← België

Arrest 187093 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.093 Rolnummer: A. 100296/X-10128 Zaak: Arrest 187093 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-22 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:42 Fiche Arrest nr 187.093 van 15 oktober 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.093 van 15 oktober 2008 in de zaak A. 100.296/X-10.

  1. In zake : de gemeente DILBEEK, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente DILBEEK op 9 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 2000 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de administratie Wegen en Verkeer de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van zendmasten geschikt voor vier operatoren op de sites “1 (Meise), 2 (Ranst), 4 (Dilbeek), 5 (Machelen), 7 (Aalter), 8 (Laarne), 9 (Destelbergen), 10 (Antwerpen), en 12 (De Pinte)”, en waarbij het besluit van 16 oktober 2000 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de administratie Wegen en Verkeer de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van 12 zendmasten voor vier operatoren op onder meer dezelfde locaties, wordt ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 20 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.128-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De administratie Wegen en Verkeer dient bij AROHM een bouwaanvraag in voor het oprichten van twaalf gsm-masten, geschikt voor vier gsm- operatoren. De aanvraag heeft betrekking op gronden gelegen te Meise (site 1), Ranst (site 2), Hechtel-Eksel (site 3), Dilbeek (site 4), Machelen (site 5), Kruibeke (site 6), Aalter (site 7), Laarne (site 8), Destelbergen (site 9), Antwerpen (site 10), Merelbeke (site 11) en De Pinte (site 12). Wat de site 4 betreft, heeft de aanvraag betrekking op een perceel gelegen aan de Brusselse Ring (RO), tussen de André Waucquezlaan en de Sint-Antoniuslaan, te Dilbeek. Deze aanvraag beoogt de vervanging van een tijdelijke zendmast door een definitieve zendmast. X-10.128-2/12 1.
  5. Het bestreden besluit stelt dat het voornoemde perceel overeenkomstig het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, in woongebied is gelegen. 1.
  6. Tijdens het openbaar onderzoek worden verschillende bezwaarschriften ingediend, waarbij er onder meer wordt op gewezen dat het kwestieuze perceel in een bufferzone is gelegen. 1.
  7. Op 25 september 2000 verstrekt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek het volgende ongunstig advies : “De aanvraag wordt rekening houdend met het resultaat van het openbaar onderzoek en na bespreking van de eventuele bezwaren, ongunstig geadviseerd gelet op : - de ligging in een bufferzone - de ingediende bezwaarschriften die weerhouden worden als gegrond”. 1.
  8. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar verleent op 16 oktober 2000 de gevraagde stedenbouwkundige vergunning, maar omwille van een nieuw onderzoek van de site Hechtel-Eksel (site 3), naar aanleiding van een verzoekschrift tot schorsing bij de Raad van State, beslist de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 11 december 2000 om de stedenbouwkundige vergunning van 16 oktober 2000 in te trekken en een nieuwe stedenbouwkundige vergunning af te leveren. Dit is het bestreden besluit, dat, wat de site 4 betreft, als volgt is gemotiveerd : “Site 4 De aanvraag betreft de oprichting van een zendmast te Dilbeek geschikt voor 4 operatoren. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium en het Bestuur van de Luchtvaart brachten een gunstig advies uit (...) Volgens het gewestplan is de aanvraag gelegen in woongebied. De aanvraag is niet strijdig met deze bestemming. De mast neemt slechts een zeer beperkte oppervlakte in. De mast zou ook ten dienste staan van de gebruikers van de nabijgelegen autosnelweg en kan als noodzakelijke nevenuitrusting van de snelweg beschouwd worden. De aanvraag is gelegen aan de RO. De voorziene inplantingsplaats van de GSM pyloon bevindt zich op een bebost perceel met houtopslag. Door deze beplanting en de bestaande wegeninfrastructuur met aanhorigheden (verlichting, signalisatie) is de impact van de pyloon op de woonomgeving zeer gering. De aanvraag wordt derhalve goedgekeurd mits de toegang niet verhard wordt, tenzij eventueel met grind/kiezel mits de mast groen geverfd wordt, om de integratie in de omgeving te verzekeren. Deze vergunning gaat uit van het feit dat voor de aanvraag niet ontbost moet worden. Als er toch ontbossing noodzakelijk is, dient hiervoor een aparte vergunning te worden verkregen. Gelet op de op het terrein aanwezige beplanting is de hinder voor de X-10.128-3/12 omwonenden gering en aanvaardbaar. Het ontwerp van de mast is, in overleg met de Vlaamse bouwmeester, zo opgemaakt dat hij een accent in de buurt kan vormen en niet storend hoeft over te komen. Het ongunstig advies van de gemeente Dilbeek en de bezwaarschriften kunnen dan ook niet worden bijgetreden”. 1.
  9. Na het verlenen van het bestreden besluit, tekent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dilbeek nog het volgende bezwaar aan bij Vlaams minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media : “De argumenten uitgebracht door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, geven op onvoldoende wijze een antwoord op het ongunstig advies van de gemeente en op de bezwaren van de omwonenden : - de inplanting in woongebied. De zendmast wordt ingeplant in bufferzone (waarin geen bouwvergunningen kunnen toegestaan worden) - de beperkte grondinname. De zendmast is inderdaad niet of nauwelijks hinderlijk door de ingenomen grondoppervlakte van de zendmast zelf, wel door de noodzakelijke toegangsweg (in geval van Dilbeek een weg van min. 4 m breed door een bebost gebied) en door de hoogte van de mast - beperkte toename van hinder omwille van de reeds bestaande aanwezigheid van de RO. De RO is op de voorziene plaats ingegraven en van de omgeving gescheiden door een beboste, hoge berm, waardoor zowel de geluidshinder als de visuele hinder door verlichting en signalisatie tot een minimum beperkt zijn. De inplanting van een zendmast op deze berm doorbreekt het bestaande groenscherm, zodat niet alleen de (visuele) hinder van de pyloon er is, maar ook de hinder van de bestaande wegeninfrastructuur toeneemt. - een noodzakelijke nevenuitrusting van de snelweg. Dit statement gaat ervan uit dat het merendeel van de gebruikers van de snelweg over een toestel voor mobiele telefonie beschikt. Gelieve de praatpalen aan de praat te houden voor alle overige snelweggebruikers. - de vergunning voor het ontbossen van het gebied. Rekening houdend met de aanvraag die betrekking heeft op de vervanging van een tijdelijke pyloon door een definitieve zendmast, is het zo dat bestaande ontbossing reeds gebeurd is zonder dat hiervoor de nodige vergunningen verkregen zijn, aangezien voor de tijdelijke masten geen bouwvergunning doch slechts een melding noodzakelijk was. Wij kunnen als college van burgemeester en schepenen slechts stellen dat onze bekommernis bij de melding van de tijdelijke zendmast bewaarheid geworden is, namelijk dat het moeten aanvaarden van de inplanting van een tijdelijke installatie de goedkeuring van een definitieve inplanting beïnvloedt, en dat wij gewoon voor voldongen feiten geplaatst worden.”.
  10. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  11. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift enkel belang te hebben ten aanzien van de vergunning voor de site 4 in Dilbeek en laat het aan de wijsheid van de Raad van State over om het gehele besluit dan wel enkel de vergunning voor site 4 te vernietigen. X-10.128-4/12 2.
  12. Aangezien de verzoekende partij zelf stelt enkel belang te hebben bij het bestrijden van de vergunning voor de site 4 in Dilbeek en dit gedeelte van de vergunning van de rest afscheidbaar is, dient het belang van de verzoekende partij bij het annulatieberoep tot het eerst genoemde deel van de vergunning te worden beperkt.
  13. De gegrondheid van het beroep 3.
  14. Standpunt van de partijen 3.1.
  15. In een eerste en een tweede middel voert de verzoekende partij het volgende aan : “IV.
  16. EERSTE MIDDEL IV.1.
  17. Omschrijving van het eerste middel Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, zoals gecoördineerd op 22.10.1996 en artikel 14 van het K.B. d.d. 28.12.1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp - en gewestplannen en het K.B. van 07.03.1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse IV.1.
  18. Toelichting Krachtens artikel 2 van het coördinatiedecreet van 22.10.1996 hebben gewestplannen bindende kracht. In casu wordt door verzoekende partij betwist dat het perceel waarop de stedenbouwkundige vergunning is toegestaan, gelegen is in woongebied, zoals in het bestreden besluit gesteld. Op basis van de stukken die verzoekende partij bezit, kan niet nagegaan worden of de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning de zoneringsgegevens van het goed in de aanvraag (juist) heeft vermeld. Vermoedelijk is dit niet gebeurd wat op zich reeds een inbreuk is op artikel 7.2/ van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning. Krachtens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse is het perceel gelegen in bufferzone. (...) Artikel 14 van het KB d.d. 28.12.1972 stelt dat de bufferzones in hun staat dienen bewaard te worden of als groene ruimte dienen ingericht te worden om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die (...) ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden. In de onmiddellijke omgeving van de geplande zendmast is er een bos, zoals duidelijk blijkt uit de bouwaanvraag en de daarin bijgebrachte foto's. Dit bos dient om de Ring om Brussel (R 0) te scheiden van de woonzone in de A. Wacquezlaan en de Sint-Antoniuslaan. Een zendmast voor 4 GSM-operatoren kan derhalve niet vergund worden in die bufferzone omdat zij in strijd is met artikel 14 van het inrichtingsbesluit. In een bufferzone mag er niet worden gebouwd (...) IV.
  19. TWEEDE MIDDEL IV.2.
  20. Omschrijving van het middel Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 19 in fine van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting X-10.128-5/12 en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en het motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel. IV.2.
  21. Toelichting * Artikel 3 van de Motiveringswet vereist in casu dat de vergunning de aan de onmiddellijke omgeving ontleende feitelijke gegevens aangeeft die op afdoende en pertinente wijze aantonen dat de zendmast verenigbaar is met deze omgeving. Uit de bestreden vergunning blijkt dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar niet op de hoogte is van de feitelijke toestand in de onmiddellijke omgeving van het perceel dat voorwerp is van de vergunning. Derhalve is de motivering in feite onjuist, minstens niet afdoende en pertinent. Nochtans is die vermelding van de concrete feitelijke gegevens een zeer belangrijke verplichting. (...) Bovendien kan krachtens artikel 19 in fine van het inrichtingsbesluit een vergunning maar afgeleverd worden voor zover de handelingen en werken verenigbaar zijn met de goede plaatselijke ordening. * In de stedenbouwkundige vergunning wordt de bestemming van het perceel onjuist weergegeven. De gewestelijke stedenbouwkundig ambtenaar zegt - ten onrechte - dat het gelegen is in woongebied. Deze motivering is onjuist en nochtans een decisief motief. In de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek zijn binnengekomen is erop gewezen dat het perceel in bufferzone lag. Ook heeft de gemeente Dilbeek in haar ongunstig advies van 25/09/2000 duidelijk gesteld dat het perceel gelegen was in bufferzone. Dit werd nog eens herhaald in een brief van 6/11/2000 (...) Blijkbaar heeft de vergunningverlenende overheid de bestemming op het gewestplan niet eens bekeken en is zij ook niet eens ter plaatse geweest; anders had zij duidelijk kunnen zien dat er in casu geen woongebied is. Dit getuigt zeker van een onzorgvuldige dossierbehandeling. * In de motivering wordt enerzijds gesteld dat de voorziene inplantingsplaats gelegen is op een bebost perceel met houtopslag. Het voorwerp van de vergunning is een zendmast die geplaatst wordt op een betonnen oppervlakte van 10 meter op 10 meter en waarrond nog constructies moeten opgebouwd worden en waarnaar een toegangsweg van 4 meter breedte loopt. De vergunningverlenende overheid aanvaardt in die omstandigheden dan ook ten onrechte dat de aanvraag uitgaat van het feit dat voor de aanvraag niet ontbost moet worden. Trouwens de foto's bij de bouwaanvraag wijzen erop dat er al deels ontbost is. * Het motief dat de zendmast maar een beperkte oppervlakte inneemt wat een eventueel storende impact minimaliseert, is misleidend en wordt ruimschoots ontkracht doordat die zendmast een hoogte heeft van 42,9 meter en dat een toegangsweg is voorzien van 4 meter breedte (lengte wordt door de aanvrager niet vermeld, doch bedraagt bijna 180 meter) door bebost gebied . Over die hoogte wordt in de bestreden vergunning weinig gezegd, tenzij dan dat hij een accent in de buurt kan vormen. Er is zeker niet aangetoond dat dergelijke hoogte verenigbaar is met de plaatselijke toestand. De bestaande bomen zijn geen 25 meter hoog, zoals verkeerdelijk (misleidend) in de aanvraag wordt gezegd. De meeste bomen zijn een 15 à 20 tal meter hoog. Die bomen beletten helemaal niet het zicht op een 42,9 meter hoge zendmast, of hij nu groen wordt geschilderd of niet. Daarmee wordt de verenigbaarheid met de plaatselijke toestand zeker niet verantwoord. Bovendien hebben de bomen gedurende de helft van het jaar geen bladeren, zodat het ‘geen dicht groenscherm’ is. X-10.128-6/12 De Ring om Brussel is in de onmiddellijke buurt van de geplande zendmast ingegraven en van de omgeving gescheiden door een beboste, hoge berm waardoor zowel de geluidshinder als de visuele hinder door verlichting en signalisatie beperkt zijn tot een minimum. De inplanting van de zendmast en de aanleg van de toegangsweg doorbreekt het bestaande groenscherm en stoort ontegenzeggelijk de ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving. De zendmast is daarmee niet verenigbaar. Nochtans moet de vergunningverlenende overheid in haar oordeel over de toelaatbaarheid van een bouwvergunning afwegen of de geplande bouwwerken verenigbaar zijn met de bestemming van het gebied waarin het perceel gelegen is, de goede plaatselijke aanleg, de schoonheidswaarde van het landschap, de goede ruimtelijke ordening in het algemeen, het nabuurschap, enz. (...). * Tijdens het openbaar onderzoek zijn er drie bezwaarschriften (...) ingediend, waaronder één dat mee getekend is door 54 andere personen. Die bezwaren zijn ondersteund door het negatief advies van de gemeente Dilbeek (...) en de uitgebreide brief aan Minister van Mechelen (...). In de bestreden beslissing worden die bezwaren niet, minstens niet afdoende en pertinent, weerlegd. Uit de vergunning moet blijken dat de ingediende bezwaren werden onderzocht (...) Kortom, de hiervoor aangehaalde elementen tonen aan dat de bestreden vergunning niet afdoende en onjuist gemotiveerd is. De handelswijze van en de verkeerde omschrijving van de plaatselijke toestand door de overheid getuigen van een onzorgvuldig bestuur dat zonder juiste kennis van de zaak tot een verkeerde beslissing gekomen is, daarin weliswaar deels misleid door het bouwaanvraagdossier. De in dit middel aangehaalde bepalingen zijn geschonden”. 3.1.
  22. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord op het eerste en het tweede middel wat volgt : “6.
  23. EERSTE MIDDEL: vermeende schending van artikel 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en artikel 14 van het KB d.d. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- en gewestplannen en het KB van 7 maart 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. De verzoekende partij houdt voor dat ‘op basis van de stukken die verzoekende partij bezit, kan niet nagegaan worden of de aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning de zoneringsgegevens van het goed in de aanvraag (juist) heeft vermeld. Vermoedelijk is dit niet gebeurd wat op zich reeds een inbreuk is op artikel 7.2/ van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning.’ Omdat de bindende bestemming van het gewestplan niet zou zijn gerespecteerd houdt de verzoekende partij voor dat de vergunning de dwingende bepalingen zou schenden. GSM installaties zijn installaties van openbaar nut in de zin van artikel 127 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Bovendien opteerde het Vlaamse Gewest voor een gecoördineerde aanpak van de plaatsing van GSM-masten, die later door één of meer van de respectievelijke operatoren zouden worden gebruikt op enkele strategische locaties. Er zijn m.a.w zowel feitelijk als juridische redenen voor het afleveren van de vergunning door de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar. De gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar heeft hierbij de nodige zorg aan de dag gelegd en de voorgeschreven adviezen ingewonnen met inbegrip van dat van de gemeente Dilbeek, verzoekende partij. X-10.128-7/12 In haar verzoekschrift stelt de verzoekende partij dat ze op basis van de stukken in haar bezit niet kon nagaan of de aanvrager de zoneringsgegevens correct heeft vermeld. De verzoekende partij erkent hiermee, als overheid die op het gebied van stedenbouwkundige vergunningen beslissingsbevoegdheden heeft, bij het formuleren van haar advies, niet de moeite te hebben gedaan de aanvraag van de administratie der wegen voldoende ernstig te hebben onderzocht. In plaats van zonder meer te stellen dat de aanvraag gelegen zou zijn in een bufferzone, had de gemeente Dilbeek aan de aanvrager bijkomende inlichtingen kunnen vragen om met volle kennis van zaken een advies te geven, of in haar advies had ze minstens kunnen preciseren dat ze over onvoldoende gegevens beschikte om stelling te kunnen innemen. Zoals uit het administratief dossier blijkt is er geen enkele reden om aan de bestemming van het betrokken perceel te twijfelen en is de aangevochten beslissing volledig in overeenstemming met de dwingende voorschriften van het betrokken gewestplan. Het eerste middel is derhalve ongegrond. 6.
  24. TWEEDE MIDDEL: vermeende schending van artikel 3 van de wet van 19 (lees : 29) juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 19 in fine van het KB van 28 december 1972 betreffende de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen en het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij houdt ten onrechte staande dat de aan de onmiddellijke omgeving ontleende feitelijke gegevens noch op afdoende noch op pertinente wijze aangeven dat de zendmast verenigbaar is met de omgeving. De gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar zou de feitelijke toestand niet kennen. Naast de verkeerde bestemming zou hij ook de feitelijke toestand verkeerdelijk hebben omschreven in de motivering van zijn beslissing. Tenslotte zouden de bezwaren van zowel de verzoekende partij als van inwoners onvoldoende zijn weerlegd. Wat de bestemming betreft volstaat het te verwijzen naar de tegenstrijdige houding van de verzoekende partij zoals die blijkt uit de bespreking van het eerste middel. Wat de andere feitelijke gegevens betreft verwart de verzoekende partij de aanvraag en de formele motivering van de aangevochten beslissing. Enkel de weerhouden motieven zijn doorslaggevend om de beslissing te schragen. Wat het bebost karakter betreft negeert de verzoekende partij zowel de formele motivering als het beschikkend gedeelte van de beslissing. Wat de motivering betreft worden in het bijzonder volgende bewoordingen herhaald: ‘De aanvraag wordt derhalve goedgekeurd mits de toegangsweg niet verhard wordt, tenzij eventueel met grind/kiezel en mits de mast groen geverfd wordt, om de integratie in de omgeving te verzekeren. Deze vergunning gaat uit van het feit dat voor de aanvraag niet ontbost moet worden. Als er toch ontbossing noodzakelijk is, dient hiervoor een aparte vergunning te worden verkregen.’ De werken zullen uitmaken of er effectief ontbost moet worden. De vergunning is echter in dit verband ondubbelzinnig. Voor ontbossing moet een aparte vergunning worden gegeven. Bij het afleveren van de vergunning heeft de vergunningverlenende overheid wel degelijk de door de verzoekende partij opgeworpen hinder onderkend, en heeft ze zoals verzoekster eraan herinnert deze hinder afgewogen aan de bestemming van het gebied, de goede plaatselijke aanleg, de schoonheidswaarde van het landschap, de goede ruimtelijke ordening in het algemeen, het nabuurschap. Als aanhorigheid van de Ring rond Brussel; als centrale zendmast met een ontegensprekelijk algemeen nut wegen de nadelen hoegenaamd niet op tegen de voordelen. X-10.128-8/12 De verzoekende partij meent haar standpunt vergeefs kracht bij te zetten door te verwijzen naar drie bezwaarschriften die ze heeft onderschreven. Verzoekster is hierbij echter zelf in gebreke gebleven haar advies conform artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen uitdrukkelijk en afdoende te motiveren. De verzoekende partij laat in haar advies na te zeggen waarom het de bezwaarschriften onderschrijft of geeft minstens geen afdoende redenen om deze bezwaren in te willigen. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij stelt is wel degelijk rekening gehouden met de ingediende bezwaren en is op een afdoende manier in de beslissing melding gemaakt van een concrete belangenafweging. Het tweede middel is bijgevolg ongegrond”. 3.1.
  25. De verzoekende partij dupliceert in haar memorie van wederantwoord met betrekking tot haar eerste en tweede middel wat volgt : “III.
  26. Betreffende het eerste middel Verwerende partij stelt dat de aangevochten beslissing volledig in overeenstemming is met de dwingende bepalingen van het betrokken gewestplan en dat verzoekende partij onvoldoende gegevens heeft verzameld om de aanvraag van verwerende partij ernstig te kunnen onderzoeken. Verzoekende partij handhaaft haar stelling dat uit het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde blijkt dat het perceel gelegen is in de bufferzone dewelke ofwel dient te worden bewaard ofwel als groen(e) ruimte moet worden ingericht om te dienen als overgangsgebied. (...) Niet alleen verzoekende partij zelf maar eveneens particulieren stellen zich met recht en reden de vraag omtrent de planologische toelaatbaarheid van de zendmast op het perceel. Zo stellen onder meer : - De heer en mevrouw (...) : ‘Ik denk, eveneens, dat de grond waar de mast moeten staan, in een onbebouwbare zone ligt.’ (...) - De heer en mevrouw (...) : ‘O. i. is bedoelde grond parkzone/buffergebied’ (...) Verzoekende partij stelt eveneens vast dat verwerende partij zich eveneens vergenoegt met te stellen dat de gegevens wijzen op een ligging in woongebied daar waar zij als overheid dient te motiveren op welke gronden er wordt voorbijgegaan aan het ongunstig advies van verzoekende partij op grond van (onder meer) de ligging in een bufferzone en aan de opmerkingen van de bezwaarindieners. Deze motivering omtrent het planologische element werd niet geleverd zodat verzoekende partij zich eveneens de vraag stelt met welke ‘ernst’ het dossier werd onderzocht op het niveau van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar rekening houdende met de strengere motiveringsplicht betreffende afwijking van adviezen en bezwaren naar aanleiding van openbaar onderzoek. Derhalve is de bestreden beslissing door het vergunnen van een zendmast in de bufferzone in strijd met de dwingende voorschriften van het betrokken gewestplan. (artikel 2 Decreet Ruimtelijke ordening 22.10.1996 en artikel 14 van het Inrichtingsbesluit van 28.12.1972) Het eerste middel is derhalve gegrond. II.
  27. Betreffende het tweede middel * Verzoekende partij is van oordeel dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de bestemming van het perceel onjuist heeft weergegeven hetgeen een onjuist feit is dat de beslissing tot toekenning van de vergunning niet afdoende grondt. X-10.128-9/12 Verwerende partij stelt eenvoudig dat zij verwijst naar de tegenstrijdige houding van de verzoekende partij zoals die zou blijken uit de bespreking van het eerste middel. Verzoekende partij ziet geen tegenstrijdigheid in haar eigen standpunt en er wordt er ook geen aangetoond. Verzoekende partij merkt echter wel een onzorgvuldigheid in de verzameling van de feiten door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Verzoekende partij verwijst voor de weerlegging van het standpunt van verzoekende partij naar de bespreking van het eerste middel in deze memorie van wederantwoord. * Verwerende partij stelt dat de nadelen van de zendmast niet opwegen tegen het voordeel van een centrale zendmast als aanhorigheid aan de ring rond Brussel o.w.v. het algemeen nut. Verwerende partij geeft derhalve in haar memorie van antwoord zelf toe dat er ‘nadelen’ zijn aan de inplanting van de zendmast. De nadelen waarvan sprake kunnen worden samengevat als volgt : mogelijk ontbossing in een bufferzone, de hoogte van 42, 9 meter van de zendmast, een verharde toegangsweg van 180 meter lang en 4 meter breed in een bufferzone door bebost gebied, de ontmanteling van de beboste hoge berm dewelke een groenscherm vormt tegen de ring rond Brussel door inplanting van de mast op een oppervlakte van 100 m² en het aanleggen van een toegangsweg op een oppervlakte van 720 m² hetgeen toenemende geluidshinder en visuele hinder zal genereren. De afweging tussen het genoemde voordeel en (...) de nadelen werd niet op afdoende wijze uitgevoerd in de bestreden beslissing van de stedenbouwkundige ambtenaar. Verzoekende partij is niet van oordeel dat het voordeel als ‘neveninstallatie van de ring rond Brussel’ kan opwegen tegen de voornoemde nadelige gevolgen. Dit is geen correcte belangenafweging. *Verwerende partij stelt dat verzoekende partij tevergeefs verwijst naar de drie bezwaarschriften aangezien zij niet gemotiveerd heeft waarom het deze onderschrijft en inwilligt. Dit zou een schending van artikel 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen uitmaken. Verzoekende partij wijst ten eerste op het feit dat het advies van het College van Burgemeester en Schepenen in deze materie een niet-bindend advies betrof, hetgeen geen rechtshandelingen uitmaken die formeel moeten worden gemotiveerd. De stedenbouwkundige ambtenaar is immers niet gebonden en niet beperkt in zijn beoordelingsvrijheid door het verstrekte advies van verwerende partij. Verzoekende partij wijst voor zoveel als nodig op het feit dat planologische onverenigbaarheden bij aflevering van stedenbouwkundige vergunningen als motief kunnen volstaan aangezien deze motieven van stedenbouwkundige aard het voornaamste zijn. Verzoekende partij stelt bovendien dat (...) wanneer de weigering van de bouwvergunning afdoende wordt gemotiveerd door te verwijzen naar de stedenbouwkundige bestemming van het gebied de andere argumenten zelfs niet meer onderzocht moeten worden. Verzoekende partij heeft ter motivering verwezen naar de ligging van het perceel in de bufferzone en heeft wat dat betreft de vereiste motiveringsverplichting nageleefd. Verzoekende partij heeft ter ondersteuning van haar standpunt zich de inhoud eigen gemaakt van de bezwaren van de omwonenden na openbaar onderzoek. X-10.128-10/12 Verzoekende partij heeft derhalve de ingediende bezwaren onderzocht en heeft zich in verband met de bezwaren uitgesproken in de beslissing door ze aan te nemen als grond voor het ongunstig advies. * Het derde middel is derhalve gegrond”. 3.
  28. Bespreking 3.2.
  29. Gelet op de samenhang tussen het eerste en het tweede middel, is het aangewezen om deze middelen gezamenlijk te bespreken. 3.2.
  30. In de beide middelen betoogt de verzoekende partij dat het kwestieuze perceel overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 28 december 1972 vastgesteld gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse in een bufferzone is gelegen en het bestreden besluit voor dit perceel verkeerdelijk van een ligging in woongebied is uitgegaan. 3.2.
  31. Uit de stukken van het dossier met name het inplantingsplan gevoegd bij de aanvraag, het gewestplan en een middenschalige kleurenorthofoto van het perceel blijkt dat de door de verwerende partij aangenomen situering van het kwestieuze perceel in woongebied allerminst evident is. Tijdens het openbaar onderzoek werd aangevoerd dat het perceel in een bufferzone is gelegen. De verwerende partij heeft er zich in het bestreden besluit toe beperkt om, zonder nadere motivering, te poneren dat het kwestieuze perceel in woongebied is gelegen. Ook in de voorliggende procedure brengt de verwerende partij geen enkel stuk naar voor waaruit blijkt dat het perceel in woongebied is gelegen. Hoewel het auditoraatsverslag besloot tot de gegrondheid van het desbetreffend middelonderdeel, heeft de verwerende partij ook geen laatste memorie ingediend. In het licht van deze gegevens is niet aangetoond dat het bestreden besluit terecht het betreffend perceel in woongebied heeft gesitueerd. De middelen zijn in die mate gegrond. X-10.128-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  32. Vernietigd wordt het besluit van 11 december 2000 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar in zoverre aan de administratie Wegen en Verkeer de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een zendmast op de “site 4 (Dilbeek)”. Artikel
  33. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien oktober 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.128-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.