op de grens tussen de provincies Oost-Vlaanderen (B) en Zeeland (NL), ten zuiden van het Verdronken Land van Saeftinghe”.
- De verwerende partij schrijft vervolgens in 2008 nog een openbare aanbesteding uit voor een aanneming van werken, namelijk voor het baggeren en aanvoeren van zandstocks voor de aanleg van het voormelde intergetijdengebied. Deze opdracht -degene die te dezen in het geding is- wordt op 10 maart 2008 bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. De opdracht is onderworpen aan de bepalingen van het bestek 16EI/08/18 “Baggeren en aanvoeren van zandstocks voor de aanleg van het intergetijdengebied Hedwige-Prosper”. XII-5535-2/12 Voorts worden in het Bulletin der Aanbestedingen van 20 maart, 25 maart en 4 april 2008 drie wijzigingsberichten bekendgemaakt. Deze wijzigingen hebben respectievelijk betrekking op het uur van de opening van de offertes, de vereiste erkenning en het bevel tot uitvoering en leiding van de werken. Wat de vereiste erkenning betreft, zoals oorspronkelijk bepaald, zijn de werken die het voorwerp van de opdracht uitmaken gerangschikt in de categorie B1 en behoren ze tot de klasse
- Het voormelde wijzigingsbericht stelt nu dat de werken gerangschikt zijn in de categorie A en ze tot de klasse 7 behoren.
- Het voorwerp van de opdracht wordt in het laatstgenoemde bestek als volgt omschreven : “Het doel van de opdracht is aanvoer van bouwzand naar de stock van het intergetijdengebied Hedwige-Prosperpolder, gelegen op de linkerscheldeoever op de grens met Nederland. Dit bouwzand moet worden gebaggerd in de waterwegen van de organisatie en over het water getransporteerd naar voormelde stock. De opdracht wordt opgedeeld in twee deelcontracten. De deelcontracten zijn als volgt : - deelcontract 1 : baggeren in het gebied tussen Dendermonde en Bornem (ca. 150.000 m³) - deelcontract 2: baggeren in het gebied tussen Gentbrugge en Bornem en tussen Waasmunsterbrug en Durmemonding (ca. 300.000 m³)” Voorts bepaalt het bestek dat de inschrijver in zijn offerte een prijs dient te geven per deelcontract, doch dat de inschrijver gebonden is door de totale offertesom voor de uitvoering van de volledige opdracht en dat ook de vergelijking en de evaluatie van de offertes gebeurt op basis van de totale offertesom. Tevens verduidelijkt het bestek dat de gunning slechts betrekking zal hebben op het eerste deelcontract. De aanbestedende overheid behoudt de optie tot de verdere gunning van het tweede deelcontract, doch heeft tevens het recht om af te zien van de gunning ervan, zonder recht op schadevergoeding voor de aannemer ten gevolge van het al dan niet gunnen van deelcontracten noch ten gevolge van het wijzigen van vermoedelijke hoeveelheden per deelcontract.
- De opening van de inschrijvingen voor deze opdracht vindt plaats op 15 april
- Uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijven blijkt dat vijf inschrijvers een offerte hebben ingediend met de volgende prijzen voor deelopdrachten
(1)en
(2): 1. THV DCI - SVH : 1.243.880,00 euro
(1)en 2.655.950,00 euro
(2)XII-5535-3/12 2. THV Aartssen-Cordeel : 1.887.273,30 euro
(1)en 3.901.596,60 euro
(2)3. CEI-De Meyer : 2.810.225,00 euro
(1)en 7.562.500,00 euro
(2)4. Herbosch-Kiere : 3.000.685,00 euro
(1)en 7.828.700,00 euro
(2)5. Van Den Herik BV : 3.130.875,00
(1)en 8.712.000,00 euro
(2)- Bij schrijven van 28 april 2008 wordt aan alle inschrijvers een prijsverantwoording gevraagd betreffende alle posten van beide deelcontracten. De verzoekende partij heeft bij schrijven van 13 mei 2008 een prijsverantwoording overgemaakt, waarin er onder meer op gewezen wordt dat de prijsberekening van de verzoekende partij tevens gesteund is op de tekst van bestek nr. 16EI/07/34 inzake het aanleggen van een intergetijdengebied Hedwig-Prosper.
- Op 9 juli 2008 beslist de verwerende partij om aan de openbare aanbesteding voor aanneming van werken met betrekking tot het baggeren en aanvoeren van zandstocks voor de aanleg van het intergetijdengebied Hedwige- Prosper volgens bestek nr. 16EI/08/18 geen gevolg te geven en voor deze opdracht een nieuwe aanbesteding uit te schrijven op basis van een aangepast bestek. Deze beslissing inzake niet-toewijzing van de opdracht is gemotiveerd als volgt : “Gelet op het feit dat naar aanleiding van de voorbereiding van het aanvangsbevel van de werkzaamheden volgens bestek 16EI/07/34 is gebleken dat de uitvoering van deze werkzaamheden een belangrijke impact hebben op de werken volgens het bestek nr. 16EI/08/18; Gelet op het feit dat bij de beoordeling van de offertes is gebleken dat de bestekken 16EI/08/18 en 16/EI/07/34 onvoldoende op elkaar zijn afgestemd en dat sommige inschrijvers rekening hebben gehouden met een aantal gegevens bepaald in het bestek 16/EI/07/34 en andere inschrijvers niet; Gelet op het feit dat hierdoor worden door inschrijvers werkwijzen werden voorgesteld die in de praktijk niet realiseerbaar zijn; Gelet op het feit dat door de diversiteit van de voorgestelde werkwijzen geen vergelijkbaarheid van de offertes en de prijzen mogelijk is; Gelet op het feit dat omwille van de voorgaande vaststellingen het noodzakelijk is de huidige procedure stop te zetten en de procedure te herbeginnen op basis van een aangepast bestek.” Deze beslissing werd met een brief van 15 juli 2008 meegedeeld aan alle inschrijvers.
- Op 17 juli 2008 wordt een nieuwe aanbesteding bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen “Baggeren en aanvoeren van zandstocks voor de aanleg van het intergetijdengebied Hedwige-Prosperpolder - fase 1”, waarop ditmaal de bepalingen van het bestek 16EI/08/40 van toepassing zijn. XII-5535-4/12 Het doel van deze opdracht wordt in het bestek omschreven als de aanvoer van bouwzand naar de stock van het intergetijdengebied Hedwige- Prosperpolder, gelegen op de linkerscheldeoever op de grens met Nederland. Dit bouwzand moet worden gebaggerd in de waterwegen van de organisatie en over het water getransporteerd naar voormelde stock. Dit bestek voorziet niet langer in twee deelopdrachten. Aangaande de lokalisatie van de baggerwerken bepaalt dit bestek het volgende : “Er moet worden gebaggerd in de Schelde ter hoogte van de plaat van Sint- Amands en de plaat van de Kont West. De te baggeren zones worden bepaald na inpeiling. De vermoedelijke verdeling is ongeveer 100.000 m³ op de plaat Sint-Amands en 50.000 m³ op de plaat van de Kont West. Van beide locaties is een onderzoeksrapport ter inzage bij de aanbestedende overheid.” Tevens wordt bepaald dat bij toepassing van artikel 17, § 2, 2/b, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, de aanbestedende overheid het recht heeft om de opdracht te herhalen. Inzake de vereiste erkenning vermeldt dit bestek dat de werken van deze opdracht gerangschikt zijn “in de categorie A of B” en dat de aanbestedende overheid “van oordeel is dat ze tot de klasse 6 behoren”.
- Op 19 augustus 2008 vindt de opening van de offertes plaats. Uit het proces-verbaal van de opening van de inschrijvingen blijkt dat zes inschrijvers, waaronder ook de verzoekende partij, een offerte hebben ingediend :
- NV CEI De Meyer - 2.888.875
- TV DCI - SHV - 1.545.775
- Ghent Dredging - 2.982.365
- NV De Brandt - 3.721.960
- Van Britsom & Verheye - 3.097.600
- Herbosch-Kiere NV - 3.152.
- Ter terechtzitting blijkt dat de opdracht aan de verzoekende partij is toegewezen bij beslissing van 3 oktober
- XII-5535-5/12 De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 9.
- Wat de eerste voorwaarde betreft, voert de verzoekende partij in een eerste middel de schending aan van artikel 18 van de voormelde wet van 24 december 1993 overheidsopdrachtenwet aangezien de beslissing tot het niet gunnen van de opdracht niet is ingegeven door rechtsgeldige motieven en er bovendien toe strekt om aan onregelmatige inschrijvers een tweede kans te geven om dezelfde werken in de wacht te slepen. Volgens de verzoekende partij is het voorwerp van de nieuwe opdracht hetzelfde als van dat van de eerste opdracht en zijn de toevoegingen die aan het tweede bestek gebeurden niet relevant aangezien die informatie reeds beschikbaar was voor alle partijen en geen van de kandidaat-inschrijvers toepassing heeft gemaakt van artikel 98 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken. Tevens wijst zij erop dat, aangezien de verwerende partij beide bestekken zelf heeft opgesteld, zij als geen ander de inhoud ervan kende zodat zij perfect de gelegenheid had om het bestek 16EI/08/18 in overeenstemming te brengen met het bestek 16EI/07/34, te meer daar bestek 16EI/08/18 in de loop van de procedure driemaal werd gewijzigd en aldus grondig zou zijn nagezien. Het argument inzake de afstemming van de bestekken is volgens haar dan ook niet geloofwaardig. Voorts blijkt ook niet in welke mate de bestekken niet met elkaar verenigbaar zouden zijn. Zelfs in geval beide bestekken effectief niet op elkaar zouden zijn afgestemd is dit volgens de verzoekende partij volledig de verantwoordelijkheid van de verwerende partij en kan deze haar eigen fout of nalatigheid niet corrigeren door te beslissen om over te gaan tot heraanbesteding. Ook de eventuele nalatigheid of onzorgvuldigheid van andere inschrijvers kan volgens haar geen reden zijn om tot heraanbesteding over te gaan. Bovendien blijkt volgens de verzoekende partij uit geen enkel gegeven dat het beperken van de nieuwe opdracht tot deelopdracht 1 noodzakelijk XII-5535-6/12 was om het bestek 16EI/08/18 in overeenstemming te brengen met het bestek 16EI/07/
- Met deze werkwijze zou de verwerende partij één of meer inschrijvers willen bevoordelen omdat in het kader van het nieuwe bestek lagere erkenningseisen gelden. 9.
- Overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, mag een aanbestedende overheid zowel afzien van het gunnen van de opdracht als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze, zij het dat zij daarbij niet willekeurig mag te werk gaan en die beslissing moet steunen op deugdelijke motieven die de beslissing kunnen dragen. Te dezen blijkt uit de bestreden beslissing dat de opdracht niet wordt toegewezen : - omdat het bestek aanleg intergetijdengebied en het bestek zandstocks onvoldoende op elkaar zijn afgestemd en dat sommige inschrijvers rekening hebben gehouden met een aantal gegevens bepaald in het bestek aanleg intergetijdengebied en andere niet; - omdat aldus door inschrijvers werkwijzen werden voorgesteld die in de praktijk niet realiseerbaar zijn; - omdat door de diversiteit van de voorgestelde werkwijzen geen vergelijkbaarheid van de offertes en prijzen mogelijk is. Dienaangaande dient vooreerst te worden vastgesteld dat het bestek zandstocks (bestek 16EI/08/18) nergens lijkt te verwijzen naar het bestek aanleg intergetijdengebied (bestek 16EI/07/34). Evenmin lijkt het dat alle kandidaat- inschrijvers effectief beschikten over het algemeen bestek aanleg intergetijdengebied. Anders dan de verzoekende partij doet uitschijnen lijkt van de kandidaat-inschrijvers dan ook niet verwacht te mogen worden dat zij eveneens met bestek 16EI/07/34 rekening hadden moeten houden, dan wel een beroep hadden moeten doen op artikel 98 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari
- De verwerende partij lijkt in dit verband terecht op te merken dat dit artikel niet toepasselijk was te dezen, nu het bestek wel degelijk voldoende gegevens aanleverde om een offerte in te dienen, maar uit het bestek niet kon worden afgeleid dat niet elke voorgestelde uitvoeringswijze kon worden aanvaard. Van haar kant stelt de verzoekende partij in haar prijsverantwoording dat haar prijsberekening tevens gesteund is op de tekst van XII-5535-7/12 bestek nr. 16EI/07/34 inzake het aanleggen van een intergetijdengebied. Ze verduidelijkt aldus dat de keuze van het soort in te zetten materiaal is gesteund op onder meer “de in het bestek nr. 16EI/07/34 beschreven losmethode (enkel beunbakken, geen, binnenschepen of enkelwandige bakken toepasbaar)” en de keuze van het aantal in te zetten materieelstukken onder meer gesteund is op “de werktijden zoals vermeld in bestek nr. 16EI/07/34, namelijk van maandag tot en met vrijdag van 06.00 u. tot 22.00 u. ofwel 80 uur per week”. Uit de technische bepalingen in het nieuwe bestek zandstocks blijkt nu juist dat het tweede bestek onder meer net op deze punten verduidelijkt werd. De wijzigingen betreffen immers de materiaalbeschrijving (bakken en afmetingen), de exacte aanmeerlokalisatie, de uren waarbinnen de opdracht moet worden uitgevoerd en de methode van lossen. Met de verwerende partij lijkt dienvolgens te kunnen worden vastgesteld dat beide bestekken qua technische uitvoering niet identiek zijn. Het gebrek aan verduidelijking van deze elementen in het bestek zandstocks lijkt prima facie van aard te zijn de vergelijkbaarheid van de offertes en de prijzen te hebben kunnen aantasten. Ook eigen vergissingen van de aanbestedende overheid kunnen aan de grondslag liggen van een beslissing tot stopzetting van een aanbestedingsprocedure, indien bij het nemen van deze beslissing het gelijkheidsbeginsel wordt geëerbiedigd. Er lijkt dus niet te worden aangetoond dat de bestreden beslissing niet zou zijn gedragen door deugdelijke motieven. Voorts lijken de kritieken die de verzoekende partij uit ten aanzien van de omvang van de nieuwe opdracht en het nieuwe bestek, meer bepaald het beperken van de opdracht tot de eerste deelopdracht en het hanteren van een lagere erkenningsvereiste, op het eerste gezicht buiten het voorwerp van de voorliggende vordering te vallen, namelijk de beslissing om aan de opdracht geen gevolg te geven en om een nieuwe aanbesteding uit te schrijven. In elk geval lijkt het niet ongeloofwaardig dat de beperking van de opdracht tot de oorspronkelijke eerste deelopdracht opportuun werd geacht wegens de tijdsdruk om deze opdracht binnen een kort tijdsbestek te realiseren. Artikel 18 van de voormelde wet van 24 december 1993 staat immers juist toe dat de procedure eventueel op een andere wijze wordt herbegonnen. Ook lijkt te kunnen worden vastgesteld dat, gelet op het bedrag van de aanneming van werken, overeenkomstig artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 26 september 1991 tot vaststelling van bepaalde toepassingsmaatregelen van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken, voor de betwiste opdracht zandstocks een erkenning klasse 6 lijkt te XII-5535-8/12 volstaan, terwijl in het kader van de daaraan voorafgaande opdracht ook overeenkomstig de erkenningsreglementering een erkenning klasse 7 vereist leek te zijn. Het eerste middel is niet ernstig. 10.
- In een tweede middel voert de verzoekende partij in essentie aan dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is aangezien de verwerende partij de twee laagste, doch volgens de verzoekende partij onregelmatige inschrijvers, voor het bestek 16EI/08/18 een tweede kans zou hebben gegeven door “ in het aangepaste bestek de erkenningscriteria te verlagen” waardoor zij beide opnieuw kunnen deelnemen om dezelfde opdracht in de wacht te slepen. Ook zou het gelijkheidsbeginsel geschonden zijn omdat de kandidaat-inschrijvers nu kennis hebben gekregen van de prijs waarvoor de verzoekende partij de werken zou kunnen uitvoeren en ze hun prijzen voor de nieuwe overheidsopdracht hierop zullen afstemmen. 10.
- De kritieken die de verzoekende partij uit ten aanzien van de omvang van de nieuwe opdracht en het nieuwe bestek, meer bepaald het beperken van de opdracht tot de eerste deelopdracht en het hanteren van een lagere erkenningsvereiste, lijken buiten het voorwerp van de voorliggende vordering te vallen, namelijk de beslissing om aan de opdracht geen gevolg te geven en om een nieuwe aanbesteding uit te schrijven. In elk geval lijkt nergens uit de stukken voort te vloeien dat de nieuwe procedure doelbewust zou zijn geconcipieerd om een aantal inschrijvers een tweede kans te geven ten nadele van de verzoekende partij. Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet lijkt niet aangetoond dat zowel voor de stopzetting van de eerste opdracht als voor het beperken van het voorwerp van de nieuwe opdracht en de hiermee gepaard gaande verlaging van het erkenningsvereiste, geen deugdelijke motieven voorhanden waren. Ten slotte, aangezien in geval van openbare aanbesteding de aangeboden prijzen worden bekendgemaakt op de openingszitting, is voorkennis omtrent de prijzen inherent aan het herbeginnen van de procedure na openbare aanbesteding zoals artikel 18 van de voormelde wet van 24 december 1993 toestaat en lijkt daardoor het gelijkheidsbeginsel niet geschonden. Aangezien de verzoekende partij eveneens op de hoogte was van de ingediende prijzen, verkeerde zij immers XII-5535-9/12 evenzeer in de mogelijkheid om een andere, weze het een lagere of een hogere prijs, in te dienen. Het tweede middel is niet ernstig. 11.
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele en uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen”. Zij betoogt daartoe wat volgt: aangezien de motivering voor de niet-gunning in de bestreden beslissing zeer vaag blijft, heeft de verzoekende partij hieruit geenszins kunnen afleiden wat nu precies het probleem is; andere elementen afkomstig uit het aanbestedingsdossier kunnen niet in aanmerking worden genomen indien ze niet vermeld zijn in de beslissing zelf; bovendien heeft de verwerende partij geen enkele motivering gegeven waarom ze het tweede bestek beperkte tot de eerste deelopdracht van het eerste bestek, ze de erkenningsvoorwaarden verlaagde en in welk mate dit nodig was om in overeenstemming te zijn met bestek 16EI/07/34; voorts is niet voldaan aan de materiële motiveringsverplichting aangezien het tweede bestek zo goed als gelijk is aan het eerste bestek - zijnde dan beperkt tot deelopdracht 1 - zodat de verzoekende partij niet inziet dat het tweede bestek nu wel zou zijn afgestemd op het bestek 16EI/07/34; nergens uit het dossier blijkt op welk vlak bestek 16EI/08/18 niet was afgestemd op bestek 16EI/07/34, noch waarom het tweede bestek beperkt wordt tot de eerste deelopdracht. 11.
- De verzoekende partij bekritiseert te dezen uitvoerig de motieven van het bestreden besluit. Aldus lijkt ze ervan blijk te geven dat ze deze motieven kende waardoor het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt. Zij lijkt dan ook geen belang te hebben bij het aanvoeren van een schending van de formele motiveringsplicht. Ook uit de door haar gegeven prijsverantwoording blijkt dat de verzoekende partij in elk geval in staat moet zijn geweest om het motief te begrijpen dat sommige inschrijvers rekening hebben gehouden met een aantal gegevens bepaald in bestek 16EI/07/34 en andere inschrijvers niet. De vraag naar de schending van de materiële motiveringsverplichting werd reeds beantwoord bij de bespreking van het eerste middel. Aldaar werd immers vastgesteld dat een ondeugdelijke motivering niet lijkt aangetoond. XII-5535-10/12 Bovendien lijkt de verwerende partij terecht op te merken dat de aanbestedende overheid niet diende te motiveren waarom het voorwerp van de opdracht werd aangepast en de erkenningsvereisten werden verlaagd van klasse 7 naar klasse 6 aangezien deze gegevens door de aanbestedende overheid niet werden ingeroepen ter verantwoording van de stopzetting van de gunningsprocedure en van de heraanbesteding. Deze elementen lijken als dusdanig geen deel uit te maken van de bestreden beslissing. Het derde middel is niet ernstig. 12.
- Het vierde middel is genomen uit de schending van” het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel”: door het uitschrijven van de opdracht zou de verwerende partij de verwachting hebben gewekt dat de opdracht tegen de voorwaarden zoals vermeld in het bestek 16EI/08/16 zou worden toegewezen. Volgens de verzoekende partij kon de verwerende partij de nalatigheid van bepaalde kandidaat-inschrijvers niet inroepen als wettige reden om de opdracht niet te gunnen. Bovendien zou de verwerende partij de verwachting hebben gewekt dat het bestek 16EI/08/16 reeds in overeenstemming was met bestek 16EI/07/34 aangezien beide bestekken door dezelfde instantie werden opgemaakt en bestek 16EI/08/16 tot driemaal toe werd gewijzigd. 12.
- Niets lijkt een aanbestedende overheid te beletten om op grond van deugdelijke motieven af te zien van het gunnen van de opdracht en de procedure te herbeginnen, welke mogelijkheid zelfs uitdrukkelijk vervat is in artikel 18 van de meervermelde overheidsopdrachtenwet. Hiervoor is reeds vastgesteld dat ondeugdelijke motieven niet worden aangetoond. De verzoekende partij verduidelijkt niet op welke wijze de bestreden beslissing die in overeenstemming met een wetsbepaling is genomen te dezen dan toch een schending zou moeten inhouden van hetgeen de verzoekende partij “het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel” noemt, zonder dat zij daarbij zelfs nader uiteenzet wat de inhoud en rechtskracht van dat beginsel in de gegeven context zouden moeten zijn. Het middel is niet ernstig.
- Geen van de middelen is ernstig. Aan de eerste van de in het voormelde artikel 17 gestelde voorwaarden is niet voldaan. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. XII-5535-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober 2008, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5535-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.041 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.375 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div