← België

Arrest 187102 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 oktober 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.102 Rolnummer: A. 189903/XII-5574 Zaak: Arrest 187102 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/10/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:42 Fiche Arrest nr 187.102 van 15 oktober 2008 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 187.102 van 15 oktober 2008 in de zaak A. 189.903/XII-

  1. In zake : de GEMEENTE DAMME, die woonplaats kiest bij advocaat P. Bekaert, kantoor houdende te Tielt, Hoogstraat 34 tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST,
  3. de BEROEPSCOMMISSIE VOOR TUCHTZAKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat T. De Sutter, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : Marc TEERLYNCK, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 6, bus
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de stad Damme op 3 oktober 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 23 september 2008 waarbij de Beroepscommissie voor tuchtzaken “zegt dat er geen decretale gronden zijn om tot preventieve schorsing met inhouding van salaris van Marc Teerlynck over te gaan voor de periode van 23 mei 2008 tot en met 22 september 2008”; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 oktober 2008, om 11.00 uur; Gezien het op 10 oktober 2008 ingediende verzoekschrift waarbij Marc Teerlynck vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; XII-5574-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. Bekaert, die verschijnt voor verzoekster, van advocaten T. De Sutter en E. De Vylder, die verschijnen voor de verwerende partijen, en van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. Weekers; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De gemeenteraad van de stad Damme beslist op 22 mei 2008 om stadssecretaris M. Teerlynck bij hoogdringendheid preventief te schorsen voor de periode van 23 mei 2008 tot en met 22 september 2008, met een inhouding van salaris van 10 %. Aanleiding tot de preventieve schorsing zijn onterecht ontvangen vacatie- en kilometervergoedingen. De burgemeester diende er op 15 mei 2008 bij het parket klacht voor in tegen de stadssecretaris. Na de stadssecretaris te hebben gehoord, bevestigt de gemeenteraad de preventieve schorsing, met de salarisinhouding, op 12 juni
  7. Op beroep ertegen van de stadssecretaris, beslist de Beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de Beroepscommissie) op 23 september 2008 dat “er geen decretale gronden zijn om tot preventieve schorsing met inhouding van salaris van Marc Teerlynck over te gaan voor de periode van 23 mei 2008 tot en met 22 september 2008”. Gemotiveerd wordt dat volgens artikel 131 van het gemeentedecreet maar tot een preventieve schorsing kan worden overgegaan als een strafrechtelijk of tuchtrechtelijk onderzoek loopt, dat de stad zich voor het opleggen van de preventieve schorsing alleen op een strafrechtelijk onderzoek steunt, en dat het neerleggen van een klacht bij het parket geen strafrechtelijk onderzoek is als bedoeld in het gemeentedecreet, “vermits een klacht op zich de strafvordering niet op gang brengt”. Dit is de bestreden beslissing. Sindsdien besloot de gemeenteraad, op 16 september 2008, de preventieve schorsing te verlengen voor de periode van 23 september 2008 tot en met 22 januari
  8. Over het beroep van de stadssecretaris, tegen die beslissing, heeft de Beroepscommissie nog geen uitspraak gedaan. XII-5574-2/7
  9. Verwerende partijen vragen dat enkel de Beroepscommissie als verwerende partij wordt aangeduid en dat het Vlaamse Gewest buiten de zaak wordt gesteld. Op het verzoek wordt niet ingegaan. Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat het Vlaamse Gewest als rechtspersoon terecht wordt betrokken als verwerende partij in het geding dat gericht is tegen een bestuurshandeling die van een van zijn organen uitgaat.
  10. Marc Teerlynck vraagt in de debatten te mogen tussenkomen. Het verzoek moet worden ingewilligd. Zijn belangen zijn onmiskenbaar bij de vordering betrokken.
  11. De verwerende partijen en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van de vordering. Evenwel dringen een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid van de vordering zich alleen op indien voldaan mocht zijn aan de grondvoorwaarden voor een schorsing, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is.
  12. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
  13. Naar verzoekster in het verzoekschrift met betrekking tot de tweede schorsingsvoorwaarde doet kennen, is voor haar ten gevolge van de bestreden beslissing “rebus sic stantibus dus niets meer mogelijk inzake preventieve schorsing”. Immers: “Waar de Commissie het eerste besluit vernietigt krachtens een motief dat elke verlenging per definitie uitsluit, dient deze oordeelsvorming van de Commissie geschorst te worden, zodat de onmogelijkheid van verlenging krachtens een juridisch niet correct motief, wordt voorkomen. En zodat voorkomen wordt dat elke verdere preventieve schorsing uitgesloten wordt”. Uit het bestreden besluit moet volgens verzoekster “zondermeer [...] worden afgeleid dat het nieuwe besluit van 16 september 2008 zal worden vernietigd, maar dat ook elke verdere preventieve schorsing niet XII-5574-3/7 meer mogelijk is”. Hierdoor “dient gewerkt te worden met een secretaris waaromtrent de gemeente duidelijk en geprononceerd de stelling heeft -minstens hic et nunc en rebus sic stantibus- dat werken onmogelijk is en tot onherstelbaar nadeel zou leiden”.
  14. De bestreden beslissing spreekt zich alleen uit over de preventieve schorsing van de stadssecretaris gedurende de periode van 23 mei 2008 tot en met 22 september
  15. Die periode is al helemaal verstreken. Dat was reeds het geval ten tijde van het instellen van de vordering. Als verzoekster de beslissing niettemin als een bron van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aanziet, dan is dat uitsluitend vanwege de zienswijze die de Beroepscommissie in de motieven van de beslissing hanteert - welke zienswijze, indien de Beroepscommissie haar aanhoudt, volgens verzoekster funest dreigt te zijn voor de beslissingen die zij intussen nam of in de toekomst zou wensen nog te nemen ter verlenging van de preventieve schorsing. Niet onterecht menen de verwerende partijen en de tussenkomende partij dat dit nadeel onvoldoende rechtstreeks teruggaat op de bestreden beslissing. Die beslissing betreft nu eenmaal -slechts- een preventieve schorsing voor de periode van 23 mei 2008 tot en met 22 september 2008 en zegt als zodanig niets over de preventieve-schorsingsbeslissing van 16 september 2008 voor de periode van 23 september 2008 tot en met 22 januari 2008, noch over beslissingen inzake de preventieve schorsing die nog niet eens genomen zijn.
  16. Bovendien mag betwijfeld worden of, zoals verzoekster beweert, uit de bestreden beslissing -vanwege de zienswijze die in de motieven wordt gehuldigd- zonder meer is af te leiden dat het nieuwe besluit van 16 september 2008 zal worden vernietigd. Per slot van rekening kan een preventieve schorsing tevens worden opgelegd -weliswaar niet worden verlengd- als een tuchtrechtelijk onderzoek loopt, blijkt verzoekster te dezen bij gemeenteraadsbesluit van 12 juni 2008 effectief een tuchtrechtelijk onderzoek te hebben ingesteld, en lijkt, gelet op de bestreden beslissing waarbij de preventieve schorsing van 23 mei 2008 tot en met 22 september 2008 ongedaan wordt gemaakt, het nieuwe besluit van 16 september 2008 zich bijgevolg in wezen voor te doen als de eerste oplegging van een preventieve schorsing. Derwijze dat het geenszins voor de hand ligt dat de Beroepscommissie, zélfs in de veronderstelling dat zij haar visie inzake de interpretatie van de term “strafrechtelijk XII-5574-4/7 onderzoek” handhaaft, ook met betrekking tot het meer vermelde nieuwe besluit van 16 september 2008 zal vaststellen dat de voorwaarden om tot preventieve schorsing over te gaan, niet vervuld zijn. Verwerende partij gewaagt in dit verband niet zonder reden van een “vooralsnog hypothetisch nadeel”.
  17. Voorts wordt met de tussenkomende partij meegegaan waar zij verzoekster tegenwerpt “geenszins op overtuigende wijze” aannemelijk te maken dat in voorkomend geval “het einde van de preventieve schorsing het belang van de dienst of het lopende tuchtonderzoek in gevaar brengt, laat staan op zulke wijze dat het een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt”. Met de tussenkomende partij wordt vastgesteld dat verzoekster het betrokken nadeel omschrijft “in de meest algemene bewoordingen”. Het volstaat niet dat verzoekster “duidelijk en geprononceerd” verklaart alleen maar te willen werken met “een secretaris die boven elke verdenking staat”, opdat er automatisch van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel sprake zou zijn wanneer die wens gedwarsboomd wordt. Laat het zich verstaan dat de verdenking tegenover de stadssecretaris wellicht niet zonder elk gevolg blijft voor het vertrouwen dat de gemeentenaren, het personeel, de gemeentelijke mandatarissen, derden, de betrokkene toedragen, in de huidige stand van de procedure maakt verzoekster niet geloofwaardig dat die weerslag zodanig is “dat werken onmogelijk is en tot onherstelbaar nadeel zou leiden”.
  18. Ten slotte kan de Raad van State er niet zomaar omheen dat, zoals partijen bevestigen, een klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter voldoende zou zijn opdat verzoekster, óók in de visie van de Beroepscommissie, een preventieve schorsing zou kunnen opleggen én verlengen, wanneer het belang van de dienst het vereist. Het is een klacht waarvan verzoekster zelf zegt dat hij maar weinig verschilt van de gewone klacht bij het parket die zij heeft neergelegd. Om niettemin geen dergelijke klacht met burgerlijke partijstelling in te dienen, wijst verzoekster ter terechtzitting op sommige financiële implicaties en de mogelijkheid van een vertragend effect. Noch het ene noch het andere lijkt een zodanige last of ongemak uit te maken dat niet tot de voorlopige vaststelling mag XII-5574-5/7 worden gekomen dat ogenschijnlijk verzoekster het zelf in de hand heeft om zonder veel moeite het door haar aangevoerde nadeel te pareren.
  19. Uit al het voorgaande wordt besloten dat verzoekster niet genoegzaam aantoont ten gevolge van -specifiek- de bestreden beslissing een nadeel te riskeren dat ernstig en moeilijk herstelbaar is. Aldus is aan tenminste een van de drie cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  20. Het verzoek tot tussenkomst van Marc Teerlynck in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  21. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  22. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-5574-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien oktober 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5574-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.187.102 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.219.475 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.706 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.