← België

Arrest 187076 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.076 Rolnummer: A. 186390/XIV-30004 Zaak: Arrest 187076 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-11-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:42 Fiche Arrest nr 187.076 van 14 oktober 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.076 van 14 oktober 2008 in de zaak A. 186.390/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Migratie- en asielbeleid. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 21 december 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest nr. 3815 van 20 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen; Gelet op de beschikking nr. 1977 van 22 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 september 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-30.004-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van ex-Joegoslavische nationaliteit, dient op 1 maart 2006 een aanvraag tot vestiging in. 1.
  4. Op 11 juli 2006 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de vestigingsaanvraag zonder voorwerp wordt verklaard met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Verzoeker dient op 19 juli 2007 een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing tegen deze beslissing in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.
  6. Bij arrest nr. 3815 van 20 november 2007 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep tot nietigverklaring verworpen. Dit is het bestreden arrest.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  8. Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “III. UITEENZETTING DER MIDDELEN
  9. Schending van art 8/1 EVRM Na een opsomming van de strafrechtelijke antecedenten van verzoeker, komt de eerste rechter tot de bevinding dat verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van de beslissing van 11/07/06 waarbij zijn vestigingsaanvraag van 1/03/06 zonder voorwerp werd verklaard, met bevel om het grondgebied te verlaten, om reden dat "bij een eventuele vernietiging zou de minister van Binnenlandse zaken immers opnieuw XIV-30.004-2/9 rekening moeten houden met de strafrechtelijke voordelingen die verzoeker opliep. Het beroep is onontvankelijk". Aldus gaat de eerste rechter ervan uit dat strafrechtelijke veroordelingen automatisch moeten leiden tot de uitwijzing van een vreemdeling, zonder de minste inachtneming van de Europese Verordeningen en Richtlijnen en art. 8/1 EVRM terzake. Welnu, deze Europese beschikkingen en art. 8/1 EVRM zijn beschikkingen van openbare orde, en werden door verzoeker in zijn verzoek tot nietigverklaring aangehaald. Verzoeker had dan ook kennelijk een onbetwistbare belang voor de toetsing van de bestreden beslissing naar deze Europese beschikkingen, die precies aan het bestuur opleggen de automatisme van strafrechtelijke veroordelingen uit te sluiten. Het belang van verzoeker dat het bestuur rekening moest houden met de Europese Richtlijnen blijkt eveneens uit het feit dat deze beschikkingen vereisen dat het gevaar dat hij voor de openbare orde betekend actueel moet zijn. Welnu in casu dient opgemerkt te worden dat het laatste correctionele vonnis dat weerhouden werd door het bestreden arrest dateert van 29/06/2004 door de Correctione- le rechtbank te Antwerpen, die hem veroordeelde tot een werkstraf wegens bedreiging- en. Dit vonnis van 29/06/04 slaat dus op feiten die meer dan twee jaar oud waren en dus niet meer actueel waren ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing dd. 11/07/
  10. Zulke formele uitsluiting en gemis aan toetsing van de Europese beschikkingen maakt een schending uit van de positieve verplichtingen van onderzoek voortvloeiend uit art. 8 §1 EVRM opgelegd in hoofde van de Belgische Staat naar de proportionaliteit, naar de familiale banden, naar de duur van verblijf, naar de mogelijkheden van opvang in het buitenland en nog meer. Het bestreden arrest maakt dus een schending uit van art. 8 §1 EVRM betreffende het recht van eenieder op eerbiediging van zijn privé leven en zijn gezinsleven, en waarbij geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's landsveiligheid, de openbare veiligheid of het economische welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Verzoeker verwijst bijzonder naar het arrest van 13/02/07 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel zetelend in kortgeding, waarbij hem de Europese wetgeving werd toegepast in zijn hoedanigheid van vader van Belgische kinderen. Dit arrest werd neergelegd onder stuk 13 van de inventaris van zijn stukken. In zijn verzoek tot nietigverklaring verwees verzoeker eveneens formeel naar art. 3 lid 2 van de Europese Richtlijn 68/360 en art. 10, art. 3 lid 2 van Europese Richtlijn 73/148 en art. 8, en art. 3 lid 2 van Europese Richtlijn 64/221 (blz. 8), waarop evenmin door het bestreden arrest geantwoord werd). Wat de toedracht van zijn strafrechtelijke antecedenten betreft, wenst verzoeker eveneens te verwijzen naar het gunstig advies uitgebracht door de Commissie van Advies voor Vreemdelingen op 6/07/05, Commissie die hem zoals het hoorde als een Europees onderdaan beschouwd heeft en dus geen automatische gevolg gegeven heeft aan zijn strafrechtelijke antecedenten, gelet op zijn familiale banden en langdurig verblijf als ingezetene in België.
  11. Schending van de motivatieplicht zoals bepaald in art. 149 van de Grondwet en art. 39164 van de Vreemdelingenwet. Het bestreden arrest, door te stellen dat verzoeker geen belang heeft bij zijn eerste middel zonder de aangevochten administratieve beslissing getoetst te hebben ten opzichte van een mogelijke schending van art 8 EVRM en de hierboven geciteerde Europese richtlijnen, terwijl dit precies het voorwerp was van het verzoek tot nietigverklaring, heeft art. 149 van de grondwet zowel als art. 39/64 van de Vreemde- lingenwet geschonden.”; XIV-30.004-3/9 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt: “2.1 Betreffende een eerste middel van verzoeker; In een eerste middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van artikel 8 EVRM. Volgens verzoeker maakt het bestreden arrest een schending uit van artikel 8 EVRM. De verwerende partij laat in antwoord hierop vooreerst gelden dat verzoeker niet kan poneren dat de rechter in vreemdelingenzaken zich enkel baseert op de laatste veroordeling dd. 29.6.2004 Uit het bestreden arrest blijkt genoegzaam dat het grootste deel van de inhoud van het arrest bestaat uit een overzicht van alle correctionele veroordelingen die verzoeker heeft opgelopen, de laatste daterend van 29.6.
  13. In zoverre verzoeker verwijst naar art. 8 EVRM en hij hieruit besluit dat de schending van de openbare orde die hij heeft begaan niet alsdusdanig een weigeringsbeslissing aangaande zijn vestigingsaanvraag impliceert, merkt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing niet in toepassing van deze bepalingen werd getroffen, doch wel in toepassing van art. 45 §7 van het K.B. dd. 8.10.1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Terwijl noch het arrest, noch de initieel bestreden administratieve beslissing, genomen werd in toepassing van artikel 8 EVRM. Bij lezing van het verzoekschrift tot Cassatie stelt de verwerende partij vervolgens vast dat de argumentatie van verzoeker kennelijk gericht is tegen de feitelijke beoordeling van de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken en uit verzoeker meer bepaald kritiek als zou er door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onvoldoende een afweging zijn gemaakt van verzoekers belangen bij het komen tot de initieel bestreden beslissing. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken, wanneer deze zijn eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent en evenmin in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waar deze zijn taak als annulatierechter vervult. De Raad van State kan enkel over de rechtmatigheid van de hem voorgelegde uitspraak oordelen, doch het komt de Raad van State niet toe deze beoordeling over te doen en zelf een onderzoek in te stellen naar de juiste toedracht van de zaak. Aangezien verzoekers middel er in hoofdzaak toe strekt de feitelijke toedracht van de zaak ter beoordeling aan de Raad van State voor te leggen, dient het middel als niet- ontvankelijk te worden beschouwd, daar het feiten met recht vermengt. Aangaande artikel 8 EVRM, artikel dat de eerbiediging waarborgt van het recht op gezinsleven en de niet-inmenging van enig openbaar gezag bij de uitoefening van dat recht, laat de verwerende partij ondergeschikt nog gelden dat, in de gegeven omstandigheden, de niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker geen verboden inmenging vormt in de uitoefening door deze laatste van zijn recht op privé- en gezinsleven in de zin van dit verdragsartikel. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens neemt onder meer aan dat uit art. 8 EVRM niet kan worden afgeleid dat een vreemdeling er een staat toe kan verplichten om hem op zijn grondgebied te gedogen door het enkele feit te opteren voor een levensgezel die op dat grondgebied vermag te verblijven (cf. VAN DE PUTTE, M., "Straatsburg gaat vreemd. De vreemdeling in de jurisprudentie van de Straatburgse organen ", T.V.R. 1994,

(3), 12). Het is de verwerende partij toegelaten wetsontduiking tegen te gaan, en daartoe de nodige maatregelen te nemen. Bovendien werd reeds geoordeeld dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM de betrokken vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen, en dat een tijdelijke verwijdering om reden dat hij niet in het bezit is van die documenten dan ook geenszins strijdig is met dit verdragsartikel (zie XIV-30.004-4/9 R.v.St. nr 48.653, 20.07.1994, Arr. R. v. St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 42.039, 22.02.1993, Arr. R. v. St. 1993, z.p.) De beslissing houdende het zonder voorwerp verklaren van verzoekers vestigingsaan- vraag heeft inderdaad niet tot gevolg dat verzoeker van zijn gezin wordt gescheiden, doch enkel dat hij tijdelijk het land dient te verlaten met de mogelijkheid er terug te keren nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatige binnenkomst in het Rijk. Overigens benadrukt de verwerende partij dat art. 8, 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden uitdrukkelijk vermeldt dat een inmenging van het openbaar gezag met betrekking tot de uitoefening van het in art. 8, 1 vermelde recht is toegestaan wanneer deze nodig is ter vrijwaring van de nationale veiligheid en de openbare orde, voor het economische welzijn van het land, voor de vrijwaring van de orde, de preventie van strafrechterlijke inbreuken, de bescherming van de gezondheid en de moraal. of voor de verdediging van de rechten en vrijheden van derden. In casu is er sprake van een ernstige schending van de openbare orde, zoals ook in de oorspronkelijk bestreden beslissing terecht wordt opgemerkt. Verzoeker kan dit niet dienstig ontkennen en doet dit klaarblijkelijk ook niet. De verwerende partij merkt op dat art. 40 van de wet dd. 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen tot doel heeft een wettelijk kader te scheppen binnen hetwelk het in art. 8 EVRM vervatte recht kan worden uitgeoefend (zie ook Raad van State nr. 140.105 dd. 02.02.2005 en Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). Art. 8 EVRM staat een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet dan ook niet in de weg (zie ook Raad van State nr. 99.581 dd. 09.10.2001 en Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen nr. 1493 dd. 30.08.2007). De maatregel is voorzien bij Wet, dient een legitiem doel en werd noodzakelijk geacht in een democratische samenleving. De juiste verhouding werd in acht genomen. Het eerste middel van verzoeker kan niet worden aangenomen. 2.
  1. Betreffende een tweede middel van verzoeker: In een tweede middel beroept verzoeker zich op de vermeende schending van artikel 149 Grondwet en art. 39/64 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker acht de motiveringsplicht geschonden, daar het arrest geen toetsing maakt van de oorspronkelijk bestreden beslissing aan artikel 8 EVRM. Het bepaalde dat het bestaan van een strafrechterlijke veroordeling op zich niet volstaat, wordt niet geschonden door de initieel bestreden administratieve beslissing, gezien de ernst van de veroordelingen. Het is ook volstrekt overbodig de ernst ervan nader te omschrijven in de bestreden beslissing, gezien de evidentie. Zo stellen Ingrid Opdebeek en Ann Coolsaet in "Formele motivering van bestuurshan- delingen " dat "motieven die evident zijn moeten niet worden vermeld. In een beslissing tot het opleggen van een tuchtstraf moet niet worden uitgelegd waarom een feit een tuchtvergrijp is wanneer dit duidelijk is. De Raad van State aanvaardt dat motieven zo voor de hand liggend kunnen zijn dat ze niet om een uitdrukkelijke verwoording vragen. In dit geval moeten de motieven ook zonder dat ze formeel zijn meegedeeld aan de bestuurden bekend zijn, zodat zij niet geschaad kunnen zijn door het niet meedelen van de motieven." (211 p. 168) De verwijzing naar de feiten waarvoor verzoeker werd veroordeeld en de strafmaat spreken voor zich om de initieel bestreden administratieve beslissing en het arrest te onderbouwen. De gemachtigde van de federale Minister van Binnenlandse Zaken heeft geheel terecht vastgesteld dat betrokkene door zijn gedrag de openbare orde heeft geschaad. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vervolgens na kennisname van het strafrechte- lijk dossier en de aaneenschakeling van strafrechtelijke veroordelingen geoordeeld. XIV-30.004-5/9 Ten overvloede verwijst de verwerende partij naar een arrest met nr. 4275 dd. 29.11.2007 van de raad voor Vreemdelingenbetwistingen : "De vaststelling dat verzoeker de openbare orde heeft geschaad door het plegen van herhaalde inbreuken op de strafwet wordt niet betwist. Deze vaststelling vindt steun in het administratief dossier waaruit benevens de in de bestreden beslissing vermelde veroordelingen blijkt dat verzoeker talloze keren in aanraking kwam met de gerechtelij- ke autoriteiten en meermaals strafrechtelijke veroordelingen opliep. De in de bestreden beslissing weerhouden vaststelling is pertinent en afdoend en volstaat als motief om de vestigingsaanvraag afte wijzen. De overige door verzoeker aangehaalde redenen waaronder familiale redenen en integratieredenen doen hieraan niets af Uit de door verzoeker aangehaalde bepalingen blijkt niet dat de gemachtigde ambtenaar van de Minister van Binnenlandse Zaken de wettelijke verplichting heeft dergelijke belangenafweging te maken." Gelet op het voorgaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoekers tweede middel onontvankelijk is, minstens ongegrond.”; 2.
  2. Overwegende dat verzoeker repliceert: “
  3. REPLIEK OP DE MEMORIE VAN ANTWOORD Tegenpartij somt al de strafrechtelijke antecedenten van verzoeker op gedurende periode gaande van 1973 tot 29/06/04 op drie volle bladzijden, om eruit af te leiden dat in zijn arrest van 20/11/07, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een correcte toepassing gedaan heeft van art. 45 § 7 van het KB dd. 8/10/1981 en niet geen toepassing moest doen van art. 8 EVRM, en dat de Raad van State zich als administra- tieve cassatie rechter niet in de plaats mag stellen van de gemachtigde van de federale minister van Binnenlandse zaken wanneer deze zijn eigen beoordelingsbevoegdheid uitoefent, en evenmin in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waar deze zijn taak als annulatie rechter vervult. Verder stelt tegenpartij dat verzoekers middel er in hoofdzaak toe strekt de feitelijke toedracht van de zaak ter beoordeling aan de Raad van State voor te leggen. Niets is minder waar. Verzoeker herhaalt zijn twee middelen dat los staan van de feitelijke toedracht van de zaak, en verweet zowel aan de gemachtigde van de federale minister van Binnenlandse zaken als de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, de dwingende beschikkingen van openbare orde van art. 8 §1 EVRM gewoonweg naast zich gelegd te hebben, en ontweken te hebben. Het middel dient dus wel als ontvankelijk beschouwd te worden, daar het feiten met recht niet vermengt. De al dan niet noodzakelijk definitieve verwijdering van het grondgebied van verzoeker is een louter uitvoering van de bekritiseerde bestuurshandeling, en heeft geen invloed op de juridische beoordeling van de bestuurshandeling zelf. Verzoeker meent niet de Staat ertoe te verplichten om hem op zijn grondgebied te gedogen door het enkel feit te opteren voor een levensgezel die op dat grondgebied vermag te verblijven, doch stelt enkel dat de uitwijzingsbeslissing onwettelijk is omdat het niet getoetst is geweest aan de Europese verordeningen, art. 3 lid 2 van de Europese richtlijn 68/360, art. 10 en art. 3 lid 2 van de Europese richtlijn 73/148, art. 8 en art. 3 lid 2 van de Europese richtlijn 64/221 en art. 8/1 EVRM. Op blz. 8 van zijn memorie van antwoord stelt verweerder dat het hem toegelaten is wetsontduiking tegen te gaan, doch blijft in gebreke te preciseren waarin verzoeker precies wetsontduiking zou gepleegd hebben. Verder verwijst verweerder onterecht naar een rechtsspraak om eruit af te leiden dat een mogelijke toepassing van art. 8 EVRM de betrokken vreemdeling niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om het Rijk binnen te komen, terwijl in casu verzoeker wel in het bezit was van een attest van immatriculatie en een Bijlage 35 XIV-30.004-6/9 waaruit blijkt dat hij in het bezit was van de vereiste documenten om tijdelijk in België regelmatig te verblijven (zie stuk 5 en 14). Verweerder stelt bovendien ten onrechte dat het zonder voorwerp verklaren van verzoekers vestigingsaanvraag enkel tot gevolg heeft dat hij tijdelijk het land dient te verlaten met de mogelijkheid er terug te keren nadat hij zich in het bezit zal hebben gesteld van de nodige documenten voor een regelmatig binnenkomst in het Rijk, terwijl echter op verzoeker een ministerieel besluit tot terugwijzing dd. 1/02/89 berust met verbod terug in het Rijk te komen gedurende een lange periode van tien jaar. Tot slot verwijst verweerder opnieuw onterecht naar art. 8 § 2 EVRM, nu verzoeker precies tegenpartij en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijt de aangevoch- ten beslissing genomen te hebben zonder in achtneming van art. 8 EVRM. Verweerder meent dat het volstrekt overbodig is de ernst van de strafrechtelijke veroordelingen nader te omschrijven gezien de evidentie. Welnu deze stelling houdt geen steek, vermits het alles behalve evident is dat het meest recente strafrechtelijk vonnis van 29/06/04, waarbij hij slechts veroordeeld werd tot een werkstraf wegens bedreigingen, dat per definitie slaat op feiten die meer dan twee jaar oud waren, als voldoende actueel konden beschouwd worden ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing dd. 11/07/
  4. Het volstond dus niet louter te verwijzen naar een gedrag en naar de schade van de openbare orde, doch ook naar de actualiteit ervan, quod non in casu. De toetsing naar de actualiteit van het gevaar voor de openbare orde was in deze zaak meer dan vereist gelet op het gunstig advies uitgebracht door de Commissie van Advies voor Vreemdelingen op 6/07/05, Commissie die hem zoals het hoorde als een Europees onderdaan beschouwd heeft die geen actueel gevaar meer betekende. (zie stuk 2) Het vorig vonnis dateert van 30/09/02, dus meer dan vier jaar oud, waarbij hij veroordeeld werd tot acht maanden gevangenisstraf. Volledigheidshalve, herneemt verzoeker hierna opnieuw alle argumenten en middelen die hij reeds ontwikkeld had in zijn verzoek tot nietigverklaring.”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij meent dat de motiveringsplicht is geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen weigert de bestreden beslissing te toetsen aan een mogelijke schending van artikel 8 van het E.V.R.M. en van de Europese richtlijnen; dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat de middelen gericht zijn tegen de feitelijke beoordeling van de zaak; dat de verzoekende partij kan worden bijgetreden waar zij stelt dat het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen niet automatisch betekent dat de vestiging dient te worden geweigerd; dat uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat de Minister van Binnenlandse Zaken verplicht is de vestiging te weigeren indien de vreemdeling strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen; dat uit artikel 43 van de Vreemdelingenwet, waarvan in casu in de eerste weigeringsbeslissing toepassing gemaakt werd blijkt dat de binnenkomst en het verblijf aan de E.G.-vreemdeling slechts “mogen” geweigerd worden om redenen van openbare orde, van nationale veiligheid of van volksgezondheid en zulks binnen bepaalde perken; dat uit deze bepaling blijkt dat de Minister geenszins verplicht is om de vestiging te weigeren en een verwijderingsmaatregel te nemen indien er een strafrechtelijk vonnis is uitgesproken; dat ook uit het door de verzoekende partij aangehaalde artikel 8 van het E.V.R.M., dat vereist dat er afweging tussen de inbreuk op de openbare orde en het gedrag van de vreemdeling wordt gemaakt alvorens XIV-30.004-7/9 een inbreuk op het privé- en gezinsleven is toegestaan, blijkt dat er geen automatisme bestaat tot het weigeren van de toelating of verblijf op het grondgebied indien de vreemdeling een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen; dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt overwogen dat de verzoekende partij geen belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing aangezien de minister van Binnenlandse Zaken opnieuw zou moeten rekening houden met de strafrechtelijke veroordelingen die zij opliep; dat de schending van de motiveringsplicht kan worden aangenomen; dat de middelen gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  6. Vernietigd wordt het arrest nr. 3815 van 20 november 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  7. Dit arrest zal in de registers van voormelde Commissie worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing. Artikel
  8. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-30.004-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien oktober tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.004-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.076 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ORD.1.977 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.